Getekend…

Twee tattoo’s gekocht, net na de middag op de kindermarkt. 25 eurocent per stuk. Ze werden vakkundig met een nat washandje aangebracht. De inzet en zorgvuldigheid waarmee dat gebeurde was bewonderenswaardig en vertederend. Een creatief idee van een viertal kids. Actief de boer op en de bezoekers aan de kindermarkt -toch weer duizenden in getal- iets aanbieden waardoor ze verrast, vertederd en vervolgens overtuigd werden om tot koop over te gaan.

Menigeen is zo vanmiddag ‘getekend’ voor het leven. In ieder geval toch voor de duur van deze zondag. Een zondag waarop ik me ook had voorgenomen om te schrijven. Over de afgelopen dagen en misschien wel over afgelopen woensdag. Zodoende ben ik later in de middag met iPad en zitkussen achter op de fiets vertrokken, naar een inspirerende plek in Horst. Eerste gedachte was om bij Trudy te gaan zitten, maar die plek was bezet door twee mensen. Toen ik daarna langs het water van de Kasteelse bossen fietste, wist ik het zeker dat ik over woensdag wilde schrijven. Over het afscheid van Maartje…

Het was druk op het strand. Er lagen mensen te zonnen. Maar het was lang niet zo druk als woensdagmiddag, toen de herdenkingsdienst van Maartje Truijen er werd gehouden. Ik kon daar zelf niet lijfelijk bij zijn maar een aantal indrukwekkende momenten heb ik op foto’s mogen zien. Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat er zo’n 750 personen aanwezig waren. Maartjes kist stond op de grens van water en zand.

Tijdens de dienst zwommen er zo nu en dan nietsvermoedend kinderen voorbij, vertelde mijn betrouwbare bron me. Spelend en plezier makend. Onverwacht toch helemaal passend bij de gelegenheid. En zeker passend bij Maartje, als ik de honderden en honderden reacties en condoleances op social media goed heb geinterpreteerd. Reacties, onder andere van haar collega’s van Spring Kinderopvang, waar ze werkte. Maar ook van heel veel ouders die al jarenlang hun eigen kinderen aan Maartjes goede zorgen toevertrouwden.

Als jonge mensen plotseling afscheid moeten nemen van het leven, dan ijlt het ongeloof nog heel lang na. Ongeloof over wat op een zwarte dag in één keer pijnlijk waar is geworden. Op het ene moment nog een gewaardeerde en waardevolle plek in dit leven, en dan -abrupt en zonder overgang- op het andere moment ‘elders’. Met niets daartussen, lijkt het. Net als zand en water op het strand. Voortdurend meebewegend met elkaar. Het zand laat het water niet los en omgekeerd.

Op de grens tussen zand en water. Het was de plek waar Maartje afscheid nam. Van iedereen daar op het strand. En zonder dat ze het zich bewust waren, ook van de spelende kinderen achter haar in het water. Van de mensen die links van haar op het strand van de zon genoten. Of tekeningen maakten in het zand. Net als vandaag. Ze nam afscheid door voortaan juist daar te zijn waar iedereen is. Zelfs bij hen die het niet weten. En zeker bij hen die haar nooit zullen vergeten. Elke dag opnieuw. Neemt ze afscheid en begroet ze. Tussen zand en water. Beweegt ze mee en laat ze niemand los. Verdrietig getekend voor het leven maar ook… verrast, vertederd en in eerbied daarvan overtuigd…

Voor Erwin, Job, Elle en Anne
en voor iedereen om Maartje heen

Tegenwind…

Vanochtend is Leon gecremeerd en vanmiddag ga ik naar de crematie van Tiny. Twee mensen die elkaar waarschijnlijk helemaal niet kenden, maar de cirkels van mensen om hen heen raken elkaar al snel. Op het snijpunt van twee van die cirkels bevind ik me. Bij de crematie van Leon was ik in gedachten aanwezig, vanmorgen tijdens het hardlopen. Ik moest er aan denken toen ik letterlijk de wind van voren voelde terwijl de zon op mijn rug scheen. Leon en Tiny. Een gedachte aan hen beiden die ik graag wil delen.

Leon ken ik van onze vriendenvolleybalclub waar hij jaren geleden ook lid van was. Tiny is de moeder van een collega van me. Tiny’s ziekteproces was er een van ups en downs. Leon is op zijn vakantieadres in elkaar gezakt en overleden. Hij dus heel plotseling, zonder enige aanleiding vooraf. En zij met een soort van gracieuze geleidelijkheid. Ik herinner me dat ik Tiny en haar man Mart vorig jaar nog heb mogen toezingen, op hun vijftig jarig huwelijksfeest. Dat was op 25 mei 2016. Toen 50 jaar getrouwd. Nu, zo’n anderhalf jaar later, al bijna 52 jaar.

