Witte wegwijspieten…

Zwarte zwijgpieten zullen dit jaar hun opwachting maken, naast witte wegwijspieten. Over beiden is veel te vertellen, maar de gevoeligheid van de materie noopt tot zorgvuldige formulering. Een misverstand is zo geboren. Te zwart-wit is al vaker oorzaak geweest van onbegrip en heftige discussie. Nuancering is bij dit heikele onderwerp dus op zijn plaats.

Een zwijgpiet heeft daarom slechts één opdracht. Hij moet zijn mond houden. Het is een opdracht die de zwijgpiet zichzelf heeft opgelegd. Hij moet niks. Hij wil het zelf. En zoals een pakjespiet verantwoordelijk is voor pakjes en alleen daarop kan worden aangesproken, zo is de zwijgpiet dit jaar verantwoordelijk voor de stilte. Daar kan hij ook op worden aangesproken, maar dat heeft normaalgesproken weinig zin, omdat een goede zwijgpiet niet zal ingaan op hetgeen hem wordt gevraagd of toegeroepen. Hij zwijgt. En hij is zwart.

Een wegwijspiet wijst de weg. Dat was vroeger al een taak van wegwijspieten, maar toen waren ze nog zwart. Nu niet meer. De zwarte hebben zonder enige terughoudendheid, rancune of twijfel de witte wegwijspieten ingewerkt. Ze zijn blij dat het wegwijzen voortaan wit kan gebeuren. De zwarte wegwijspieten zijn omgeschoold tot zwijgpieten. Daar zijn ze, na jarenlang zwart wegwijzen ook wel aan toe. Te lang al hebben ze tevergeefs uitgelegd waar men moest zijn. Niemand wil echter nog de weg weten, is hun ervaring. Pakjes, daar wil men wèl van weten, maar de weg, ho maar. Dat is vaak heel frusterend. Zelfs zo frusterend dat ze soms van bittere ellende gewoon hun mond houden. De stap naar zwijgpiet is dus slechts een hele kleine. En ze zijn toch al zwart. Dus dat komt goed uit.

Die nieuwe witte wegwijspieten, die zijn nog vers en fanatiek. Die gaan er nog voor. Ook zij zullen tevergeefs de weg wijzen, is de algemene opinie, maar soit. Dingen gaan zoals ze gaan. Er zijn gelukkig zoveel witte wegwijspieten gerecruteerd, dat het niet zoveel uitmaakt als de één perongeluk verkeerd de weg naar rechts wijst, omdat de andere dat waarschijnlijk ook perongeluk naar de weg links zal doen. Beide wegen worden dan door de pakjespieten bezocht, weliswaar op verkeerde gronden, maar net zo goed is daar dus geen probleem te verwachten. Drie keer links is ook rechts, is het credo dat de zwarte wegwijspieten, de witte op het hart hebben gedrukt. Die begrijpen dat nog niet helemaal, maar ze geloven de zwarte wel. Die kunnen het tenslotte weten.

Verder houden ze er hun mond over. Past ook bij hun nieuwe functie. Die van zwarte zwijgpiet. En ze zijn er bovendien op vooruit gegaan. Maar daar hoor je ze verder niet over. Want de illusie van de juiste weg hebben ze lang geleden al losgelaten. Eigenlijk tegelijk met het vertrek van Aart Staartjes, in 2001, toen die voor de laatste keer de echte Sinterklaas heeft binnengehaald. Vanaf dat moment zijn we met z’n allen een beetje de weg kwijtgeraakt. Die echte Sinterklaas, dat was Bram van der Vlugt, maar daar hoor je tegenwoordig niemand meer over. Bram was trouwens een oud klasgenoot van Aart, op de toneelschool, maar dat terzijde. Want voor je het weet zit je op een zijpad, raak je de weg kwijt en ben je verdwaald. En dan zal je net zien, dat het daar barst van de zwarte zwijgpieten, maar er niet één witte wegwijspiet te vinden is…of nog erger, juist heel veel. Dan kan je het helemaal schudden.

(heel vrij vertaald naar Wittgenstein: ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss mann schweigen’.)

Hardlopen in Venray

‘Complimenten voor de organisatie’, facebookte burgemeester Hans Gilissen enthousiast over de Singelloop, die voor het eerst in zijn gemeente werd gehouden. Dat enthousiasme moet alles te maken hebben gehad met het feit dat hij zelf niet mee heeft gelopen. Hij heeft niet in de kleinste ruimte van die gigantische schouwburg gestaan, waar de lopers hun startnummers konden afhalen. Ik was erbij, samen met velen, en stond in die compacte massa. En ik wil er eigenlijk helemaal niet zo’n punt van maken, maar nu moet ik het toch even kwijt.

Kun je een groep mensen die aan vier kanten ingesloten is door elkaar, een inschrijftafel en twee wanden van glas een rij noemen? Hooguit een hele dikke rij, maar hoe dan ook, daar stond ik tussen. Je zag de meisjes achter de tafel stevig hun best doen om de meute van startnummers te voorzien. Het was ook hun eerste keer, dus ik kon dat best gelaten aanschouwen en wachtte rustig mijn beurt af.

