Mariet…

Onlangs de afscheidsdienst mogen begeleiden van Mariet. Op haar gedachtenisprentje hadden haar broers en zussen drie korte zinnetjes laten zetten die haar karakter typeerden: ‘Eenvoudig maar zorgzaam. Nooit klagend, altijd stil dragend. Moedig ging je door, steeds weer’. 

Zorg voor anderen kenmerkte haar leven. Al heel jong kwam haar moeder te overlijden en nam zij als vanzelfsprekend die rol over. Haar jongste zus vertelde daar tijdens de dienst hele mooie dingen over. Mariet’s huwelijk kende mooie maar ook zorgelijke tijden. Ze wilden graag kinderen maar dat is nooit gelukt. De gezondheid van haar man liet met periodes te wensen over en uiteindelijk stierf hij veel te jong. Mariet bleef alleen, maar sloeg zich daarna prima door het leven heen. Met haar broers en zussen was er een goed contact, en met haar auto kwam ze regelmatig bij hen op bezoek. Toch leek er met de jaren wat te veranderen in dat contact. Ze werd steeds verstrooider en na een val in huis en een ziekenhuisopname bleek het niet meer verantwoord om Mariet alleen te laten wonen.

De laatste jaren van haar leven woonde ze daarom begeleid in Hof te Berkel. De dementie pleegde een steeds grotere aanslag op haar functioneren en op haar geheugen. Ze herkende op den duur haar broers en zussen niet meer, maar toch was er één persoon die ze bijna tot op het laatst bleef herkennen. 

Het was een aangetrouwd nichtje dat, sinds Mariet in Hof te Berkel verbleef, een speciale band met haar tante opbouwde. Van sommige van haar bezoeken aan ‘tante Mariet’ had ze filmopnames gemaakt. Die opnames hebben we tijdens de afscheidsdienst getoond. Te zien was hoe Mariet genoot van de momenten samen. Ze zei niet veel, maar een serene glimlach op haar gezicht sprak boekdelen. Als er muziek klonk, dan zag je die glimlach. Als de kinderen van haar nichtje op bezoek waren, dan was er die lach. 

Op de rouwkaart stonden klaprozen afgebeeld. Aan de binnenkant van het gedachtenisprentje ook. Mariet hield van de natuur. Hield van bloemen en van dieren. Aan de voorkant van het prentje zag je weer dezelfde glimlach als op de filmpjes. Ook toen er geen woorden meer waren om iets te zeggen, vertelde haar glimlach des te meer. 

Ik heb de indrukken verwoord in een gedicht, dat ik op het eind van de dienst heb voorgelezen.

je hield van bloemen
om hun kleuren
van kleine dingen
die gebeuren

je hield van dieren
en van mensen
van liedjes zingen
bloemengeuren

voor iedereen
stond jij steeds klaar
eenvoudig, zorgzaam
altijd daar

waar anderen 
je nodig hadden
was jij 
met vriendelijke lach

zo ging jij 
door het leven
je plukte het 
van dag tot dag

de laatste jaren, 
teer bemind
kreeg jij de blijdschap 
van een kind

zo ben je 
van ons heengegaan
een engel wees je 
naar het licht

wat blijft
en dat zal nooit vergaan
die lieve lach 
op jouw gezicht..

Vanzelfsprekend…

Zijn afscheidsdienst was op zondagmorgen, 16 januari. Het was zijn 59e trouwdag met Martha. Hun 25-, 40- en 50 jarig huwelijk hadden ze gevierd. De plaats van handeling voor de afscheidsdienst was daarmee bepaald. Zaal Roelanzia in Ysselsteyn zette er zonder voorbehoud haar deuren voor open. Woensdag ervóór waren Martha, hun vier kinderen en negen kleinkinderen er nog geweest om te bespreken hoe de dienst en de koffietafel er uit moest komen te zien. Ja, met z’n veertienen in totaal, als een vanzelfsprekend toonbeeld van gezamenlijke betrokkenheid bij het afscheid van haar man, hun vader en opa.

Maandag dáárvoor had ik mijn eerste gesprek met Martha en de kinderen. Chris lag er opgebaard bij. Hij hoorde er bij te zijn. Vanzelfsprekend. Een dag eerder was hij in het ziekenhuis in Venlo overleden, ook in het bijzijn van Martha, de kinderen en aanhang. Twee dagen eerder was hij opgenomen, met een zeer vertraagde hartslag en een lichaamstemperatuur, ver onder de normale waarde. De dienstdoende cardioloog vond het onverklaarbaar dat hij op dat moment nog bij kennis was.

Misschien kwam dat door de groet van Martha, bij haar bezoek aan Chris. ‘Ha Pap’ zei ze. En het antwoord ‘Ha Mam’ klonk, ondanks zijn gezondheidstoestand toch heel vertrouwd. Toen wat later zijn zoon Paul afscheid nam met de woorden ‘ik ziej oow merge, Pap’, kwam er een geruststellend ‘daat is good, jông’ als antwoord. Maar een dag later was Chris al niet meer aanspreekbaar. En weer een dag later, op zondag 9 januari, is hij in alle rust overleden. In die twee dagen in het ziekenhuis heeft zijn familie nog afscheid van hem kunnen nemen.

