Martien…

Van Lucie, die de dienst begeleidt, hoor ik dat Martien hersteld leek van corona en een longontsteking. Zijn overlijden, zondag 28 augustus, was abrupt en totaal niet verwacht. Zijn overlijdensbericht in de Hallo, daags voor zijn afscheidsdienst, was dat ook. Abrupt. Niet verwacht. Martien? Ik lees het bericht op donderdag 1 september. Als ik persoonlijk afscheid wil nemen, kan dat op diezelfde dag tot 19.45 uur in ‘t Gasthoes. Het is 19.45 uur. Ik besluit een dag later zijn afscheidsdienst bij te wonen.

Die dienst begint met de Bolero van Ravel. Van het begin tot het eind, alsmaar toenemend in kracht en intensiteit, tot er op het laatst een abrupt einde aan komt. Op de een of andere manier vind ik het helemaal passend bij Martien van de Kerkhof. Hij hield enorm van muziek.

Ik zie bekenden in het zaaltje van De Leste Geulde. Mensen van het eerste uur van de ziekenomroep, die via Rozah en Reindonk uitgegroeid is tot Omroep Horst aan de Maas. Martien was er een van. Hij hield van muziek en hij hield van de techniek om die muziek te laten horen.

Ik zie leden van D’n Dreumel. Martien is ooit door de carnavalsvereniging onderscheiden, zie ik op een van de foto’s die langs komt op muziek. Zeker verdiend die onderscheiding, want op Martien kon de vereniging bouwen als het over geluid ging. En hij zorgde lang voor de muziek waarop de dansgarde kon schitteren. Tot landskampioen toe.

Ik zie iemand van de Mühltaler, die me vertelt dat Martien niet alleen bij dit muziekgezelschap uit het verleden van grote waarde was, maar dat hij ook in de loop der jaren vriend aan huis was. Als het over geluid en geluidinstallaties ging, dan was Martien altijd bereid je daarover te adviseren.

Ik zie zijn directe familie vooraan zitten en alle overige familie, vrienden en bekenden daarachter en daarnaast. Deels genodigd, maar deels ook gekomen, omdat het overlijdensbericht in de Hallo hen daartoe uitnodigde. Net als ik.

Martien sprak ik regelmatig, als we elkaar ergens tegenkwamen. Bijvoorbeeld bij de jaarlijkse bijeenkomst van gedecoreerden die ik mocht presenteren. Want Martien was terecht Lid in de Orde van Oranje-Nassau.

Een foto van dat decoratiemoment, nog met toenmalig burgemeester Frissen, komt voorbij tijdens muziek. Ik zie Martien, wat kromgebogen door zijn ziekte, die de ridderorde trots in ontvangst neemt. Andere foto’s komen voorbij op muziek van Mozart en de Wazelvotte. Martiens muzieksmaak was heel breed.

Toen café Cambrinus nog bestond, schoof Martien zo nu en dan spontaan aan, aan de stamtafel. Zijn Parkinson maakte het drinken van een kop koffie soms tot een hele onderneming, maar hij had alles bij de hand om een eventueel ongelukje zelf te herstellen. Het mogelijke ongemak weerhield hem niet om zich te mengen in gezelschappen.

Ik hoorde Lucie vertellen dat Martien z’n slechthorendheid vroeger als kind pas laat werd opgemerkt. Maar toen hij eenmaal vooraan in de klas mocht zitten, ging hij met sprongen vooruit. Zijn markante uiterlijk gaf in de kindertijd vaak aanleiding tot ‘klieren’. Hij heeft zijn deel daarvan ongetwijfeld gehad. Maar het leek hem alleen nog maar sterker en zelfbewuster te hebben gemaakt. Martien deed zijn eigen ding. In de techniek en in de muziek.

Ik hoorde Lucie ook vertellen dat Martien als de beste kon liplezen. Hoe vaak zal hij op afstand genoten hebben van wat mensen onbespied over hem vertelden. Want Martien was een opvallende verschijning. Met zijn eigengemaakte skelter, met ingebouwde geluidsboxen en verschillende effecten. Zo kon hij het geluid van dichtslaande portieren nabootsen, tot grote verbazing soms van omstanders.

