de wolken
hangen laag vandaag

alsof ze fluisterstil
wat willen zeggen

wit en wijs
wat uit gaan leggen

nog vóór de wind
ze heeft verdreven

die wolken niet
het woord wil geven

dan worden
witte wolken grijs

Wolken rond Hanni…

Hemelsbreed zal het zo’n vijfhonderd meter zijn. Van de plek waar ik nu zit tot het huis waar ik vroeger menige avond heb doorgebracht. Op het eind van mijn middelbare schooltijd was ‘huis ten Brink’ de plek waar we samenkwamen. Waar we naar muziek luisterden en ieder op zijn of haar manier, mede dankzij die plek, mét elkaar groeiden in het leven. Ik herinner me het grote examenfeest, dat we met z’n achten gaven. Vier waren er geslaagd en vier niet. Ik hoorde bij de laatste groep.

Er kon veel op die plek. Zo nu en dan waren we live getuige van het opzoeken van grenzen, wanneer vader Ten Brink met één van zijn zoons, Stefan, Maurits of Guido, in discussie ging over hoe de gemaakte afspraken nu eigenlijk geïnterpreteerd moesten worden. Ik kan me niet herinneren dat ik moeder Ten Brink die rol ooit heb zien nemen. Haar associeer ik meer met de momenten waarop we in de keuken welkom waren en samen wat mochten eten. En dat haar zoons haar volgens mij ook vaker aanspraken met haar voornaam: Hanni.

Nu, op zo’n vijfhonderd meter afstand hemelsbreed, weet ik dat zij in datzelfde huis ernstig ziek is. Weet ik dat haar kinderen haar in deze periode begeleiden. Veronderstel ik dat haar man haar mee verzorgd, met alle liefde en medische kennis die in hem is. Onlangs sprak ik Guido. En nog wat dagen eerder Jordi, die me vertelde over de speciale band die hij met haar had, vanwege hun gezamenlijke betrokkenheid bij het Huis van de Wijk in de Norbertusparochie.

Haar betrokkenheid. Hoeveel momenten waren het niet dat ik haar tegen kwam? Bij legio gelegenheden waar ik bijeenkomsten mocht presenteren, meestal met een maatschappelijk karakter. Hanni ten Brink liet daar op niet mis te verstane wijze keer op keer horen hoe ze over zaken dacht. Sociaal. Betrokken. Vader Ten Brink zag ik in diezelfde tijd vooral wanneer hij met vaste tred door Horst wandelde, in zijn eigen aanwezigheid en in gedachten verzonken.

Net als nu waarschijnlijk. Gedachten aan haar. Gedachten aan de momenten die ze samen beleefden. Gedachten aan Claudia, aan Judith en aan Maurits. Drie van hun kinderen waarvan het leven, in al zijn oneerlijkheid en hardheid, hen al afscheid van had laten nemen. Aan Marc, die een tijdlang letterlijk bij hen kind aan huis was, maar ook niet meer onder ons. Hoe zij, hij en Hanni, ondanks of dankzij, toch samen het leven bleven omarmen. Met Stefan en Guido en de mensen die hen lief waren.

Tot nu. Opnieuw een moment dat het leven en de tijd hun grillige kanten laten zien. Onontkoombaar. De tijd die hier vijfhonderd meter vandaan waarschijnlijk langzamer voorbij gaat, dan op andere plekken. Maar voorbij gaat ze. Naar een andere staat van zijn. Op weg naar een andere wereld, waar -wie weet- weer heel veel dingen samenkomen. Waar Claudia, Judith, Maurits en Marc missschien wel op haar wachten. Wie zal het zeggen. Het is haar gegund. Juist vanwege haar betrokkenheid en om wie ze is.

Zij was het die me ooit gezegd heeft dat ik een boek moest schrijven. In 2016 heb ik dat gedaan. De titel ‘Tijd heelt alle woorden’. Ondertitel ‘Troost en herkenning’. Als tijd alle woorden heelt, dan helen woorden misschien ook wel de tijd. Vandaar deze woorden voor haar en voor hen die haar straks in dit leven moeten missen. Maar tegelijk ook voor al diegenen die haar zometeen mogelijk weer gaan zien. Voor ons dus eigenlijk. Wie weet. Hanni…

Zinnen verzetten…

Ach. Na acht maanden zonneschijn begint de ochtend vanmorgen bewolkt. Toch even wennen, dat grijs. Ik praat in gedachten wat op mezelf in. Herfst vind je toch ook een mooi seizoen en dat soort zwak overtuigende zinsnedes. Opbeurende peptalk, die de winterblues op het verkeerde been probeert te zetten.

Maar toch.. Ach… Heel diep van binnen lijkt de kleur grijs bij tijd en wijle dichter bij mijn gemoedstoestand te liggen, dan ik zelf misschien wil toegeven. Ik kijk om me heen en probeer andere kleuren in me op te nemen. Maar ze lijken ver weg en nietszeggend en totaal niet in staat om het grijs op te fleuren.

Voortdurende gedachtenwolken kleuren mijn denkhemel. Weerspreuken als ‘achter de wolken schijnt de zon’ en ‘na regen komt zonneschijn’ schieten door mijn hoofd. Ik verbaas me over de gemaakte volgordelijkheid die volledig uit de lucht gegrepen lijkt. Want de opbeurend bedoelde en chronologische kracht ervan bestaat enkel bij de gratie van wolken en regen.

Het lijkt een keuze. Zie je de wolken en de regen of kijk je naar de zon en de blauwe lucht? Of, in het geval van het een, stel je je tevreden met het wachten op het ander? Maar moet je eigenlijk wel kiezen? Kun je niet met beide heel symbiotisch samenleven? Genieten van de regen én de zon.

Mwah.. Theorie klinkt aardig. Maar de praktijk voelt helaas niet altijd zo. Is het dan zaak om dat dan maar gewoon te nemen zoals het komt? Grijs, grijs laten, als dat toevallig net zo is en blauw, blauw? Hoort het er gewoon bij? Of moet je, als grijs toch niet goed voelt, actief op zoek gaan naar blauw? Is dat wat er bedoeld wordt met ‘het verzetten van de zinnen’?

Ga ik dat eens proberen. Croissantje kopen bij de Appie…

Doei.
kaley-dykstra-328993-unsplash
Kaley Dykstra