Sraar..

Afgelopen donderdag mocht ik de afscheidsdienst begeleiden van Sraar van den Beuken. Op negentigjarige leeftijd overleden na een veelzijdig en productief en vooral ook muzikaal leven. De verhalen die over hem werden verteld spraken boekdelen. Muziek was zijn grote passie. Er naar luisteren en vooral zelf maken. Sraar was tot aan z’n dood lid van de Koninklijke Harmonie van Horst. In totaal meer dan 72 jaar! Een periode waarin hij ontzettend veel voor de Harmonie heeft betekend. Maar de Harmonie, op haar beurt, ook voor Sraar.

Zijn afscheidsdienst was op donderdagochtend 6 oktober. Vanaf de dag van zijn overlijden, op vrijdag 30 september, lag hij opgebaard in zijn woning aan de Kerkstraat, met zicht op het Lambertusplein. Op zijn eigen verzoek waren de gordijnen wat opengeschoven. De laatste weken van zijn leven had hij daar zijn bed staan. Zo kon hij voortdurend uitkijken over zijn geliefde Lambertusplein, de plek waar ook zijn ouderlijk huis aan lag. Er zijn die laatste weken veel herinneringen opgehaald tijdens de veelvuldige bezoeken van vrienden en kennissen en niet op de laatste plaats, van leden van zijn Harmonie.

Donderdag is een werkdag voor de meesten. Toch, toen de rouwauto Sraar thuis kwam halen, waren er veel leden van de Harmonie, die in vol ornaat een erehaag voor hem vormden. Ook dat was een stille wens van Sraar waaraan met liefde gehoor werd gegeven. Een mooi gebaar. Net als de serenade die de Harmonie aan hem bracht toen Sraar 16 juli van dit jaar negentig werd. Verrast en zeer ontroerd was hij op die memorabele verjaardag, toen hij, staande aan het raam, zijn Harmonie aan zag komen marcheren, zag stoppen voor zijn huis, en er vervolgens een prachtige serenade weerklonk .

Tijdens de afscheidsdienst was er opnieuw muziek van de Harmonie. Een ensemble speelde verschillende muziekstukken, waarvan er enkele ook op Sraar’s eigen voorkeurslijstje stonden. Die lijst had hij zijn zoon Rob gegeven om de dienst muzikaal op te luisteren. Behalve live muziek van de Harmonie was er muziek van zijn eigen hand. Carnavalsmuziek, die hij samen met zijn boezemvriend Wim Moorman in 1976 had gemaakt. ‘Wette waat ik waal woj wiëte, wurrum Wielke wazig waor. Doortje denkt daat deut daat dreenke, daat deut deen daan drie daag door’. Een legendarische tekst, die sindsdien tijdens elke carnaval wel ergens meegezongen is. En ook volgend jaar wel weer gezongen zal worden. Tijdloos.

Op zijn rouwkaart stond dat hij in plaats van bloemen liever had dat er werd bijgedragen aan muziekinstrumenten voor het jeugdorkest van de Harmonie. De president van de Harmonie, Paul Riswick, verwoordde het treffend tijdens de dienst. Misschien stimuleert Sraar daarmee, zo vertelde Paul, wel een jeugdlid dat net als Sraar vervolgens 72 jaar met veel plezier lid blijft. En dat betekent, vervolgde Paul, dat de Harmonie tot 2094 gebeiteld zit. Daarmee werd heel duidelijk hoe lang Sraar en de Harmonie een twee-eenheid vormden. Ook bijna tijdloos te noemen.

Toch was de Harmonie niet het enige in Sraar z’n leven. Op de allereerste plaats kwam toch wel zijn vrouw Liny en het was dan ook een grote schok toen zij in maart 2021 kwam te overlijden. In juni van dat jaar ontstond er een brand in zijn woning en moest Sraar noodgedwonen in een appartement op de Kranestraat gaan wonen. Hij miste zijn Lambertusplein, maar gelukkig kon hij daar 8 maanden later, in maart 2022, weer naar toe terug. Met hulp van Rob en Helmie, hun kinderen en vele vrienden heeft Sraar er de laatste maanden nog vaak voor het raam gestaan om naar buiten te kijken, over zijn geliefde plein.