En een dag later zat ik bij hen in de woonkamer om de afscheidsdienst te bespreken. Chris bleek al langer met zijn gezondheid te sukkelen. Een jaar eerder was het al een keer kritiek geweest. De kinderen hadden het over een bonusjaar, waar zij en Chris, voor zover zijn gezondheid dat toeliet, nog volop van hadden genoten. En dat het afscheid op de trouwdag moest vallen, was voor niemand een vraag. Vanzelfsprekend moest dat op die dag. Net als de plaats van handeling zaal Roelanzia moest zijn.

De hele dag waren ze al actief geweest om alles te regelen wat er geregeld moest worden. Met uitvaartverzorger Yvonne Vos als steun en toeverlaat en met elkaar. Toen ik ‘s avonds aansloot, was er al heel veel gehuild, gelachen, gezegd en geregeld. Maar ook veel nog niet. Het avondeten was er bij ingeschoten, maar de kleinkinderen brachten op enig moment broodjes en gehaktballetjes in tomatensaus. Als vanzelfsprekend werd ik uitgenodigd om een broodje mee te eten.

De dagen daarna heeft de afscheidsdienst verder vorm gekregen. De kist voor Chris hebben de zoons zelf gemaakt, met hulp van een broer van Chris. Het bloemstuk op de kist hebben de dochters gemaakt, samen met de schoondochters. Gebruikmakend van materiaal uit de tuin waar Chris zo trots op was. De kleinkinderen verzamelden herinneringen en oefenden als vanzelfsprekend het liedje ‘M’n opa, m’n opa’, omdat Martha hen dat gevraagd had. Martha had dat in een droom voor zich gezien. Die droom werd werkelijkheid. Vanzelfsprekend.

Die zondag in Roelanzia was het één grote bloemenzee rond de kist van Chris. Prachtige lelies voegden de kleinkinderen er nog aan toe. Lelies waren de bloemen die Chris zelf heel lang kweekte. Foto’s en muziek riepen herinneringen op aan zijn leven. Het werd een indrukwekkende afscheidsdienst. Maar het was niet alleen een afscheid, het was ook een viering van zijn leven. Alles wat de kinderen en kleinkinderen als vanzelfsprekend voor dat afscheid hadden gedaan, was een samengaan van verdriet en vreugde. Verdriet over zijn heengaan, vreugde over zijn leven.

Gewoon, omdat het was zoals het was. Het voelde als een vanzelfsprekendheid voor alle aanwezigen om bij het vertrek van Chris naar het crematorium buiten nog een erehaag te vormen. Toen Chris door de kleinkinderen naar de bus van de oudste zoon werd gereden -hij ging zoals hij was gekomen-, sprak Martha nog heel spontaan in een paar zinnen alle aanwezigen toe en bedankte ze uit de grond van haar hart. Chris zou trots op haar zijn geweest. Zoals zij trots op hem was. Het spreken ging vanzelf. Omdat alles al was gezegd.

Het volgende gedicht is geïnspireerd op de verhalen die het gezin mij verteld heeft en voorgedragen tijdens de dienst. Met hun toestemming deel ik het hieronder.

Met respect opgedragen aan Martha, aan Wil en Betsy en hun kinderen Kris, Ted en Max, aan Angela en haar zoon David, aan Mirjam en Theo en hun kinderen Teun, Juul en Anne, aan Paul en Ilona en hun kinderen Loet en Merle.

En een speciaal excuus nog aan Juul, waarvan ik ondanks goede afspraken haar naam toch als Sjuul heb uitgesproken…

Rudy…

Met mij keken en vooral luisterden nog zo’n 500 mensen naar de livestream van het laatste concert van Rudy Noya. Ter plekke, in de tuin van Graaf ter Horst waren minstens net zoveel stoelen klaargezet. Rudy stond op de plek waar hij het liefste was, in het midden van de bühne. Zijn band Jeopardy speelde en zong, waar hij eigenlijk gewoon nog mee had moeten zingen. Dat kon niet meer, maar er bij zijn wel…

‘Saying goodbye is the opposite of saying hello… saying goodbye came earlier then why..’. Twee regels tekst uit één van de liedjes die er voor Rudy en de aanwezigen werden gezongen. Lucie Geurts, die de herdenkingsdienst begeleidde, had bij haar welkom al uitgesproken dat bij dit laatste concert van Rudy we in feite zijn stem nog konden horen, in de verhalen en in de liedjes. En dat was ook zo. Nienke Wijnhoven en Stef Classens, samen met de bands Jeopardy en Plain gaven de dienst een prachtige muzikale touch. Tussendoor mooie herinneringen van zijn zus Eveline, gesteund door Samantha. Ook zijn broertje Jeffrey sprak, samen met Heléne. Cindy, de zus van Daniëlle, haalde herinneringen op, evenals een goede vriendin. En Rudy was erbij.

Ik kende hem vooral van vriendelijk ‘hallo zeggen’ als we elkaar waar dan ook tegenkwamen. En van zijn spetterende aanwezigheid bij Jeopardy, de keren dat ik daar optredens van had gezien. In zijn overlijdensbericht stond dat een persoonlijke boodschap bij zijn afscheid gewaardeerd werd. Dat die persoonlijke boodschap nu vooral ‘saying goodbye’ is, is heel onwerkelijk maar tegelijk ook het enige wat er op deze zaterdagmorgen mogelijk is. Je afvragen ‘waarom’ ligt zo voor de hand, maar ‘saying goodbye came earlier than why…’. Helaas…

Vanochtend om pakweg 9.00 uur zag ik alle lege stoelen al klaar staan in de tuin van Graaf ter Horst. Op de bühne waren ze aan het soundchecken. Mijn hardlooprondje om de vijvers bracht me ook een tweede keer langs de plek waar Rudy’s laatste concert zou worden gehouden. Ik zag Nienke op de bühne, om haar muzikale eerbetoon naar collegazanger Rudy, samen met de band, te oefenen. Het laatste concert van Rudy moest speciaal worden. En dat werd het ook.