In de Hallo staan de rouwadvertenties van Tiny en Leon naast elkaar. Ik zie dat Leon 52 is geworden. Het aantal jaren dat Mart en Tiny’s huwelijk bijna heeft geduurd. Wat een droevige dag moet het voor beide families zijn vandaag. Voor de ene familie een afsluiting van een ziekteproces, waarbij ze allemaal heel intensief betrokken waren. En voor de andere familie een begin van een periode waarop waarschijnlijk nog niemand zich ook maar enigszins op heeft kunnen voorbereiden. Onwaarschijnlijk. Onvermijdelijk.

Vanmiddag tonen we onze betrokkenheid bij het verdriet. Met mijn collega’s bezoek ik de crematie van Tiny. Meer mensen zullen daar zijn, want Tiny was een mensen-mens. De cirkels van alle mensen om haar heen zullen elkaar ongetwijfeld op meerdere punten raken. We zullen elkaar zien en in stilte de wederzijdse verbondenheid voelen. En ook vanmiddag zal de wind waaien. De zon zal schijnen, al dan niet achter de wolken.

Voor iedereen, maar vandaag speciaal voor Mart, Suzie en Veronique. En voor Monique, Rick en Melissa. Voor de familie, alle vrienden en bekenden. Voor iedereen. Even de wind van voor en de zon op de rug. Maar straks, als de wereld verder gaat en jullie de wind weer mee hebben, dan zul je zien, zal ook de zon haar warmte weer op ieders gezicht laten landen. En wie weet, hebben Tiny en Leon daar voortaan allebei wel hun aandeel in. 

Eikels…

In een rechte lijn ben ik naar de plek gefietst waar ik dit verhaal wil opschrijven. Nog geen besef van het onderwerp, maar wel van de plek waar het moet gaan ontstaan. Als ik voor me uit kijk zie ik dit:


En achter me een eikenboom die er waarschijnlijk al honderden jaren staat. 

De omvang van de boom wordt pas echt duidelijk wanneer je die in verhouding ziet met een alledaags gebruiksvoorwerp: een fiets. Vier van die fietsen zou je tegen die boom aan kunnen zetten en dan zouden ze elkaar volgens mij niet raken. Ik heb maar één fiets bij me, dus ik kan dat niet proefondervinderlijk onderbouwen. Maar evengoed..

Ik heb hier vaker gezeten en me verbaasd over de rust en -vooral door die boom- over de relativiteit van tijd. Net vandaag wandelen er twee dames voorbij. Ik hoor ze van links aankomen en pratend passeren ze de houten bank waarop ik zit. Bij één van hen bungelt een pasje aan haar broeksriem. Zo een waarmee we ook op mijn werk deuren, die electronisch gesloten zijn, kunnen openen. Ik vraag me af waar hier in de buurt dergelijke deuren te vinden zijn en realiseer me tegelijk dat de eeuwigheid van deze plek waarschijnlijk dichter bij de tijdelijkheid ligt dan me op dit moment lief is.

Dit moment. Op de bank lagen eikels toen ik er wilde gaan zitten. 

En in de korte tijd dat ik er zit, valt er zo nu en dan nog een uit de boom. In de verte krast een kraai. Opnieuw komt er een wandelaar over het pad dichterbij. Ook hij draagt zo’n pasje, valt me op als hij groetend voorbij loopt. Het is vrijdag, net middag. Een tijdstip waarop ook op mijn werk veel collega’s besluiten tot een middagwandelingetje. De (bijna) afgelopen drie weken van mijn vakantie heb ik ze vaak zien lopen, in groepjes of alleen. Vanaf mijn ‘vakantieplek’ op het terras een herkenbare, maar even nog een wat-verder-van-mij-liggende wereld.

Ik hoor een eikel in de boom op een tak vallen. In zijn weg naar beneden raakt hij nog een tak, wat bladeren en daarna de grond. Vier keer een tik, die elke keer net even wat anders klinkt. Het doet me denken aan een wiskundeproef van vroeger. Een schuin rechtopstaande bak, op regelmatige afstand volgetimmerd met spijkers, werd van bovenaf volgegoten met honderden knikkers. De kans dat één van die knikkers, stuiterend op de spijkers, uiterst links of uiterst rechts in de bak landt is kleiner dan de kans dat knikkers in het midden terechtkomen. Uiteindelijk zag je zo een Gauss-kromme ontstaan. Ik denk daarom niet dat ik een eikel op mijn hoofd krijg…

Wel een rupsje op mijn been, zie ik. Een half uur maak ik nu zelfgekozen deel uit van dit idyllische plekje en dat wordt door sommige ‘autochtonen’ blijkbaar als opvallend en onderzoekswaardig ervaren. Een wesp komt even een kijkje nemen. De wind waait door de struiken achter me en laag over het weilandgras voor me scheren zwaluwen kris kras voorbij. Heen en weer, steeds opnieuw. Rechts van me hoor ik ganzen snateren. Van die kant ook spelende kindergeluiden. Waarschijnlijk gasten van camping Landgoed de Gortmeule.

