Neeje Lind

Kunne we vaan de Alde Lind ni gewoën en neeje Lind make? Losse we twië heikele hôrster thema’s in iëne kier op. Hoewaal Herbert biëstig good zien best deut um de Neeje Lind va vroeger wer neej te make en zo good meugeluk op de alde Neeje Lind te loate lieke, giët daat beej de Alde Lind va vroeger neet miër lukke. Veuraal ni umdaat de alde linde doa weg môt. Ik bin ni historisch oonderlag, ma ik denk daat de Alde Lind va vroeger zoë geneumd is umdaat die alde linde dur beej stoong. Ka Wim Moorman daat neet us enne kier oetzeuke? Waat tur ut iërst woar: de alde linde ôf de Alde Lind? En waas de Neeje Lind dur eigeluk neet nág iërder? Aas die alde linde straks weg is, en ze plantte dur wer en neeje linde, kaan de Alde Lind daan straks -waat ut ok giët wère- Neeje Lind goan heitte? Ôf zuij Herbert doa daan dwaars veur goan ligge? Kaan ik meej good veurstelle. Doa plaarde oow ni veur oet de noad um de Neeje Lind vaan vroeger door en neeje Alde Lind de loef te loate afsteake. Ik denk daat Riek doavur ok nag waal de barricades op giët. En daat zaet waat. Aas Herbert straks de veranda wèr in de stoat vaan vroeger terugebrocht hèt, daan zuij ut zoemaar kunne daat Riek doa nag iëne kiër en pilske keumt tappe. Want daat kôs die. Di kraag kreede nag ni kapot, aal haadde ut gear… Aas de Neeje Lind straks kloar is, en de alde linde beej de Alde Lind plaats hèt gemaakt vur en neeje linde, da keumt Riek daat buümke persoënluk oet de grond trekke, aas ze ut dörve um de Alde Lind Neeje Lind te neume. Da wette daat vès…

Wat overblijft…

‘Verhalen zijn nodig als wapen tegen de chaos’. Een uitspraak van Christien Brinkgreve, hoogleraar sociale wetenschappen in Utrecht. Waarom ik haar citaat heb bewaard, weet ik niet meer. Zo nu en dan doe ik dat, omdat een uitspraak of een deel van een artikel me aanspreekt. Deze was van 22 juni 2014. Dat wil zeggen, op die dag heb ik er een notitie van gemaakt. Om 11.36 uur staat er bij.

Nu, een half jaar later, blader ik door die notities. ‘Verhalen zijn nodig als wapen tegen de chaos’, lees ik ineens en het raakt me opnieuw. Maar wel anders dan toen. Een paar weken na de aanslag op Charlie Hebdo roept de combinatie van de woorden ‘verhalen’, ‘wapen’ en ‘chaos’ toch een ander gevoel bij me op. De aanslag begon ook omstreeks half twaalf…

Vanmiddag heb ik de reacties verzameld die inwoners van Horst aan de Maas hebben achtergelaten in het register van medeleven. Handtekeningen, korte zinnen van troost, maar ook van onbegrip en boosheid. En zo nu en dan een kort verhaal. Persoonlijke woorden, die het noodzakelijke tegenwicht vormen voor de chaos die mensen met wapens hebben veroorzaakt.

Woorden blijven altijd klinken. Overtreffen in veelvoud de salvo’s uit geweren. Woorden geven zin aan twaalf mensen die ze – hoe wrang- niet meer kunnen uitspreken. Dus daarom woorden voor de rest van de wereld om over hen te blijven vertellen. Verhalen. Over Frédéric Boisseau, Franck Brinsolaro, Jean Cabut, Elsa Cayat, Stéphane Charbonnier, Philippe Honoré, Bernard Maris, Ahmed Merabet, Moustapha Ourrad, Michel Renaud, Bernard Verlhac en Georges Wolinski . Voor hen en tégen de chaos.