Wat werd er mooi gezongen. In elk liedje klonk inderdaad Rudy’s stem door, zoals Lucie al voorspeld had. Ook thuis voor het beeldscherm was de emotie te voelen. Zeker toen Daniëlle vertelde dat Rudy een dag vóór zijn plotselinge overlijden nog ‘Dankjewel’ tegen haar had gezegd. ‘Umdaat ge zò lief ziet vur meej’, had Rudy op haar waaromvraag geantwoord. Tranen in mijn ogen toen ze vanochtend haar toespraak emotioneel afsloot met het zo begrijpelijke ‘koomde terug? Ik wil lief zien vur oow…’.

Waar Rudy’s stem ook zeker in doorklonk was het lied over zijn dochter Star, die met een sterretje achter haar naam als oudste zus van haar broers Jez en Liv genoemd stond in het overlijdensbericht. Rudy’s broer Richard, had de tekst die Rudy voor Star had gemaakt verder verwerkt tot een prachtig lied dat hij samen met Stef Classens ten gehore bracht. Zo was Star er ook bij. En vanochtend misschien nog wel veel dichter bij Rudy dan ze ál die jaren daarvoor al bij hem was geweest…

Herinneringen werden opgehaald, muziek werd gedeeld. Jez en Liv hadden hun laatste groet vertaald in een fotocollage, ondersteund met het prachtige nummer ‘Father and friend’ van Alain Clark. Die muziekkeuze zei veel over Rudy als vader, die ook als ‘bonuspapa’ van Tjeerd en Jens zo’n belangrijke rol had in hun levens. Eveline verwoordde het mooi in haar verhaal over Tjeerd en Jens dat die band met Rudy hen mede gemaakt had tot ‘de mannen die ze nu waren’. En Alain Clark hoorde ik zingen: ‘You know that one day too, i’ll be walking in your shoes. Yeah and I know that you’ll do fine, ‘cause you’re a son of mine…’’. Alain Clark’s stem was ook hier even die van Rudy…

Op de lifestream was te zien hoe tijdens de optredens verschillende keren de familie op de eerste rij getroost werd of elkaar troostte. En dat zal na vandaag ook wel zo blijven. Namens Daniëlle bedankte Lucie iedereen voor de aanwezigheid bij het laatste concert van Rudy. De bandleden van Jeopardy gingen na hun laatste nummer gearmd bij de kist staan. Samen bogen ze naar het publiek, maar vooral naar Rudy. Samen met Nienke hadden ze een lied gezongen waar ik twee bijna identieke regels van onthouden heb: ‘Tell me something, girl..’, en ‘Tell me something, boy..’.

Girl, boy, wie dan ook, nu en later, vertel me iets over Rudy, zodat hij voortleeft in dat verhaal. ‘Rudy leefde de muziek’, vertelde een van de bandleden van Plain, voordat het nummer ‘Last Dance’ werd gezongen, zittend rond Rudy’s witte kist. En in de muziek zál Rudy ook voortleven. In de muziek en in de herinnering.

‘Saying goodbye came earlier than why’. Waar het mee begon, werd Rudy’s laatste concert ook besloten. Vaarwel zeggen kwam te vroeg voor een waarom. Mischien wel juist dáárom riepen alle aanwezigen bij aanvang drie keer hardop zijn naam. En juist dáárom zal diezelfde naam nog ontelbare keren klinken, vanaf vandaag, en nog heel lang na zijn laatste concert: Rudy Noya!

Voor Daniëlle, Jez, Liv, Tjeerd, Jens en iedereen die Rudy kende… Gespiegeld in herinneringen, altijd aanwezig. Daarom…

Wij en ‘Wei’…

Het is half een, dinsdag op woensdag. Ik kom net thuis en het eerste bericht dat Facebook me voorschotelt, is een bericht van Ruud Lenssen: ‘Afgelopen weekend is pap gestorven. Sterk als je was heb je na het breken van je heup nog twee weken gestreden. Nu is het goed en heb je rust. Pap, je leeft voort in onze harten en middels de film blijven we jouw verhaal vertellen’.

Die film is ‘Wei’. Gezien tijdens de Limburgse première. Ruud’s bericht raakt me, omdat ik zijn vader, Jac, in de tuin van Hof te Berkel een tijd geleden nog heb zien wandelen. Hij schuifelde door de tuin en leek één met de planten waar hij langs liep. Eén met alle andere obstakels die op zijn pad kwamen en die hij stuk voor stuk met zijn handen aanraakte. In een tuin die ronde na ronde elke keer toch weer nieuw was. Zo geconcentreerd elk detail bijna liefdevol dichterbij halend, alsof hij continu opnieuw probeerde te begrijpen wat hij niet meer kon vatten. Telkens opnieuw beginnen bij de kern. Steeds weer. Je niet gewonnen willen geven, terwijl je niet meer weet waarvan je verliest…

De foto die Ruud bij het bericht heeft geplaatst, herken ik van de film. Het is het beeld van de eindscène, die destijds bij de premiére zoveel indruk op me maakte. Een toonbeeld van liefde, even ontsnapt aan de kille eenzijdigheid van de dementie. Er waren tijdens de film al momenten die me emotioneel raakten, maar die eindscene -volgens mij na de aftiteling- was zo ontwapenend en tegelijk zo veelzeggend, dat ik brak en mijn tranen de vrije loop liet. De woorden van Ruud daarna, en de gezamenlijk gedeelde emoties met het publiek raakten een universele snaar.