Het is lekker weer op mijn laatste vakantiedag. Blauwe lucht, witte en grijze wolken door elkaar heen. Bewogen door de wind die ook beneden af en toe zijn invloed laat gelden. Een eikel landt met een doffe tik vlak naast mijn schoen. Iets verderop ook twee. Oef… waar is Gauss als je hem nodig hebt.

Ik besluit het noodlot niet verder te tarten en verlaat deze mooie plek. Met een knik naar het kruis dat door honderdjarige takken wordt beschermd, ben ik klaar voor alles wat komen gaat. Ik kan niet anders. Want krijg ik ooit een eikel op mijn hoofd,  dan kan ik er maar beter van genieten…


Vakantievlucht…

Twee derde van de vakantie zit er op. Dit jaar ‘rundumhausen’. Prachtig weer tot nu toe en daarom regelmatig de terrassen op het mooie Wilhelminaplein bezocht. Daar tref je zo nu en dan je eigen dorpsgenoten, maar nog vaker toeristen die Horst aan de Maas als vakantieadres hebben uitgekozen. Goeie keus denk ik dan, nippend aan mijn cappuccino, of -als dat stadium al gepasseerd is- aan mijn Pauwel Kwak of halve liter Paulaner.

Met al die vakantiegangers om mij heen, is het eigenlijk best wel een contrast als een sporadische dorpsgenoot die ik op het terras tref, mij steevast de vraag stelt, of ik ‘al weg ben geweest’. Zelf is de persoon in kwestie net terug, of vertelt in geuren en kleuren naar welk ver oord hij zijn komende vakantie gaat doorbrengen. Het feit dat wij ‘niet weg gaan’ leidt in 99 van de honderd gevallen na een hele korte stilte tot de opmerking ‘dat dat ook eigenlijk helemaal niet hoeft’.

Ik beluister evenwel vaak een ietwat overdreven stelligheid als die opmerking gemaakt wordt. Soms is het de timing en de net wat teveel nadruk krijgende vanzelfsprekendheid in de klank van de stem, waardoor ik ga twijfelen. Niet zozeer aan onze zelfgekozen vakantie ‘rundumhausen’, maar meer aan de vakantieverhalen uit verre oorden. Zeker wanneer het argument ‘dat het er bijna niets kostte’ om de hoek komt kijken..

Was dan thuis gebleven, denk ik dan, dan had je nog meer bespaard. Onterecht, want ook een Pauwel Kwak of een Paulaner op het terras in Horst-Centrum krijg ik niet voor niks, maar toch. Over je vakantie vertellen en dan vooral enthousiast worden omdat je er voor tien euro met twee personen hebt gegeten en gedronken, ik krijg daar altijd een dubbel gevoel bij.

Dan heb je die mensen daar dus ook heel weinig laten verdienen, denk ik dan. Ook onterecht, want onze euro’s zijn in allerlei vakantielanden blijkbaar zeer gewild. Ook al zijn het er maar tien voor een twee-persoons warme maaltijd met drinken erbij. En geen gewone pilsjes! Nee, halve liters! En ijskoud! Dat is meestal het moment dat ik zelf weer een slok neem van mijn eigen koude Paulaner..

Ach, waar hebben we het eigenlijk over, denk ik dan ook wel eens. Onmachtig om met elkaar de echte problemen van de wereld op te lossen, houden we ons vooral bezig met onze eigen kleine ergernissen. Moet kunnen. Sterker nog, we doen het allemaal. Niks menselijks is ons vreemd. Maar toch is het zo nu en dan ook wel eens goed om jezelf niet als maat der dingen te nemen.

rania mustafa aliEn als je dan heel eerlijk bent, en op Facebook de korte documentaire van een vluchtende jonge vrouw uit de kapotgeschoten Syrische stad Kobane hebt gezien, dan moet je ook op twee derde van je vakantie concluderen dat al het menselijke ons misschien juist wel heel erg vreemd is geworden. Want evengoed is 10 euro voor een complete warme maaltijd niet duur en drinkt een Paulaner heerlijk weg. ‘Ga je nog weg?’, was de vraag? Nee, ik niet, dit jaar. Rania Mustafa Ali wel. En meer dan 3,5 miljoen mensen keken er naar en werden het opnieuw niet eens.

Bovenstaande column live voorgedragen in het radioprogramma Wört (Omroep Reindonk). Zoals altijd voorafgegaan en afgesloten door muziek. ‘Food in the belley’ van Xavier Rudd bij aanvang en ‘All is waiting’ van Jodymoon na afloop. Voor de liefhebber: klik hieronder.

 

Geen wedstrijd…

Ik weet het niet. Niet wat ik er over zou willen schrijven en niet wat ik er over zou willen zeggen. Die laatste situatie komt met regelmaat voor als er gesproken wordt over wat er zich in de wereld afspeelt. Obamacare al dan niet, Trump al dan niet, Poetin al dan niet, Van der Staay al dan niet, ISIS-terugkeerders al dan niet, een Nederlandse regering al dan niet. Vrouwen, mannen en voetbal al dan niet. Vrouwen en mannen überhaupt al dan niet. En zo zijn er nogal wat topics.