Toen ik bijna vooraan was, hoorde ik een collega-loper zijn naam zeggen tegen een van de meisjes. ‘Uw nummer?’, vroeg het meisje. Het was even stil. Je zag haar denken: ‘daar heb je er weer zo een’, maar ze bleef vriendelijk. Ze wees, over de meute heen, naar de andere kant van het vierkante hokje. ’Dáár hangen alle namen en dáár vind u uw nummer’. En meteen richtte ze haar aandacht op een ander, die wèl zijn nummer wist. Het was druk.

Ook ik heb me toen maar omgedraaid en ben, tussen alle lopers door, naar de andere kant van het hokje gelopen. Inderdaad, daar hingen de lijsten. Gelukkig had ik mijn leesbril bij me en vond ik mijn naam en mijn nummer: 610. Met die kennis 180 graden gedraaid en zonder één pas te verzetten stond ik weer in de meute die gezamenlijk op weg was naar de inschrijftafel. Aan de zijkant leek het echter wat minder druk, dus ik schuifelde langzaam die kant op.

Even later tikte er iemand op mijn schouder. ’Meneer, u kruipt zomaar voor’, was zijn verwijtende commentaar. Ik vertelde hem dat ik er al voor de tweede keer stond en dat ìk geen rij had ontdekt. Ik geloof dat ik hem ook nog gecomplimenteerd heb met zijn vermogen om dat systeem wèl te hebben doorgrond. Afijn, omdat er vlak voor me opnieuw iemand, die alleen zijn naam wist, werd teruggestuurd, kon ik mijn nummer doorgeven.

Met nummer 610, een badstof polsbandje en vier veiligheidsspeldjes ben ik toen de grote zaal van de schouwburg ingelopen. Alle plek van de Venrayse wereld om mijn nummer op te spelden. Hier en daar hoorde ik medelopers vertellen over hetzelfde als wat ik had meegemaakt. ’Ach’, dacht ik, ’het is voor de organisatie de eerste keer. Ze zullen hier ongetwijfeld veel van leren’.

Buiten hoorde ik dat de prijzen werden uitgereikt aan de jeugdlopertjes. Ik besloot mee te gaan applaudisseren. Ook voor hun was het tenslotte de eerste keer. Een spontane presentator riep de winnaars van de meisjescategorie, ik geloof de 7/8-jarigen, naar voren. ’Tijn’, werd ook geroepen en dat bleek een jongetje. De presentator probeerde dat nonchalant op te lossen, maar de verbouwereerde blik van het ventje veranderde er niet door. Jolig werd er nog een extra applaus gevraagd voor de winnaars van de ’meisjes 7/8’!

Even later constateerde de presentator bij de drie winnaars van een jongens-categorie dat één van hen een meisje was. ’Goh, dan staan we nu weer quitte’, was de enthousiaste oplossing. Volgens mij voelde hij er zich ook ongemakkelijk bij, maar maakte hij er het beste van. De blik van het meisje heb ik niet gezien. Ook een leermomentje, dacht ik, en klapte driftig het foutje weg, de blikken van sommige vaders en moeders bewust vermijdend.

De start van de 5 en de 10 km werd een kwartier uitgesteld. Ik kon me daar wel iets bij voorstellen. Ik hoorde dat er ook nog startnummers moesten worden bijgemaakt, maar dat kan een gerucht zijn geweest. Uiteindelijk stonden we in het startvak. Minstens 650 lopers is een bewonderingswaardig aantal voor een eerste keer. Iets van dien aard zei de presentator, die alle lopers vlak voor de start nog toesprak. Met vlagen bereikte zijn stemgeluid de plaats waar ik stond. De honderden lopers achter me praatten nietsvermoedend -want niks horend- gewoon door. De stemming was oké.

Het startsein werd gegeven door burgemeester Gilissen. Ik meende al dat ik de presentator die naam had horen zeggen in een gunstige windvlaag. Toen ik iemand ietwat onbeholpen de steiger op zag klimmen, werd mijn vermoeden bevestigd. Ik herkende de burgemeester. Hij heeft ook nog vanalles verteld, maar daar heb ik helaas niks van kunnen verstaan. Heel verstandig dat hij ineens zijn hand opstak, met vijf vingers omhoog en daar heel ritmisch steeds één vinger van naar onder deed. Met zijn vuist in de lucht bleek inderdaad het startsein te zijn gegeven.

Ik heb lekker gelopen. De route was goed verzorgd. Om de kilometer stond duidelijk aangegeven hoe ver nog. Bij het vijf-kilometerpunt werd onmiskenbaar aangeduid dat de 10-kilometer-lopers nog verder moesten. De verkeersregelaars deden hun werk prima. Na 7 kilometer merkte ik dat mijn looptempo wat inzakte, maar achter wat collega-lopers aan, die nèt wat sneller liepen, kwam ik de dip te boven. Heerlijk gelopen en het einde kwam langzaam dichterbij. De joekskapel tussen de achtste en negende kilometer gaf muzikale kracht. Bijna binnen…

De laatste kilometer gelopen op het applaus van het rijendikke publiek in de winkelstraat. Het laatste bochtje. Het schouwburgplein op. Met de laatste energie en zelfs een kleine versnelling de finishplaten gepasseerd. Heerlijk. De medaille, het flesje isotone dorstlesser, ze vormden de kersen op de taart. De eerste Singelloop zat er voor mij op. Alle aanloopprobleempjes van het begin helemaal vergeten. Lekker gelopen en nu eigenlijk alleen nog maar benieuwd naar mijn tijd.