Dat was toen. Ik zie nu dat het 14 uur geleden is dat Ruud het overlijden van zijn vader heeft gemeld. Zijn bericht raakt me en ik voel de behoefte om er uitgebreider op te reageren, dan alleen het bedroefde gezichtje op Facebook. Misschien omdat ik bij de Limburgse première van Wei mocht zijn, en omdat ik op de een of andere manier het gevoel heb dat Ruud met ‘de goede dingen bezig is’. Maar vooral ook omdat ik Ruud’s vader, zoals gezegd, een tijd geleden in de tuin van Hof te Berkel nog heb gezien.

Onlangs mocht ik muziek maken met mijn buikorgel, en daarbij zingen in de tuin van de gesloten afdeling van Hof te Berkel. Tijdens mijn optreden liep Ruud’s vader daar. Ik herkende hem, van de film en omdat ik via Ruud’s facebookpagina de ontwikkelingen rondom zijn vader was blijven volgen. Ik wist dat hij een definitieve plek in Hof te Berkel had gekregen. Toen ik hem in de tuin zag, herinnerde ik me beelden uit de documentaire. Eén indrukwekkende scène met name. Zijn eerste bezoek aan een begeleid wonen project in Wellerlooi.

Alle facetten van onmacht kwamen in beeld. De pijn van het afscheid van het leven zoals het was. Voor zowel Ruud’s vader als voor Ruud en de overige familieleden. Op het moment van uit de auto stappen werd pijnlijk zichtbaar hoe confronterend het voor iedereen was. Zijn weigering in eerste instantie om überhaupt over de drempel te willen stappen naar een wereld die hem weer een stap verder af zou brengen van waar zijn gevoel op dat moment aangaf te willen zijn. En de noodzaak van de familie om hem daar toch uit liefde naar toe te begeleiden.

Wij zaten in de bioscoop en keken er naar. We zagen zijn wei en hoe die veranderde. Een krachtigere metafoor is niet denkbaar. Ja, misschien één. De poster van de documentaire, waarin Jac’s gezicht langzaam verwaait in de vervagende bladeren van een boom. De poster visualiseert letterlijk en figuurlijk de plek en de ervaring van eenieder die het aangaat. En nu, bij benadering 14 uur geleden, heeft de wind de wei definitief verlost van de zoekende ogen van Jac. Of misschien juist niet…

‘Afgelopen weekend is pap gestorven’, schrijft Ruud. De afstand tot zijn vader lijkt nu misschien nog groter dan waar de dementie al toe leidde. En toch. De pluk gras die Jac in ‘Wei’, in zijn wei, alsmaar vast bleef houden, laat de verbondenheid zien met de wereld die hij in stand wilde houden. Ondanks de dementie. Datzelfde beeld herkende ik in zijn wandeltocht door de tuin van Hof te Berkel, waar hij elke bloem en plant met aandacht aanraakte en even vast wilde houden. Mogelijk zonder besef, maar de essentie in volle concentratie keer op keer weer rakend.

De essentie namelijk, dat je ondanks een groeiende afstand tot de wereld, tot op het einde blijft zoeken naar de nabijheid van een allesomvattende liefde. Niet de bestemming maar de reis zelf, is belangrijk. Al loopt die honderd keer langs hetzelfde pad. Telkens is wat telt, hetgeen er toe doet. Wat telt, is wat je met aandacht doet. In opperste concentratie veranderde herhaaldelijk Jac’s wei. Om uiteindelijk uit te komen in een wereld waarin hij nu hopelijk vertoeft en niet meer hoeft te zoeken. Via alle plaatsen waar hij verbleef en alsmaar bleef zoeken, dit weekend geland in een wei, waar hij het gras in zijn hand met een gerust hart kan afgeven aan gevleugelde paarden.

Sharon…

Ik zie haar nog voor me als de jongste van drie mooie zussen. Sharon. Verscholen achter de benen van haar moeder. Van daaruit keek ze ons met grote ogen aan. Soms knipoogden we dan naar haar en dan glimlachte ze. Haar vader was eigenaar van een café en wij zaten daar als opgeschoten pubers vaak aan de tap. Boven het café woonden ze. Zijn vrouw en hun drie dochters waren meestal boven. Babs, Sharon, Jessica en Natascha. Zo nu en dan kwamen ze naar beneden, om vervolgens naar buiten te gaan. De dingen doen die jonge meiden doen. Naar vriendinnen, spelen, sportclub. Dat was toen. En nu? Nu is alles anders.

Het beeld uit mijn herinnering is bijna veertig jaar oud. Sinds hun vader en moeder destijds stopten met het café en hun geluk elders in de wereld zochten, ben ik de zussen uit het oog verloren. Zij vlogen uit, terwijl hun ouders uiteindelijk toch weer in Horst terecht kwamen. De laatste jaren kwam ik hun vader regelmatig tegen, als ik door Horst wandelde en hij toevallig net ook een ommetje maakte. Hun moeder zag ik zo nu en dan, op de fiets of in de winkel. Ze waren niet meer bij elkaar, maar al die tijd wel verbonden door hun drie meiden.

