Rancune…

In gedachten verzonken fietste ik rustig rechtdoor. Ineens hoorde ik hem achter me. ‘Nooit van links komen gehoord?’ Verbaasd keek ik om. ‘Nooit van links komen gehoord?’ zie hij nog een keer toen we op gelijke hoogte waren. Z’n stem klonk geërgerd. Enigszins verrast door zijn vraag herhaalde ik zijn woorden. ‘Nooit van links komen gehoord? Jawel hoor!’

Het was een grote, wat gezette man in een nauwsluitende wieleroutfit op een mountainbike. Hij had een flitsende aerodynamische valhelm op zijn hoofd, wat ik meteen al wat overdreven vond. Ik had hem twee tellen eerder wel gezien. Hij kwam van rechts, maar omdat hij wat inhield en twijfelde, meende ik dat hij me voor wilde laten gaan en dus peddelde ik rustig door.

Toen hij het de tweede keer zei, keken we elkaar heel even aan, maar ik kreeg de indruk dat hij dat al meteen teveel eer vond voor mij. Stuurs keek hij weer voor zich en versnelde. ‘Succes nog, hè!’, riep ik hem na, in een poging om de gevoelde minachting in zijn blik ietwat te neutraliseren met een kleine portie sarcasme.

‘Nooit van je hand uitsteken gehoord?’, had ik eigenlijk moeten zeggen, maar zoals zo vaak, komt het antwoord dat het meest adrem lijkt, altijd te laat. Even voelde ik de neiging om hem in te halen en het alsnog te zeggen…

Ik heb het niet gedaan. Wel nog een hele poos tijdens mijn verdere fietstocht aan het voorval gedacht. Een spontane, volgens mij totaal ongevaarlijke, situatie op een stille  t-splitsing in het buitengebied. Een ontmoeting op een zonnige zomerdag. Geen vuiltje aan de lucht. En dan: onverwachte ergernis veroorzaken..

Was hij thuis al boos vertrokken en was ik zijn uitlaatklep? Of had ik hem misschien toch te laat gezien? Had hij daarom getwijfeld en had ik dat verkeerd geïnterpreteerd? Me van geen kwaad bewust en dan toch iemand boos maken. Het kan blijkbaar zomaar gebeuren.

Of zou hij gewoon een informatieve vraag gesteld hebben, zonder enige bijbedoeling? Zou ook nog kunnen… In dat geval was mijn antwoord het enig juiste. Ik hád er wel eens van gehoord. De kogel kwam toch ook ‘van links’? Zou hij zich daar met terugwerkende kracht boos over hebben gemaakt? Kun je door de gaten van zo’n valhelm toch een zonnesteek krijgen en verward raken? 

Hoe dan ook, ik hoop dat hij zich de rest van zijn fietstocht heeft afgevraagd waarvoor ik hem succes heb gewenst..

Boerenlandschap

wat moet ik er van vinden
van alles dat er fout gaat
als alle tijd, daarmee gemoeid
van goede dingen af gaat

de energie van al wat mis is
die heeft zo’n negatieve lading
ik denk weleens, wat ongewis is
daar zit heel weinig van mijn gading

ik weet het niet, ik vind wel wat
maar tijd te weinig en te kort
dus focus ik me meer op dat
waarvan ik, hoop ik, blijer word

de wolken
hangen laag vandaag

alsof ze fluisterstil
wat willen zeggen

wit en wijs
wat uit gaan leggen

nog vóór de wind
ze heeft verdreven

die wolken niet
het woord wil geven

dan worden
witte wolken grijs

En klein stukske…

vlak achter un kepèlke
-ge kunt tur ma net door-
dao stiët en hiël klein benkske
vlak beej en stiënse moor

ge zit dao lekker oet de weend
ma kunt tur biëstig wiënig doon
ut benkske raakt de moor untreent
ôp ‘t stuupke passe net oow schoon

ge kunt tur zitte, nauwliks dreije
ma hooft teminste neet te staon
en zödde toch waat wille beije
da kunde nao de veurkant gaon

Achterum kunde zitte… (foto: http://www.kerkgebouwen-in-Limburg.nl)

Kant…

Afgelopen zaterdag heb ik een podcast beluisterd over de filosoof Immanuel Kant. Lang niet alles van begrepen maar wel iets van onthouden. En maandagmiddag in de Moelbaerenbos op een bankje daar een column omheen gebouwd, die ik ’s avonds in het programma van Radio Naodôrs heb voorgelezen. Komt ie.