Live…

Urenlang stille, bewegende ’live’ beelden van een drukkerij in Frankrijk. Het lijken koude vakantiekiekjes, maar als je goed kijkt, zie je politieauto’s met zwaailichten en mensen op daken van huizen in de buurt. Het is net alsof een webcam die er gelukkig al hing tijdelijk is ingeschakeld. Onderaan de beelden komt een tekstregel voorbij dat het beelden zijn ’zonder commentaar’. Daarna een regel dat de politie zich voorbereidt op een bestorming. Zouden ze tv hebben in die drukkerij, vraag ik me af.

Vroeger begon er op enig moment een oorlog. Er gebeurden vreselijke dingen waar slechts weinigen getuige van waren of het konden navertellen. Ooit hield het dan weer op. Tegenwoordig halen we de terroristen live de huiskamer in en worden die beelden afgewisseld met analyses van terreurdeskundigen en ooggetuigenverslagen van de broer van de oom van de achterbuurman van de magazijnbediende van een concurrerende supermarkt. We zijn tenslotte live. Op de reclame na dan, waarin vlak voor een ingelast journaal toch nog even twee spotjes voorbij komen. Van het Kruidvat en de Plus.

Twee keer twintig seconden later opnieuw live én gelijktijdig aanwezig bij de bestorming van een drukkerij en een joodse supermarkt. Kwestie van zappen. Dat kunnen we zelf maar we laten ons op afstand ook gretig bedienen. Voortdurend kijken naar wat steeds dichterbij komt. De wereld kijkt mee. Of je wil of niet. Het kan ook niet meer anders. We zijn permanent in oorlog én daar al die tijd getuige van. Steeds opnieuw en overal. Weer. En wéér. Meer. Nóg meer. Geen afstand tussen vriend en vijand. Telelenzen tussen terrorist en slachtoffer. Zappend tussen ziel en zaligheid. Dichtbij en toch zó hemelsbreed ver uit elkaar. Met een afstandsbediening. Plus het kruidvat dichtbij… Uit!

Overzicht van 2014…

WordPress bood mij via de mail een blog-overzicht aan over het jaar 2014. Voor wie het interessant vindt…

Hieronder een fragment, dat geheel voor rekening komt van de WordPress-crew:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2014 ongeveer 10.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 4 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Terug

Dit jaar is Kerstavond anders dan anders. Op 24 december landt er omstreeks 19.00 uur in Düsseldorf een vliegtuig dat onze Mees weer thuis brengt. Met twee andere Dendron-leerlingen en twee leerkrachten is hij dan terug van twee weken India. Voor de stichting Helpende Handen hebben ze verschillende projecten, locaties en instellingen bezocht. Mees heeft ter plekke gezien en gevoeld hoe het is om in een land te leven dat totaal, maar dan ook totáál, anders is dan Nederland. Zonder twijfel is hij onder de indruk van alle ervaringen. Onze Kerst staat in het teken van zijn belevenissen. En daar verheug ik me op.

"Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt."
“Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt.”

Twee weken geleden werd Mees z’n avontuur werkelijkheid. Ons contact verliep vanaf dat moment via korte whatsapp-berichtjes. ‘Ik vertel wel in detail over wat ik meemaak, als ik thuis ben’, schreef hij in één van zijn eerste berichtjes. En na twee dagen was de zin ‘ik heb al zestien kantjes volgeschreven’ ook heel veelzeggend. Af en toe verscheen er een foto op zijn Facebook-pagina. Bijvoorbeeld van een kleine, ik schat twee- of driejarige Indiër, die een grote gele zonnebril omgekeerd op z’n neus zette. Onderschrift: ‘Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt’. Het was een speelse foto, met dat vrolijke ventje in het middelpunt van de belangstelling.

