Wit, zwart… en groen!

ricardo-mancia-646399-unsplash

Onder de indruk van twee momenten, gisteravond op tv. Allereerst de 83-jarige Paul van Vliet bij De Wereld Draait Door. Wat een wijsheid. Later op de avond het tweede moment. Wat een triestheid. De genante vertoning bij RTL Late Night. Nog niet eens door het welles-nietes gehalte van al dan niet gemaakte afspraken. Ook niet door de onbeholpen maar waarschijnlijk goedbedoelde poging van Twan Huijs om van ‘pijnlijk gitzwart’ en ‘compromisloos spierwit’ ‘eensgezind grijs’ te maken. Wat me vooral trof was de eenzijdige onwil van mensen om nog met de ander in gesprek te gaan.

Vandaag, de laatste warme dag van 2018, aan beide momenten terug moeten denken. Vanmiddag heb ik het boek van Paul van Vliet gekocht: ‘Brieven aan God en andere mensen’. Gisteravond bij Mathijs las hij er een gedicht uit voor. Een prachtige afsluiter van het hoofdstuk ‘Japie Groen’. Een liedtekst die Paul vlak voor de millenniumwissel in 1999 had geschreven. Het ging over Japie Groen, een joodse jongen en Pauls klasgenootje van toen. Opgepakt in de oorlog en vergast in Sobibòr.

Toen Paul van Vliet het gisteren voorlas moest ik denken aan het gedicht ‘Ben Ali Libi’ van Willem Wilmink, dat ooit zo prachtig vertolkt is door Joost Prinsen. Zojuist weer even teruggekeken en geluisterd en opnieuw tranen in mijn ogen. Het gedicht over ‘Japie Groen’ gaat over hetzelfde thema. De machteloosheid bij onrecht en de diepgewortelde wil om dingen ten goede te laten keren. Het couplet dat me gisteren vooral raakte:


Want ik denk nog vaak aan Japie Groen,
mijn joodse klasgenoot van toen,
die nauwelijks mocht leven,
die mij, voor hij werd opgepakt
en in die wagen werd gesmakt,
zijn speelgoed heeft gegeven.

‘Groen’. ‘Speelgoed geven’. ‘Sinterklaas’. ‘Zwart’. ‘Wit’. Het brengt me bij de uitzending van RTL Late Night gisteravond. Het niet samen aan tafel willen zitten en het geharrewar daarover (met advocaten!) kreeg een geladenheid die pijnlijk duidelijk maakte hoe eigenschappen als kleur of afkomst weer langzaam in de buurt lijken te komen van datgene wat Paul van Vliet, Willem Wilmink en Joost Prinsen zo indrukwekkend onder woorden hebben gebracht. Als standpunten zo verharden dat ze niet meer bespreekbaar zijn, dan wordt het eng.

Principieel ‘een lijn trekken’ en vinden dat je dan recht hebt van ‘niet spreken’ is een teken aan de wand. Als je vindt dat jouw mening de enig juiste is en je weigert vervolgens om daarover in discussie te gaan, dan zijn andersdenkenden op dat moment daarmee veroordeeld. De onredelijkheid daarvan stuit me tegen de borst en tegelijk maakt het me bang. Want dat leidt tot een wederzijdse veroordeling die -zonder uitwisseling van argumenten- iedereen schuldig maakt.

Misschien is dat het grootste probleem wel. Je zelf onschuldig wanen en er dan niks meer over willen zeggen. Of alleen maar kleur willen bekennen aan diegenen met dezelfde voorkeur. Elkaar daarin versterken en in de escalatie vervolgens andere kleuren uitsluiten. Of nog erger: uitgummen. Wit, zwart, groen… en bruin? Nee, laat ik daarom duidelijk zijn. Van mij mogen Pieten alle kleuren hebben. Juist uit respect voor Japie Groen en Ben Ali Libi. En voor iedereen die hen op wat voor manier dan ook woorden geeft. Ook Twan Huijs.

Fotografie: Ricardo Mancía

Het fragment uit DWDD met Paul van Vliet. Op 11:50 het prachtige gedicht in z’n geheel.

 

Passie…

In dagblad De Limburger van zaterdag 6 oktober een mooie special, met de titel ‘Broosheid in beeld’. Inge Snijders wordt daarin geïnterviewd over haar werk en passie: kwetsbare mensen een stem geven. Met haar foto’s en documentaires vertelt ze verhalen. Foto’s van dementerende ouderen prijken indrukwekkend bij haar artikel. Het is haar eerste grote fotoserie die ze de titel ‘Het geraamte van mijn Geest’ heeft meegegeven.

Het artikel gaat over veel meer dan deze fotoserie, maar met name dit onderdeel trekt mijn aandacht. Vanmorgen heb ik in Hof te Berkel in een groepswoning voor ouderen een uurtje orgelmuziek gemaakt en gezongen met de bewoners. Vanaf 11 uur voor de bewoners zelf en het laatste kwartiertje ook voor de familie, die voor de 12-uur lunch was uitgenodigd. Een gezellige drukte op het eind en een goed gevoel na afloop.

Elke keer bij een dergelijk optreden ervaar ik de contrasten van het leven. In allerlei opzichten. Bijvoorbeeld de broosheid ervan, met daarnaast de blijheid. Terwijl twee oudere dames vanaf de allereerste tonen zo goed als elk liedje vrolijk meezingen, zit er ook een medebewoner in een fauteuil heel stil en onbewogen voor zich uit te staren. Een paar keer zie ik hem heel voorzichtig opstaan, om iets voor zich op de salontafel te leggen. Net zo voorzichtig gaat hij dan weer zitten. Even later opnieuw met veel moeite omhoog om het weer van de tafel te pakken. Dat herhaalt zich enige keren.

