Het groene gras…

Een fris briesje waait over het grindpad, waar ik met mijn rug naar toe zit. Ik kijk uit over een weiland met wat pony’s. Twee veulentjes heeft de lente gebracht. Het is zondagochtend en ik zit op een bankje in de buitenlucht. Zojuist de tweehonderjarige eik gecheckt, maar de eikeprocessierupsen zitten er nog steeds.

Honderd meter verderop zie ik een ander bankje, dat er speciaal neer lijkt te zijn gezet, om te genieten van de wei en het landschap er omheen. En dat doe ik dus nu, terwijl ik het beschrijf. Geluiden van schapen en lammetjes bereiken me, afgewisseld met het klokken van een kalkoen en het snateren van eenden. Landelijk tafereel dat rust uitstraalt.

Gistermiddag een uur georgeld en gezongen in Hof te Berkel. Op een gesloten afdeling, maar in een open sfeer. De deur naar de gezamenlijke tuin stond open. Tot twee keer toe zag ik daar een bewoner van een andere woning, die vooruitgeduwd werd door een vrijwilliger of een familielid. Ze hielden even halt om van de muziek te genieten.

Ook muziek en zang, gisteravond. Een optreden van Baer Traa en Egbert Derix in Casa Verde van Kasteeltuinen Arcen. In een méér dan groene omgeving zaten we gelukkig bijna vooraan. Omdat het buiten de ‘groene kas’ stevig regende, was het niet alleen geïnteresseerd publiek dat binnen was. Af en toe leek het wel alsof er achter ons een klas kleine kinderen juist deze avond had uitgekozen voor hun schoolreis.

Pianist Egbert Derix en singer/songwriter Baer Traa

Ondanks het vriendelijke verzoek van Baer, tijdens het optreden, was de k(l)as niet stil te krijgen. Evengoed genoten. Na het optreden nog even met Baer en Egbert gesproken. Mooi hoe Baer het rumoer omschreef als ‘iets waaraan niemand iets kon doen’. Ik heb daar diezelfde avond nog een paar keer aan moeten terugdenken, aan die opmerking. En nu weer.

Terwijl je ergens mee bezig bent, overkomt je iets dat je niet prettig vindt. Je stelt dat vast, probeert er vervolgens wat aan te doen, maar weet eigenlijk ook meteen dat het niet te voorkomen is. Dus blijf je doen waar je mee bezig bent. Weliswaar in een andere context, maar alles gaat door. Geen verwijten, gewoon doorgaan. Berusten in wat er is.

Ik denk terug aan de bewoners van Hof te Berkel, waar ik die middag heb georgeld en gezongen. Ze zijn bezig met hun leven. Dan overkomt hen iets dat niet prettig is. Ze stellen dat zelf vast, of het wordt door anderen vastgesteld. Ze besluiten -of het wordt besloten- dat het eigenlijk niet te voorkomen is. Dus blijven ze doen waar ze mee bezig zijn. In een andere context, maar alles gaat door. Geen verwijten, doorgaan. Berusten.

Ik kijk de wei nog eens in. De pony’s grazen. De kalkoen klokt zo nu en dan. Vogelgeluiden van alle kanten. Op afstand hoor ik auto’s, maar er heerst vooral rust. Ik vraag me af hoe het ons later zal vergaan. Als ons iets overkomt, en wie weet, we geplaatst worden in een andere context, zullen wij dan ook gewoon kunnen ‘doorgaan’? Zonder verwijten of wroeging?

Wat zou het mooi zijn, bedenk ik me, om dan te kunnen berusten. De rust te voelen, die nu fris over me heen waait. Wat niet te voorkomen is, komt een keer. Maar tot die tijd het leven blijven leven. Blijven grazen. Blijven klokken. Blijven. Zittend op een bankje, kijkend over de wei. Jij en ik. Wij.

Steeds weer hoort hij geluid van nu
Al wat er was, is hoe het is

Het leven leeft hem, niet bewust
van wie hem ooit lief heeft gekust

Maar dan hoort hij geluid van toen
Al wat er is, weer hoe het was

Niet dor en doods,
maar groen als gras

Dat geeft hem even weer de rust
die frisse bries van levenslust

Vroege vogel

Laat ik deze keer eens beginnen bij de zon-gele jus d’orange die ik me zojuist heb ingeschonken. In een wolkenblauwe beker zie ik nu. Wacht, ik laat het even zien.

20130127-141854.jpg

Dat is een heel ander begin dan: ‘Het is een grijze dag.’ Toch? Maar het ìs een grijze dag en het regent. Weinig aan te doen. Op een zon-gele jus in een wolkenblauwe beker na. Dus dan maar zo. Shitweer.

Het is zondagmorgen en ik heb zojuist met mijn iPhone een vroege, natgeregende vogel gefotografeerd. Dat natgeregende concludeer ik omdat hij niet schuilde. Hij zat niettemin heerlijk op een hoekje van ons huis. Dat heerlijk interpreteer ik, omdat ik geen idee heb van de gemoedstoestand van de merel. Het beestje had geen jus, dat zag ik wel, maar leek daar geen last van te hebben. Water genoeg.

20130127-142205.jpg Berusting is het woord dat me te binnen schiet, al schrijvende. Het verschil tussen het denkende zijn en het zijn in de meest elementaire vorm. Niet de bedachte berusting, maar die zonder enige bijbedoeling of associatie. Geen herinnering of toekomstbeeld. Het simpele ‘er zijn’, zoals een merel, natgeregend op de hoek van een huis. Wègvliegen, als je wìl wegvliegen. Niet meer en niet minder. Zonder jus, dat dan weer wel…

Maar ook zonder de gedachten over acht Nederbelgen, waarvan ‘we’ er al vijf hebben. Zonder het bijtende cynisme in de column van Youp van het Hek gisteren. Die bijna berustend over wantoestanden in de gezondheidszorg schrijft, waar ‘we’ met z’n allen aan zijn overgeleverd. En er lijkt geen ontkomen aan. Het valt allemaal als regen op een natte merel.

Die daar niet mee zit, overigens. Zittend op de hoek van ons huis, valt de regen mee en tegen tegelijk. Hij kan er toch niks aan doen. Zijn wereld is landen tussen blijven en wegvliegen. En alles daartussen. Meer is er niet. Niet meer dan merel, zeg maar.

Vandaag vroeg begonnen met alvast alleen maar zijn. Maar morgen, als de zon gaat schijnen, de veren droog zijn, dan wordt er gezongen. Ook vroeg en zo vaak als maar kan. Op een wolkenblauwe dag met een jus-gele zon.