Eergisteren, donderdag 2 april, kwam ik hem weer tegen. Hij stond buiten de Hema te wachten en op anderhalve meter afstand spraken we elkaar kort. Het ging niet goed, vertelde hij. Sharon lag in het hospice… ‘De hele familie is hier’, vervolgde hij. ‘Maar door de corona kunnen we niet eens bij haar zijn’. Even was het stil. Het was een kwestie van dagen, vertelde hij verder, en misschien was dat ook maar beter. Zijn ogen stonden dof en de pijn klonk door in zijn stem. ‘We kunnen de kinderen niet eens knuffelen om ze te troosten’… De anderhalve meter was ineens zowel harde werkelijkheid als totaal misplaatst. Te ver voor een hand op de schouder. Ik heb hem, ondanks die anderhalve meter, veel kracht toegewenst. Met een ‘we zien elkaar’ gingen we uiteen.

Gisteren, vrijdag 3 april, is Sharon gestorven. Sinds gisteren zie ik steeds het beeld voor me van dat meisje dat ons met grote ogen aankeek. Ze zal toen drie of vier jaar oud zijn geweest, misschien vijf. Af en toe vroeg ze aan haar vader of ze naar buiten mocht om te spelen. Meestal mocht dat wel, na het maken van duidelijke afspraken. En Jessica of Natascha moesten dan op haar letten. Vader sprak de meiden streng toe, maar knipoogde dan, zonder dat zijn dochters het zagen, naar ons aan de tap.

En nu, bijna veertig jaar verder…onwerkelijk. Vorige zomer hebben Jack en ik een paar keer op een terras in het centrum gezeten. Ik herinner me die keer dat we op het terras van het café zaten waar hij in de vorige eeuw eigenaar van was. Zijn dochter Jessica was er toen bij. Even overgekomen van Mallorca, voor bezoek. Aan haar ouders en haar zussen. Nu, nog geen jaar later, is ze er weer. Net als Natascha, die volgens mij in Amsterdam woont. Ze zijn er weer, zoals ze er veertig jaar eerder ook altijd waren om op Sharon te letten als die naar buiten ging.

De komende tijd is alles anders. Anderhalve meter lijken kilometers als je een arm om een schouder wil  leggen. Anderhalve meter is onoverbrugbaar ver om een knuffel te geven. Sinds gisteren is Sharon weer buiten. De afstand van de aarde naar de zon overbrugt ze nu in de tijd van een knipoog. Die anderhalve meter zijn voor haar sinds gisteren een lachertje. Vanaf waar ze nu is let zij voortaan op haar zussen. Let ze op iedereen die in de voorbije jaren in haar leven kwam. Let ze op Richard, op haar zoons. Op haar vader en moeder. Sharon is buiten. En op alle momenten in de toekomst vooral steeds heel dichtbij. Als je het nodig hebt, geeft ze je een knipoog…

Voor Jack, Babs, Natascha en Jessica, 
Voor Richard, de kinderen en iedereen die Sharon heeft gekend

ik zie je in een mooi wit licht
geheeld, vol kracht, je zweeft

ik zie je met m’n ogen dicht
je speelt, je lacht, je leeft

ik blijf het zien
je mooi gezicht

je knipoog zie ik
met m’n ogen dicht

dus…
geen afscheid…
dag!

kus…
een knipoog…
lach!

Een tevreden mens…

Uit lang vervlogen tijden…

Op de foto een man, in de kracht van zijn leven, die een deur achter zich dicht trekt. De dokterstas in de hand. Op weg naar een andere patiënt, of misschien wel terug naar huis, naar Thérèse, zijn vrouw en hun vijf kinderen. Vandaag, één dag na zijn indrukwekkende afscheidsdienst in de St. Lambertuskerk in Horst kijk ik opnieuw naar die foto. Ik realiseer me nu pas hoeveel symboliek er in zit. Na vierennegentig jaar, bijna vijfennegentig, heeft hij de deur opnieuw achter zich dichtgetrokken. Nu definitief. Jan Holthuis. Voormalig huisarts te Horst.

Vaak heb ik hem zien wandelen. Naarmate de jaren vorderden steeds bedachtzamer en steeds wat meer voorovergebogen leek het. Later ondersteunt door een stok, maar in mijn herinnering zo goed als altijd lopend in de richting van de Lambertuskerk. Want daar had ik hem mee geassocieerd, sinds het interview dat ik 17 jaar geleden met hem had. Onder andere over de Lambertuskerk waar hij zich zo mee verbonden voelde. Die kerk met het atrium en haar kunstschatten. De unieke heiligenbeelden die er stonden. Maar eigenlijk veel breder nog, over al het culturele erfgoed en het landschappelijk schoon van Horst aan de Maas. De gemeente waar hij een leven lang huisarts was geweest en dus menige huisdeur achter zich had dichtgetrokken.

Het was in de zomer van 2002 dat we hadden afgesproken in het atrium van de St. Lambertuskerk. Aanleiding voor het gesprek waren de plannen rondom het centrum van Horst. Het was de tijd van stedenbouwkundige Riek Bakker die in haar structuurvisie over het centrum iets geopperd had over het atrium. Dat zou niet passen in het beeld van een moderne winkelstraat. Het zou een ‘hinderlijk obstakel in het winkelcentrum’ zijn. Uit het interview van toen lees ik opnieuw zijn prachtige en veelzeggende reactie: ‘Het schijnt zo te zijn dat architecten van tegenwoordig geen kunstgeschiedenis meer krijgen gedurende hun opleiding. Dat gemis wordt soms pijnlijk duidelijk. Toen men mij een keer belde met vragen over die alternatieve plannen heb ik geantwoord dat dat pas kon na mijn dood. Mijn dochter Hanneke, die dat hoorde, reageerde spontaan met de opmerking dat zij het daarna dan over ging nemen. Dat betekent dat de kerk op zijn minst tot 2050 blijft zoals die is. En daarna zijn de mensen hopelijk tot verstand gekomen’.