Zo’n vijf weken geleden is Amee geboren, zijn achterkleinkind. Wat weken te vroeg, maar volgens kleindochter en moeder Laura moest dat misschien wel zo zijn, want anders had Sraar zijn achterkleinkind niet kunnen zien. De eigenlijke uitteldatum was daags voor Sraar’s overlijden. Mooi om te horen en op foto’s te zien hoe emotioneel en trots hij was. De emoties waarschijnlijk voor een deel ook omdat hij wist hoe graag Liny haar achterkleinkind nog zou hebben willen zien. Het leek wel alsof hij voor haar meegenoot.

De laatste weken heeft Sraar nog veel verteld over zijn leven. Aan vrienden en bekenden die op bezoek kwamen. Tijdens de dienst kwamen veel van die verhalen nog naar boven. Ger Gubbels vertelde over de tijd van de Mühltaler Musikanten. En over de carnavalstijd waarin Sraar en Wim als ‘De twië traoge’ jarenlang furore maakten. De kleindochters haalden herinneringen op aan hun opa en Rob had uit eigen herinnering en uit gesprekken met zijn vader heel veel mooie momenten paraat, die hij deelde met een volle aula. Het steeds weer klinkende applaus moet iedereen goed gedaan hebben. Het was applaus voor een leven dat gevierd mocht worden.

Als afsluiting heb ik een gedicht voorgelezen, dat ontstaan is uit de inspirerende verhalen die ik mocht horen in de voorbereiding van de afscheidsdienst. Inspirerend door de liefdevolle sfeer die ik proefde rondom Sraar. Bij zijn zoon Rob en zijn vrouw Helmie of bij hun kinderen. Onbaatzuchtige liefde, onmiskenbaar aanwezig bij de medewerkers van de buurtzorg die, vóór Sraar, ook Liny in haar laatste dagen hadden begeleid. Maar ook de liefdevolle betrokkenheid van alle mensen die hem bezochten, vóór en na zijn overlijden. Als het begrip ‘mensenmens’ een uitleg nodig zou hebben, dan zou al die liefdevolle aanwezigheid rondom Sraar daarvan een sprekend voorbeeld zijn. Mensen waarin liefde en verdriet samen één zijn geworden. Het gedicht is met name aan Sraar en Liny opgedragen, maar zeker ook aan alle mensen die dat gevoel herkennen.


de zôn die scheen
ovver ut plein
d’r veele boete blaar
weend blees ze zacht
vaan heer nao daor
en smeis ok beej elkaar

daat zaogde geej
iedere herfst
en duk vaanoet daobaove
aalwer en jaor
daat dôchte geej
gordiene aop geschaove

niggentig herfsten
zoë zeen ôntstaon
rechtôp, totdaat ut nimmer kôs
ge keekt nag steeds ovver oow plein
ok toen ge vriedaag ziet gegaon
en aan oow leste reis begôs

is zeej d’r ok
wao geej nouw ziet
stoong zeej in helder licht?
de weend, de blaar,
dicht beej elkaar
de gordiene moge dicht..

GvdM | 031022

Martien…

Van Lucie, die de dienst begeleidt, hoor ik dat Martien hersteld leek van corona en een longontsteking. Zijn overlijden, zondag 28 augustus, was abrupt en totaal niet verwacht. Zijn overlijdensbericht in de Hallo, daags voor zijn afscheidsdienst, was dat ook. Abrupt. Niet verwacht. Martien? Ik lees het bericht op donderdag 1 september. Als ik persoonlijk afscheid wil nemen, kan dat op diezelfde dag tot 19.45 uur in ‘t Gasthoes. Het is 19.45 uur. Ik besluit een dag later zijn afscheidsdienst bij te wonen.

Die dienst begint met de Bolero van Ravel. Van het begin tot het eind, alsmaar toenemend in kracht en intensiteit, tot er op het laatst een abrupt einde aan komt. Op de een of andere manier vind ik het helemaal passend bij Martien van de Kerkhof. Hij hield enorm van muziek.