In een rolstoel, naast de twee dames, een meneer die in het begin ook nauwelijk beweegt, maar zo nu en dan, heel subtiel met zijn ene hand de maat zwaait op de muziek die hij hoort. Met zijn andere hand houdt hij een knuffelhondje vast. Af en toe zie ik zijn mond bewegen als de tekst van het liedje blijkbaar via zijn gehoor iets in zijn geheugen raakt en van daaruit de mond en lippen worden aangezet om mee te zingen. Het muzikale moment heeft effect. Duidelijk zichtbaar en tegelijk heel broos.

Familieleden druppelen binnen. Een vrouw gaat op de leuning bij de man in de fauteuil zitten. Twee vrouwen schuiven links en rechts aan bij de man in de rolstoel. Een dochter kust haar vader in een mooi moment van herkenning. Dezelfde man spreekt me na afloop aan en vraagt naar mijn naam, die hem bekend in de oren klinkt. Hij vond het mooi, zegt hij, en wil vervolgens weten of er ook nog andere muziek uit het orgel kan komen. Ik leg hem uit hoe het zit en dat dat in principe wel mogelijk is. Begripvol knikkend luistert hij naar mijn uitleg en vertelt mij dan dat hij het daar met zijn dochter over zal hebben.

Zijn interesse maakt me nieuwsgierig naar zijn achtergrond. Wat is zijn verhaal? Wat heeft de muziek bij hem losgemaakt? Wat verklaart de vrolijkheid bij de twee dames? Waarom die knuffel als houvast? Allemaal vragen waarvan het antwoord in het leven zelf en in de contrasten besloten ligt. Antwoorden die in verhalen zitten verstopt, over de broosheid en de kwetsbaarheid van het leven. Vanmorgen even gelardeerd met een muzikaal sausje van herkenning en verbinding.

‘Kwetsbare mensen een stem geven’ is de passie van Inge Snijders. Verhalenverteller is ze, in foto’s en documentaires. Soortgelijke beelden die mij ook telkens weer boeien en me eveneens aanzetten tot het maken van verhalen. Verhalen zoals dit relaas over zaterdagochtend. Een uurtje in mijn leven verbonden met dat van anderen. Met inzet en passie gedeeld. En zelfs na afloop nog beloond ook. Met ‘hartstochtelijk lekkere’ chocoladebonbons en een tegoedbon van?…. jawel, en dat kan geen toeval zijn… van Passi!
gemma-evans-64661-unsplash
Gemma Evans

Bovenstaande column voorgelezen in de live-uitzending van Wört (Radio Reindonk) op zaterdag 6 oktober. Voorafgegaan door ‘It ain’t only sorrow’ van de CD ‘Year without summer’ van Mark Lotterman. En afgesloten met ‘Lost’ van de CD ‘Hotel New York’ van Anouk.

Knipogen in het duister…

Misschien helpt het. Gewoon wat zaken van me af schrijven. Hopelijk lucht dat op. En zo niet? Ach, dan is er ook geen man overboord. Want waar gaat het over…

Het zit een beetje tegen.

Al een paar dagen aan het hoesten en veel geslapen om de verkoudheidshoofdpijn te doen verdwijnen. Dat kost een belangrijk deel van het vrije weekend, maar lijkt nu op mijn vrije maandag heel aardig gelukt. Echt helemaal over is het echter nog niet. Afijn, geef het nog een dag of wat en dan zal het wel weer gaan. Ik ben niet de enige.

Vanmiddag voor de halfjaarlijkse controle bij de tandarts geweest. Normaalgesproken kun je van de uitdrukking ‘in the pocket’ best een tevreden gevoel overhouden. Maar vanmiddag was dat anders… Verschíllende pockets, die in eerste instantie via de mondhygiëniste, maar na nog wat beter kijken door de parodontoloog moesten worden behandeld. Die gaat alles dan dichtbranden geloof ik…

Het zit vandaag wat tegen.

Mijn verkoudheid is de afgelopen dagen via mijn hele hoofd naar mijn voorhoofd verplaatst en concentreert zich nu vooral op mijn ogen. Als je niet beter wist dan zou je kunnen denken dat ik op mijn laptop geen column aan het tikken ben, maar naar de zoveelste aflevering van America’s Got Talent zit te kijken. En dan juist díe uitzendingen waar het hele publiek op het eind opstaat, net als de coaches. En dat de zanger of zangeres het dan ook niet meer droog houdt, vooral ook omdat twee weken eerder zijn of haar oma gestorven is. Of nog erger. In het voorfilmpje had je al kunnen zien dat oma de grootste fan was… Eerlijk is eerlijk, mij kun je dan opvegen.

Maar nee, dat tranen gaat nu vanzelf. Ook dat is waarschijnlijk nog een kwestie van een paar dagen denk ik. Tja, wat nog meer. Al een week of vier strijk ik twee keer per dag mijn kalknagels in met een soort van nagellak, die ruikt naar kerosine. Moet na drie maanden gezonde nagels opleveren. Ik blijf het trouw volhouden -aan mij zal het niet liggen- maar op dit moment betwijfel ik ook hier het nut van. Ik zal zometeen de bijsluiter eens lezen, of je van dat spul ook tranende ogen kunt krijgen.