Gooi al deze zaken in een potje, schud er goed mee en laat alles er maar weer uitlopen. Je zult zien dat er een heleboel nieuwe combinaties uitkomen, uit dat potje nat. Van der Staay als fundamentalist, al dan niet (column van Leon Verdonschot), Nederlanderschap voor ISIS-spijtoptanten, al dan niet (vlog #19 van Ebru Umar). Trump er dankzij Poetin wel of niet (tegenstrijdige berichten in diverse media). Vrijwillige levensbeëindiging bij ondraaglijk lijden al dan niet. Is dementie ondraaglijk? Is Trump dement? Allemaal nieuwe combinaties waarvan ik ook dan nog steeds niet goed weet wat ik er over zou willen of kunnen zeggen.

Er over schrijven gaat meestal beter. Want dan heb je even de tijd om na te denken over je mening. Of niet. Want is het wel zo vanzelfsprekend om steeds iets te ‘vinden’? Soms lijkt het in deze meer en meer gepolariseerde wereld dat je moét kiezen. Een mening moét hebben. Over mannen. Over vrouwen. Over voetbal. Over politiek of internationale handelsverdragen. Bio-industrie. Eigenlijk over alles wordt je geacht wat te vinden. Want als jij er geen mening over hebt, dan vinden al die anderen er wel wat van. En dan sta jij, voor dat je het weet, met 1-0 achter en heb je het toch weer over voetbal.

Zoveel meningen. Zoveel tegenstellingen. Telkens weer vooral pijnlijk confronterend hoe elk onderwerp tot strijd wordt verheven. In discussieprogramma’s op tv, op Facebook en andere social media. In de krant. Argumenten worden soms zóver omgebogen dat wat waarheid leek, ineens leugen is. En andersom. ‘Fake-news’ als het je niet bevalt en ‘the truth’ als het jezelf aanstaat. Geen plek voor ‘agree to disagree’. Want bij 1-1 is er geen winnaar. Dus…

Je zou kunnen zeggen dat ik op dit moment een wat cynische toon aansla. Maar ach, mijn eerste week van de vakantie zit er bijna op en ik heb wat meer tijd besteed aan de kranten en aan social media. Ik heb wat reacties gelezen en soms reacties op reacties opengeklikt. Op de column van Leon Verdonschot bijvoorbeeld. Of de vlog van Ebru Umar. Nuance is vaak ver te zoeken zeg ik even eufemistisch. En dan lopen de scores snel op, kan ik vertellen. Van zoveel onbegrip, haat en onnozelheid valt niet te winnen. Misschien wel omdat begrip, liefde en wijsheid geen wedstrijd is.

Leonard Cohen

‘Sounded like the truth…’ is een regel uit de liedtekst die ik nu hoor. En ‘now it seemed to late to turn the other cheek’. De titel van het lied is ‘It seemed the better way’. Nog nooit gehoord, maar wat een prachtige tekst weer. En wat een stem. Via Spotify deze afspeellijst gekozen. ‘This is Leonard Cohen’. En daarvan nu ‘Ten new songs’. Dat verklaart misschien waarom ik deze song nog nooit heb gehoord.

Teksten van Cohen spreken vaak mijn herinneringen aan. Of prikkelen mijn fantasie tot het uiterste. ‘I want to speak to Leonard’ zingt hij nu. Een autobiografisch lied waarin hij een kritisch en reflecterend gesprek met zichzelf aangaat. Zichzelf beschrijvend als een man ‘living in a suit’. En zo nog meer mooie sfeerbeelden, die uitblinken in virtuositeit. Terwijl je er naar luistert, tekenen de woorden de scenes in je hoofd.

‘Take this waltz’… Even luisteren… ‘And i burry my soul in a scrapbook’. Je ziel, of dat wat er straks van je overblijft, ‘begraven’ in een plakboek. Of op een blogsite. Herkenbaar. Luisteren en opschrijven wat er zo in je opkomt. Ik heb dat wel vaker gedaan. Ooit met de top-2000 bij een liedje van Karin Bloemen, ‘De dag waarop je moeder sterft’ was toen inspiratiebron. Vandaag met Mees nog even bij haar graf gestaan.

Wat hij zingt klinkt als de waarheid. Een waarheid die wel uitnodigt voor eigen interpretatie. Die ook gelegenheid biedt om je mening bij te stellen. Ook al is dat soms pas achteraf en is het te laat om je andere wang nog toe te keren. Wat dan overblijft is om je ziel en zaligheid vast te leggen in een verhaal. Op een blogsite. Of in beelden te bewaren in een fotoalbum. Of voor hen die de kunst machtig zijn, te vangen in een lied. Zoals Leonard.