Ik zie bekenden in het zaaltje van De Leste Geulde. Mensen van het eerste uur van de ziekenomroep, die via Rozah en Reindonk uitgegroeid is tot Omroep Horst aan de Maas. Martien was er een van. Hij hield van muziek en hij hield van de techniek om die muziek te laten horen.

Ik zie leden van D’n Dreumel. Martien is ooit door de carnavalsvereniging onderscheiden, zie ik op een van de foto’s die langs komt op muziek. Zeker verdiend die onderscheiding, want op Martien kon de vereniging bouwen als het over geluid ging. En hij zorgde lang voor de muziek waarop de dansgarde kon schitteren. Tot landskampioen toe.

Ik zie iemand van de Mühltaler, die me vertelt dat Martien niet alleen bij dit muziekgezelschap uit het verleden van grote waarde was, maar dat hij ook in de loop der jaren vriend aan huis was. Als het over geluid en geluidinstallaties ging, dan was Martien altijd bereid je daarover te adviseren.

Ik zie zijn directe familie vooraan zitten en alle overige familie, vrienden en bekenden daarachter en daarnaast. Deels genodigd, maar deels ook gekomen, omdat het overlijdensbericht in de Hallo hen daartoe uitnodigde. Net als ik.

Martien sprak ik regelmatig, als we elkaar ergens tegenkwamen. Bijvoorbeeld bij de jaarlijkse bijeenkomst van gedecoreerden die ik mocht presenteren. Want Martien was terecht Lid in de Orde van Oranje-Nassau.

Een foto van dat decoratiemoment, nog met toenmalig burgemeester Frissen, komt voorbij tijdens muziek. Ik zie Martien, wat kromgebogen door zijn ziekte, die de ridderorde trots in ontvangst neemt. Andere foto’s komen voorbij op muziek van Mozart en de Wazelvotte. Martiens muzieksmaak was heel breed.

Toen café Cambrinus nog bestond, schoof Martien zo nu en dan spontaan aan, aan de stamtafel. Zijn Parkinson maakte het drinken van een kop koffie soms tot een hele onderneming, maar hij had alles bij de hand om een eventueel ongelukje zelf te herstellen. Het mogelijke ongemak weerhield hem niet om zich te mengen in gezelschappen.

Ik hoorde Lucie vertellen dat Martien z’n slechthorendheid vroeger als kind pas laat werd opgemerkt. Maar toen hij eenmaal vooraan in de klas mocht zitten, ging hij met sprongen vooruit. Zijn markante uiterlijk gaf in de kindertijd vaak aanleiding tot ‘klieren’. Hij heeft zijn deel daarvan ongetwijfeld gehad. Maar het leek hem alleen nog maar sterker en zelfbewuster te hebben gemaakt. Martien deed zijn eigen ding. In de techniek en in de muziek.

Ik hoorde Lucie ook vertellen dat Martien als de beste kon liplezen. Hoe vaak zal hij op afstand genoten hebben van wat mensen onbespied over hem vertelden. Want Martien was een opvallende verschijning. Met zijn eigengemaakte skelter, met ingebouwde geluidsboxen en verschillende effecten. Zo kon hij het geluid van dichtslaande portieren nabootsen, tot grote verbazing soms van omstanders.

Uit het verhaal van Lucie hoor ik nog een andere anekdote, die Martien typeerde. Toen Parkinson het rijden op zijn skelter steeds lastiger maakte, vroeg hij bij de gemeente een driewieler aan. Daar kwam hij niet voor in aanmerking werd hem verteld. Wel voor een veel duurdere scootmobiel. Martien vond dat vreemd maar na verschillende pogingen voor een driewieler kwam er uiteindelijk toch een scootmobiel. Uit protest heeft hij de snelheid daarvan fors opgevoerd en zag je Martien soms met 50 km per uur door de straten gaan. En ik verwacht dat hij daar ook een muziekinstallatie op heeft gemonteerd, maar zover ging de overlevering niet.

Vanwege zijn abrupte overlijden heeft hij de muziek voor zijn afscheidsdienst mogelijk niet zelf uitgezocht. Van de andere kant zou het me niet verbazen dat hij daar wel al bij leven duidelijke keuzes in heeft gemaakt. Ravel, Mozart, Wazelvotte en Rowwen Hèze. Martien hield van muziek.