Een paar uur later thuis, na een heerlijk warm bad, zag ik de eerste facebookberichten over de resultaten van collega-lopers. Nieuwsgierig heb ik de mooie website van de Venrayse Singelloop opgezocht, die -dat even tussendoor- gemaakt is door de winnaar van de vijf kilometer, Sjors Thielen. Complimenten daarvoor. Onder ’deelnemers vond ik de categorie ’uitslagen’. Ik heb ze allemaal nagekeken. Zelfs bij de meisjes in de categorie 6 en 7 jaar. Maar ik sta er niet tussen…

Ineens moet ik weer denken aan dat tikje op mijn rug, in de drukte van dat halletje. Het zal toch niet…? Nee, dat kan niet. Op de site vond ik een contact-optie. Ik heb via de mail uitgelegd dat ik mezelf niet terugvond in de uitslagen. Dat ik nummer 610 had en dat ik benieuwd was naar mijn tijd. Ik heb nog geen reactie terug gehad. Het facebookbericht van burgemeester Gilissen stemt me niettemin hoopvol. ’Complimenten voor de organisatie’. In een reactie op een reactie geeft hij zelfs aan volgende keer zelf mee te lopen. Ik twijfel nog een beetje, maar dat kan tegen die tijd best anders zijn… Zei ik ’tijd’? Hmm…

Te

Te veel.
Te vaak.
Beelden,
woorden,
op televisie.
telefoon, tablet,
buiten proportie,
belicht
en beticht.
Telkens weer.

Terechte angst
of onterecht?
Iedereen duidt,
neemt stelling.
Teveel meningen,
tegelijk.
Buitelend over elkaar.
Keer op keer.
Facebook, Twitter,
steeds maar weer.

Doden delen,
lijken liken.
Hoe meer
doden,
hoe meer
kijkers.
Lijkcijfers.
Beeldbepalend.

Deskundigen weten
dat het anders moet,
spreken elkaar tegen.
Onwetenden
wetenschap in pacht,
verkondigen
steeds hetzelfde.
Telkens weer.
Delen we
en liken.

Het aantal hits
bepaalt de waarheid,
niet de argumenten.
Kwantiteit
voor kwaliteit.
De buik
spreekt,
als het hoofd
liefst
even zwijgt.

Emotie,
vroeger weldoordacht,
uit de tenen,
spat nu
veel en vaak
en ongenuanceerd
uit de vingertoppen.
Te veel.
Te vaak.
Tè…

Play…

Gisteren, precies drieëntwintig jaar geleden zijn Thea en ik getrouwd. Heel vroeg in de ochtend van 20 september -het was 02.00 uur- realiseerde ik me dat. Net daarvoor bij Cambrinus interessante gesprekken gehad over het schrijven van verhalen, over geloof, de bijbel, boeken in het algemeen en de verbranding daarvan. ’Lyromanen’ was het woord dat me te binnen schoot.

Twintig september. Fietsend naar huis kroop ongemerkt die datum mijn hoofd in. Dat gebeurt me wel vaker als ik de overgang van de ene dag in de andere bewust meemaak. Twintig september, dacht ik. Een wolk schoof voor de maan weg. Een paar uur terug was het dus negentien septe…. Ik hield mijn voeten even stil op de trappers. Heel even. Want negentien september is speciaal, maar ook weer niet zó speciaal, dat ik er op de dag zelf aan had gedacht. Thea ook niet.

In onze ringen staat 1991991 gegraveerd. Dat vonden we toen een leuke datum. Een palindroom, maar dan met getallen. Die ringen schoven we een dag later aan elkaars vingers, toen we onze wettelijke trouwbelofte nog eens kerkelijk onderstreepten. Van beide gebeurtenissen zijn filmbeelden bewaard. Onlangs hebben we die laten digitaliseren. Niet alleen van het trouwen, alle video-8 en vhs-banden die we hadden, hebben we nu op een schijf van 300 gigabyte staan. Gigantisch.

Die harde schijf met onze geschiedenis hangt onopvallend met een USB-kabeltje aan de televisie. Een klein zwart kastje dat we op elk moment via de afstandsbediening kunnen aanspreken, om terug te gaan in drieëntwintig jaar historie. Ik heb die nacht ons kerkelijk huwelijk nog een keer bekeken. Prachtige beelden gezien van mensen in de kerk. Mensen die ik al jaren niet had gezien en ook nooit meer in levende lijve zal zien.

Markante mensen, mooie momenten, nu allemaal gevangen in nullen en enen. En nog gigabytes te gaan. Van de driehonderd gieg is nog geen 80 gieg gebruikt. Ik fantaseer -eenvoudig rekenend- dat ik waarschijnlijk nooit genoeg toekomst meer heb om het schijfje vol te krijgen. Een interessante gedachte in dit digitale tijdperk. Meer geheugenruimte hebben dan toekomst. Confronterend. Of zegt dat meer over wat we ons nog herinneren uit het verleden?