Vlindertaal

Een vlinder fladderde eergisteren om ons heen. We zaten aan tafel op een feestelijk versierd terras tijdens de receptie van Sanne en Eric. En gisteren landde er zelfs een op een omgekeerd glas. Dat stond op de gedekte tafel bij de verjaardagsbarbecue van Mariet. De mooie vlinder liet zich van dichtbij bekijken maar toen hij zijn vleugels openvouwde bleek een groot deel van een van zijn vleugels te ontbreken.


Eergisteren al en gisteren weer deed me het tafereel denken aan Trudy. Een paar keer eerder schreef ik over haar. In die verhalen speelde steeds een vlinder een symbolische rol. En sindsdien is elke fladderaar meestal aanleiding om even aan haar terug te denken, waar ik ook ben. Vaak is de plek waar ik de vlinder zie aanleiding tot verdere associaties. Zo ook eergisteren bij Sanne en gisteren bij Mariet.

Bij Sanne was het omdat een deel van haar familie lijfelijk aanwezig was, en ik het wel een aardige gedachte vond dat Trudy in -wie zal het zeggen- haar huidige staat van zijn ook even acte de présence kwam geven. Zich even bij al haar broers en zussen liet zien, en daarna richting het prieeltje vloog, waar Sanne en Eric die middag in de echt waren verbonden. Toch even meekijken, zou ze gedacht kunnen hebben.

En bij Mariet was de symboliek zo mogelijk nog intenser. Naast de vlinder met de hap uit zijn vleugel, landde er vrij snel een tweede van zijn soort, die in volle glorie en geheel intact zijn mooie kleuren liet bewonderen. Samen met de gehavende vlinder dartelde het tweetal nog even om ons heen, om vervolgens hun eigen vlinderwereld weer verder te gaan verkennen.


Als het hiernamaals een wereld is, die in alles zijn nieuwe werkelijkheid heeft, dan zou het zomaar kunnen zijn dat die tweede vlinder samen met de gehavende een feestelijke herontmoeting met ons wilde delen. Zo doorgedacht, zou namelijk die tweede vlinder mijn vader of mijn moeder kunnen zijn, die samen met Trudy even wilden laten zien dat ze er nog steeds voor ons waren. Ik weet het. Ietwat romantisch gedacht misschien, maar waarom niet?

Het schijnt dat vlinders met gebroken of gehavende vleugels vaak voorkomen in de natuur. De vlinder op het glas had er waarschijnlijk zijn leven aan te danken. De vogel die meende in het kleurige oog op de vleugel de kop te pakken te hebben van zijn volgende prooi, bleef achter met slechts een stukje vlindervleugel in zijn snavel. De vlinder zelf leefde door en fladderde weg op haar drie resterende vleugels. Volop genietend van de rest van haar dagen, landde zij op een omgekeerd glas.

‘Kijk mam, hier zitten ze’, zei ze misschien wel in vlindertaal.

En nu ik dat zo opschrijf, zittend aan tafel, vlakbij de schaduwrijke plek waar we Trudy’s laatste wens hebben vervuld, komt er spontaan een ander woord in mijn gedachten: ‘Kindertaal’. Kindertaal. De taal van dromen en fantasieën. Van gedachten die nog mogen fladderen. Waar een vlinder met gebroken vleugel synoniem mag zijn van een gehavend leven. Maar tegelijk een leven, dat in vlindertaal misschien wel dezelfde onbegrepen kracht en pracht heeft als in kindertaal.

vlinder
met gebroken
vleugel

leef je
weer gegeven
leven

kleurrijk
en zo
magistraal

met volle kracht
in pracht
en praal

als vlindertaal
en kindertaal

zo ongehavend
allemaal

Vol verwachting…

Na anderhalve kilometer geen adem meer. Wandelen was de enige optie. De laatste deelneemster aan de 10 km jogde me in een moordend langzaam tempo voorbij. Daarachter volgde de bezemwagen. In dit geval een bekende op een mountainbike, die me vriendelijk vroeg of ze achter me aan moest blijven fietsen. Na nog 100 meter geprobeerd te hebben, heb ik haar toch ook maar voor laten gaan en ben ik zelf uit de race gestapt. Mijn zorgen werden een paar dagen later vertaald naar een diagnose bij de huisarts: mijn hart was van slag. Geen halszaak, je kon er honderd mee worden, maar wel lastig.

Weer een paar dagen lager bevestigde de cardioloog het beeld. ‘Je hart zit in een soort derde versnelling. Bij inspanning meteen in de vierde of laatste versnelling, terwijl de eerste twee versnellingen er niet meer op zitten. Op zich een onschuldige ritmeafwijking, maar lastig en niet wenselijk. Daar moeten we wel iets aan doen’. Drie scenario’s hield ze me voor: de eerste mogelijkheid was een elektrische ‘reboot’, tweede optie regulerende medicijnen en tenslotte het meest rigoureus klinkend: een ingreep aan het hart.