Ach, iedereen heeft wel eens van die dagen…

O ja.. Vanmorgen ook om 1 minuut over acht de huisarts gebeld en pas om half negen contact kunnen leggen met de assistente. Die concludeerde dat ik de dokter niet hoefde te bezoeken. Zij zou de dokter mijn klachten vertellen en als die haar diagnose onderschreef, dan kon ik na vier uur vanmiddag de medicijnen op de apotheek ophalen. Dus om kwart over vier een kuur van dertig dagen en bijbehorende zalf gehaald. Vanavond de eerste zalf en morgen de eerste pil. Dat gaat mijn huid weer in het gareel krijgen. Al een paar keer eerder gedaan en die keren hielp die combi prima. Maar toen stond ik er wel wat positiever in, volgens mij.

Afijn, dit was het wel voor nu. Morgen maar weer eens vol goede moed kijken naar alle narigheid van anderen en me dan zelf een geluksvogel voelen. Morgen. Met minder tranen.

zwart en ongedurig
onrustig nog daarbij
het hart wat wispelturig
vooral uit medelij

och, zie ‘m nu eens klagen
wens beterschap zich vurig
al heeft z’n week vier dagen
toch lijkt ’t veertig-urig

dus wat is de moraal?
Nou… heel eenvoudig, luister!
de moraal gaat ongelogen
over knipogen in het duister…

ogen

Levenskunstenaar…

Om negen uur ‘s avonds fietste ik naar huis. Het regende een beetje, maar niet zoveel dat het hinderlijk was. Eigenlijk integendeel. Elke druppel voor mijn gevoel zelfs bewust ervaren, iedere keer als een soort van bewijs dat ik de uren die eraan vooraf waren gegaan zo intens had beleefd. Dat begon eigenlijk al op de heenweg naar Venray.

De weg naar Venray, die ik in mijn middelbare schooltijd zo vaak gefietst heb. Bijna altijd via Castenray maar soms ook door natuurgebied de Paes. Dan kon je in de zomer een appel meenemen van het veld waar je dan langs kwam. Zaterdag stelde TomTom een route voor die ik nog nooit gefietst had. Blijkbaar de kortste route naar het adres waar Leo Wijnhoven die dag zijn expositie had.

Op de weg heen dacht ik terug aan veertig jaar eerder. De tijd dat Leo en ik in hetzelfde examenjaar zaten op Jerusalem. Leo, in mijn ogen een vrije geest uit Wanssum, die het progressieve Jeruzalem van die tijd vooral op zijn eigen manier tegemoet trad. En ik, uit Horst, die vooral heel beschouwend de wereld inkeek, ingegeven door twijfel over van alles en tegelijk vooral observerend om te zien hoe dingen in relatie stonden tot elkaar. Altijd ook die andere kant willen zien en willen begrijpen, met als consequentie dat een duidelijke keuze lastig werd.

Ik heb me wel eens afgevraagd of mijn familiesituatie van toen er voor gezorgd heeft dat ik ook nu nog heel weinig als vanzelfsprekend ervaar en vaak zo moeilijk kan kiezen. Want zoveel kon in die levensfase in zo korte tijd veranderen. Waar je op bouwde, raakte zo vaak uit balans. En evengoed waren het ervaringen die me uiteindelijk sterker hebben gemaakt.

Aan dat soort dingen dacht ik, fietsend via een nog nooit genomen route, op weg naar de expositie van Leo. Veertig jaar kwam even samen in één dag en dat voelde vreemd genoeg heel lekker. Ik had er zin in. Of het gebruikelijk is om voor een kunstenaar bij de opening van zijn expositie een cadeautje mee te nemen, weet ik niet, maar ik had mijn boek ‘Tijd heelt alle woorden’ om die reden voor hem ingepakt.

Wind tegen, maar toch ruim op tijd in Venray, zodat ik mijn ‘trip to memory-lane’ op het terras bij Den Engel nog wat verlengd heb. Want ook daar waren we veertig jaar geleden regelmatig. Met onze spijbelkaart van toen zelfs soms gelegitimeerd. Afgelopen zaterdag heb ik de tijd van één cappuccino en één bokbiertje benut om iedere voorbijganger eens goed te observeren of ik er geen klasgenoot van toen in herkende. Nee dus…

bockje bij Den EngelDe opening van de expositie was om 17.00 uur. Ik was op tijd, nèt voor een gigantische regenbui losbarstte. Leo stond vlak bij de ingang en vanaf het eerste moment voelde het goed om hem daar te treffen. Veertig jaar blijkt dan ineens gewoon een getal. We hebben herinneringen opgehaald en gedeeld. We hebben er op geproost, terwijl Leo ondertussen herhaaldelijk gasten begroette, die hij vaak ook al jaren niet meer had gezien.

Een mevrouw waarvan ik de naam even kwijt ben, sprak een kort openingswoordje, waarna zij het woord gaf aan Jonas. Jonas had als kind al vaak bij Leo in het atelier overnacht, als hij met zijn ouders in Amsterdam was. Jaren later was Jonas daar sociologie gaan studeren en nu nog zat hij blijkbaar regelmatig met Leo op een of ander terras in Amsterdam. Pratend over toen en nu en over de wereld, met al zijn schoonheid en tekortkomingen.

Zijn herinneringen verbond hij op een indrukwekkende manier met de opening van de expositie, Leo’s roots met Wanssum en Venray en met de achtergronden van het werk dat Leo maakte. Later zag ik Jonas samen met Martijn van der Putten – nu wethouder in Venray- langs Leo’s schilderijen wandelen. Martijn en Jonas bleken schoolvrienden te zijn, die samen wel eens bij Leo in het atelier hadden overnacht. Bijvoorbeeld als Ajax weer een keer thuis moest spelen.