Jan Holthuis heeft toen indruk op me gemaakt. En gisteren, zeventien jaar later, stonden we opnieuw in het atrium. Met heel veel mensen samen, die hem wilden vergezellen naar zijn laatste rustplaats. Die kort daarvoor nog in ‘zijn’ Lambertuskerk een prachtige, veelal gregoriaans gezongen, dienst hadden bijgewoond. Waarin zijn oudste dochter Kristin, namens de andere broers en zussen, met veel gevoel en liefde over haar vader had gesproken. En waar Joost op het eind van de dienst de aanwezigen op een inspirerende manier nog deelgenoot maakte van de laatste woorden van zijn vader: ‘Gastendonk môt blieve’.

Het waren woorden waarvan hij in eerste instantie niet goed had geweten wat zijn vader er mee bedoelde, maar die hij vervolgens prachtig metaforisch analyseerde. Want er lag gastvrijheid verborgen in het woord ‘gasten’ en het stond ook synoniem voor de ontmoeting tussen mensen. En ‘donk’ bleek een veilig toevluchtsoord op een vaak hogere plek in de omgeving. Een plek dus, waar mensen elkaar veilig konden ontmoeten. Konden blíjven ontmoeten. ‘Gastendonk’ dus, en dat moest blijven. Een wijze levensles voor ons allemaal, samengebald in drie woorden. En als ik Joost goed heb verstaan ook nog uitgesproken in het Horster dialect. Met een vastberadenheid en een strijdbaarheid die zeventien jaren eerder ook al had geklonken, toen Jan Holthuis en ik met z’n tweeën in het atrium stonden.

Vanaf het kerkhof ben ik naar De Leste Geulde gewandeld. De uitnodiging die al in het overlijdensbericht stond, werd tijdens de kerkdienst en op het kerkhof nog eens nadrukkelijk herhaald. Iedereen was welkom op de bijeenkomst achteraf in De Leste Geulde. En ook daar werd het druk. Het sprak voor de gastvrijheid die Jan Holthuis hoog in zijn vaandel had. Een vanzelfsprekend voorbeeld van ontmoeting en het er zijn voor elkaar. Op elke plek waar dat kan. Bijvoorbeeld het atrium, als veilige ‘donk’ tussen de drukte van buiten en de rust van binnen. Mocht Hanneke in de toekomst de belofte, zeventien jaar geleden gedaan aan haar vader, waar moeten maken, dan vindt ze in mij een medestander. In navolging van Jan Holthuis, maar ook als eerbetoon aan de man, die liet zien dat je vooral samen en met bezieling van het leven moet genieten. In een wereld waar je een deur dicht trekt vanuit de hoopgevende wetenschap dat die ook weer open gaat om elkaar te ontmoeten. 

Sprekend beeld op het gedachtenisprentje
‘Ontmoeting van Joachim en Anne voor de Gouden Poort van Jeruzalem’

In het interview van 17 jaar geleden schreef ik zijn achternaam met een ‘y’ op de plaats van de ‘i’. Oude spelling? Waarschijnlijk niet, dus bij deze met terugwerkende kracht nog mijn excuses voor die fout.

Klik hier voor het interview van 11 juli 2002.

‘Jan vaan den Edah…’

Er volgde een korte stilte. En iedereen had de twee woorden ‘klets boem’ na ‘Edah’ er al bij gedacht, voordat Lucie ze daadwerkelijk uitsprak. Lucie Geurts begon er zingend het ‘in memoriam’ van Jan Lucassen mee. Miek, zijn vrouw, hun kinderen en de kleinkinderen waren bijna geluidloos met Jan de kerk binnengekomen. Even geluidloos als het opstaan van alle aanwezigen, nog voordat de bel daartoe opriep. Het was alsof de stilte sprak.

Misschien was het wel dezelfde stilte die er de afgelopen tien jaar in Jan verscholen had gelegen. Iedereen kende hem en velen wisten wie Jan Lucassen was. Maar veel minder mensen kenden de stilte die de laatste jaren gepaard ging met zijn leven. En er was er maar één, die twee keer per dag die stilte doorbrak. In stilte. En in liefde. En nu waren ze allemaal hier. Om daar eer aan te bewijzen. Aan de herinnering. En aan liefde in stilte.

De mensen die afscheid kwamen nemen wisten het. Horst wist het ook. Jac Hanssen wist het. Hij tokkelde nog voor de dienst begon op zijn gitaar achteloos het prachtige nummer van Johnny Cash: ‘Hurt’. Herkenbaar zonder woorden. Pijn. Voor ál die tijd zonder woorden. Thuis moest ik denken aan die tijd. Maar ook aan de tijd mèt woorden. Aan de tijd dat Jan vriendelijk glimlachend zijn klanten te woord stond. Of van vele gebeurtenissen in zijn dorp filmopnames maakte. Alsof hij toen al wist dat wat was vastgelegd, niet meer vergeten kon worden.

