De verpleegkundigen en de vrijwilligers van Hospice Doevenbos vierden vrijdag 24 april het 10-jarig bestaan van het hospice. Mijn plek in het bestuur van de Stichting Vrienden van Hospice Doevenbos vindt zijn oorsprong in een eerste kennismaking 10 jaar geleden. In mei 2016 was mijn zus een van de eerste gasten. Twee dagen maar, maar die dagen zijn daar door de goede zorgen van verpleging en vrijwilligers op een hele respectvolle en indrukwekkende manier verlopen.
Halfjaarlijks worden nabestaanden uitgenodigd bij een gezamenlijke afscheidsceremonie. In 2016 was die in november en daar heb ik toen mijn ervaringen mogen vertellen. Ik vertelde over mijn zus en over die twee dagen dat zij in het hospice verbleef. Toen ik gauw genoeg daarna een verzoek kreeg om plaats te nemen in het bestuur van de Vrienden van Hospice Doevenbos, hoefde ik niet lang na te denken.
Nu, 10 jaar later, mag ik nog steeds aan elke afscheidsbijeenkomst van het hospice een bijdrage leveren. Ik vertel een verhaal, waarin ik mijn ervaringen van toen koppel aan het gekozen thema van de bijeenkomst. En ook dat samenzijn wordt door vrijwilligers en verpleegkundigen op een hele betrokken manier ingevuld. Ook bij de Vrienden draag ik nog steeds mijn steentje bij. Mooi om mijn betrokkenheid bij het hospice op die twee manieren te kunnen tonen.
In 10 jaar tijd zijn er bijna 1000 gasten in het hospice geweest. Duizend gasten, waarvan de namen in al die afscheidsdiensten in de afgelopen 10 jaar zijn genoemd. Afgelopen vrijdag mochten vrijwilligers en verpleegkundigen zelf even feestvieren. Ze hadden ‘1000 sterren’ als thema gekozen. Ik was gevraagd of ik een gedicht wilde schrijven voor die gelegenheid. Met in gedachten mijn eigen ervaringen van 10 jaar geleden en alle speciale momenten daarna, is het gedicht ‘Voor altijd…’ ontstaan. Een eerbetoon aan het hospice, maar vooral aan de mensen die daar op wat voor manier dan ook bij betrokken zijn. Voor altijd…
Vrijdag 3 april sprak ik Jo nog. Kit en hun dochter Jeanne waren erbij. Later sloot ook Daan aan, de man van Jeanne. We hadden deze afspraak gemaakt, omdat Jo het prettig vond om van te voren kennis te maken met degene die zijn afscheid zou gaan begeleiden. Met Ron Bosmans van uitvaartverzorging Yvonne Vos had hij al gesproken. En die vrijdagmiddag spraken wij elkaar. Jo vertelde over zijn leven. Het kostte hem zichtbaar energie. Af en toe nam hij noodgedwongen een hele korte pauze, waarin Kit liefdevol aan hem vroeg of zij het dan maar even zou vertellen. Na zo’n kort moment van rust nam hij dan zelf weer het woord.
Bijna terloops vertelde Jo dat hij 7 april zijn zelfgekozen afscheid gepland had. Maar daarna ging zijn verhaal weer snel over de dingen die zijn leven aangenaam hadden gemaakt. Hij vertelde met trots over zijn gezin, over zijn werk als monteur en over zijn hobby’s. Toerritjes met de brommer. En die brommer ervoor en erna weer tiptop in orde maken als er iets aan mankeerde. Of andere brommers repareren van zijn brommervrienden. Hij vertelde over zijn allereerste brommer, die hij op 18 jarige leeftijd tot op de laatste schroef uit elkaar had gedraaid en in kratten had bewaard om ‘ooit’ weer in elkaar te zetten.
Zijn lichamelijke vermoeidheid stond in schril contrast met de geestelijke rust die er van Jo uitging. Ik was er van onder de indruk. Toen twee jaar geleden de diagnose uitgezaaide slokdarmkanker werd gesteld en de arts hem en Kit ‘maanden in plaats van jaren’ had voorspeld, besloten ze die dag op het verjaardagsfeest van hun kleindochter nog niets te vertellen. Een dag later riep hij zijn dochter en twee zoons bij elkaar en vertelde hen het verdrietige nieuws. Natuurlijk was dat enorm schrikken, maar vanaf het begin leek Jo vastbesloten om in die ‘beloofde’ maanden nog mooie herinneringen te maken met zijn gezin.