Achter het kereltje een kast, waarin een tiental plastic bakken te zien was. Gevuld met snoep leek het. ’Begrijpelijk dat het jongetje vrolijk gekkigheid uithaalt met die gele zonnebril van onze Mees’, dacht ik. Toen ik wat beter keek zag ik wat er in grote letters op de bakken stond. ‘Amytryn’ kon ik lezen. En daarnaast ‘Atenolol’ en ‘Fluoxetine’. Het waren medicijnen, leerde Google me. Amytryn tegen ‘neuropatische pijnen’. Fluoxetine was een anti-depressivum en Atenolol een bètablokker. Bloeddrukverlagend en hartslagvertragend. Ineens kreeg de vrolijke foto een wat serieuzere uitstraling.

De ruimte maakte kennelijk onderdeel uit van een verzorgingsinstelling. Ik wist dat ze dit soort plekken gingen bezoeken. Je kunt geen betere indruk krijgen van wat ‘helpende handen’ betekenen, dan het aan den lijve ondervinden en ter plekke ervaren. Zien wat er allemaal bij komt kijken, bij de opvang , verzorging en het onderwijs van weeskinderen bijvoorbeeld. Of bejaarden en zieken. Hier en daar zelf een helpende hand bieden. En vooral zien hoeveel andere mensen dat daar ook doen. Uit het hart en vanzelfsprekend.

In dat teken stond zijn reis naar India en in dat teken staat daarom onze Kerst dit jaar. De stichting Helpende Handen en het Dendroncollege boden Mees deze kans, die hij met beide handen heeft aangegrepen. Maar hóe aangegrepen zal hij zelf zijn? Hoeveel kantjes na die zestien heeft hij nog geschreven? Heeft hij z’n gele zonnebril nog? Daar ben ik benieuwd naar. Straks komt hij door de gate. Op Kerstavond. Terug. Gelukkig… Kerstfeest!

Goudvis

Goudvis…
Hm. Mijn eerste associatie is een ronde vissenkom. Daarin zwemt ie. Alsmaar rondjes om een groen plastic plantje, machinaal ontkiemd uit een witte nepsteen. Die steen ligt in het midden van de kom, in een bedje van gekleurde surrogaatkiezel. Zomaar, zonder reden, draait de vis zich om, en zwemt het rondje andersom. Hij kan ook niet echt anders. Het plantje staat precies in het midden, dus hij moet er wel omheen. Linksom of rechtsom. Hij kan er niet omheen dat hij er steeds omheen moet. Daar zit wel wat ironie in. En iets treurigs. Hij is ook niet echt van goud.

Weer draait hij zich om. Het is te hopen dat hij het plantje met zijn linkeroog anders ziet dan met zijn rechteroog. Of, nog beter, hopelijk hebben goudvissen een waardeloos geheugen. Of zou hij elke keer denken: ’Wat kan ik toch veel kanten op’? Want er moet toch iets in zijn luchtledig breintje zijn dat hem steeds motiveert. Dat hem steeds opnieuw doet besluiten om keer op keer te keren. Voelt hij zich als de spreekwoordelijke vis in het water? Maar kan hij daar wel zo blij over zijn? Waarschijnlijk bewijst het enkel zijn waardeloze geheugen. Want het is echt niet alles goud wat er blinkt. Alleen, goudvissen lijken dat niet te beseffen. Of vergeten dat steeds weer. Of ze zijn ontzettend Zen. Goudvis-zen.

Maakt ook niet uit. Een goudvis in een ronde glazen kom vind ik iets treurigs hebben. Net als een parkiet op een klein houten schommeltje. Of een hamster in een plastic tredmolentje. Het is de triestigheid van bedachte blijdschap. Verkeerd ingevulde vreugde. Empathisch eigenbelang. Denken voor de ander maar het zelf niet weten. Invullen wat je voor jezelf open laat. En zo zet de goudvis me toch op een spoor. Linksom of rechtsom. Wie is er nou eigenlijk zielig?