Hoe dan ook. De beelden van toen ontroerden en lieten me glimlachen tegelijk. Herkenning door de jaren heen, afgewisseld met een gevoel van melancholie. Wie waren die mensen, die elkaar toen het ja-woord gaven? Die elkaar trouw beloofden tot in de eeuwigheid, ten overstaan van velen die er nu niet meer zijn? En wie zijn zij nu, die er toen als peuters en kleuters bij waren? Eén van hen stond een week geleden voor het altaar…

De geschiedenis herhaalt zich. Letterlijk nu. Zo vaak als ik wil en gigabytes lang. Net als de toekomst. Ruimte in overvloed om veel te onthouden. Tijd lijkt geen rol te spelen. We spelen ermee. Onze smart-tv kan zelfs de tijd stilzetten. Ook de tijd uit het verleden als ik op de pauzeknop druk. Ik zie mijn vader stilstaan terwijl hij op weg was naar de communie. In gedachten loop ik nog een keer met hem mee. Niet echt. Net echt. Play…

Note to self: neem de tijd voor de toekomst…

Verandering?

Ik had al twee avonden tegen het themawoord aangekeken. Zelfs al enkele zinnen opgeschreven, maar die ook weer met de backspace-toets weggehaald. Omdat ik het niets vond. Nog even gedacht dat juist daar eigenlijk ook wel een aspekt van verandering in zat. Iets dat net ontstaan was op papier, weer terugbrengen naar de oorspronkelijke situatie. Terug veranderen naar opnieuw niets. Tja. Daar dan over door filosoferen? Over ‘iets’ dat opnieuw ‘niets’ wordt? Is dat verandering? Mwah.

Opnieuw niets… ook daar zit iets interessants in. Kan ‘niets’ eigenlijk wel nieuw zijn? Begonnen met ‘niets’, even ‘iets’ geweest maar weer teruggebracht naar ‘niets’. Drie momenten in de tijd. Is ‘niets’ dan hetzelfde als het ‘niets’ waarmee ik begon? Of is ‘niets’ veranderd? Als ‘niets’ hetzelfde is, dan is alles anders. Hou die even vast! Want je kunt ook zeggen dat wanneer er ‘niets’ veranderd is, alles nog hetzelfde is. Nou even opletten, want volgens mij is de optelsom van deze twee stellingen dat verandering dus eigenlijk alles bij hetzelfde laat. Ging dat te snel? Nog één keer:

Als ‘niets’ hetzelfde is, dan is dus alles veranderd
Als ‘niets’ veranderd is, dan is dus alles hetzelfde
Opgeteld: Als twee keer niets hetzelfde en dus veranderd is, dan is dus alles veranderd en hetzelfde.

Tja, en daar sta je dan… Twee keer niks…

Waar moet je dan over schrijven. Ik heb nog even gedacht om het voorgaande weer allemaal met backspace weg te halen, maar dan had ik wéér niets gehad. Voor de zoveelste keer hetzelfde, dus waar blijf je dan met je verandering?

Maar wat dan? Voor de verandering –het themawoord van vanavond- moet er toch iets op papier komen. En ineens schiet het me te binnen. Nine-eleven! Vandaag, op de dag af, dertien jaar geleden, veranderde een aanslag de wereld. De Twin Towers van het World Trade Center stortten voor het oog van de wereld in. Om één minuut voor tien ‘s ochtends de eerste –the southern tower- en negenentwintig minuten later de tweede, the northern tower. Op Wikipedia lees ik dat de tweede toren honderdtwee minuten gebrand heeft, voordat die instortte. Om aan de verbrandingsdood te ontsnappen, kozen minstens 200 mensen ervoor om zich van de torens naar beneden te laten vallen. Het werd met verschillende video- en foto-camera’s vastgelegd. Bevroren momenten in de tijd, ijskoud in meerdere opzichten. ‘Lonely 10 second journeys’. Allemaal tragisch identiek en toch stuk voor stuk totaal anders.

Die onwerkelijke beelden waren een paar uur eerder vooraf gegaan door beelden die het begrip van de wereld al compleet te boven gingen. Vliegtuigen die zich met een sierlijke boog in de torens boorden. Van de tweede aanslag was de wereld live getuige. Terwijl de mensheid nog aan het bekomen was van de ramp in de ene toren, trof een ander vliegtuig, op dezelfde manier de andere toren. Die tweede toren, die hetzelfde was als de eerste toren trof hetzelfde lot als de andere toren. Alles was al in één keer anders en werd het een tweede keer weer… Verandering in het kwadraat. Hoeveel verandering kun je als mens verdragen?

De wereld veranderde. In mererlei opzichten. Bijvoorbeeld voor de nabestaanden van de 2977 slachtoffers. De kapers niet meegerekend, voegt Wikipedia achteloos vilein toe. Maar ook voor hen veranderde alles. Want niets was meer hetzelfde.

Nu, dertien jaar later, kijk ik terug, vooruit en om me heen. Toen stond er ineens twee keer niks meer en was alles anders. Nu staat op dezelfde plek iets anders en is niets meer hetzelfde. Of toch? Zou je voor de verandering kunnen zeggen dat alles wat veranderde toch hetzelfde is gebleven? Of, naar de toekomst kijkend, dat alles wat gaat veranderen uiteindelijk toch hetzelfde blijft?

Nine/eleven

For Tower one: nothing was the same and everything changed. Tower two: Nothing changed and everything was the same. Twin towers: everything changed and was the same…

Nevertheless, for a change…

Voor de verandering.