Zijn laatste weekend was het afgelopen Paasweekend. In de weken daarvoor had Jo al van veel mensen afscheid genomen. Hij nodigde die dan heel bewust uit en er ontstonden steeds mooie gesprekken. In het Paasweekend wilde hij nog een paar mensen spreken. Peter-Paul bijvoorbeeld, met wie vanuit een werkrelatie ook een hechte vriendschap relatie was ontstaan.Â
Op de afscheidsbijeenkomst van Jo liet Kit die bout en moer zien aan de meer dan 300 aanwezigen in de Wingerd in Sevenum en ze vertelde het verhaal erachter. Het samengaan, het bij elkaar passende van de moer en de bout, de verbondenheid die er in lag besloten, dat wenste ze alle aanwezigen toe. Om die reden, vertelde Kit, zou iedereen na afloop precies zo’n moer en bout krijgen.
Peter Paul had desgevraagd zo’n 350 exemplaren geregeld, identiek aan die allereerste moer en bout van Jo en Kit. Jo had Peter Paul nog gevraagd of hij niet in diens oude Chevrolet naar het crematorium mocht worden gereden. En hij had zijn brommervrienden gevraagd of die dan voorop zouden willen rijden, op weg naar de Wingerd en daarna naar het crematorium. En bijna vanzelfsprekend had iedereen ja gezegd.Â
In de Wingerd stonden op het podium, rechts en links van Jo, twee brommers. Rechts stond zijn allereerste brommer, die Jo, zoals hij zich al heel jong had voorgenomen, na de fatale diagnose weer in elkaar had gezet en uiteraard werkend had gekregen. In 2025 reed hij er nog de Hemelrit in Kronenberg mee. Jo kon alles repareren, vertelden verschillende sprekers tijdens zijn afscheidsdienst. Op zijn kist lag een prachtig bloemstuk, dat volledig in de kleur was samengesteld van zijn Kreidler, die links op het podium stond.
Jo had het allemaal al voor zich gezien. En zoals hij het zag, is het ook gebeurd. Omdat iedereen een steentje wilde bijdragen. Soms op zijn eigen verzoek, maar vooral ook omdat Jo altijd zijn steentje had bijgedragen. Of beter gezegd, zijn boutje en moertje. Hún boutje en moertje. Achtenveertig jaar geleden al het symbool van de liefde tussen twee personen. Nu, na maandag 13 april, voor heel veel mensen een voortdurende herinnering aan de man die toen meende niets te kunnen geven, maar zijn hele verdere leven alles gegeven heeft wat hij kon…
Jo,
jij stippelde de route uit reed altijd vooraan in de stoet ja, dat was jij ten voete uit je deed het niet, of deed het goed
je reparatie skills, echt onbetwist je leven lang daaraan besteed zocht steevast op wat je niet wist en zo bleef je kennis up-to-date
alles kreeg je aan de praat totdat je lichaam panne kreeg technisch wist jij steeds wel raad maar deze handleiding bleef leeg
toch pakte jij het heel goed aan beheerst, berustend en vertrouwd je hebt het op jouw manier gedaan net als toen met moer en bout
In 2019 deed ik voor het eerst mee met een gedicht. Het thema was toen ‘bevrijd’. De publieksjury bekroonde dat jaar mijn gedicht (gekozen uit 52 inzendingen) met de Rooje Roos publieksprijs. Daar was ik bijzonder trots op. Ik heb daar destijds een column aan gewijd, waarin ik het gedicht, maar ook het verhaal achter dat gedicht heb beschreven.
In 2020 deed ik opnieuw aan de wedstrijd mee met een gedicht. Dat jaar was het thema ‘Dwarsliggers’. Vijf gedichten (van in totaal 43 inzendingen) zijn toen door de vakjury en de publieksjury ook geschikt bevonden voor publicatie in de bundel. Daar zat ik weer bij en ook daar was ik trots op. Bovendien dankbaar en onder de indruk van het juryrapport, waarin de jury het best wel emotionele en ‘zware’ gedicht naar waarde wist te schatten..
Een aantal jaren daarna niet meegedaan, maar voor deze editie, 2025/2026 met het thema ‘vieren’, had ik wel weer een gedicht ingestuurd. Net als 64 anderen, die ook aan de poëziewedstrijd meededen. Zondag 12 april was de feestelijke bekendmaking van de winnaars en daar hoorde ik dat mijn gedicht bij de tien geselecteerden zat. Dus opnieuw trots.