In de dienst droeg Lucie het prachtige gedicht van Toon Hermans voor:

Ik kon niet zeggen wat ik voelde,
ik heb het ook niet uitgelegd
Maar toch wist jij wat ik bedoelde
De stilte had het al gezegd.
Als ik je kuste of je griefde
in blijheid of in droefenis
De liefde is pas echte liefde
Als stilte taal geworden is…

Het raakte me. Juist omdat de stilte die ochtend al gesproken had. En dat al dagen eerder, ja zelfs jaren daarvoor al had gedaan. De laatste jaren de stilte van Jan, als hij door Miek door Horst werd gereden. Maar ook daarvóór, de niet in woorden te vatten stilte van het verlies van twee kinderen, Carolien en Frankie. De stilte van Miek, als ze tussendoor bij Liesbeth haar koffie dronk en haar sigaret rookte. De stilte van het schilderij dat ze van Jan maakte. Het stond afgebeeld op het gedachtenisprentje dat werd uitgedeeld. Jan in pasteltonen, in de tijd dat hij waarschijnlijk bij de Edah de voorraden registreerde. Dezelfde tijd dat zijn kinderen en later zijn kleinkinderen hem daar aan het werk zagen.

Dezelfde plek waar hij zijn kinderen en kleinkinderen ook zag. Tijdens de dienst haalden z’n kleinkinderen herinneringen op aan die periode. Altijd wel een open zak chips of een ijsje had opa voor ze. Ze herkenden de verhalen van hun ouders die als kind blijkbaar al mochten rolschaatsen door de winkelpaden. De geschiedenis leek zich in al zijn vriendelijkheid te herhalen. Tot aan de eeuwwisseling. Vanaf die tijd nam meer en meer de stilte de plaats in van de herinnering.

Veel mensen hebben zich vanochtend de tijd genomen om hun herinneringen aan de stilte van de dienst toe te vertrouwen. Al die tijd van al die mensen bij elkaar opgeteld, bedacht ik vanmorgen, is slechts een fractie van de tijd die Miek met Jan heeft doorgebracht. In al die jaren dat er voor Jan allang geen tijd meer bestond. Geen woorden meer waren. En heel lang zelfs alleen een lappenpop een tastbaar gevoel van werkelijkheid voor hem was.

Als stilte taal is -en dat geloof ik- dan zou die stille pop wel eens de onuitgesproken liefdesverklaring kunnen zijn geweest naar Carolien en Frankie. Naar zijn andere kinderen en kleinkinderen en naar Miek. Als ‘ houden van’ geen woorden meer heeft, dan is ‘vasthouden van’ een stil maar krachtig alternatief. Zo krachtig dat zelfs het moeten loslaten daar niet tegenop kan. Jan vaan den Edah… Horst houdt hem vast. In stilte.

Jacqueline

 

Ze bedankte me ooit voor een ‘in memoriam’-gedicht dat ik voor haar vader had geschreven in de plaatselijke carnavalskrant. Sindsdien groeten we elkaar en komen we elkaar vooral tegen in de cafetaria waar ze werkt. Een aantal jaar na haar vader is ook haar moeder overleden. Ook dat is nu alweer enige tijd geleden.

Of het komt doordat ik zelf relatief jong mijn ouders heb verloren, ik weet het niet, maar op de een of andere manier houdt het afscheid dat mensen moeten doormaken me altijd wel bezig. Het verdriet, de verwerking, het zijn zaken die mijzelf ook zo nu en dan door het hoofd gaan.

Zoals onlangs weer, toen ik Jacqueline achter de balie bezig zag om de verschillende bestellingen vakkundig en routinematig te verwerken. Mijn bestelling zat daar ook ergens tussen. Wachtend dacht ik aan haar Facebook-reactie onlangs, op het gedicht over haar vader dat ik spontaan, in een serie van soortgelijke gedichten, opnieuw online had gezet. ‘Zoë aas heej’, heette het.

Toën te Baerts

Een reactie op het gedicht, en kort daarna via een persoonlijk berichtje een foto van haar vader, in een lijstje. De woorden van het gedicht waren over hem heen geprojecteerd. ‘Kiek s Geert, zoë stiet ie beej meej in de kast…’ stond erbij geschreven. Mijn reactie, ‘Wauw, doa krieg ik da wer kiepevel va… Moëi!’ beloonde Jacqueline met een smiley.

‘Bestelling 92’, riep ze. Een grote witte zak met lekkere inhoud stond op de balie. Heel kort wisselden we onze online-ervaringen ter plekke nog even live uit. We hadden het ook over haar moeder en het gemis. Een ‘Zoë aas zeej’ zou niet misstaan in haar kast, naast de foto van haar vader. Ze zei het lachend, bijna achteloos. Maar het inspireerde wel. Thuis bij de fricandel speciaal en de friet wist ik het zeker.

Ondertussen zijn we een week of wat verder. Jacqueline en ik hebben over en weer nog wat herinneringen gedeeld. Daaruit is een tweede gedicht ontstaan. ‘Zoë aas zeej’. Jacqueline gaat het weer over een foto projecteren en binnenkort stuurt ze me daar een voorbeeld van. Toën en An staan dan weer naast elkaar en spreken ons toe met woorden van herinnering.