Zouden wij vanuit een fisheye-perspectief ook niet treurigheid oproepen, vraag ik me af. Of zou het juist lachen zijn in een vissenkom? Gieren in een parkietenkooi? Kunnen zien wat er zich buiten hun eigen begrensde leefwereld afspeelt, maakt hun leven waarschijnlijk méér dan enkel kommer en kwel! Je mag het hopen. Of zou er nog iets anders aan de hand zijn? Zou een hamster zich te barsten rennen omdat de opgefoktheid buiten zijn hok te gemakkelijk door de spijlen naar binnen kan? Reageert het beestje de frustratie daarover al rennend van zich af? Fluit een parkiet steeds zijn snerpend eentonige deuntje als protest tegen alles wat er zich buiten zijn kooi afspeelt?

Het zou zomaar kunnen. En daarop doordenkend: hoe zouden witte kanariepieten dan gereageerd hebben op zwarte pieten? Anders dan bruine kanariepieten? Hoeveel gekte kun je in je kom of kooi verdragen? Het schijnt dat een goudvis de wereld steeds groter ziet, hoe dichter die bij de kom komt. Heb je dat ook nog.

Nee, langzaamaan begin ik toch wel wat begrip te krijgen voor die goudvis in zijn kom. Je zou je voor minder regelmatig willen omdraaien. Als de wereld in al zijn heftigheid steeds dichterbij komt, iedere onbenulligheid tot in het oneindige wordt uitvergroot, dan is omdraaien misschien nog wel de beste oplossing. Keer op keer. Om zo steeds opnieuw te proberen om het toch weer van de andere kant te bekijken. Niet stil te hoeven staan in een dolgedraaide wereld. Blijven rennen om er uit te komen. Fluitend als het niet anders kan.

Bedenktijd…

Het monotone tikken van onze ovenklok wordt onderbroken door het geluid van de toetsen op mijn draadloos bleutooth toetsenbordje. Elke nieuwe zin die ik opschrijf vormt zo een ritmisch samenspel met het tikken van de klok. Je zou doorlopend willen doortypen, alleen al om die reden, maar de werkelijkheid is anders. Tussen de zinnen is het langere momenten stil in mijn hoofd en overheerst de monotonie van de tikkende tijd. Tijd om te denken.

Wat wil ik aantikken in deze column, die ik straks live ga voorlezen bij Omroep Reindonk? Gevoed door de kranten van vandaag en Dieuwertje Blok op televisie, is de zwarte pieten discussie voor de hand liggend. Méér nog dan over kleur gaat dat, wat mij betreft, over verdraagzaamheid. Al dan niet bedoeld, maakte Nelleke van der Krogt er onlangs in Jeroen Pauw’s programma een aardige opmerking over. ‘Ik vind het goed dat we tegen racisme zijn’, zei ze. ‘Maar wat me ook verbaast’ vervolgde ze, ‘we zijn al even bezig over zwarte Piet, maar als diezelfde zwarte mensen in gammele, lekke bootjes over zee aan komen dobberen, dan zijn ze niet welkom’. Waar ik de kunst hoor in een dergelijke vergelijking, horen anderen de kitsch. Het zij zo. Dat mag.

Ik hou wel van Nelleke. En ook wel van Dieuwertje. In het Sinterklaasjournaal waren vrijdag de eerste witte clownspieten te zien. Vandaag zag ik ze zelfs vlakbij Sinterklaas. Ik zag de Goedheiligman ook opvallend naast de rode loper lopen, die er in Gouda voor hem was uitgerold. Wat mij betreft symbolisch voor waar het allemaal over gaat: er is niet slechts een pad naar de waarheid. Of, om toch een beetje in stijl van de discussie te blijven, die rode loper had ook zomaar geel kunnen zijn. Een beetje kaasstad had daar zó voor kunnen kiezen. En ook dan hoef je er niet overheen te lopen. Het mag, maar het moet niet.