Kunstenaars van Atelier Jerusalem hebben net als andere jaren beeldend werk gemaakt op basis van het thema. Wanneer de gedichten, die in een bundel gepubliceerd worden, bekend zijn, wordt aan elk gedicht een passend beeld gelinkt. Mooi hoe hier twee kunstvormen samenkomen.
Voor de geïnteresseerden en/of nieuwsgierigen heb ik hieronder de gedichten uit de bundels met het beeldende werk en de bijbehorende juryrapporten ‘klikbaar’ gemaakt. Zuster Marie-Claire zou trots op me zijn…
Ik heb het gedicht ‘Germa en Fred’ voorgelezen, zoals ik Germa beloofd had. Voorgelezen op vrijdagavond 6 februari 2026, tijdens de presentatie van carnavalskrant de Klos. Het gedicht schreef ik op 7 december 2025 voor haar, met het voornemen om het in de Klos te laten publiceren. Dat voornemen en het gedicht heb ik haar geappt. Bijna per kerende post kreeg ik een appje terug, dat me ontroerde: ‘Geert, het is prachtig! Ik ben je zo dankbaar, zo ben ik er toch nog een beetje bij..’. Fred, haar partner, stuurde me een filmpje waarin Germa het gedicht zelf voorlas aan haar vriendin Laura. Ook bij het bekijken van dat filmpje voelde ik weer tranen prikken..
‘Dan ben ik er toch een beetje bij’.. Germa bedoelde de komende carnaval, waarvan ze wist dat ze dat feest niet meer zou halen. De eerste chemokuur om haar maagkanker en uitzaaiingen te bedwingen had niet het gewenste effect opgeleverd. Integendeel, ze was er eigenlijk alleen maar zieker van geworden. Toen de artsen een tweede chemokuur voorstelden, die enkel levensverlengend zou kunnen zijn, besloot Germa voor kwaliteit van leven te gaan inplaats voor kwantiteit.
Vanaf dat moment pakte Germa de regie op de tijd die haar nog restte. Ze legde contact met Bob Noten Uitvaartverzorging en maakte afspraken met haar huisarts. Ik sprak Germa en Fred voor het eerst op 2 december vorig jaar, nadat Astrid van Rens, medewerker van Bob Noten, mij daarvoor benaderd had. ‘Ze kent jou’, had Astrid gezegd, ‘van het trommelen met carnaval’. Mijn vermoeden om wie het zou gaan werd bevestigd, toen ik Germa zag. Elke carnaval was er wel een moment dat we elkaar tegenkwamen. Zij kwam dan steevast vragen of ze even mocht trommelen. Vorige carnaval bleek de laatste keer te zijn geweest.
Germa had haar afscheidsdienst op papier al helemaal uitgewerkt. Haar levensverhaal had ze op twee manieren uitgeschreven. Puntsgewijs en als een lopend verhaal. De foto’s die ze graag getoond wilde hebben bij haar afscheid had ze al uitgezocht. De muziek die ze mooi vond, stond op een memorystick. Ze vertelde over haar wensen, staande en af en toe lopend, zichzelf enigszins ondersteunend aan een verrijdbare morfinestandaard. In overleg met Fred en haar huisarts werd een definitieve datum bepaald, waarop Germa haar lijden beëindigd wilde zien. Omdat ze geen afscheid wilde nemen op de verjaardag van Fred werd die datum over een weekend heen getild. Maar of ze die datum zou gaan halen, was nog maar de vraag. Germa leek het antwoord te kennen. Zij had de regie.
Ik ben diezelfde avond aan de slag gegaan, wetende dat haar gezondheid heel broos was. Ik wist ook dat ze nog wel heel graag de complete inhoud van haar afscheidsdienst zelf wilde kennen. Allereerst zette ik de door haar uitgekozen foto’s samen met haar muziek in een vijftal presentaties. Een dag later hebben we die samen bekeken. Als je zelf de foto’s van je leven op muziek voorbij ziet komen, dan is dat een diep emotionele ervaring. Foto’s van haar kindertijd, met haar vriendinnen, de momenten met Fred en zijn kinderen. De foto’s van carnaval. We spraken daar samen nog over. Die zaterdagavond schreef ik een gedicht, dat ik weer een dag later met haar en Fred kon delen. Het gedicht dat haar afscheidsdienst op 15 december 2025 zou besluiten…
Germa,
natuurlijk ging het veel te vlug, maar misschien kijk je nu wel met ons mee
en heb je je ouders daar teruggezien vloog je met hen al over zee
hoe is het daar waar je nu bent? is carnaval er ook bekend?