Uit het verhaal van Lucie hoor ik nog een andere anekdote, die Martien typeerde. Toen Parkinson het rijden op zijn skelter steeds lastiger maakte, vroeg hij bij de gemeente een driewieler aan. Daar kwam hij niet voor in aanmerking werd hem verteld. Wel voor een veel duurdere scootmobiel. Martien vond dat vreemd maar na verschillende pogingen voor een driewieler kwam er uiteindelijk toch een scootmobiel. Uit protest heeft hij de snelheid daarvan fors opgevoerd en zag je Martien soms met 50 km per uur door de straten gaan. En ik verwacht dat hij daar ook een muziekinstallatie op heeft gemonteerd, maar zover ging de overlevering niet.

Vanwege zijn abrupte overlijden heeft hij de muziek voor zijn afscheidsdienst mogelijk niet zelf uitgezocht. Van de andere kant zou het me niet verbazen dat hij daar wel al bij leven duidelijke keuzes in heeft gemaakt. Ravel, Mozart, Wazelvotte en Rowwen Hèze. Martien hield van muziek.

‘Enne gooje meens blieft aaltied laeve’. Op zijn gedachtenisprentje lees ik één zin: ‘Bijzondere mensen sterven niet, zij gaan wel, maar blijven toch voor altijd…’ .
Martien. De afdeling techniek in de hemel heeft er een gedreven persoon bij. Met 50 km per uur als het moet. En in Oostenrijk komt hij nu misschien wel zonder scootmobiel..

Mees z’n muziek…

Ontroerd was ik. Onder de indruk. En nu nog, terwijl ik weer naar de muziek luister waar Mees me zaterdagmiddag op attent maakte. Op de fiets, later die middag, meende ik de diepere betekenis te voelen die de ontroering verklaarde.

Ik weet dat er veel manieren zijn om iets te zeggen zonder woorden. En dat er evenzoveel of misschien nog wel meer manieren zijn om woorden te gebruiken die vaak iets heel anders willen zeggen. En ik weet dat het begrijpen van die niet-gesproken of gesproken woorden geen vanzelfsprekendheid is. Ik bedoel dat het interpreteren ervan, welbeschouwd, een eenzijdige actie is. In dit geval van mij. Dus of Mees het ook zo bedoelde weet ik niet. Hoe dan ook. Het ontroerde me.

Ik kan me niet herinneren dat ik met mijn vader ooit diep emotionele gesprekken heb gevoerd. Wel zie ik nog steeds zijn gezicht voor me, waarop zo duidelijk de emotie van was af te lezen. Ik zag de tranen in zijn ogen, die hij nonchalant probeerde weg te vegen, als hij de overwinningsblijdschap van een Joop Zoetemelk of Gerrie Kneteman op tv voorbij zag komen. Of zijn bedrukte gelaat als er binnen onze familie reden was om bezorgd te zijn.

Ik herken die emoties de laatste jaren bij mezelf. Muziek bijvoorbeeld, kan me raken. Of emoties bij anderen. Net als mijn vader, veeg ik zo nu en dan achteloos een traan weg, als ik de opluchting en blije verwondering zie van een kandidaat van The Voice of X-Factor die zojuist de sterren van de hemel heeft gezongen. Ook al zijn die beelden mogelijk gescript tot en met, toch meen ik die oprechte lichaamstaal af te kunnen lezen. Dat, in combinatie met de muziek, raakt me dan. Maar dat terzijde.

Zaterdagmiddag vertelde Mees me dat hij de afgelopen week via Spotify herhaaldelijk naar een album van Mike Posner had geluisterd. ‘A Real Good Kid’ was de titel. Terwijl hij de muziek al aan het opzoeken was, vertelde Mees dat de zanger het album geschreven had om onder andere de dood van zijn vader te verwerken. In het eerste nummer viel prominent de zin op ‘the day my daddy died, i became a man’. Zo nu en dan tussen de nummers hoorde je korte gesprekken die de zanger met zijn vader had gevoerd. ‘I love you, dad’. ‘I love you too’. Mooie overgangen.