Ik luister alweer een tijdje naar de klok van mijn oven. Het rood van zojuist kleurt nog mijn gedachten, terwijl ik lees over het vertrek van twee PvdA-kamerleden. Een andere associatie dringt zich op. Is de turkse vlag ook niet rood met geel? Even googlen leert me dat ik met dat rood wel goed zit, maar wat ik in mijn hoofd geel had gekleurd, blijkt in werkelijkheid wit. De witte sikkel van de maan en een witte ster staan broederlijk naast elkaar, omringd door alleen maar rood. Net als Kuzu en Öztürk, die in de Tweede Kamer voor zichzelf beginnen. Gaat het hier in feite ook niet over verdraagzaamheid, dit keer tussen hen en de rest van de PvdA?

Twee voorbeelden op een zaterdagmiddag uit de krant geplukt. Twee voorbeelden tussen honderd andere. Vaak confrontaties tussen contrasten. Tegenstellingen die zich niet wensen te verenigen. Kleuren, die zich niet laten mengen. Maar waarom niet? Het ligt namelijk zo voor de hand. Zwart en wit geeft grijs. Geel en rood, wordt oranje. Of, anders gezegd, oranje verdraagt zich met geel en rood. Zelfs als geel en rood dat niet willen, vormen ze samen nog oranje. Ajax en Feyenoord spelen allebei in rood-wit. Is dat de supporters nog nooit opgevallen? Heeft niemand hen dat ooit verteld? Of, om een willekeurige voetbalfilosoof maar eens te citeren, zie je het pas als je het doorhebt?

Als die filosoof gelijk heeft, dan hebben heel veel mensen het nog niet door. Ze zien het niet. Of willen het niet zien. Als er een rode loper ligt in Gouda, dan zijn er mensen die willen dat de Sint daar overheen loopt. Denk ik. Ook als de Sint daardoor de kinderen achter de dranghekken geen handje kan geven. Gelukkig doet de Sint dat wel. Loopt hij dus niet over het gebaande pad en neemt hij daarbij zijn witte clownspiet gewoon mee. De kinderen lachen blij. Even bestaan er geen problemen.

Even. De klok van de oven tikt monotoon door. Het kan zijn dat die problemen er wèl zijn, bedenk ik me, maar dat ìk ze niet zie. Dat ìk het niet door heb en alle àndere mensen die stellingen hebben betrokken wel. Dat het helemààl niet draait om verdraagzaamheid en dat iedereen gelijk heeft, om bij z’n eigen mening te blijven. Dat zwart terecht zwart blijft en wit wit. Als het moet, hard tegen hard. Onverdraagzaam. Bootvluchtelingen, voetbalrellen. Politieke onverdraagzaamheid. Misschien zie ik het allemaal verkeerd. Is een witte of gekleurde Piet naast Sinterklaas inderdaad onverenigbaar met de traditie. Wordt Sinterklaas daardoor echt bedreigd in zijn bestaan…
Onbestaanbaar!

Vanmiddag was hij er gelukkig nog gewoon. Zelf gezien. Dieuwertje zag ook dat de Sint niet over die rode loper liep. Sinterklaas deelde liever handjes uit aan lachende kinderen. Zijn witte en zwarte pieten stopten die handjes vol met pepernoten. Rijen dik keken daar witte en zwarte vaders en moeders vertederd naar. Maar voor hoe lang nog? Ik weet het niet. Ik zet vanavond snel mijn schoen, ook al ben ik dit weekend alleen thuis. Nu kan het nog. Dat heeft Sinterklaas vanmiddag zelf gezegd. En Dieuwertje. Dus…

Zeik-cijfers…

Zo gênant om Jeroen Pauw met de NRC te zien zwaaien in zijn eigen tv-programma. Natuurlijk, hij moet het hebben van de actualiteit. En die ruikt al dagen naar de plas van mevrouw Van Rijn. Pauw lijkt daar steeds meer een neus voor te hebben. ’Laten we ons beperken tot de praktijk’ was zijn argument richting Martin van Rijn, toen die op enig moment terecht aangaf niet de staatssecretaris van zijn moeder te zijn, maar van alle mensen in Nederland. Pauw wilde echter terug ’naar de praktijk’ en herhaaldelijk leek het alsof hij Van Rijn daarmee en soms letterlijk zelfs met de NRC om de oren wilde slaan. Waar ging het over?