Nu, een dikke vier weken later, lijkt optie 1 vooralsnog succesvol. Woensdag een week geleden is onder narcose mijn hart ge-reboot. Het meest zag ik echter op tegen de narcose. Het gevoel volledig overgeleverd te zijn en de controle over mezelf te moeten verliezen, boezemde me vooral angst en twijfel in. Maar de vriendelijke assistent-narcotiseur gaf me de tip om vlak van te voren aan iets leuks te denken zodat ik daarover zou dromen. ‘Over Pip en Mees dan maar’, zei ik, omdat ik wist dat we diezelfde dag nog naar de afstudeerexpositie van Pip zouden gaan. Thea gaf me nog een kus en toen volgde de waarschuwing van de narcotiseur: ‘Daar komt de slaap. Vertel zometeen maar of de droom is uitgekomen…’

Wat slechts tien seconden leek, bleek ongeveer een kwartier. In het wakker worden had ik de namen van Pip en Mees weer als eerste genoemd, vertelde Thea me. Of ik er over gedroomd heb, kan ik me niet meer herinneren, maar het lag blijkbaar nog wel op mijn lippen. De reboot had meteen bij de eerste klap succes gehad. Dat was op 21 juni. Nu, op 1 juli, beoordeel ik mijn eigen pols nog steeds als regelmatig en lijk ik ook weer te beschikken over mijn eerste twee versnellingen. Meer energie en minder opgeslokt door negatieve gedachten over mijn eigen gezondheid.

Ik ben daar niet goed in, in ziek zijn. Sinds vorige week realiseer ik me dat eens te meer. En besef ik dat je daar helaas totaal niets over te zeggen hebt. Natuurlijk, je kunt zo bewust mogelijk leven, maar dat is geen garantie voor gezondheid. En iedereen kent wel ergens een opa van negentig die elke dag van zijn lekkere lange leven gezopen en gerookt heeft. Het leven komt zoals het komt, en het gaat zoals het gaat. Je hebt daar niks over te zeggen, houd ik mezelf voor en dat is -hoe graag ik het ook anders zou willen- eigenlijk maar goed ook.

En toch… Een paar dagen geleden fietste ik door het buitengebied van Horst en werd geraakt door de intensiteit van de beelden die bij me binnenkwamen. Voor de handliggende zaken zoals een schoorsteen op een dak, een laaghangende tak over een beek of een lapjeskat tussen rijen bonenstruiken, hadden ineens een nooit eerder opgemerkte schoonheid. Dat maakte indruk. Na een uurtje heb ik mezelf op een terras een cappuccino gegund, die bijzonder lekker smaakte. Ik zat nog maar net of Joep schoof gezellig aan. Even later Ron, die zichzelf op een ijsje had getrakteerd. Er ontspon zich een gesprek, dat woord voor woord tijd totaal onbelangrijk maakte.

Luisterend naar de interessante, maar voor mij soms moeilijk te volgen dialoog tussen Joep en Ron moest ik terugdenken aan de afgelopen weken en aan een passage die ik ooit ergens gelezen had. Ik heb die passage later teruggezocht. Het was een gedachte van de schrijfster Vonne van der Meer. Ze zei letterlijk: ‘Misschien duurt het hiernamaals maar tien seconden. Een ogenblik waarin je alles begrijpt en een ervaring van eeuwigheid hebt’.

Aan tafel bij Joep en Ron heb ik die gedachte bij gebrek aan geheugen samengevat in een one-liner: ‘Misschien is de eeuwigheid slechts tien seconden van totaal begrip’. De zon was al maan geworden, toen we afscheid namen. Nagenoeg niks wijzer, maar nog een eeuwigheid voor de boeg. Je hebt er niks over te zeggen, en toch… Weer liggen die namen op mijn lippen, maar alleen de gedachte is eigenlijk al voldoende. Of de plekjes in mijn hart. En soms een verhaal om dat gevoel vast te leggen. Hen wens ik de eeuwigheid toe in elke tien seconden. Vol verwachting…

Betoverend mooi

Jan PhiliipsenDe mooiste verhalen over de Peel worden verteld door mensen die er zelf hun hele leven gewoond hebben. Dat werd me duidelijk toen ik voorzichtig een afspraak van een uur had gemaakt met Jan Philipsen en na meer dan drie (!) uur, zeer geïnspireerd en heel veel indrukken rijker, weer naar huis toe reed. Wát een mooi gebied! En wat een prachtige verhalen. Over de Mariapeel, maar ook over de Zwarte Plak Heide. De plek waar Jan als kind vroeger zelf de ondergrondse hutten groef, nagenoeg op dezelfde plek waar in de oorlog de onderduikers van de Zwarte Plak hun schuilplek hadden. Verhalen van de Peel, met passie verteld door een ‘Peelpater’ zoals hij zichzelf noemt. Jan Philipsen, geboren in Evertsoord, heeft een passie voor de Peel.