 

Zoë aas zeej
hiël gastvreej
aalt de deur
vur oow aop deej…

Zoë aas zeej
mit en bleumke
hiël veul kleur
beej waat haop deej…

Zoë aas zeej
aalt woj winne
fanatiek
vur de priës

Zoë aas zeej
aalt geliëk haaj
ma nevver noeïts
eigewiës

Zoë aas zeej
na ’t laeve lachte
en ellekes kiër
aan de zwier ging…

en zoë aas zeej
zoonder klaage
ellekes kiër
toch ma wier ging…

Zoë aas zeej
na oow luusterde
mit engele
geduld…

hedde geej toen ok
eur wermte
vaan doënbeej
gevuld?

vur ôs aal
Zoa speciaal
Manno-man…
Danke An

GvdM

In gedachten: Hans en Jan

Met Hans liep ik over een achterpad, dat overal uitkwam en nergens. Hij kende die paadjes, want hij woonde al zolang als hij leefde in deze buurt. Het waren de achterpaadjes van de lange rijen huizen van de mensen die er ook woonden. Het waren de, voor buitenstaanders, onzichtbare verbindingen tussen de Jan van Eechoudstraat, de Wittenhorststraat, de Prinses Beatrixstraat, de Julianastraat, de Prins Bernhardstraat enzovoorts. Dat was Hans zijn domein en daar liepen we. Acht, negen jaar, denk ik, en de wereld was van ons. Of eigenlijk van Hans, als we bij zijn thuis waren.

Hans is onlangs gestorven. Twee weken eerder had ik de felicitaties voor zijn verjaardag nog op Facebook voorbij zien komen. Die berichten gingen gepaard met sterktewensen en opbeurende gedachten dat het hopelijk snel goed zou komen. Helaas mocht dat niet zo zijn. In de overlijdensadvertentie stond in drie korte zinnen hoe het was: ‘Tot mijn grote spijt moet ik jullie mededelen dat ik ben overleden. Ik was graag nog even gebleven. ’t Gaat jullie goed!’

Tijdens een indrukwekkende herdenkingsbijeenkomst hebben veel mensen afscheid genomen van Hans. In de blauwe buitenlucht, onder een stralende zon. Een witte streep verbond langzaam een paar wolken. Niet veel later van de andere kant nog een witte streep. Alsof er ook in de lucht een kruis getekend moest worden. Ik keek er naar, in gedachten, en luisterde tegelijk naar de woorden over Hans.

Hans kende de smalle paadjes achter de huizen. Daar liepen we. Acht jaar, misschien negen. Ik liep voorop omdat Hans achter me aan liep. In één keer sloeg er vanuit een van de achtertuintjes een grote hond aan, juist op het moment dat ik voorbij het tuinhekje liep. Hans zag me enorm schrikken en dat maakte in dezelfde seconde zo’n indrukwekkende reactie bij hèm los, dat weer slechts een paar milliseconden later de hond jankend afdroop. Net als ik was de hond enorm geschrokken. Maar Hans stond gelukkig aan mijn kant. Oprecht verontwaardigd over wat dat beest mij had aangedaan. En dat werkte. Het voorval, en vooral Hans z’n vastberadenheid, is nooit meer uit mijn herinnering gegaan.

Het zal misschien in diezelfde zomermaanden zijn geweest. Een andere herinnering die me altijd is bijgebleven. Ik mocht met Hans en zijn ouders, Toos en Jan, mee op vakantie. Ik denk dat Erik, Hans broertje er ook bij was, misschien ook wel met een vriendje, maar dat weet ik niet zeker. Volgens mij waren we op de Schatberg, maar voor mij voelde het toen als een wereldreis. Mijn wereld speelde zich in die tijd vooral af in mijn hoofd, door de gespannen situatie bij ons thuis. Later heeft Jan me ooit verteld dat hij en Toos dat wisten en dat ik ook om die reden mee mocht met hen.

Mijn herinnering gaat terug naar een plek aan de zijlijn van een voetbalveld. Rondom het veld stond publiek en op het veld werd fanatiek gevoetbald. Ik vermoed dat ik met Hans, op onze knieen in het gras, naar die wedstrijd keek, en dat de ouders van Hans vlak bij ons stonden. Ik weet dat niet zeker, want op dat moment in gedachten verzonken, ontging me de hele wedstrijd.

In mijn geheugen gegrift staan echter de volgende beelden, die, ook hier, elkaar in millisecondes opvolgden: ik zie mezelf, starend in het groene niets; ik zie een vuist van achter mij verschijnen, die stopt vlak voor mijn neus, en ik zie en hoor tegelijk een levensgrote voetbal op die vuist met een knal terechtkomen en evenzo hard terugspatten, het veld in. Nog hoor ik het diepe ‘oooooh’-geluid dat er meteen op volgde, van alle toeschouwers. Ik keek om, in de ogen van Jan, zag een glimlach op zijn gezicht, en hoorde hem zeggen: ‘doa haadde geluk wah menke…’. En zo was het.

Nu is Jan een paar dagen geleden ook gestorven. Een week na Hans. Voor Toos en Erik en de familie een keiharde, en bijna niet te bevatten realiteit. Gisteren was er op de Wevert opnieuw een herdenkingsbijeenkomst. Daar kon ik niet lijfelijk bij aanwezig zijn, maar ik was er in gedachten. Ook vandaag weer even.

Ik stel me voor dat Hans daarboven Jan rondleidt over de witte paadjes achter de wolken. Diezelfde paadjes die een week eerder al werden aangelegd in de lucht, op de vrijdag dat Hans afscheid nam. Ik keek er toen naar maar zie nu pas waarom. In gedachten. Net als een week eerder. Ik zie ze vastberaden samen op pad. Ons bedroefd achterlatend, maar met de zekerheid van de mooie herinneringen.