Wat een artikel had moeten worden over handvaardigheidsactiviteiten door vrijwilligers, werd niet onterecht een heel triest verhaal over demente, incontinente levenspartners. Uit het leven gegrepen, zoals veel dat onvermijdelijk is. Wat niet betekent dat bejaarden in hun verpleeghuis verstoken moeten blijven van de zorg die ze nodig hebben. Het ontbreken daarvan is op geen enkele manier goed te praten. De twee genodigden aan Pauw’s tafel deden dat ook niet. Zij waren allebei zeer betrokken. Beiden vanuit een andere invalshoek, maar tot op het bot gedreven. Allebei waren ze op zoek naar oplossingen. Pauw niet. Hij had een groot maatschappelijk probleem terug kunnen brengen tot de praktijk van twee betrokken mensen aan ’zijn’ tafel. Overzichtelijk, schuld en onschuld links en rechts van hem. Ge-downsized, zeg maar, tot ver beneden de enkels.

Martin van Rijn wilde liever niet als ’de zoon van’ reageren. Het siert hem dat hij dat desondanks toch soms deed. Maar daar had Pauw geen boodschap aan. Het was namelijk de praktijk die naar urine rook waar het in het programma vooral om te doen was. Want had het niet al in de krant gestaan? De moeder van de staatssecretaris bleek behalve dement ook incontinent! En de vader van de staatssecretaris zelf -de váder van!- had ’de noodklok’ geluid. Dus Pauw kon eigenlijk niet anders. Maar dat hij daarvan leek te genieten, en daarnaast een pijnlijk gênante desinteresse bleef uitstralen, dat zorgde ervoor dat hij, wat mij betreft, vooral bleef hangen in dezelfde pislucht die alle andere riooljournalistiek ook kenmerkt.

En ik? Ik keek er naar. Leefde mee met de man van 82, met die traan in zijn oog. Maar ook met die andere man, de zoon van die incontinente mevrouw Van Rijn. De zoon die tevergeefs een paar keer aan Pauw vroeg om de privacy van zijn ouders te respecteren. Tevergeefs, want het ging al lang niet meer om Van Rijn en zijn ouders. Het ging niet om die aimabele oude heer en zijn vrouw. Beide heren verschilden namelijk in essentie helemaal niet van mening. En als ik er nog eens heel goed over nadenk, het ging zelfs niet om Pauw, hoewel die veel pogingen deed om de polarisatie in stand te houden. Waar het vooral om draait is de misselijkmakende macht van de kijkcijfers.

En daarmee gaat het in feite dus over ons allemaal. Omdat wij kijken en vervolgens meteen in morele verontwaardiging wijzen naar degene die we schuldig vinden. Naar die anderen, die niets aan de urinelucht willen doen die we allemaal wel eens hebben geroken. Staatssecretaris Van Rijn geeft aan dat hij om die reden in de politiek is gegaan. Wat hebben wij gedaan toen we het roken? Wat doen we als we het ruiken? Hoeveel van ons blijven enkel in verontwaardiging wijzen naar de ander? Wordt dat ook bijgehouden in getallen? Zeik-cijfers? Misselijkmakend.

Oog in oog met mezelf

Een hele tijd lijkt het alweer geleden dat ik op mijn werk oog in oog stond met mezelf. Het overviel me op een maandagochtend. Ik heb er toen ook over geschreven. Gelukkig kon en mocht ik er mee aan de slag. Wat was er aan de hand? Had ik te lang gefunctioneerd op een manier die niet de mijne was? Was het de nadruk die binnen de organisatie voor mijn gevoel steeds meer was komen te liggen op structuren en systemen? Paste ’mijn manier’ van werken daar wel in? Een zoektocht volgde. En steeds meer raak ik er van overtuigd dat ’mijn manier’ wel degelijk past. Gelukkig.

vorm_inhoud-gebruik
Vorm, inhoud en gebruik in relatie tot elkaar

Wat ’mijn manier’ dan wel is? Als ik het zou moeten omschrijven, dan is dat het gemakkelijkst in steekwoorden. Dan denk ik (nog steeds) in termen van visualisatie en het samenspel tussen vorm, inhoud en gebruik.

