Sharon…

Ik zie haar nog voor me als de jongste van drie mooie zussen. Sharon. Verscholen achter de benen van haar moeder. Van daaruit keek ze ons met grote ogen aan. Soms knipoogden we dan naar haar en dan glimlachte ze. Haar vader was eigenaar van een café en wij zaten daar als opgeschoten pubers vaak aan de tap. Boven het café woonden ze. Zijn vrouw en hun drie dochters waren meestal boven. Babs, Sharon, Jessica en Natascha. Zo nu en dan kwamen ze naar beneden, om vervolgens naar buiten te gaan. De dingen doen die jonge meiden doen. Naar vriendinnen, spelen, sportclub. Dat was toen. En nu? Nu is alles anders.

Het beeld uit mijn herinnering is bijna veertig jaar oud. Sinds hun vader en moeder destijds stopten met het café en hun geluk elders in de wereld zochten, ben ik de zussen uit het oog verloren. Zij vlogen uit, terwijl hun ouders uiteindelijk toch weer in Horst terecht kwamen. De laatste jaren kwam ik hun vader regelmatig tegen, als ik door Horst wandelde en hij toevallig net ook een ommetje maakte. Hun moeder zag ik zo nu en dan, op de fiets of in de winkel. Ze waren niet meer bij elkaar, maar al die tijd wel verbonden door hun drie meiden.

Eergisteren, donderdag 2 april, kwam ik hem weer tegen. Hij stond buiten de Hema te wachten en op anderhalve meter afstand spraken we elkaar kort. Het ging niet goed, vertelde hij. Sharon lag in het hospice… ‘De hele familie is hier’, vervolgde hij. ‘Maar door de corona kunnen we niet eens bij haar zijn’. Even was het stil. Het was een kwestie van dagen, vertelde hij verder, en misschien was dat ook maar beter. Zijn ogen stonden dof en de pijn klonk door in zijn stem. ‘We kunnen de kinderen niet eens knuffelen om ze te troosten’… De anderhalve meter was ineens zowel harde werkelijkheid als totaal misplaatst. Te ver voor een hand op de schouder. Ik heb hem, ondanks die anderhalve meter, veel kracht toegewenst. Met een ‘we zien elkaar’ gingen we uiteen.

Gisteren, vrijdag 3 april, is Sharon gestorven. Sinds gisteren zie ik steeds het beeld voor me van dat meisje dat ons met grote ogen aankeek. Ze zal toen drie of vier jaar oud zijn geweest, misschien vijf. Af en toe vroeg ze aan haar vader of ze naar buiten mocht om te spelen. Meestal mocht dat wel, na het maken van duidelijke afspraken. En Jessica of Natascha moesten dan op haar letten. Vader sprak de meiden streng toe, maar knipoogde dan, zonder dat zijn dochters het zagen, naar ons aan de tap.

En nu, bijna veertig jaar verder…onwerkelijk. Vorige zomer hebben Jack en ik een paar keer op een terras in het centrum gezeten. Ik herinner me die keer dat we op het terras van het café zaten waar hij in de vorige eeuw eigenaar van was. Zijn dochter Jessica was er toen bij. Even overgekomen van Mallorca, voor bezoek. Aan haar ouders en haar zussen. Nu, nog geen jaar later, is ze er weer. Net als Natascha, die volgens mij in Amsterdam woont. Ze zijn er weer, zoals ze er veertig jaar eerder ook altijd waren om op Sharon te letten als die naar buiten ging.

De komende tijd is alles anders. Anderhalve meter lijken kilometers als je een arm om een schouder wil  leggen. Anderhalve meter is onoverbrugbaar ver om een knuffel te geven. Sinds gisteren is Sharon weer buiten. De afstand van de aarde naar de zon overbrugt ze nu in de tijd van een knipoog. Die anderhalve meter zijn voor haar sinds gisteren een lachertje. Vanaf waar ze nu is let zij voortaan op haar zussen. Let ze op iedereen die in de voorbije jaren in haar leven kwam. Let ze op Richard, op haar zoons. Op haar vader en moeder. Sharon is buiten. En op alle momenten in de toekomst vooral steeds heel dichtbij. Als je het nodig hebt, geeft ze je een knipoog…

Voor Jack, Babs, Natascha en Jessica, 
Voor Richard, de kinderen en iedereen die Sharon heeft gekend

ik zie je in een mooi wit licht
geheeld, vol kracht, je zweeft

ik zie je met m’n ogen dicht
je speelt, je lacht, je leeft

ik blijf het zien
je mooi gezicht

je knipoog zie ik
met m’n ogen dicht

dus…
geen afscheid…
dag!

kus…
een knipoog…
lach!