We hebben samen naar het grootste deel van het album geluisterd. Mees zong de nummers zelfs al mee. Hij was in een week tijd onder de indruk geraakt van de liedjes en de tekst. Bij wat het laatste nummer bleek, vroeg Mees me nog even te blijven. Ik stond namelijk op het punt om een rondje te gaan fietsen, maar hij maande me om nog heel even het einde mee te pakken. Opnieuw een opgenomen gespreksfragment. Nu van een man en een kind. Op mijn vraag of dat weer de zanger was, nu als kind, met zijn vader, knikte Mees.

‘How it’s supposed to be’ is de titel van dat laatste nummer. Dat wordt afgesloten met de woorden van de vader, ‘Anyway, he is a real good kid’. Het is de titel van het album geworden. Een album waarin de band tussen een zoon en z’n vader indrukwekkend door Mike Posner wordt bezongen. In de gesprekken die ze samen voerden was het mogelijk nog geen onderwerp. En misschien was het bij hen net zo als bij mij en mijn vader. De emoties waren er wel maar je sprak er eigenlijk niet over. En nu? De appel valt niet ver van de stam. Ook nu praten we meestal niet over de dingen die het diepste van ons gevoel raken.

Soms gebruik je daarvoor andere woorden. Of je deelt muziek die een diepe emotie heeft geraakt. Of je doet het allebei. Mees vertelt dat hij zich heeft voorgenomen om elke week naar een ander album te gaan luisteren. Hij wil zich daardoor laten verrassen maar ook completer worden, muzikaal gezien. Een paar uur geleden appte hij me vanuit Wageningen of ik ook een favoriet album had, waar hij naar kon luisteren. Ik heb ‘12 songs’ van Neil Diamond teruggeappt. En ondertussen luister ik nog steeds naar Mike Posner. Dankzij Mees. A real good kid. In liefde en met dank… I love you too!

Het groene gras…

Een fris briesje waait over het grindpad, waar ik met mijn rug naar toe zit. Ik kijk uit over een weiland met wat pony’s. Twee veulentjes heeft de lente gebracht. Het is zondagochtend en ik zit op een bankje in de buitenlucht. Zojuist de tweehonderjarige eik gecheckt, maar de eikeprocessierupsen zitten er nog steeds.

Honderd meter verderop zie ik een ander bankje, dat er speciaal neer lijkt te zijn gezet, om te genieten van de wei en het landschap er omheen. En dat doe ik dus nu, terwijl ik het beschrijf. Geluiden van schapen en lammetjes bereiken me, afgewisseld met het klokken van een kalkoen en het snateren van eenden. Landelijk tafereel dat rust uitstraalt.

Gistermiddag een uur georgeld en gezongen in Hof te Berkel. Op een gesloten afdeling, maar in een open sfeer. De deur naar de gezamenlijke tuin stond open. Tot twee keer toe zag ik daar een bewoner van een andere woning, die vooruitgeduwd werd door een vrijwilliger of een familielid. Ze hielden even halt om van de muziek te genieten.

Ook muziek en zang, gisteravond. Een optreden van Baer Traa en Egbert Derix in Casa Verde van Kasteeltuinen Arcen. In een méér dan groene omgeving zaten we gelukkig bijna vooraan. Omdat het buiten de ‘groene kas’ stevig regende, was het niet alleen geïnteresseerd publiek dat binnen was. Af en toe leek het wel alsof er achter ons een klas kleine kinderen juist deze avond had uitgekozen voor hun schoolreis.

Pianist Egbert Derix en singer/songwriter Baer Traa

Ondanks het vriendelijke verzoek van Baer, tijdens het optreden, was de k(l)as niet stil te krijgen. Evengoed genoten. Na het optreden nog even met Baer en Egbert gesproken. Mooi hoe Baer het rumoer omschreef als ‘iets waaraan niemand iets kon doen’. Ik heb daar diezelfde avond nog een paar keer aan moeten terugdenken, aan die opmerking. En nu weer.

Terwijl je ergens mee bezig bent, overkomt je iets dat je niet prettig vindt. Je stelt dat vast, probeert er vervolgens wat aan te doen, maar weet eigenlijk ook meteen dat het niet te voorkomen is. Dus blijf je doen waar je mee bezig bent. Weliswaar in een andere context, maar alles gaat door. Geen verwijten, gewoon doorgaan. Berusten in wat er is.