‘Enne gooje meens blieft aaltied laeve’. Op zijn gedachtenisprentje lees ik één zin: ‘Bijzondere mensen sterven niet, zij gaan wel, maar blijven toch voor altijd…’ .
Martien. De afdeling techniek in de hemel heeft er een gedreven persoon bij. Met 50 km per uur als het moet. En in Oostenrijk komt hij nu misschien wel zonder scootmobiel..

Zonnegrijs…

Je bent pas geland als de schaduw je raakt. Dit besef daalde in, nadat ik het zonnegrijs midden in het labyrint met sprongkracht meende te moeten verslaan. Alleen dan kwam ik los van de schaduw, waar de zon me steeds opnieuw mee confronteerde.

Het was een dubbel gevoel, want als ik de zon zag, dan was mijn schaduw weg. Stille taal in mijn hoofd bleek de weg naar de overwinning. Kneedbaar als de wind en veelkleuriger dan een regenboog. Het was het gevoel van een perfecte landing na een parachutesprong.

Daar waar de schaduw me raakte, was ik veilig. In de lucht had ik meerdere malen de zon gezien, die zich had losgemaakt van mijn schaduw maar mij er heel langzaam weer mee verbond. Stille taal werd gevoed door het besef dat als de zon mijn focus bleef, mijn schaduw altijd achter me zou liggen.

En mocht de schaduw op onverwachte momenten vóór mij opduiken, dan was het de zon die achter me stond. Voor de zon is de schaduw de verbinding met de aarde. Ik sta er op, er voor en er achter. En als het moet, met sprongkracht, er boven.

Eventjes, want de aarde lokt. Mijn schaduw is van zonnegrijs!

Verdichting…

1.
Ik wandel niet graag. Zeker op dagen dat de zon gaten in de grond schijnt. Het labyrint ligt half in de schaduw, half in de zon. Ik sta stil bij de ingang. Eén vraag in gedachten en klaar om de eerste stap te zetten. Het schijnt dat het labyrint je een antwoord kan geven. Of niet. Ik laat het gebeuren en ik ga.

Het eerste dat ik tegenkom op het smalle pad is een wit veertje. Vanmorgen zag ik in de mooie tuin van het Dominicanenklooster in Huissen hier en daar ook al witte donsveertjes liggen. Uit vleugels van engelen, dacht ik toen. Zou dat meteen al het antwoord zijn op mijn vraag?

Het vraagteken dat ik hoor in mijn hoofd weigert om een uitroepteken te worden. Ik wandel door, maak bochen en verbaas me hoe lang het duurt voordat ik bij het midden kom. Ongeduld? Wil ik teveel? Is de vraag misschien wel het antwoord?

Weer een bocht, na een stuk waarvan ik vond dat het best opschoot. Daarna weer kleine stukjes, met opnieuw veel bochten. Ik wandel en ik wacht op mensen voor me, die het labyrint ook lopen. Ik wandel en ik wacht. Ga opzij om anderen door te laten die van het midden weer op weg zijn naar buiten.

Ik pas me aan, lijkt het. Steeds weer. Straks ook? Als ik mijn vraag een laatste keer stel? Waar zullen dan de anderen staan? Waar wandelen zij? Kom ik ze ooit weer tegen, als het antwoord gegeven wordt? Mhm, teveel vragen. Ik wandel niet graag…

Het lange pad kort ik zelf in. Straks…

2.
Hoeveel mensen gaan me voor? Hoeveel mensen komen na mij? Ik zie ze gaan en komen. Ik ben erbij. Zij zijn bij mij, maar het pad bewandel ik zelf. Ik kijk naar mijn voeten maar wil ook naar ‘buiten’ kijken. Doe dat een paar keer, maar het voelt alsof ik dan de aandacht verlies.

De terugweg verkorten? Zou dat wat zijn? Ik denk er een aantal stappen over. Bij volgende ontmoetingen pas ik me aan. Verlaat even mijn pad. Dat gaat gemakkelijk. Zo gemakkelijk dat het pad verlaten steeds meer voor de hand ligt.