Schoolvrienden. Net als Leo en ik. En Mat, die iets later binnen kwam. Ieder van ons is in die veertig jaar ‘zijns weegs’ gegaan. Leo’s atelier bevindt zich, voor zover ik weet, al vanaf de middelbare school in Amsterdam. Hij kon zich niet herinneren dat hij op mijn bruiloft in 1991 was geweest en ik was kwijt dat we onafhankelijk van elkaar een biologieproefwerk op dezelfde ludieke wijze hadden gemaakt. Namelijk middels een creatief opstel in plaats van de (blijkbaar tè simpele) vragen te beantwoorden. De vers van de Nijmeegse universiteit komende lerares van toen, juffrouw Schoones, wist niet hoe daarop te reageren en zo veroorzaakten we blijkbaar een klein onderwijsrelletje met onze ‘opstellen’.

Afijn, zaterdagmiddag heel erg genoten van elkaars aanwezigheid en de gezamenlijke, voor mijn gevoel vanzelfsprekende, overbrugging van veertig jaar. Op een fijne manier paste al die tijd in een middag en een deel van de avond. In mijn uppie heb ik daarna nog heerlijk gegeten bij D’n Engel. Daar, omdat nèt die dag Ben en Nel gesloten hadden. Zul je net zien. Kom je ergens één keer in de veertig jaar, zijn ze dicht. Maar dat geeft nog wel iets om naar uit te kijken. Net als een keer naar Amsterdam gaan en te overnachten in een atelier in de Jordaan.

Die avond regende het toen ik naar huis fietste. En dat was prima. Ik nam me voor om mijn ervaring neer te schrijven in een column. Bij deze. Ik heb ook foto’s gemaakt van verschillende schilderijen. Waarschijnlijk overtreed ik allerlei copyright-regels, maar het leek me leuk om elk schilderij te voorzien van een paar regels tekst. Slechts een paar indrukken van wat Leo’s werk bij mij teweeg bracht. Gevoel, gebaseerd op veertig jaar herinnering. Op één zaterdagmiddag. Mooi man…

Laissez Faire II
‘Laat het op zijn beloop’ is de vrije vertaling van de titel van dit werk (Laissez-faire). Wie het hardst schreeuwt krijgt het meest. Survival of the fittest in zijn meest kwetsbare en confronterende vorm. Maar ook: wie weet wat de toekomst brengt?
100x100-tight-setting95
Postuur van mijn moeder, maar met een zelfverzekerde blik in de ogen, die ik me van mijn moeder niet kan herinneren. Dingen overkwamen haar. Deze vrouw niet. Zij houdt haar lot in eigen hand en knappe jongen die daar invloed op wil uitoefenen…
Moores law with future option
Fotografische weergave van een vrucht die ik meen te herkennen, maar waarvan ik de naam niet zeker weet (lychee?). Ruwe bolster, blanke pit. Kwetsbaarheid als iets ontdaan is van een beschermende schil. Niet alleen bij vruchten, ook bij mensen…
watch-it
Associatie met Gert de Mulder, kunstenares en keramiste, die de wereld op haar eigen wijze, met aandacht voor detail, bekijkt. Kunstenaars eigen? Of een oproep om ook aandacht voor detail te hebben. Houdt de wijsheid en de theorie maar even achter de rug (papieren? iPad?) en kijk zelf…
win-ti-do
Sterke vrouw, geworteld in moeder aarde, wordt bekeken door een redneck met bijl, die twijfelt of hij die stevige stam wel kan doorklieven. Jaren later lukt dat met zwaarder materieel…
kraan en waterslang
Geintje van vrienden van Leo, die de expositie mee hebben ingericht. Als modernisme, (sur)realisme en satire thema’s zijn in Leo’s werk, dan is dit een prachtig voorbeeld dat humor en down-to-earth-mentaliteit nog ingebed liggen in de roots van Leo en die van zijn vrienden uit het zuiden…

Vraagtekens…

We zijn hoofdrolspelers in onze eigen film die we ‘Leven’ genoemd hebben. Elke dag zijn er live-opnames. Afhankelijk van het script is soms de totale cast aanwezig of alleen de regisseur. In dat geval geeft hij aanwijzingen aan de cameraman, die dan alvast sfeerbeelden maakt om in te voegen tussen de live-scenes.

Jij en de hele cast zijn ik-figuren in de film. Ik ook, net als de regisseur, die zichzelf speelt. De hele cast heeft van te voren het script gekregen, maar naarmate de draaidagen vorderen, blijkt steeds meer dat die scripts op onderdelen van elkaar afwijken. Iemand heeft daar heel goed over nagedacht, maar niemand weet wie dat is.

Dat al die verschillende scripts op onderdelen elkaar raken, en dat daardoor acteurs elkaar op de set herhaaldelijk tegenkomen is op zich al opmerkelijk. Maar nog indrukwekkender is het wanneer er medespelers opduiken die je nog nooit eerder gezien hebt. Soms lijkt het wel alsof de scripts herschreven worden terwijl de camera’s draaien.

Mooi om te zien hoe enthousiast jonge acteurs hun rollen inhoud geven. Soms nog wat onzeker, maar ach, niet al te lang geleden stond je er zelf ook nog onbeholpen bij. Fijn ook om te merken dat de meesten vanuit de grond van hun hart ‘Leven’ echt inhoud willen geven, ook al gebeurt dat soms vooral zoekend en intuïtief.