stel dat je daar ook trommels ziet waarop je hemels los kunt gaan
ja dan, zal ons verdriet van nu straks zeker ook weer overgaan…
Ze was er blij mee, schreef Germa. Het gaf troost, zei Fred. En het is altijd fijn wanneer zo’n afsluitend gedicht, gebaseerd op het verhaal van degenen waarvoor het geschreven is, ook resoneert bij de betrokkenen.
Maar Germa’s situatie liet me niet los. Diezelfde dag schreef ik een tweede gedicht over onze carnavals- en trommelontmoetingen. Dat gedicht heb ik vrijdag 6 februari, aan het begin van de Klospresentatie voorgelezen voor een 500-tal aanwezigen. Zoals ik haar en Fred had beloofd. En wie weet, was Germa er inderdaad ook een beetje bij. In ieder geval in gedachten.
Germa en Fred…
ik heb mien tróm ál bes wát jaor en heb dur hiël veul óp gehouwd en aalt, ás ik dán urges waor, dá vulde dát ál gauw vertrouwd
zütjes beginne, ni te hárt en bitje spienze, niemus kwaod? dá langzaam vlotter, volle vaart geconcentreerd en in de maot
hiël duk zaog ik eur ál vá wiet dá waas ut áltied vaste prik ur stilzwiegend ‘leuk dát ge dur ziet’ má in eur oege stoong: móg ik?
ze lüsterde iërs vur ze begós en sloog dá langzaam ritmies mei en hürde ze dát ut sneller mós dá goof ze ‘t tempo ennen drei
helaas môs zeej vur áltiëd gaon ut lot stook dur en stökske veur ma ás ik ôp miën tróm goj slaon is iëne roffel straks vur eur…
Toen ik zijn foto zag, kwamen de herinneringen boven. Ik weet bijna zeker dat hij er ook bij was. Ik was een jaar of 16, 17 en zou met vrienden voor het eerst naar Bar de Saloon op het Wilhelminaplein gaan. Spannend, maar wij vonden onszelf stoer genoeg om dat te wagen. Er bleek een stevig feest gaande. Ik herinner me een rock & roll-sfeer. Stoere kerels stonden buiten al te vieren. We dachten ze te kunnen passeren, maar ze maakten ons onmiskenbaar duidelijk, dat we alleen met een vetkuif naar binnen mochten.
Daar hadden ze een emmer water voor klaar staan, waar we ons hoofd in moesten dompelen. De grootste lol, kan ik me herinneren, toen ik dat weigerde. Want dat vonden ze ook prima. Maar ik kwam er vervolgens niet in. Ik meen me sommige van hen nog voor de geest te kunnen halen. En het zou me niet verbazen als ik daar Frans voor het eerst heb gezien.
Jack Beerens kwam vanmiddag, vrijdag 23 januari, als laatste binnen in de grote zaal van ‘t Gasthoês. Hij had waarschijnlijk op Nu Horst aan de Maas de overlijdensadvertentie gelezen van Frans. Zijn vroegere klant, vriend en medewerker. Net als heel veel anderen wilde hij Frans de laatste eer komen bewijzen. Het was enorm druk.Â
Op 14 januari was Frans in het ziekenhuis overleden. Een dag later belde Bob Noten of ik de afscheidsdienst wilde begeleiden. Van Frans Houben, las ik die avond, ongehuwd en geen kinderen. Zijn neef Guido regelde zijn afscheid en hem zou ik een dag later spreken. Hem alleen dacht ik, eventueel met zijn partner Viviënne..
Maar tot mijn verbazing trof ik een zeer uitgebreide familie delegatie aan. Frans z’n oudere broer, zijn twee zussen, een ervan met aanhang, dochters van een van de zussen, de weduwe van zijn overleden broer, twee kinderen van Els met hun partners. Els was de jaren eerder al overleden partner van Frans. En tussendoor liep er een kleine peuter rond, die zo nu en dan beziggehouden kon worden door de zoon van Guido, maar die ook duidelijk een eigen willetje had en zich zo nu en dan meldde aan de grote tafel, waaraan wij allemaal zaten.