Als ik straks bij het vierkante plekje kom, waar het begon, stap ik eroverheen en sla wat bochten en paden over. Dat gaat gemakkelijk. De vraag is het antwoord. Niets wordt alles, alles wordt niets.

3.
Beginnen. Maar wel even kijken. Ik ga. Zometeen. Nog niet. Niet het eerst. Zien wat er gebeurt. Nieuwsgierig om wel te beginnen. Dus gaan. Ik zie wel.

Zoals ik zie, word ik gezien. Samen met anderen. Die er zijn. Die er niet meer zijn. Ontmoeting is afscheid. Dood. Een leven lang. De vraag is het antwoord. De zon schijnt. Ik wandel niet graag.

4.
De kern. De essentie. Het labyrint lopen heeft tot gedachten geleid. ‘Verdichten’ van wat veel woorden zijn. Veel stappen terugbrengen tot één. Het dood gaan tot leven brengen. Al wandelend…

5.
Veertje…

Levensloop

Geboren worden. Als vijfde. Geboren zien worden. De zevende. Oplopende kinderrij in jaren. Vader en moeder. Weg zien gaan. Terug zien komen. Vaker dan één keer. Tot die láátste keer… vader terug zien komen.

De kinderrij van zeven. Oplopend in jaren. We gingen, we kwamen. Áflopende rij van zeven naar één.. naar géén..

Vader. We gingen erheen. Soms kwam er niemand en was hij alleen. We gingen, we kwamen. Vaker dan eens… tot die laatste keer…

Ze zijn nu weer samen, onder een kruis. We gingen, we kwamen en gingen naar huis. Werden zelf vader. We kwamen en gingen. En ieder ‘t zijne, met ieder z’n dingen.

Een dochter, een zoon. Ze kwamen en gingen. Ze vormden weer paren en gingen en kwamen. Voorbij gingen jaren en altijd nog samen. Dus zijn we met zes nu.

Maar straks weer met zeven. Want bij één van de zes groeit heel langzaam nieuw leven 💙.

Dat brengt me bij zeven, het getal van ‘t begin. Het getal van het leven, van het komen en gaan. Van het lopen van paden. Van het hopen en raden hoe het verder zal gaan.

Padenlang raden in een tuinlabyrint. Naar wat de toekomst gaat brengen… en naar de naam van het kind 💙

Rancune…

In gedachten verzonken fietste ik rustig rechtdoor. Ineens hoorde ik hem achter me. ‘Nooit van links komen gehoord?’ Verbaasd keek ik om. ‘Nooit van links komen gehoord?’ zie hij nog een keer toen we op gelijke hoogte waren. Z’n stem klonk geërgerd. Enigszins verrast door zijn vraag herhaalde ik zijn woorden. ‘Nooit van links komen gehoord? Jawel hoor!’

Het was een grote, wat gezette man in een nauwsluitende wieleroutfit op een mountainbike. Hij had een flitsende aerodynamische valhelm op zijn hoofd, wat ik meteen al wat overdreven vond. Ik had hem twee tellen eerder wel gezien. Hij kwam van rechts, maar omdat hij wat inhield en twijfelde, meende ik dat hij me voor wilde laten gaan en dus peddelde ik rustig door.

Toen hij het de tweede keer zei, keken we elkaar heel even aan, maar ik kreeg de indruk dat hij dat al meteen teveel eer vond voor mij. Stuurs keek hij weer voor zich en versnelde. ‘Succes nog, hè!’, riep ik hem na, in een poging om de gevoelde minachting in zijn blik ietwat te neutraliseren met een kleine portie sarcasme.

‘Nooit van je hand uitsteken gehoord?’, had ik eigenlijk moeten zeggen, maar zoals zo vaak, komt het antwoord dat het meest adrem lijkt, altijd te laat. Even voelde ik de neiging om hem in te halen en het alsnog te zeggen…

Ik heb het niet gedaan. Wel nog een hele poos tijdens mijn verdere fietstocht aan het voorval gedacht. Een spontane, volgens mij totaal ongevaarlijke, situatie op een stille  t-splitsing in het buitengebied. Een ontmoeting op een zonnige zomerdag. Geen vuiltje aan de lucht. En dan: onverwachte ergernis veroorzaken..