In gedachten: Hans en Jan

Met Hans liep ik over een achterpad, dat overal uitkwam en nergens. Hij kende die paadjes, want hij woonde al zolang als hij leefde in deze buurt. Het waren de achterpaadjes van de lange rijen huizen van de mensen die er ook woonden. Het waren de, voor buitenstaanders, onzichtbare verbindingen tussen de Jan van Eechoudstraat, de Wittenhorststraat, de Prinses Beatrixstraat, de Julianastraat, de Prins Bernhardstraat enzovoorts. Dat was Hans zijn domein en daar liepen we. Acht, negen jaar, denk ik, en de wereld was van ons. Of eigenlijk van Hans, als we bij zijn thuis waren.

Hans is onlangs gestorven. Twee weken eerder had ik de felicitaties voor zijn verjaardag nog op Facebook voorbij zien komen. Die berichten gingen gepaard met sterktewensen en opbeurende gedachten dat het hopelijk snel goed zou komen. Helaas mocht dat niet zo zijn. In de overlijdensadvertentie stond in drie korte zinnen hoe het was: ‘Tot mijn grote spijt moet ik jullie mededelen dat ik ben overleden. Ik was graag nog even gebleven. ’t Gaat jullie goed!’

Tijdens een indrukwekkende herdenkingsbijeenkomst hebben veel mensen afscheid genomen van Hans. In de blauwe buitenlucht, onder een stralende zon. Een witte streep verbond langzaam een paar wolken. Niet veel later van de andere kant nog een witte streep. Alsof er ook in de lucht een kruis getekend moest worden. Ik keek er naar, in gedachten, en luisterde tegelijk naar de woorden over Hans.

Hans kende de smalle paadjes achter de huizen. Daar liepen we. Acht jaar, misschien negen. Ik liep voorop omdat Hans achter me aan liep. In één keer sloeg er vanuit een van de achtertuintjes een grote hond aan, juist op het moment dat ik voorbij het tuinhekje liep. Hans zag me enorm schrikken en dat maakte in dezelfde seconde zo’n indrukwekkende reactie bij hèm los, dat weer slechts een paar milliseconden later de hond jankend afdroop. Net als ik was de hond enorm geschrokken. Maar Hans stond gelukkig aan mijn kant. Oprecht verontwaardigd over wat dat beest mij had aangedaan. En dat werkte. Het voorval, en vooral Hans z’n vastberadenheid, is nooit meer uit mijn herinnering gegaan.

Het zal misschien in diezelfde zomermaanden zijn geweest. Een andere herinnering die me altijd is bijgebleven. Ik mocht met Hans en zijn ouders, Toos en Jan, mee op vakantie. Ik denk dat Erik, Hans broertje er ook bij was, misschien ook wel met een vriendje, maar dat weet ik niet zeker. Volgens mij waren we op de Schatberg, maar voor mij voelde het toen als een wereldreis. Mijn wereld speelde zich in die tijd vooral af in mijn hoofd, door de gespannen situatie bij ons thuis. Later heeft Jan me ooit verteld dat hij en Toos dat wisten en dat ik ook om die reden mee mocht met hen.

Mijn herinnering gaat terug naar een plek aan de zijlijn van een voetbalveld. Rondom het veld stond publiek en op het veld werd fanatiek gevoetbald. Ik vermoed dat ik met Hans, op onze knieen in het gras, naar die wedstrijd keek, en dat de ouders van Hans vlak bij ons stonden. Ik weet dat niet zeker, want op dat moment in gedachten verzonken, ontging me de hele wedstrijd.

In mijn geheugen gegrift staan echter de volgende beelden, die, ook hier, elkaar in millisecondes opvolgden: ik zie mezelf, starend in het groene niets; ik zie een vuist van achter mij verschijnen, die stopt vlak voor mijn neus, en ik zie en hoor tegelijk een levensgrote voetbal op die vuist met een knal terechtkomen en evenzo hard terugspatten, het veld in. Nog hoor ik het diepe ‘oooooh’-geluid dat er meteen op volgde, van alle toeschouwers. Ik keek om, in de ogen van Jan, zag een glimlach op zijn gezicht, en hoorde hem zeggen: ‘doa haadde geluk wah menke…’. En zo was het.

Nu is Jan een paar dagen geleden ook gestorven. Een week na Hans. Voor Toos en Erik en de familie een keiharde, en bijna niet te bevatten realiteit. Gisteren was er op de Wevert opnieuw een herdenkingsbijeenkomst. Daar kon ik niet lijfelijk bij aanwezig zijn, maar ik was er in gedachten. Ook vandaag weer even.

Ik stel me voor dat Hans daarboven Jan rondleidt over de witte paadjes achter de wolken. Diezelfde paadjes die een week eerder al werden aangelegd in de lucht, op de vrijdag dat Hans afscheid nam. Ik keek er toen naar maar zie nu pas waarom. In gedachten. Net als een week eerder. Ik zie ze vastberaden samen op pad. Ons bedroefd achterlatend, maar met de zekerheid van de mooie herinneringen.