Zou Frans het bij de huisarts al hebben aangevoeld, toen hij daar met klem had aangegeven niet naar een verpleegtehuis te willen? En niet gereanimeerd wilde worden, mocht het ooit zover komen.
14 januari dus. En 23 januari namen we afscheid van hem. Op de bühne van het Gasthoes stond een prachtig gereviseerde Ford Mustang. Zijn eerste Ford Mustang, die hij in 1972 al had opgeknapt en tot in de puntjes steeds in tiptop conditie had gehouden. Buiten, vóór het Gasthoes stonden nog vier Ford Mustangs te wachten om Frans na het afscheid naar het crematorium te vergezellen.
Alles viel op z’n plek. De liefde van Frans voor Frankrijk werd bij binnenkomst al benadrukt door franse orgeldeuntjes op de achtergrond. Meteen al anders dan anders en dat paste wel bij Frans, had ik uit de gesprekken begrepen. Bij het welkom heten van alle gasten was er ineens duidelijk het gekakel van kippen te horen. Een verrassende mobiele ringtone waarvan de eigenaar zelf meende dat ze haar mobiel toch echt uit had gezet. Zou Frans misschien…
Na het welkom heb ik de levensloop voorgelezen, die samen met de grote familiedelegatie tot stand was gekomen. Daarna hield zijn oudste broer Jan een emotionele toespraak. Hij noemde onder andere de partner van Frans, Els, die jaren eerder overleden was. Op de rouwkaart van Frans stond het duidelijk: Frans is nou wèr na zien Elske. De jaren met Els waren Frans zijn mooiste jaren. Zijn zus liet dat nog extra optekenen in de levensloop en Jan bevestigde dat nog een keer in zijn verhaal.
Na Jan sprak Vivienne, namens Guido en zichzelf. Toen Rick, die herinneringen van hem en zijn zus Loes beschreef. En de laatste spreker was de buurvrouw van Frans, Mischa, die namens de Loevestraatbuurt sprak. Na elke spreker waren er foto’s te zien, op muziek van Frans. Foto’s die zonder woorden precies dat lieten zien wat de sprekers over Frans verteld hadden. Ik mocht het afscheid besluiten met een gedicht, waarna iedereen persoonlijk afscheid kon nemen van Frans. De eerste 6.22 minuten met het prachtige nummer van Pink Floyd, Comfortably numb.
Elke keer opnieuw ben ik onder de indruk hoe nabestaanden elkaar vinden en omgaan met hun verdriet. Ieder op zijn of haar manier, ook in de manier van voorbereiding naar het definitieve afscheid. De eerstvolgende zomerbrunch van de familie Houben zal Frans opnieuw gemist worden, net als bij de Kerstbrunch die in december al gepland staat. Met de hele familie Houben en iedereen die daar op een natuurlijke manier bij is aangesloten. Frans zal er in gedachten steeds bij zijn. Misschien dat hij de komende tijd nog wel ergens een aardige ringtone kan laten afgaan…
Hieronder nog het gedicht, waarmee ik de afscheidsdienst mocht besluiten.
Frans,
geej waart en bitje aas oow Mustangs en sort vaan ruwe bolster, blanke pit vá boete degelijk, sterk, en bitje kranks má wao vaan binne hiel veul liefde zit
aaltiëd bezig en steeds haart gewaerkt mit ut vakmanschap daat ow eige waor ok toen geej ut zelluf waat minder köst stoongde nag vur iederiën aaltied klaor
geej maakte moeie dinge meij genoot vaan waat ut laeve bood ge voongt hiël lichtig oowen dreij ma ut ging neet aaltied aeve good
ierst Christine, möste verleeze en daonao Els, ok vul te gauw wiënig is oow zoë bespaard gebleve ma ge bleeft oow zelluf aaltied trouw
geej praotte gaer, haat fantasie en aal waas ut daan neet aaltied waor ma vaan oow verhale woorte blie en ge bleefs ze halde, oow wilde haor
tot ôp ut laatst hedde gestreje ma tevurgefs, ut ging ni miër zoë ziede vaan ôs weggegleje zoonder oow môtte weej nou wiër
in ôs laatste minute, da wiëte we ut pas stiët dur misschien ennen engel aan ôs bed aas daat zoë is, en daat môt waal has haet oow familie, má ok Els ôp oow gelet…