Was hij thuis al boos vertrokken en was ik zijn uitlaatklep? Of had ik hem misschien toch te laat gezien? Had hij daarom getwijfeld en had ik dat verkeerd geïnterpreteerd? Me van geen kwaad bewust en dan toch iemand boos maken. Het kan blijkbaar zomaar gebeuren.

Of zou hij gewoon een informatieve vraag gesteld hebben, zonder enige bijbedoeling? Zou ook nog kunnen… In dat geval was mijn antwoord het enig juiste. Ik hád er wel eens van gehoord. De kogel kwam toch ook ‘van links’? Zou hij zich daar met terugwerkende kracht boos over hebben gemaakt? Kun je door de gaten van zo’n valhelm toch een zonnesteek krijgen en verward raken? 

Hoe dan ook, ik hoop dat hij zich de rest van zijn fietstocht heeft afgevraagd waarvoor ik hem succes heb gewenst..

Kant…

Afgelopen zaterdag heb ik een podcast beluisterd over de filosoof Immanuel Kant. Lang niet alles van begrepen maar wel iets van onthouden. En maandagmiddag in de Moelbaerenbos op een bankje daar een column omheen gebouwd, die ik ’s avonds in het programma van Radio Naodôrs heb voorgelezen. Komt ie.

Uit de podcast blijkt dat de filosofische theorie van Kant behoorlijk pittig is. Zijn boeken zijn bijzonder taai. Het is goed dat ik me daar nog nooit aan gewaagd heb. En het is daarom ook niet vreemd dat ik de ins en outs van zijn theorieen niet ken. 

Toch intrigeert me de man. Hij leefde van 1724 tot 1804. Zijn kijk op de filosofie heeft heel veel denkers na hem blijkbaar stevig beïnvloed. En doet dat nog steeds, als ik de podcast mag geloven.

Uiteindelijk komt Kant, na al zijn overdenkingen tot vier kernachtige levensvragen. Wat kan ik kennen? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? En wat is de mens? Als iemand als Kant tot die slotsom gekomen is, dan zijn dat interessante vragen, denk ik. Dus laat ik daar eens, fris van de lever, wat dieper op ingaan. In de Moelbaerenbos op een bengske…

Het zijn hele korte vragen en ze lijken op elkaar. Vier keer vier woorden. Drie specifieke vragen en één algemene. Ik begin bij de specifieke vragen. Het verschil zit in de gecombineerde werkwoorden: kan met kennen; moet met doen en mag met hopen. Daar is over nagedacht. En ik zie er ook wel iets interessants in.

Kennen, als in kennis. Je daarvan afvragen wat je kunt kennen. Daar zouden heel veel mensen bij gebaat zijn, die er nu zonder enige terughoudendheid van uitgaan dat hun kennis de enige ware kennis is.

Moeten met doen. Je afvragen wat je moet doen. Als een soort van verplichting die je jezelf oplegt. Maar dan wel pas na een degelijk onderbouwd antwoord op vraag 1.

Vraag drie, mogen met hopen. Wat mag ik hopen, nadat ik de antwoorden van vraag 1 en 2 goed doordacht heb. Hoewel ‘mogen’ je ook wel wat vrijheden lijkt te permiteren, om af te wijken van de antwoorden op vraag 1 en 2, denk ik dat Kant hoopt dat je er bij vraag 3 toch rekening mee houdt.

En dan de slotvraag. Wat is de mens? Ik kan me voorstellen waarom dit voor Kant de meest essentiële vraag is. Ik zal proberen dat met een simpel voorbeeld te verduidelijken. Kant leefde in de 18e eeuw. Het kan bijna niet anders dan dat hij in zijn tijd wel eens gedacht heeft: Wat zijn dat voor mensen? In de podcast werd verteld dat hij vaker verhuisd is, vanwege het lawaai op straat. 