Trots

’28 jaar lang heb ik met Rowwen Hèze door het land getourd’, zo begint Jan zijn verhaal. ‘We lieten de toeschouwers in Groningen, in Maastricht en op duizende andere plaatsen genieten. Trots waren we, als we dat op al die plekken voor elkaar kregen. Op de heenweg en vaak –bij daglicht- op de terugweg in de bus naar huis, keek ik vaak naar buiten en bewonderde het landschap waar we op dat moment doorheen reden. Steeds meer besefte ik dat het publiek waarvoor we hadden opgetreden, en de omgeving waarin zich dat had afgespeeld, verbonden was met eenzelfde soort trots als die in de muziek van Rowwen Héze verscholen lag. Mensen herkenden zich erin. Het robuuste van Rowwen Hèze. Van de band, maar ook van de persoon Rowwen Hèze zelf en de Peel waarin hij leefde. En dat gevoel kan heel diep zitten. Mijn vader was al over de zestig toen hij me voor het eerst vertelde dat hij als zevenjarige door zijn vader –mijn opa- op Rowwen Hèze was gewezen. Ik zie nog de twinkeling in zijn ogen toen hij me dat vertelde. Bijna mythisch..’

Ambassadeur

Toen Jan 50 werd, besloot hij de band Rowwen Hèze te verlaten. Hij voelde dat hij wat moest gaan doen met het gevoel dat de persoon Rowwen Hèze in hem had losgemaakt. Alles wilde hij weten, ook datgene waarover maar weinig bekend was. Dus niet alleen over de plek waar de man woonde of de gave van pijn wegbidden die hem gegeven was. Maar ook over het al dan niet zelfgekozen kluizenaarschap. En hoe zat het eigenlijk met de vijf kinderen die Rowwen Hèze volgens overlevering ook had? Jan voelde een bepaalde schatplichtigheid aan de man, waarvan de naam was geleend door een band, die er nog steeds erg trots op was die naam te voeren. Jan’s nieuwsgierigheid ging steeds verder en hij verdiepte zich meer en meer in het gebied, waar niet alleen Rowwen Hèze’s roots, maar ook zijn eigen roots lagen.

Zwarte Plak Heide

De gedrevenheid van Jan maakt indruk op me. Hij vertelt over de monumentale status van Zwarte Plak Heide. Vroeger dus zijn speelterrein maar nu een unieke plek om een vijftal verschillende redenen. Allereerst de archeologische erkenning. In 1950 is het gebied tot geschiedkundig rijksmonument verklaard, onder andere door het grote aantal vuurstenen dat er is gevonden. De paraboolvorm van de stuifduinkop is een tweede reden van monumentale proportie. Het mag als een geologisch unicum worden beschouwd. De natuurwaarde van het gebied is een derde reden. De vos en de das hebben er hun habitat. De tweede wereldoorlog en de aanwezigheid van zelfgemaakte schuilkelders geven een vierde aanleiding om trots te voelen. En last but not least het gegeven dat de Zwarte Plak Heide een plek is waar de ontginning voelbaar en zichtbaar is.

Kamiël van de Piël

Het waren deze vijf redenen die er in 2012 toe hebben geleid dat er een prachtige landmark in het gebied kon worden geplaatst. Een, mede door Jan, opgerichte stichting (CEZP: Cultureel Erfgoed Zwarte Plak)  vertaalde de gezamenlijk gevoelde geschiedenis op een indrukwekkende wijze in een symbolisch kunstwerk. ‘De kamiël’ was vroeger een boom in het onmetelijk uitgestrekte peellandschap, waar de schaapherders van toen zich op oriënteerden, als ze met hun schapen de heide introkken. De Peel was in die tijd een gebied waar je maar beter de weg kende, want ongevaarlijk was het daar niet. ‘De kamiël’ was hun baken. En nu, als kunstwerk, is het eigenlijk weer een soort baken. Een baken van verbinding. Tussen geschiedenis en toekomst.kameelboom

Verbindende verhalen

De Zwarte Plak Heide is onderdeel van, of grenst aan de Mariapeel. Dat is een gebied dat zelfs vanuit  Europees perspectief een speciale toekomst is toebedeeld.  Jan legt me tot in detail uit waarom dat is. Tot aan tectonische platen toe en het altijd in dezelfde richting omvallen van bomen, die turfstekers in het verleden niet al te graag aantroffen in het veen. Met dezelfde passie vertelt hij over het ontstaan van Evertsoord en Griendtsveen. Over het verband tussen de Zuringspeel en de Schadijkerbossen. Over America, de Zwarte Plak en Heere Peel. Over landbouw, intensieve veeteelt en paarden. En hij vertelt over het doorgeven van de verhalen. Onder andere aan horecaondernemers in de regio, zodat die op hun beurt trots de verhalen over de Peel kunnen doorvertellen aan hun bezoekers.