Ik denk terug aan de bewoners van Hof te Berkel, waar ik die middag heb georgeld en gezongen. Ze zijn bezig met hun leven. Dan overkomt hen iets dat niet prettig is. Ze stellen dat zelf vast, of het wordt door anderen vastgesteld. Ze besluiten -of het wordt besloten- dat het eigenlijk niet te voorkomen is. Dus blijven ze doen waar ze mee bezig zijn. In een andere context, maar alles gaat door. Geen verwijten, doorgaan. Berusten.

Ik kijk de wei nog eens in. De pony’s grazen. De kalkoen klokt zo nu en dan. Vogelgeluiden van alle kanten. Op afstand hoor ik auto’s, maar er heerst vooral rust. Ik vraag me af hoe het ons later zal vergaan. Als ons iets overkomt, en wie weet, we geplaatst worden in een andere context, zullen wij dan ook gewoon kunnen ‘doorgaan’? Zonder verwijten of wroeging?

Wat zou het mooi zijn, bedenk ik me, om dan te kunnen berusten. De rust te voelen, die nu fris over me heen waait. Wat niet te voorkomen is, komt een keer. Maar tot die tijd het leven blijven leven. Blijven grazen. Blijven klokken. Blijven. Zittend op een bankje, kijkend over de wei. Jij en ik. Wij.

Steeds weer hoort hij geluid van nu
Al wat er was, is hoe het is

Het leven leeft hem, niet bewust
van wie hem ooit lief heeft gekust

Maar dan hoort hij geluid van toen
Al wat er is, weer hoe het was

Niet dor en doods,
maar groen als gras

Dat geeft hem even weer de rust
die frisse bries van levenslust

Advocaatje met slagroom…

22 graden. Eerste warme dag sinds weken voor mijn gevoel, dus goed moment om weer onder de 200-jarige eik wat gedachten op papier te zetten. Het is drie uur in de middag en ik denk aan vanochtend. Een liedje van Nicole uit 1982 zoemt nog steeds door mijn hoofd. Vanochtend op Hof te Berkel een klein uur ge-orgeld en gezongen met de bewoners. Het was in een besloten woongroep op de eerste etage, maar van een woongroep op de begane grond waren ook twee dames aanwezig. Ik trof hen al in de lift.

Op één zat men er klaar voor. De twee dames van beneden mengden zich moeiteloos in het gezelschap aan tafel. Eén van de twee zong al voordat ik me met mijn buikorgel goed en wel geïnstalleerd had. En daarna bleef ze zo goed als bijna alle liedjes meezingen. Links van mij lag een mevrouw in een bed. Ik denk dat het haar man was die naast haar aan haar bed zat. Liefdevol lepelde hij voorzichtig steeds wat eten naar haar mond.

De bewoners aan tafel kregen allemaal een advocaatje met slagroom voor gezet. En ondertussen werd de muziek en elk liedje dankbaar in ontvangst genomen. Het voelde goed. Zelfs de mevrouw in bed bewoog bij een aantal liedjes haar lippen ritmisch mee. Ook voor haar werd een advocaatje met slagroom klaargemaakt. Dankzij haar man genoot ze daar zichtbaar van.

Hoe zou die situatie bij ons straks zijn? Het schoot door mijn hoofd, terwijl ik het liedje ‘Ein bisschen Frieden’ van Nicole speelde en zong. Ik keek naar het aandoenlijke tafereel van de man die zijn vrouw lepeltje voor lepeltje liet genieten van een advocaatje met slagroom. Een fase in een mensenleven, realiseerde ik me, die ik nu als zingende toeschouwer gadesloeg, maar ook een fase die -wie weet- over hopelijk pas een groot aantal jaren ook mijn eigen situatie zou kunnen zijn. Of misschien zat ik dan wel aan tafel, mee te zingen. Verrast en in verwondering genietend van het moment.