En toch…

Toch zet ik vraagtekens bij mijn rol. Minder vaak dan vroeger misschien, maar toch. Ik probeer me zelf te overtuigen dat daar niks mis mee is, maar ondertussen gaat de film wel verder. Eerder opgenomen scenes worden niet overgespeeld. Hooguit kun je de ervaring van gisteren gebruiken voor de draaidagen van morgen.

‘Leven’ is de titel die op de voorkant van mijn script staat. Achterin nog lege pagina’s. Dezelfde titel staat op de scripts van anderen. Maar er zijn duidelijke verschillen in omvang en gewicht. Nog een bewijs dat ieders script uniek is? Of zou juist het aantal lége pagina’s het verschil maken? Straks… als er geen vraagtekens meer zijn.

Rollen verweven
in een film over leven

Je over geven
zonder willen of streven

Tot het vraagteken
uitroepteken blijkt

als door licht
het donker wijkt

emily-morter-188019-unsplash

foto:Emily Morter

De sleutels van ‘Crazytown’…

Peter Middendorp is columnist van de Volkskrant. Zaterdag had zijn column de titel ‘Crazytown’. Hij verbaasde zich er over hoe mensen dingen kunnen zeggen die ze, met wat logisch verstand, toch ook zelf niet zouden moeten geloven. Voorbeelden die hij noemde waren onder andere schrijver Harry Mulisch en Telegraaf-journalist Wierd Duk. Via schrijver Leon de Winter en journalist Bob Woodward kwam hij uiteindelijk ook terecht bij Trump. De bronnen uit Woodward’s boek waren eensgezind in hun conclusie over de president: ‘Gek, hartstikke gek. Gestoord. Met het verstand van een 10-jarige’. John Kelly, stafchef van Trump, zou gezegd hebben: ‘We’re in crazytown now’. Maar wie bedoelde nou eigenlijk wat? Wat was ‘news’ en wat was ‘fake’.

Ik lees de columns van Peter graag. Hij schrijft vooral in de ‘ik-vorm’. Wat hij schrijft is gebaseerd op eigen observaties, waarbij hij vooral lijkt te putten uit eigen gedachten en ervaringen. Meestal stelt hij zichzelf daarbij vragen. En die leiden soms tot eigen conclusies, die je als lezer kunt overnemen. Of niet. Ook goed. Zaterdag stond bijna op het eind van zijn column een mooie volzin, die me wel aansprak: ‘Het is mijn diepste overtuiging dat ieder mens uiteindelijk op zijn eigen niveau in het duister tast.’ Hij relativeerde zijn diepste overtuiging echter meteen met de korte toevoeging daarna: ‘Maar dit is overdreven’.

Prachtig hoe hij daarmee aan het denken zet, zonder belerend te zijn of stelling te nemen. Ik hou daar wel van. Want eigenlijk doet hij daarmee hetzelfde als de mensen die hij in zijn column als voorbeelden gebruikt: Stelligheid combineren met een -al dan niet bewuste- vluchtroute. Het is ietwat overdreven. Het is uit zijn verband gehaald. Het is uitgesproken in een informele setting (Blok). Het was niet bedoeld voor publicatie (Anne Lok). En meer van dit soort escapes, waar we de laatste dagen via de media mee geconfronteerd zijn.

Peter Middendorp maakt in zijn column nog een statement dat ik wel herkende. ‘Lang heb ik gedacht dat ik alles moest lezen, ook wat de spreekwoordelijke gek ervan vond. Ik probeer ermee op te houden’. Nog afgezien van het feit dat het in de mediacratie van vandaag de dag onmogelijk is om alles tot je te nemen, snap ik zijn voorzichtige voornemen wel om te proberen daar mee op te houden. Het is niet meer te doen. En de vraag is of je wel móet kiezen of van alles iets móet vinden, als je weet dat het bijna als een oorlogsverklaring wordt opgevat door diegenen die iets anders kiezen of iets anders vinden? Nepnieuws, zegt de een. Gestoord, zegt de ander.

‘Crazytown’ zegt Peter Middendorp. Een andere columnist, Bert Wagendorp, heeft zijn column van zaterdag dezelfde titel meegegeven. Ook ‘Crazytown’. Het zou zomaar de stad kunnen zijn waar het Witte Huis staat. Maar met niet al te veel fantasie ook het dorp waar ons eigen huis staat. Of, metaforisch, onze hersenpan, als een denkbeeldig huis met vastzittende ‘crazy thoughts’. Gekke gedachten, in een imaginair huis waarvan alle deuren angstvallig gesloten blijven. Een huis waar je, veilig binnen de eigen muren, niet uit wil en waar een buitenstaander niet naar binnen kan.

Via de media roepen we vervolgens veelvuldig en hard naar elkaar dat onze sleutels de enig juiste zijn. Het is alleen zo jammer dat we die alleen maar gebruiken om af te sluiten en niet om te openen. Ik stel me voor hoe het is als we die sleutels niet voor ons zelf houden, maar laten bijmaken en aan elkaar geven? Zijn we welkom bij elkaar? Of is die gedachte ‘van de gekke’ in ‘Crazytown’? Zou het kunnen dat Peter misschien bedoelt dat we allemaal op zoek zijn naar sleutels als hij zegt ‘dat ieder mens op zijn eigen niveau in het duister tast’? Of is dat ook overdreven?

keysGedicht…

Gesloten. Nietszeggend.
Open. Veelzeggend.