Ben Ali Libi

Jan legt bijna vanzelf de verbindingen tussen al deze facetten. Niet van buiten geleerd, maar van binnen gevoeld. En dat komt over. Boven op ‘De Kamiël’ zie ik tot mijn verrassing wat kunstenaar Ruud van der Beele in het kunstwerk heeft verwerkt. Uitkijkend over de schuilkelders van de tweede wereldoorlog lees ik in steen gelegd: ‘Ben Ali Libi, de goochelaar’. Voor wie dat gedicht van Willem Wilmink niet kent, is even googlen een must. Joost Prinsen vertolkt het gedicht op sublieme wijze. Ik bedank Jan bij het afscheid voor zijn uitgebreide en gepassioneerde uitleg. Nooit had ik verwacht dat de Peel mij vanmiddag zou laten terugdenken aan Ben Ali Libi. En hoe mooi, dat dat toch gebeurd is. Mystiek. Ook dat ligt blijkbaar ergens verscholen in de Peel. En in Rowwen Hèze. Of in Ben Ali Libi. Ik begin Jan’s passie te begrijpen. Jan Philipsen, de Peelpater. Ook een soort goochelaar, die zonder dat je er erg in hebt, van één uur er zomaar drie maakt.Ben Ali Libi

Enne moeïe kel…

 

PatrickAls we elkaar tegenkwamen, groette hij altijd vriendelijk. Ik kende Patrick eigenlijk alleen van gezicht. Van een mooi en vriendelijk gezicht, dat wel. Zaterdag, in de Mèrthal zag ik dat gezicht op honderden verschillende foto’s. En op alle foto’s zag ik die vriendelijkheid terug. Weer een afscheidsdienst in de Mèrthal. Op zijn eigen verzoek op deze plek, hoorde ik later. Hij en Miranda, zijn vrouw, hadden zijn afscheid tot in de puntjes voorbereid. Op het eind voor alle aanwezigen koffie, thee en een plak cake. En voor de kinderen snoep. Veel snoep. Dat wilde Patrick zo.

Miranda was de eerste die de grote menigte toesprak. Door haar emotionele woorden sijpelde de pijn en  het grote verlies. Ze sloot af met, zoals ze zei, de eigen woorden van Patrick ‘See you later, alligator’. Hun twee dochters, Sanne en Imke, hadden beide op hun eigen manier, hun verdriet verwoord. De een met een  prachtig gedicht, dat door Ron Bosmans werd voorgelezen, en de ander met een korte toespraak, die al net zo indrukwekkend was. Er zat veel wijsheid en kracht in hun woorden. Ik voelde het in mijn eigen tranen van herkenning.

Patrick’s zussen deelden mooie herinneringen aan hun broer. ‘Ozze Pet’ bleek een rustige, daadkrachtige aanpakker te zijn, die voor iedereen klaar stond. En ook een beetje de stille bewaker van alles wat hij belangrijk vond. Een man, die in de afgelopen twee jaar gevochten had voor wat hij waard was, en méér dan dat. Die nog zo graag langer was gebleven, maar dat helaas niet gegeven was.  Opnieuw onderstreepten mooie foto’s de bedroefde woorden.

Jan Nabben, zijn schoonvader, slikte zijn tranen weg om Patrick te kunnen gedenken en zijn dochter en kleinkinderen kracht en steun toe te zeggen. Duizenden keren eerder had hij op de bühne mensen bedankt, maar deze keer waren de emoties zowel voelbaar als hoorbaar. En juist daarom des te indrukwekkender, hoe hij alle mensen die Patrick hadden bijgestaan daarvoor oprecht bedankte.

Elke toespraak ontving een spontaan applaus. Als een golf van troost spoelde het steeds over de aanwezigen heen, richting Miranda, Sanne, Imke en al hun familie, vrienden en bekenden. Uit tweeduizend handen klonk het medeleven, telkens weer. Op weg naar de uitgang schuifelde iedereen in eerbied aan Patrick voorbij. Om vervolgens, op zijn uitdrukkelijke wens, bij de achteringang weer naar binnen te komen, voor een kop koffie, thee en een plak cake.

En snoep. Heel veel snoep. De eerbiedwaardige stilte van het afscheid, vlakbij Patrick, vermengde zich op natuurlijke wijze met het geluid van het groeiende aantal stemmen bij de staantafels en het geritsel van zakjes snoep die werden opengescheurd. Zo moet Patrick het bedoeld hebben, toen hij zijn afscheid regisseerde. En als hij dat in zijn geliefde Mèrthal op zijn manier heeft kunnen bekijken, dan moet hij wel heel tevreden zijn geweest.

Net als in het gedicht van Sanne, kwamen gisteren onvermijdelijke contrasten samen.

Als onze tranen stromen
Blijven bomen stevig staan
Zal de wind nog blijven waaien
Kijkt een hond je dolblij aan
Als je hart zo is gebroken
En de dagen lijken grauw
Zal de zon nog blijven schijnen
Vliegen vogels in het blauw

Gistermiddag heb ik nog een uurtje met mijn draaiorgel tijdens een familiedag muziek mogen maken in één van de woonhuizen van Hof te Berkel. Eén liedje heb ik speciaal met Patrick in gedachten gespeeld. Dankzij Miranda, die de titel van dat lied ’s ochtends met betraande woorden had uitgesproken: ‘See you later, alligator’…