Daarin past creativiteit en ’out of the box’, ja, misschien zelfs impulsiviteit en improvisatie. In die combinatie, daar ligt mijn kracht. Maar die laat zich niet zo makkelijk in structuren en systemen vangen. En waar die confrontatie nu ongeveer drie jaar geleden tot een soort van kleine crisis leidde, merk ik nu dat deze eigenschappen voor mij nog steeds essentieel zijn. Weliswaar staan structuren en systemen daar soms haaks op, maar niettemin plukt ook de organisatie er haar vruchten van, stel ik impulsief eigenwijs zo nu en dan vast. En dat voelt niet verkeerd.

Onlangs hebben we binnen het cluster communicatie met elkaar gesproken over een ontwikkelplan. Een team-ontwikkelplan, om precies te zijn, dat voor 2015 richting moet gaan geven aan onze manier van werken. Bovendien een logisch vervolg krijgt of misschien wel gevolg is van nog vast te stellen ’speerpunten’ voor ons team. Met alle andere teamontwikkelplannen binnen de hele organisatie moet een en ander gaan leiden tot een ’operationele agenda’. Ik vermoed dat die agenda, nu nog even op een ander niveau dan het mijne, hele zinnige informatie gaat opleveren. Voor het systeem of voor de organisatiestructuur, en dus voor ons. Denk ik.

Hoe dan ook, in voorbereiding daarop en met de besproken opdrachten in het achterhoofd hebben we ons communicatievak binnen de gemeentelijke organisatie eens goed tegen het licht gehouden. We hebben onze taken onder andere in verband gebracht met het recent vastgestelde collegeprogramma. Welke onderdelen daaruit raken onze afdeling communicatie? Begrippen als corporate communicatie, strategische communicatie en interne communicatie werden erbij gehaald om als mogelijke kapstokken te dienen voor onze rol, onze communicatieve taken en van daaruit uit te werken speerpunten.

De volgeschreven flip-over vellen en de onderlinge discussie hierover zetten me ter plekke aan het denken. In mijn hoofd probeerde ik het allemaal terug te brengen naar mijn denkkader van vorm, inhoud en gebruik. Ik heb die gedachten gedeeld met mijn collega’s en het was vooral de lichaamstaal die daar op volgde die me nu aanzet om mijn denkconcept nog eens toe te lichten. Vorm, inhoud en gebruik. Het zijn drie begrippen waarmee taalontwikkeling beschreven wordt. Maar die wat mij betreft van toepassing zijn op welke ontwikkeling dan ook.

De crux is om die drie begrippen in drie elkaar deels overlappende cirkels te zetten. In het snijvlak van die drie cirkels ligt het optimaal haalbare, de ultieme uitdaging: vorm, inhoud en gebruik zijn daar met elkaar in balans. Daarnaast zijn er ook drie snijvlakken van twee cirkels: vorm en inhoud, inhoud en gebruik, gebruik en vorm. En tenslotte heb je de losse elementen zelf, de vorm, de inhoud en het gebruik.

Ik gebruik toch even taalontwikkeling om mijn denkkader verder toe te lichten. Vorm zou je kunnen zien als de morfologie van taal. Letters, woorden, klanken. Inhoud kun je vertalen met syntaxis en semantiek; wat betekenen die letters, klanken en woorden als je ze in zinnen zet, en er zo betekenis aan geeft. Gebruik, tenslotte, gaat over de omgeving en situaties waar die vorm en inhoud gebruikt worden of nodig zijn.