Gesloten. Dicht.
Open. Licht!

Alles wat je hebt…

‘Give it everything you got’ zingt Beth Hart, op de gitaarklanken van Joe Bonamassa. Het is twaalf uur ‘s middags. Ik ben net thuis, heb zojuist verse broodjes gekocht, wacht tot Thea onder de douche uit is om samen te eten, en schrijf alvast deze eerste regels.

De cd van Beth Hart heb ik eergisteren gekocht bij Sounds in Venlo. Al jaren lagen er in totaal voor 125 euro CD bonnen in een laatje en die heb ik in een keer verzilverd. Voor de muziekliefhebbers: Behalve die CD van Beth Hart en Joe Bonamassa heb je daar een Blues CD-box voor met 52 blues-cd’s en een kleine mondharmonica erin, een live registratie van een Ramstein concert in Parijs, bewaard op twee cd’s en een dvd, een cd van Arno Adams en een cd van Herberg de Troost. En bij dat alles hoef je dan maar vijf euro bij te betalen.

‘Give it everything you got’. De titel inspireert me tot het schrijven. Vanochtend was ik al begonnen aan een column, waarin ik in een ietwat bedrukte, filosofische bui begon over de waarom-vraag des levens. Waarom die levensvragen steeds opduiken, en waarom we steeds op zoek zijn naar antwoorden die zo moeilijk te vinden zijn. Terwijl, al zoekend en vragend, de klok ondertussen doortikt en elke minuut, elk uur genadeloos af gaat van de tijd die er rest om de antwoorden te vinden. Waarom…

Maar omdat het wat koud werd in de schaduw van de oude eik, spitsten die levensvragen zich langzaam toe tot één hele concrete: waarom zit ik hier eigenlijk in de kou te schrijven? Het antwoord was al net zo concreet als voor de hand liggend: Laat je zelf opwarmen, op het terras bij Liesbeth, zittend in het zonnetje en met een lekkere cappuccino. Dus inpakken, de fiets op en weg.

‘Give it eveything you got’. Onderweg kwam ik voorbij aan het huis van een vriend. Die zit op dit moment in een medische molen, waarvan de wieken stormachtig draaien omdat de wind ook nog eens van alle kanten komt. Daar aan denkend, in eerste instantie aan zijn huis voorbijgefietst, maar in gedachten me toen afgevraagd, waarom ik er eigenlijk niet even aan zou bellen voor een kopje thee en om te vragen hoe het ging. Dus omgedraaid en de daad bij het woord gevoegd. Niet thuis. Oke, dan toch maar die cappuccino.

Bij Liesbeth op het terras hem een appje gestuurd. Gevraagd hoe het ging. En vervolgens een appje naar Thea dat ik verse broodjes zou meenemen. Mèt broodjes, thuis de cd van Beth Hart en Joe Bonamassa opgezet omdat Thea nog onder de douche stond. En meteen geraakt door de krachtige stem van Beth Hart die me voor dit moment misschien wel het enig juiste alternatief gaf voor de antwoorden op vragen die me vanochtend bezig hielden.

‘Give it everything you got’. Alles geven wat er in je zit. Als een aansporing om de tijd tussen de waarom-vragen zo zinvol mogelijk in te vullen. In te vullen met de warmte van de zon. Met verse broodjes. Met muziek. Met familie en vrienden. In donkere dagen in te vullen met het licht van de maan. In te vullen met hoop voor de toekomst en vertrouwen in wat er nog komen gaat, ondanks alle nog onbeantwoorde vragen. En ondertussen zoveel mogelijk genieten van wat er is, hoe verborgen dat ook soms lijkt. Die kracht wens ik je toe. ‘Give it everything you got’!

Wankel
niet weten
waar naar toe
maar
wandel
over wat
gemaakt is
met alles
wat je hebt
naar alles
wat gaat komen

Met alles wat je hebt

Hoach Le Dinh

Column voorgelezen tijdens Wört (programma Radio Reindonk), voorafgegaan door ‘Give it everything you got’ (CD ‘Black Coffee’ van Beth Hart en Joe Bonamassa) en afgesloten met ‘Better days’ (CD ‘Cornfeds’ van de gelijknamige band).

Toch weer daar…

Terwijl ik mijn fiets op de standaard zet, zie ik het al liggen. Een leeg sigarettendoosje. Op mijn zaterdagschrijfplek, onder de 200-jarige eik, ongeveer een meter van de houten bank. Als ik beter kijk, zie ik dat het om een buitenlands doosje gaat. In witte letters op een zwart vlak staat ‘Pusenje zacepljuje vase arterije’. De foto laat een onderbeen zien waar behoorlijk in gesneden is.

IMG_0094Ik rook niet maar ik weet dat er behalve ‘Roken is dodelijk’ ook andere korte waarschuwingsteksten op pakjes sigaretten staan. Waarschijnlijk één daarvan iets in de strekking van dat roken de aderen laat dichtslibben. En dan maakt het niet uit of het Poolse aderen zijn of Nederlandse. Als het waar is wat de waarschuwingstekst doet vermoeden, dan staat de roker op enig moment nog een vervelende operatie te wachten. Misschien wel in Nederland en anders mogelijk in zijn thuisland. Wie weet..