Want een beetje koetsier die toen met paard en wagen over de kasseien reed, met kletterende hoefijzers en metalen hoepels om de wielen, daar kan een, in de huidige tijd opgegroeide 16 jarige bestuurder van een opgevoerde brommer echt niet tegenop. Als ik zo’n puber nu soms over het Wilhelminaplein hoor razen, dan denk ik ook, net als Kant toen, ‘wat zijn dat voor mensen’?

Nou is dit een onschuldig voorbeeld. Maar zo, zittend onder de eiken en dennen van de Moelbaerenbos, bedenk ik me dat de vragen van Kant ook toepasbaar zijn op de gepolariseerde wereld waarin we steeds meer, maar zeker sinds de afgelopen twee jaar in terecht zijn gekomen.

Is het aannemelijk dat kennis ontstaat door studie en jarenlange inzet op gespecialiseerde thema’s? Dan is het antwoord op de vraag ‘wat kan ik kennen’ wat mij betreft vooral voorbehouden aan mensen die er voor geleerd hebben. Wat ik dus doe -en ook vind dat ik moet doen- is luisteren naar de mensen waarvan ik meen te kunnen kennen dat ze er verstand van hebben.

En ik mag vervolgens hopen dat meer mensen die logica onderschrijven. Tegelijk realiseer ik me dat iemand die dat niet met me eens is, de vragen van Kant waarschijnlijk anders zal beantwoorden. Of zich er misschien helemaal niet mee bezighoudt. Waarom zou je je überhaupt iets afvragen als je alles al zeker weet?

Toch had Kant daar ook wel iets aardigs op bedacht: de categorische imperatief. Je mag het meteen weer vergeten, maar het betekent zo ongeveer het volgende: Doe voor anderen, wat naar jouw mening iedereen voor iedereen zou moeten doen. Je moet handelen op de manier waarvan je zou willen dat iedereen zo zou handelen. Of meer formeel: ‘Baseer je gedrag op principes waarvan je zou willen dat het algemene, voor iedereen geldende, wetten zijn.

Hm, daar zal ik een volgende keer aan de kant van de Schaak eens heel goed over nadenken…

Bloemenstenen

Ze zijn weg. Alles is opgeruimd. Gisteren lagen ze er nog. Het kon natuurlijk ook niet altijd blijven liggen. Toch voelt het vreemd om de stenen weer te zien, die sinds carnavalsdinsdag verborgen lagen onder stapels bloemen voor Guus.

Het is nu net alsof de stenen iets van de bloemenkleuren hebben geabsorbeerd. Niet letterlijk, want de stenen zijn voor de leek exact hetzelfde als de stenen waar geen bloemen hebben gelegen. 

En toch is er een grote cirkel van het Lambertusplein nooit meer hetzelfde. Het plein is voor altijd veranderd. Iedereen die het weet loopt er voortaan anders overheen. Het deel waar de bloemen lagen is nu weer onzichtbaar opgenomen in het grotere geheel. En toch zal menigeen aan Guus denken als ze er straks lopen.

Van het Lambertusplein loop ik door, richting Gasthoesplein. Ik buig mijn hoofd en kijk naar de stenen onder mijn voeten. Het zijn dezelfde stenen als die waar de bloemen op hebben gelegen. En dezelfde stenen die de bloemen droegen hebben ook Guus gedragen. Ongewild, maar ze deden het. En een dag later de bloemen. En de kaarsen. Zoals ze ook de achtduizend voeten droegen, tijdens de stille tocht. Ik loop over dezelfde soort stenen en kijk er toch ineens anders naar.

Het grotere geheel. En daar onderdeel van zijn. Elke steen raakt een steen die weer een andere steen raakt. In die zin zou je kunnen zeggen dat alle stenen met elkaar verbonden zijn. Zelfs zodanig dat de kleur van de ene steen mede de kleur van de steen ernaast bepaald. En van de volgende. En de volgende. De bloemenkleur die niet te zien is lijkt te worden doorgegeven.

En voor je het weet sta je dan op de stenen van het Gasthoesplein. Ook niet anders gekleurd, maar toch anders, omdat ze grensden aan de bloemenstenen. Nog een beetje verder voel je die kleur in de stenen voor de Mèrthal. Stenen die de erehaag van mensen droegen bij het afscheid van Guus. Een erehaag die door het asfalt en de stenen stoeptegels aan weerszijden van de Stationsstraat tot heel heel ver werd meegevoerd.