Stilte is geen optie…

Stil zijn is geen optie. Ook niet als het maar één minuut is. Die ene minuut stilte, door miljoenen, gaat zwijgend verloren in het lawaai van miljarden. En ik maak er deel van uit, van zowel de stilte als van het lawaai. Waar een stil eerbetoon op zijn plaats is, uit respect voor de slachtoffers en de nabestaanden, klinkt tegelijkertijd schreeuwend luid de veroordeling. Maar van wie? Want ook de schuldigen zijn een minuut stil. En zij die veroordelen zelf niet allemaal onschuldig.

En ik? Ik zie veertig lijkwagens op tv. Ik zie duizenden mensen op viaducten staan. Ze strooien bloemen over de langzaam rijdende zwarte stoet. Ik word getroffen door die man van Rijkswaterstaat, die uit zijn vrachtwagentje stapt om die bloemen meteen weer van het wegdek te verwijderen. Was dat zijn opdracht? Eigen initiatief? Het is een hopeloze missie, want de stoet moet door en de bloemen te talrijk. Ik zie het, omdat de helicoptercamera dit moment voor mij heeft vastgelegd. Per ongeluk, denk ik, en zeker niet bewust, want snel ben ik vanuit grote hoogte weer deelgenoot van de schrijnende werkelijkheid. Met zovelen ben ik onder de indruk. Stille getuige op afstand… van getuigenissen dichtbij.

De tv neemt mij mee naar de traan van Maxima. De zorgvuldig buiten beeld gehouden nabestaanden. De omhelzing van Timmermans. De vastberadenheid van Rutte. Bijna tegelijkertijd lees ik over nalatigheid, over gespeelde betrokkenheid van BN’ers, over slappe inzet van onze regering en over slecht gemaakte herdenkingsliedjes van een enkeling. De Telegraaf die in chocoladeletters kopt over ‘inzet commando’s” waar ik vanochtend in de Limburger nog las over ‘ongewapende marechaussee’… Zoveel lawaai, daar waar ook respect en stilte had kunnen zijn.

Maar stilte is geen optie meer. Dat vergt namelijk ook afstand en die is er niet. We staan er met z’n allen te dicht op en kunnen helaas niet anders. Iedereen mag doen wat hij of zij meent te moeten doen. We zijn met teveel om het samen eens te zijn. En met te weinig om een enkeling te willen begrijpen en respectvol te bejegenen. We hebben de middelen en we gebruiken ze. Goedschiks en kwaadschiks. De een ruimt plichtsgetrouw de bloemen op die de ander respectvol heeft uitgestrooid… Je zou er stil van worden. Maar helaas is dat geen optie meer.

Voor de verandering…

Kwartaalcafé

Al vier jaar, als ik goed geteld heb, zien we elkaar elke drie maanden in café Cambrinus. We, dat is een elftal gelijkgestemden, die -heel basic- zelfgeschreven verhalen vertellen aan elkaar. Elk kwartaal, in één café. ‘Kwartaalcafé’ dus, hoewel het geen toeval is dat ook het woord ‘taal’ in de naam is verborgen. Elke keer is letterlijk één woord aanleiding om drie maanden later van elkaars aanwezigheid en van elf totaal verschillende verhalen te kunnen genieten. Dat wil zeggen, als iedereen er is.

De meesten van ons komen uit Horst aan de Maas. Eén komt bijna elke keer vanuit Maastricht en zo nu en dan sluit ook een creatieve geest uit Nijmegen aan. De laatste keren waren zij er niet bij. En weer drie anderen bleken laatst om verschillende redenen eveneens niet aanwezig. Maar allez, ook zes verhalen is in de ambiance van café Cambrinus geen straf. Integendeel. Onder het genot van een lekker biertje of wijntje is aantal om meerdere redenen niet zaligmakend. Of misschien toch wel? Want net zo goed. Ze worden gemist, die anderen. Dus zou je ook kunnen zeggen dat het aantal aanwezigen júist zaligmakend is.

Voor de volgende keer, 11 september, is het woord ‘verandering’ gekozen. Ik neem alvast een voorschotje. Door me onder andere de vraag te stellen hoe veranderlijk de samenstelling van het Kwartaalcafé mag zijn. Of, wat óók kan, hoe anders elk verhaal is ten opzichte van het andere verhaal. Het mooie vind ik dat elk verhaal veelal aanleiding is om er met elkaar nog eens spontaan en goed over door te praten. Over het thema, over de inhoud, de wendingen, de creatieve vondsten. Over de wel of niet op autobiografische waarheid berustende onderdelen ervan. Over de cyclische elementen. De filosofisch diepere betekenis of de psychische (on)diepten ervan. Over de al dan niet verwoordde eigen geschiedenis of toekomst van de schrijver of schrijfster. Het is elke keer een mooi samenspel van in de kern gelijke geesten. Elf. Of zes, zoals laatst. Of acht. Maakt niet uit. Zo voel ik dat tenminste.

Ik schrijf bewust ‘voel’, omdat naast gevoel ook nog zoiets bestaat als ‘verstand’. Vanuit het verstand had ik kunnen schrijven ‘vind’. ‘Zo vind ik dat’. Als een mening. Een mening over het al dan niet zaligmakend zijn van ‘aantal’ in ons taalclubje. Onlangs nog kort met de initiatiefnemer van het Kwartaalcafé over gesproken. In hoeverre, vroegen we ons af, heeft ‘commitment’ invloed op dat ’aantal’. Wat motiveert mensen om er bij te willen zijn. Wat ‘motiveert’ hen om er niet te zijn. Mensen maken eigen keuzes. Telkens weer. En wat vind ik daar nu eigenlijk van. Een aantal is een vaag getalsbegrip. Een tiental is al wat precieser, maar het meest preciese is toch de optelsom van alle individuen. Vind ik dat de uitkomst van die optelsom altijd hetzelfde, c.q. maximaal moet zijn? En wat vinden de anderen?