‘Is ie d’r al?’, hoorde ik de man aan de begeleidster van de woongroep vragen. Er was een taxi besteld, waarmee hij hoogstwaarschijnlijk naar huis zou worden gereden. Naar het huis waar zijn vrouw het grootste deel van haar leven ook had gewoond, bedacht ik. Ik probeerde me een voorstelling te maken hoe dat was. Je partner telkens opnieuw te moeten achterlaten. Weliswaar in de vertrouwde handen van de zorg, maar toch. Door leeftijd en aftakeling noodgedwongen van elkaar gescheiden. ‘…und dass die Menschen nicht so oft weinen’ hoorde ik mezelf zingen…

Hij stond op toen de taxi er was, nam afscheid van zijn vrouw en liep, ietwat verstijfd van het zitten, voorbij aan de nog steeds blij zingende mevrouw van de begane grond. Hij groette iedereen vriendelijk, zette zijn gevlochten strohoed op en vertrok. Net als ik, na mijn afsluitende liedje. Zonder strohoed, maar met een lieve glimlach als cadeau, van de mevrouw in het bed. ‘Hoie wah’ zei ze.

In mezelf neuriend ben ik naar huis gewandeld. ‘Ein bisschen Frieden, ein bisschen Liebe’, heeft die middag nog een hele tijd door mijn hoofd geklonken. En nu het hier allemaal op papier staat, zwelt het weer een beetje aan…

(1982) Ein Bisschen Frieden – Nicole

Wie eine Blume am Winter beginnt
Und so wie ein Feuer im eisigen Wind
Wie eine Puppe, die keiner mehr mag
Fühl’ ich mich am manchem Tag
Dann seh’ ich die Wolken, die über uns sind
Und höre die Schreie der Vögel im Wind
Ich singe aus Angst im Dunkel mein Lied
Und hoffe, dass nichts geschieht

Leonard Cohen

‘Sounded like the truth…’ is een regel uit de liedtekst die ik nu hoor. En ‘now it seemed to late to turn the other cheek’. De titel van het lied is ‘It seemed the better way’. Nog nooit gehoord, maar wat een prachtige tekst weer. En wat een stem. Via Spotify deze afspeellijst gekozen. ‘This is Leonard Cohen’. En daarvan nu ‘Ten new songs’. Dat verklaart misschien waarom ik deze song nog nooit heb gehoord.

Teksten van Cohen spreken vaak mijn herinneringen aan. Of prikkelen mijn fantasie tot het uiterste. ‘I want to speak to Leonard’ zingt hij nu. Een autobiografisch lied waarin hij een kritisch en reflecterend gesprek met zichzelf aangaat. Zichzelf beschrijvend als een man ‘living in a suit’. En zo nog meer mooie sfeerbeelden, die uitblinken in virtuositeit. Terwijl je er naar luistert, tekenen de woorden de scenes in je hoofd.

‘Take this waltz’… Even luisteren… ‘And i burry my soul in a scrapbook’. Je ziel, of dat wat er straks van je overblijft, ‘begraven’ in een plakboek. Of op een blogsite. Herkenbaar. Luisteren en opschrijven wat er zo in je opkomt. Ik heb dat wel vaker gedaan. Ooit met de top-2000 bij een liedje van Karin Bloemen, ‘De dag waarop je moeder sterft’ was toen inspiratiebron. Vandaag met Mees nog even bij haar graf gestaan.

Wat hij zingt klinkt als de waarheid. Een waarheid die wel uitnodigt voor eigen interpretatie. Die ook gelegenheid biedt om je mening bij te stellen. Ook al is dat soms pas achteraf en is het te laat om je andere wang nog toe te keren. Wat dan overblijft is om je ziel en zaligheid vast te leggen in een verhaal. Op een blogsite. Of in beelden te bewaren in een fotoalbum. Of voor hen die de kunst machtig zijn, te vangen in een lied. Zoals Leonard.

‘Ja, ja…’

‘Jan is zijn hele leven bij een joekskapel geweest’. Met een brede glimlach op zijn gezicht wordt hij binnen gebracht, aan de hand van een verpleegkundige. Zij stelt hem aan me voor. Muziek is hem beloofd en dat wil hij weten. Jan wordt naast een medebewoner gezet. Daar krijg ik verder geen informatie over, zo in het voorbij lopen, maar er straalt geen vrolijkheid van af. Zittend in een rolstoel lijkt hij de tegenpool van Jan. ‘Ja, ja’, lacht Jan. Zijn ogen schitteren. De man in de rolstoel heeft zijn ogen dicht.