Het kan natuurlijk ook zijn dat het pakje sigaretten ooit door een niet-Pools-sprekende roker is aangeschaft. Iemand die het lezen van de angstaanjagende spreuken in zijn of haar eigen taal beu was en daarom maar een pakje kocht met een voor hem of haar onleesbare waarschuwing. Dubbel voordeel zou kunnen zijn dat je dan denkt dat de kwaal op de foto niet jou zal treffen, maar alleen buitenlanders. Als je verslaafd bent, is het makkelijk om jezelf voor de gek te houden.

Toen ik hier naar toe fietste, was mijn voornemen niet om over roken te schrijven. Maar het pakje en daarna de buitenlandse tekst intrigeerde me. Al die tijd werd er in het veld, honderd meter verderop, hard gewerkt. Het was net na de middag toen ik een aantal van die werkers bij elkaar zag gaan zitten, klaarblijkelijk om te pauzeren. Even later reden er drie witte busjes voor, die vervolgens weer heel snel vertrokken. Mét een aantal werknemers, voor zover ik kon zien. Of brachten ze juist een nieuwe lichting werkers?

Op het veld hoorde ik weer stemmen, vermengd met het geluid van een tractor. Ik zag een aantal mensen, naast elkaar zittend, stukje voor stukje vooruit getrokken worden, terwijl ze voortdurend voorover bukten om iets in de grond te stoppen. Overduidelijk iets aan het poten. Het witte busje deed me vermoeden dat de poters geen lokale jeugd was die vakantiewerk deed, maar dat het ging om via een uitzendbureau ingezette buitenlandse arbeidskrachten. In feite zorgden zij er voor dat wij in dit land gezond konden blijven eten, realiseerde ik me, terwijl ik ze hard zag werken.

harde werkersIk mijmerde nog wat door over werken, afval, gezondheid en over de mensen die dat aanging. En alsof het zo moest zijn, kwam Ton toen naar me toe gewandeld. Eigenaar van ‘Landgoed de Gortmeule’, de kampeerboerderij hier vlakbij. Na een vriendelijke begroeting bleek al snel dat hij alles wist over deze plek en het gebied er omheen. Gedreven vertelde hij over zijn passie, de natuur en hoe waardevol die was voor mensen. Over hoe trots hij was wanneer zijn campinggasten hem lieten weten dat men hier op het bankje, onder de 200-jarige eik, tot diepe gesprekken was gekomen over het leven.

Het gaf hem de energie om te doen wat hij deed, vertelde hij. Hij ruimde daarom regelmatig rommel op die op deze mooie plek terecht was gekomen. Ook vanmiddag, omdat hij wist dat er later op de dag nog bekenden langs zouden komen, die eveneens een speciale binding hadden met deze plek. Ton wist ook dat op het veld in razendsnel tempo aardbeienplanten werden gepoot. Nu aardbeien en straks weer andere planten. En inderdaad, dat werk werd meestal gedaan door Polen.

Met het lege Poolse sigarettenpakje in zijn hand, verwonderde Ton zich even over de gedachteloosheid waarmee iemand zijn afval zomaar kon weggooien. Maar hij prees zich voorál gelukkig met de constatering dat steeds meer mensen bewust werden van het belang van de natuur en er ook daadwerkelijk iets aan deden. Ton vertelde over de 200-jarige eik en hoe hij daar als kind al bij speelde. En hij vertelde me dat mijn vader vroeger bij zijn ouders ‘op de Gortmeule’ over de vloer kwam. Meer herinneringen kwamen boven. Fijn dat we die hier samen op deze mooie plek konden delen. En terwijl Ton hier en daar nog wat rommel opraapte en tot slot de kiezel bij het kruis netjes aanharkte, dacht ik na over wat mooie slotzinnen…

Op een plek waar een oude eik
in serene stilte de geschiedenis
verbindt met het nu,
valt zelfs afval in het niet
bij de zo belangrijke inzet
maar tegelijk belangeloze volharding
van hen die begrijpen
waar het echt om gaat.

Om het grote te begrijpen
moet je het kleine kunnen zien
en er vooral naar handelen.

Vlak voordat ik vertrok,
raapte ik het rode
plastic ijslepeltje op
dat tussen het
groene gras
bij mijn voet lag.

 

Tip voor de rest van de wereld…

Gisteravond op uitnodiging van Jan weer een hele kleine stap gezet om zijn achtergebleven biervoorraad te doen slinken. Vanaf 22.30 uur in het voormalige cafe, als vanouds, met z’n drieën aan een tafeltje over dingen gesproken, waar je in een andere setting eigenlijk nooit over spreekt. Via concrete zaken van alledag kwam het al snel op meer abstracte onderwerpen zoals: Is het de mens eigen om altijd iets te vinden ten koste van anderen? En zo ja, waar komt dat dan vandaan?

We spraken over normen en waarden die daar mogelijk aan ten grondslag lagen. En over het ontstaan daarvan. Over de invloed van de sociale context van cultuur en opvoeding daarop. En zoals al die keren daarvóór dat we hierover spraken, kwamen we er ook nu weer niet goed uit. Dat wil zeggen, wij waren het in veel opzichten wel eens met elkaar en er was over het algemeen wel consensus over onze antwoorden en meningen, maar het heikele punt van al die adhoc-theorie was met name gelegen in een klein, maar niet te verwaarlozen detail: de rest van de wereld.

Laat ik het concreet proberen te maken. We vonden bijvoorbeeld dat we iemand die afval zo op straat gooit, daarop zouden mogen aanspreken. Dat we dat in sommige gevallen wél, maar in veel gevallen ook niet deden, gaf nieuwe stof tot nadenken. Is aanspreken dan wel de juiste reactie, of legden we daarmee in die specifieke situatie de ander een norm op, waar die niet van gediend was. Onze norm namelijk, die klaarblijkelijk niet de norm was van de ‘vervuiler’. Met welk recht zou onze norm dan moeten gelden en niet de norm van de vervuiler? Logisch verstand of het ontbreken daarvan? Kennis tegenover het gebrek eraan? Verschil tussen denken en doen?