Vorm, inhoud en gebruik. Laat ik dat nu ook eens toepassen op ons teamontwikkelplan. Of beter nog, op onze organisatie. Eerst moet ik dan nog een klein zijstapje maken naar belangrijke randvoorwaarden van taalontwikkeling. Kinderen leren taal (vorm, inhoud en gebruik) als ze zich veilig voelen, als er een omgeving is waarin ze samen spelend kunnen leren, dingen kunnen ervaren en ontdekken. Speelsheid en creativiteit spelen een belangrijke rol in die belevingswereld. Plezier en nieuwsgierigheid en daardoor steeds nieuwe dingen ontdekken ook. Dat doe je voor jezelf maar vooral met en voor elkaar. Gezamenlijke actie en gezamenlijke aandacht leggen de basis voor ontwikkeling (Joint attention, joint action; Jerome Bruner, 1990). Ook dat is van belang voor vorm, inhoud en gebruik.

Nu onze organisatie. En ons teamontwikkelplan. Het gesprek dat we daarover hebben gehad bevatte zowel vorm-, inhouds- als gebruikselementen. Waar je dan mijns inziens naar op zoek zou moeten, is de samensmelting, het ’ultieme doel’. Daar waar vorm, inhoud en gebruik bij elkaar komen. Mijn idee is dat we met ons team, als het over het ontwikkelplan gaat, nog op het snijvlak van vorm en inhoud zitten: het woord (vorm) is in dit geval ’teamontwikkelplan’ en de invulling daarvan (van de zin of betekenis oftewel inhoud) ligt nu bij ons team. Op organisatieniveau waarschijnlijk ook bij alle andere teams. Maar hoe zit het met ’gebruik’?

Dat maakt mij dan nieuwsgierig. En nieuwsgierigheid is geen verkeerde randvoorwaarde voor ontwikkeling, is mijn ervaring. Bij vorm en inhoud van het teamontwikkelplan heb ik min of meer een beeld, maar weet ik voldoende van het gebruik? Waarvoor is bijvoorbeeld die ’operationele agenda’ van onze organisatie, er van uitgaande dat die agenda het doel is om alle teams met een teamontwikkelplan aan de slag te laten gaan?

Ik realiseer me dat er nog heel veel andere zaken een rol spelen in onze organisatie. Digitalisering en deregulering, om er maar twee te noemen, en dienstverlening. Die laatste als belangrijke drijfveer van de twee eerstgenoemde. Alle drie overigens ook te bezien vanuit vorm-inhoud-gebruiks-perspectief, maar los daarvan: Hoe verhouden die ’drie D’s’ zich tot de ’operationele agenda’? Kortom, een complex samenspel van factoren.

Het meest interessante is, vind ik dan, als het om ontwikkeling gaat, je zowel aan een complexe organisatie kunt denken, alsook aan de complexiteit van iemands persoonlijke ontwikkeling. Het heeft mij namelijk erg geholpen om bij al die complexiteit de balans te vinden door ook hier de vorm-, inhoud- en gebruik-cirkels in te zetten. Een soort van terugbrengen naar de essentie.

Omdat elke cirkel wezenlijk is en alle drie even belangrijk, is het vooral de combinatie waar het om gaat. Enkel aandacht voor inhoud? Gaat niet werken. Teveel nadruk op de vorm? Heeft geen zin. Geen aandacht voor gebruik? Breekt je op. Beleid maken ’op inhoudsniveau’, of over de hoofden van ’gebruikers’ heen? Niet ideaal. Ontwikkelen van het team of de organisatie? Ga op zoek naar de overlap tussen vorm, inhoud en gebruik. Zoek de balans.

Die balans kwijt raken of tijdelijk uit het oog verliezen kan op alle momenten en op veel meer niveaus dan je in eerste instantie zou denken. En dan kan ’tijdelijk’ in sommige gevallen zelfs drie jaar duren. Korter kan ook. Of langer. Maar dat is eigenlijk alleen maar vorm, dus op zichzelfstaand moet je daar niet veel betekenis aan hechten. Verstand gebruiken dus, waarbij het niet zozeer het verstand, maar veel meer om het gebruik gaat. Plus de vorm. En de inhoud. Samen. In balans.