Rondom een tweede tafel in dezelfde woonkamer van het verpleeghuis zitten zes oudere dames. Een voor een netjes klaargezet, lijkt het wel. Ik vermoed door de twee vrijwilligers, die ik herken aan hun Zorggroep-speldje. ‘Voor de muziek’, is de dames waarschijnlijk telkens uitgelegd. Maar dat weten ze niet meer allemaal. Ik zie vragende blikken bij een paar van hen als ik de woonkamer binnenkom. ‘Is dat een pastoor?’ hoor ik één van de dames vragen.

Het buikorgel zit nog in het op maat gemaakte kastje, dat gemonteerd is op een onderstel van een oude kinderwagen. Maar dat weet hier niemand, dus ik vertel dat maar meteen bij binnenkomst. De vragende blikken verdwijnen niet meteen. Een man in een lange zwarte jas, met een zwarte hoed op, zien ze hier niet dagelijks. Het is even stil en daar maak ik gebruik van. ‘Ik kom muziek maken!’ vertel ik zo enthousiast als ik kan. ‘Ja, ja,’ lacht Jan en hij maakt een gebaar dat lijkt op het uitschuiven van een trombone. Maar dat denk ik alleen omdat mij verteld is dat hij in een joekskapel heeft gezeten. De man in de rolstoel slaapt.

‘Ik speel zélf nog mondharmonica. Nog steeds!’. Ze kijkt me trots aan. Met een blik van ‘je hoeft mij niets meer te vertellen over muziek’ lijkt ze te willen zeggen dat ik die van mij maar moet laten komen. Ze heeft er duidelijk zin in. ‘Is dat een pastoor?’, vraagt de mevrouw haar tafelgenoten opnieuw. Netjes gecoiffeerd krijgt ze een ontkennend antwoord. ‘Wat leuk, die kinderwagen’ merkt de mevrouw van de mondharmonica op. Ondertussen haal ik het orgel uit de kast. Ja, ja,’ roept Jan enthousiast. Al snel draai ik het eerste deuntje. De man naast Jan brengt zijn handen naar zijn oren.

De vrouwentafel zingt mee en is meteen om. Muziek horen ze en dat blijkt te bevallen. ‘Is dat een pastoor?’ hoor ik weer vragen. Het antwoord blijft nu uit. De buurvrouw kan niet praten en zingen tegelijk. ‘Ja, ja’, zingt Jan. Hij kan niet meer praten, denk ik. Sensorische afasie, schiet er wat oude logopedische kennis door mijn hoofd. Maar hoe mooi, die blije lichtjes in zijn ogen. Op dit moment lijkt ‘ja, ja’ ruim voldoende. En bovendien weet hij ook hoe een trompet bespeelt moet worden, zie ik. Ik knik hem toe, als een blijk van herkenning. ‘Ja, ja’, zegt hij lachend.

‘Je mag de jas wel uit doen, hoor’ zegt een van de vrijwilligers. Ik krijg het er inderdaad warm van. Van het draaien en het zingen. Het steeds vaker terugduwen van mijn leesbrilletje is ook een teken aan de wand. De statige lange zwarte jas, waar ik jaren geleden in getrouwd ben, doe ik uit. ‘O, zie je wel, het is geen pastoor’ zegt de mevrouw die pas bij de kapper is geweest. Opgelucht dat de brandende vraag die haar vanaf mijn binnenkomst blijkbaar heeft beziggehouden nu eindelijk lijkt opgelost. Ze kijkt me aan alsof ze me ontmaskerd heeft en draait zich om naar haar buurvrouw. ‘Het is geen pastoor’ legt ze haar uit. Maar haar buurvrouw luistert naar de muziek. Al de hele tijd. Zij wel. Net als de anderen. Op de man in de rolstoel na. Voor zover ik dat kan beoordelen. Zijn armen rusten nu op de leuningen maar zijn ogen zijn nog dicht. Verbeeld ik het me, of bewegen zijn handen een beetje op het ritme van de muziek? ‘Ja, ja’, lacht Jan naast hem. Behalve trombone en trompet spelen, blijkt hij ook te drummen. We wisselen samen weer blikken van herkenning. Muziek schept een band.