Uit de podcast blijkt dat de filosofische theorie van Kant behoorlijk pittig is. Zijn boeken zijn bijzonder taai. Het is goed dat ik me daar nog nooit aan gewaagd heb. En het is daarom ook niet vreemd dat ik de ins en outs van zijn theorieen niet ken. 

Toch intrigeert me de man. Hij leefde van 1724 tot 1804. Zijn kijk op de filosofie heeft heel veel denkers na hem blijkbaar stevig beïnvloed. En doet dat nog steeds, als ik de podcast mag geloven.

Uiteindelijk komt Kant, na al zijn overdenkingen tot vier kernachtige levensvragen. Wat kan ik kennen? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? En wat is de mens? Als iemand als Kant tot die slotsom gekomen is, dan zijn dat interessante vragen, denk ik. Dus laat ik daar eens, fris van de lever, wat dieper op ingaan. In de Moelbaerenbos op een bengske…

Het zijn hele korte vragen en ze lijken op elkaar. Vier keer vier woorden. Drie specifieke vragen en één algemene. Ik begin bij de specifieke vragen. Het verschil zit in de gecombineerde werkwoorden: kan met kennen; moet met doen en mag met hopen. Daar is over nagedacht. En ik zie er ook wel iets interessants in.

Kennen, als in kennis. Je daarvan afvragen wat je kunt kennen. Daar zouden heel veel mensen bij gebaat zijn, die er nu zonder enige terughoudendheid van uitgaan dat hun kennis de enige ware kennis is.

Moeten met doen. Je afvragen wat je moet doen. Als een soort van verplichting die je jezelf oplegt. Maar dan wel pas na een degelijk onderbouwd antwoord op vraag 1.

Vraag drie, mogen met hopen. Wat mag ik hopen, nadat ik de antwoorden van vraag 1 en 2 goed doordacht heb. Hoewel ‘mogen’ je ook wel wat vrijheden lijkt te permiteren, om af te wijken van de antwoorden op vraag 1 en 2, denk ik dat Kant hoopt dat je er bij vraag 3 toch rekening mee houdt.

En dan de slotvraag. Wat is de mens? Ik kan me voorstellen waarom dit voor Kant de meest essentiële vraag is. Ik zal proberen dat met een simpel voorbeeld te verduidelijken. Kant leefde in de 18e eeuw. Het kan bijna niet anders dan dat hij in zijn tijd wel eens gedacht heeft: Wat zijn dat voor mensen? In de podcast werd verteld dat hij vaker verhuisd is, vanwege het lawaai op straat. 

Want een beetje koetsier die toen met paard en wagen over de kasseien reed, met kletterende hoefijzers en metalen hoepels om de wielen, daar kan een, in de huidige tijd opgegroeide 16 jarige bestuurder van een opgevoerde brommer echt niet tegenop. Als ik zo’n puber nu soms over het Wilhelminaplein hoor razen, dan denk ik ook, net als Kant toen, ‘wat zijn dat voor mensen’?

Nou is dit een onschuldig voorbeeld. Maar zo, zittend onder de eiken en dennen van de Moelbaerenbos, bedenk ik me dat de vragen van Kant ook toepasbaar zijn op de gepolariseerde wereld waarin we steeds meer, maar zeker sinds de afgelopen twee jaar in terecht zijn gekomen.

Is het aannemelijk dat kennis ontstaat door studie en jarenlange inzet op gespecialiseerde thema’s? Dan is het antwoord op de vraag ‘wat kan ik kennen’ wat mij betreft vooral voorbehouden aan mensen die er voor geleerd hebben. Wat ik dus doe -en ook vind dat ik moet doen- is luisteren naar de mensen waarvan ik meen te kunnen kennen dat ze er verstand van hebben.

En ik mag vervolgens hopen dat meer mensen die logica onderschrijven. Tegelijk realiseer ik me dat iemand die dat niet met me eens is, de vragen van Kant waarschijnlijk anders zal beantwoorden. Of zich er misschien helemaal niet mee bezighoudt. Waarom zou je je überhaupt iets afvragen als je alles al zeker weet?

Toch had Kant daar ook wel iets aardigs op bedacht: de categorische imperatief. Je mag het meteen weer vergeten, maar het betekent zo ongeveer het volgende: Doe voor anderen, wat naar jouw mening iedereen voor iedereen zou moeten doen. Je moet handelen op de manier waarvan je zou willen dat iedereen zo zou handelen. Of meer formeel: ‘Baseer je gedrag op principes waarvan je zou willen dat het algemene, voor iedereen geldende, wetten zijn.

Hm, daar zal ik een volgende keer aan de kant van de Schaak eens heel goed over nadenken…