Daarover verschilden we de laatste keer tijdens het Kwartaalcafé niet echt van mening. Gevoelsmatig en in het ideale geval zou de uitkomst 11 moeten zijn. De werkelijkheid laat zich echter moeilijk in gevoel vangen, hoewel datzelfde gevoel er wel door wordt ingekleurd. We missen onze medeschrijvers, maar missen zij ons op datzelfde moment ook? Ja, zegt de een. Misschien, zegt de ander. Is het eigen of gezamenlijke verantwoordelijkheid? Moeten of mogen we samen een mening hebben over wat een individu denkt of over hoe hij of zij handelt? Of nog abstracter: Mogen ‘we’ –als groep- iets vinden van wat een ‘ik’ vind? Iets in mij zegt van niet.

Als dat namelijk zo zou zijn, dan zegt mijn innerlijke rechter dat het omgekeerde ook zou moeten mogen. Dan zou wat ‘ik’ vind ook bepalend moeten mogen zijn van wat ‘we’ vinden. En als je vindt dat dat niet zo is –democratisch geschoold zoals we zijn- dan zou enkel over blijven dat ik mijn mening per definitie moet aanpassen aan de meerderheid. Uit een soort groepstrouw, of clubgevoel. En daar schuurt het voor mij. Nou is dat misschien heel persoonlijk. Een karaktertrek die er voor zorgt dat ik koste wat het kost een eigen afweging wil kunnen maken. Afgezien van alle omstandigheden die een eigen keuze soms zeer relatief maken, wil ik toch het gevoel hebben zelfstandige beslissingen te kunnen nemen. Het op mijn manier te mogen doen. Eigenzinnig te mogen zijn.

Ik maak de keuze om aanwezig te zijn, vier keer per jaar, bij het Kwartaalcafé, omdat ik dat een voor de hand liggende keuze vind. Voor mezelf. En ik mis de anderen, die op dat moment een andere keuze hebben gemaakt. Maar ik vind niet dat ik, als onderdeel van een geheel, iets van die afwezigheid moet vinden. Dat moeten ze zelf doen. En dat doen ze ook. Gelijkgestemde geesten, met soms een andere mening en een andere afweging. Misschien wel juist daarom steeds een eigen verhaal. Is het niet nu, dan toch zeker later. Dat hoop ik tenminste. Dat voel ik nog meer. Dat vind ik. Denk ik. Laat ik het eens opschrijven… voor de verandering.

Beeldmoeheid

Onze wasmachine is gestopt met wassen. Of eigenlijk, hij is gestopt met draaien, en dan wast het behoorlijk lastig. Tegelijkertijd is onze tv -modelletje koelkast uit de vorige eeuw- symptomen gaan vertonen van beeldmoeheid. Ook daar is enige uitleg op zijn plaats. de beeldverhouding van onze oude Philips is 4:3. Dat was in die tijd, voor mijn gevoel een paar jaar na de oorlog, een hele gangbare maat. Op de een of andere manier heeft onze tv nu signalen opgepikt uit de atmosfeer van andere beeldverhoudingen. Hij schakelt spontaan van zijn eigen formaat over naar een 16:9, 9:8 of 12:7. Dat zou op zich nog te hebben zijn, ware het niet dat hij dat met een frequentie doet, waar een moderne lcd-tv bewonderend naar zou kijken. Met andere woorden, het beeld flikkert als de neten.

Net als onze wasmachine hoort onze tv bij de categorie gedateerde elektronische apparatuur, waarvan je kan zeggen: vroeger waren het goeie. Daarom hebben we vandaag een nieuwe tv en een nieuwe wasmachine gekocht. Wat moet dat moet. Bovendien kregen we er een stofzuiger voor niks bij. En dat is prima, omdat onze eigen stofzuiger volgens mij gekocht is, nèt vóór onze philips tv. Ook van Philips trouwens, de ’T 500S de luxe’, dus dan weet je het wel…

Ik verdenk de makers van electronische apparatuur er van dat ze in elk apparaat geheime zenders inbouwen. Zenders die alleen kunnen communiceren met andere electronische apparatuur. Het kan namelijk geen toeval zijn dat wanneer er een tv kuren vertoont, vaak ook de computer, de voordeurbel of in ons geval de wasmachine zich vreemd gaat gedragen. Sommige apparaten verweren zich tegen die negatieve invloeden van hun mede-apparatuur, maar de meesten hebben stilzwijgende geheime afspraken over hun onderlinge levensduur.