Als ik na afloop mijn jas weer aandoe en met orgel en al afscheid neem, doe ik dat bij Jan even persoonlijk. Het voelt goed. ‘Ja, ja’, zegt Jan en hij lacht weer lampjes in zijn ogen. ‘Is dat een pastoor?’ hoor ik achter mij vragen. ‘Neehee’, hoor ik een ander zeggen. Ik zwaai nog een keer en loop naar de lift. Waar ik eerder omhoog ging, ga ik nu omlaag. ‘Ups and downs’, denk ik, terwijl ik naar buiten loop.  ‘Ja, ja’…

Hoofd en hart

‘Wanneer kom je weer terug’? Haar glimlach en vragende blik was voor mij het bewijs dat ze het meende. Nog maar net gestopt met applaudisseren stelde ze de vraag uit de grond van haar hart. Ik moest denken aan een zin uit een liedtekst van Chris DeBurgh: ‘it’s the classical dilemma between the head and the heart’. In een hele andere context gebruikt weliswaar, maar het verschil tussen ‘hoofd’ en ‘hart’, verstand en gevoel, was ook in deze situatie aan de orde, vond ik. Haar hart vroeg naar het wanneer, maar ‘haar hoofd’ zou welk antwoord dan ook waarschijnlijk meteen weer vergeten zijn. Elk antwoord leek goed. ‘Snel’, zei ik, ‘ik kom snel weer terug’. De glimlach bleef. Ze knikte.

Op de koelkast stond met magneetletters heel groot de dag en de datum van vandaag vermeld. In de woonkamer van het verpleeghuis waar ik zojuist een amsterdamse potpourri op mijn draaiorgeltje had gespeeld, was het warm. De vrijwilligers hadden een tiental aanwezige bewoners al van koffie en thee voorzien. Nu, op pakweg de helft van het optreden, gingen ze aan de slag met fris en chips. Per tafel één bakje.

Ook hier weer het dilemma van hart en hoofd. Al deze mensen hadden vroeger ongetwijfeld de chips in het bakje netjes met elkaar gedeeld.  Gezamenlijk in alle sociaal wenselijke eerlijkheid het bakje om beurten benaderd. Met het hoofd, als het ware. Maar nu werd met een bijna wiskundige precisie de afstand van het bakje tot de buurman in één oogopslag vergeleken met de eigen afstand tot de lekkernij. En dan zet ook het liedje van Nicole, ‘Ein bischen Frieden’, geen zoden meer aan de dijk. Eén van de vrijwilligers werd op niet mis te verstane wijze op de rechtsongelijkheid gewezen. Tactisch werd het probleem uit de wereld geholpen door het bakje wat op te schuiven. De mevrouw met het timmermansoog liet vanaf dat moment het bakje niet meer los. Niemand reageerde daar echter op, dus was er ook geen probleem meer. Of had ‘Ein bischen Frieden’ het hart van de anderen misschien wel ‘geraakt’?

Tijdens het draaien en zingen zie ik zulke dingen aan. Ik zie mensen genieten. Het ene moment van de muziek en het andere moment van een bakje chips. Allebei is prima. Want het zijn mensen van het moment. Niet voor niets woonachtig in een verpleeghuis, onder begeleiding van vrijwilligers en vakkrachten. Die zo nu en dan wat vertier geregeld hebben. Een muzikant, een uurtje in de woonkamer. Die liedjes zingt over een molen, over tulpen in Amsterdam en klokken van Arnemuiden. Liedjes die je tot je eigen verbazing gewoon kunt meezingen. Deuntjes waar je op kunt inhaken. Met iemand die ‘toevallig’ naast je zit  en die je eigenlijk niet kent.  In dat dilemma van hoofd en hart wint het hart, om vervolgens samen te genieten. Even, zonder nadenken. Zelfs zonder chips, als je pech hebt. Of mét, als je geluk hebt. Allebei goed. Muzikale momenten van herkenning werken verbindend. Op de koelkast staat welke dag het vandaag is. En welk seizoen van het jaar we hebben. Of dat er toe doet? Het hoofd vindt van wel. Het hart zegt van niet. Het is vrijdag en het is herfst. Terwijl buiten de zon schijnt zing ik binnen een liedje van Reinhard May. ‘Über die wolken, muss die Freiheit wohl grenzenlos sein’.

Snel. Ik kom snel weer terug.