Eigen keuzes kunnen leiden tot verschillende acties. Weggooien is voor de een ook opgeruimd. De keus om aan te spreken is dan één optie. De keus om simpelweg op te ruimen wat zojuist de wereld van de vervuiler verlaten heeft en onze wereld letterlijk is binnengevallen, is een andere optie. Dat laatste lijkt een knieval, misschien zelfs wel in de letterlijke betekenis van het woord als we ons moeten bukken om het afval op te rapen, maar de vraag is of die knieval op den duur misschien niet effectiever is dan de confrontatie? Ondertussen gooi ik mijn eigen afval niet zomaar op straat, maar dat terzijde…

Dit afvalvoorbeeld is wat mij betreft een metafoor van andere situaties in de wereld waarin we leven. In plaats van de confrontatie met de ander, kiezen voor de eigen actie om ‘afval’ zelf op te ruimen. Als ‘zij’ niet doen of denken wat ‘jij’ vindt, niet automatisch het voor de hand liggende ‘wij-kamp’ opzoeken en de confrontatie aangaan. Inplaats daarvan zelf blijven nadenken en doen. Wie weet, leidt dat mogelijk wel tot nadoen en anders denken?

Mogelijk komt het daar wel op neer: anders doen na nadenken zodat nadoen anders laat denken. Maar zoals gezegd. We kwamen er met z’n drieën niet helemaal uit. Eigenlijk vooral omdat je ook nog de rest van de wereld hebt… Dat is lastig. Want wat is het goede om te doen? Maar nu ik er zo over nadenk, eigenlijk is het ook heel gemakkelijk. Want zonder wereld hoef je niets meer te doen, laat staan opruimen. Raar hè? Dáár over nadenken leidt bij mij in ieder geval tot doen. En dát nadoen ligt zo voor de hand, zou je denken…

Elk kwartier…

Wie in Horst woont, min of meer in de buurt van de Lambertuskerk, is het waarschijnlijk al opgevallen. Vanuit de klokkentoren wordt elk kwartier nu aangegeven met drie klokslagen in plaats van vier. Ik weet het niet zeker maar ik denk dat in meer gemeenten en steden die ‘kwartierriedel’ van vier tonen wel bekend is. Op het hele uur vier keer net even anders. Het viel me vanochtend om kwart over negen op toen ik buiten in de schaduw zat. Ding, niks, ding, dong… Gek, dat dingen die jarenlang gewoon zijn, je pas opvallen als ze er niet meer zijn.

Ik meende onthouden te hebben dat het de tweede klok was die ik miste. Ik wilde een kwartier later luisteren of dat zo was, maar zoals dat dan gaat, voor je het weet is het zéstien minuten later en heb je, door wat voor reden dan ook, helemaal niks gehoord. Daar wordt de twijfel niet kleiner door kan ik sinds vanochtend uit ervaring vertellen.

Bovendien ga je fantaseren hoe het kan dat een van de vier tonen steeds wegvalt. Is die ene klok er uitgehaald? Is er een hamertje stuk? Zit er een breuk in een van de vier stroomkabeltjes? Speelt stroom uberhaubt een rol? Of houdt een recalcitrant maar muzikaal misdienaartje misschien elk kwartier precies op het goede moment zijn hand tussen de klepel en de klok? Het kan van alles zijn.

Wat later hoor ik nog net de laatste twee tonen van een nieuwe riedel. Shit. Weer gemist hoe het precies zit. Ik probeer te beredeneren wat logisch is, maar merk dat mijn muzikale gehoor me parten speelt. Ik neurie de riedel voor me uit en luister naar mezelf op welke plek de tonen in elke riedel nu precies staan. Als het steeds de tweede klok is, die uitvalt, dan zou op die plek steeds dezelfde noot moeten klinken. Ik luister naar mezelf, maar hoor het niet. Waar is een Egbert, als je hem nodig hebt…

Om half twaalf luisteren Thea en ik samen naar wat er komt. Met zekerheid horen we nu dat in de eerste riedel van vier de tweede noot ontbreekt en in de tweede riedel de derde noot. Dat onderbouwt mijn theorie dat het om één klok gaat en dat in elke riedel de vier tonen steeds op een andere plek te horen zouden moeten zijn. Nu dus op die éne toon na… Maar de oorzaak daarvan kan nog steeds het hangend hamertje, de niet kloppende klepel of het misselijke, muzikale misdienaartje zijn.

Twaalf uur. Bij de derde riedel mist de eerste noot, hoor ik tussen het verkeerslawaai door. Het net sluit zich… Ik hoor de klokken en meen steeds beter te weten waar de klepels nog wel hangen Afijn, ik neem aan dat deken De Graaf Woutering het ook wel hoort. Hij woont zo goed als tegen de kerk aan en hoort het dus nog veel beter dan ik. Bovendien kent hij zijn misdienaartjes en zal dus zeker één mogelijke oorzaak kunnen uitsluiten.

Het komt wel weer goed, denk ik. Gewoon proberen me niet al te veel te laten leiden door wat ik vanzelfsprekend vind. Misschien is dat wel de les van vandaag. Als de tijd verandert, verander dan met de tijd mee.