Net als de stenen, zou je kunnen zeggen, maakt Guus nu deel uit van een groter geheel. Hij leeft niet alleen voort in de oneindige ruimte van de herinnering, maar is ook te vinden in elke steen die de bloemen droeg. En daarmee in elke steen die daar aan grenst. Stenen die tegelijk de aarde en de lucht raken. Waar bloemen groeien en vogels vliegen. Daar is Guus. Daar, waar wij ook zijn. Overal, maar zeker op het Lambertusplein. Bij de bloemenstenen.

PS Een uur na het schrijven van deze blog lees ik een persbericht, waarin staat dat met goedvinden van de ouders van Guus alle bloemen, kaarten, tekeningen etc. zijn verplaatst naar een andere plek. Daar kunnen de nabestaanden in alle rust uitzoeken wat ze willen bewaren van het massale eerbetoon aan Guus.

John…

Zaterdagochtend. Ik zit bij Grøn op het terras. Kan net, met een dikke jas, een warme sjaal en een hete kop Earl Grey thee. Het is best druk op het plein en in de winkelstraten. Centrale plek is nog steeds de bloemenzee, vlak bij de kerk. Acht dranghekken vormen nu een halve cirkel er om heen, waar carnavalsdinsdagochtend nog drie dranghekken voldeden om die plek te markeren. Sindsdien moest er blijkbaar steeds een dranghek bij, om plaats te bieden aan de alsmaar groeiende cirkel van bloemen, tekeningen, kaarten en kaarsen. Aan sommige dranghekken hangen oranje sjaals, die wapperen in de wind. 

Elke dag na die fatale maandagavond kwamen er bloemen bij. Ze liggen er nog allemaal. Zouden het er duizend zijn, vraag ik me af. Duizend bloemen. Minstens. En hoeveel lichtjes waren het in de glazen potten op de route van de stille tocht? Zou iemand van de duizenden wandelaars ze toen geteld hebben? Weet iemand van de organisatie hoeveel het er waren?

Ook tussen de bloemen zie ik lampjes staan. Rode waxinelichthouders steken prachtig af bij de kleurenpracht van het bloemenpalet. Ik zit er te ver van af om te zien of er daadwerkelijk kaarsjes branden. Waarschijnlijk wel.

Steeds stoppen er mensen. Ze staan letterlijk stil bij het gebeuren. Een moeder met twee peuters lijkt de woorden te zoeken om haar kroost uit te leggen waarom er zóveel bloemen op één plek liggen. Zij weet het. Zoals heel Horst het weet. Heel Horst en ver daarbuiten. Maar hoe geef je woorden aan iets waar geen woorden voor zijn. Ik zie dat ze haar best doet. De kinderen wijzen met hun handjes naar de vele kleuren die ze zien. Elke bloem vertelt een verhaal.

Dan zie ik John. Hij stopt er ook. Kijkt, stapt af en zet zijn fiets op de standaard. Hij stapt over de denkbeeldige grens van de andere halve cirkel, bukt zich en zet, voor zover ik het kan zien vanaf mijn plek, een plantje terug tussen alle andere bloemen. Daar laat hij het bij. Staat weer op, pakt zijn fiets, loopt er nog een paar passen mee, voorbij de bloemen, stapt op en rijdt weg, nog één keer omkijkend. Naar iemand anders die net aankomt? Of denkend aan iemand die nooit meer aan komt?

Het raakt me. Ik bestel nog een een kop thee en probeer te omschrijven waar ik zojuist getuige van was.

stil fietst hij naar de duizend bloemen
stapt af en kijkt, vervuld van pijn
besluit één plantje te verleggen
waarom dat kan hij je niet zeggen
ook niet waarom het zo moest zijn

nog even kijkt hij naar de kleuren
zijn mond stelt, in een stil gebed,
de vraag hoe het nu verder moet
wat is er nog dat er toe doet…
en toch…
dat éne plantje teruggezet

‘Voor Guus’