Afijn, omdat dat zich allemaal op geheim niveau afspeelt is daar niks aan te doen. Bovendien is er een hoger doel en dat is dat we met elkaar een consumptiemaatschappij in stand moeten houden. Dus ook daarom moet je niet te lang stilstaan bij vooraf ingebakken mankementen van je huishoudelijke apparatuur. Daar komt nog bij dat die mankementen altijd te wijten kunnen zijn aan eigen onoordeelkundig gebruik. Een beetje verkoper heeft je in no-time een schuldgevoel aangepraat dat er voor zorgt dat eigenlijk jij het bent die niet goed heeft gefunctioneerd. Om die schuld in te lossen kun je nog maar één ding doen, en dat is ter plekke nieuwe apparaten aanschaffen. En dat hebben we vanmiddag dus gedaan.

Straks komt onze nieuwe tv. Volgende week dinsdag onze nieuwe wasmachine. Wanneer die hier in ons huis staat te wassen krijgen we van dezelfde firma de nieuwe stofzuiger. Onze oude stofzuiger zal dus een paar dagen lang van de nieuwe tv moeten aanhoren wat voor een verschrikkelijk oud beestje het is. Na dinsdag komt daar nog de hoon overheen die de nieuwe wasmachine met geheime signalen over onze ’Philips T 500S de luxe’ zal uitstorten. Ik verwacht dat onze stofzuiger daar heel goed tegen zal kunnen. Hij heeft al hetere vuren doorstaan en menig electronisch apparaat ruimschoots overleefd.

Wanneer echter straks de nieuwe stofzuiger op ons huisadres zal worden afgeleverd, vermoed ik dat het oude beestje spontaan de geest gaat geven. Tegen zoveel miskenning van jarenlange trouwe dienst kan ook hij niet op. Maar niet na een laatste symbolische daad. Met een laatste krachtsinspanning van 220 volt zal hij zijn moderne broertje van geheime repliek dienen. Hij zal tegelijkertijd de nieuwe wasmachine en de nieuwe tv met de mond vol electronische tanden laten staan. Het schaamrood verschijnt op hun tiptoetsen en digitale displays, als onze ’Philips T 500s de luxe’ met zijn laatste zuigkracht slecht twee woorden zal doorseinen aan álle nieuwerwetse apparatuur om hem heen: Suck you!

Allemaal anders…

Vorige week was ik twee dagen ziek thuis. Kuchen, keelpijn, koortsig, kriebelhoest en waterogen. Het stond in geen enkele verhouding tot alle andere ellende in de wereld, maar toch. Koortsdromen gaven aanleiding tot momenten van bezinning, waarvan ik op dit moment de waarde niet helemaal kan inschatten. Even wat doorfilosoferen ‘op papier’.

In de Limburger las ik vorige week in de rubriek ’De mening’ het verhaal van onderzoeksjournalist Rob Cox. Hij ging in op de menselijke maat binnen veranderende organisaties. Of liever gezegd, het ontbreken van de menselijke maat. Hij had het over de Zorggroep en het UWV en schreef over de planmatige opstelling en de regeltjesmentaliteit die er was gaan heersen. De menselijke maat kwam daardoor in het geding volgens Cox.

Waarom moest ik, koortsig en net na een hoestbui, denken aan mijn werk, vroeg ik me al lezend af. Was het omdat ook bij ons ’de organisatie’ bezig was met veranderen? Verandering, omdat ze zich meende te moeten aanpassen aan de snel veranderende wereld om haar heen? En als dat zo was, was het dan wel zo vanzelfsprekend dat het individu zich binnen die organisatie daar dan dienstbaar aan maakte?

Tussen twee hoestbuien door besloot ik wat afstand te nemen. Ik dacht na over het doel van een gemeentelijke organisatie. In de kern was dat toch dienstverlenend zijn naar z’n inwoners toe. Aan de voorkant kwamen mensen met vragen, die met behulp van de achterkant moesten worden beantwoord. Sinds 2010 moest die achterkant via deregulering en digitalisering de dienstverlening op een hoger peil brengen. En dat niet alleen. De dienstverlening moest vooral ook meetbaarder worden gemaakt. Verhoudingen bepaalden steeds meer het beleid. Verhoudingen tussen getallen, niet tussen mensen.

Meten was weten. Weten was kennis en kennis macht. Macht over de toekomst van een wereld waarvan we alleen maar wisten dat die heel snel veranderde. Ik voelde me alsof ik niet van die wereld was, want ik veranderde niet snel genoeg mee, dacht ik kuchend. De organisatie wel. Dat was al bijna een wereld die bijvoorbeeld via het click-call-face-principe de volgorde en manier van antwoorden had bepaald. Bij voorkeur geformaliseerd in vooraf gedefinieerde, digitale werkprocessen, zodat de organisatie aan het woord kon zijn. En wat minder de mens.

Was het alleen in mijn koortsige beleving dat ik door flexplekken, virtuele werkomgevingen en procesafspraken het individu alsmaar meer uitwisselbaar zag worden? Niet het individu maakte de organisatie maar de organisatie maakte het individu. Allemaal vervangbare onderdelen van het geheel. Niet ’wie ben ik’ maar straks misschien vooral ’waar ben ik’? Ach, dat hoefde waarschijnlijk allemaal nog niet zo slecht te zijn. En misschien kon het ook echt niet anders.

Alleen… de planmatige afspraken die er mee gepaard gingen. De verantwoording die voortdurend naar elkaar moest worden afgelegd. En eigenlijk alleen maar, leek het, omdat we die steeds meer elkaar óplegden. Zowel ’horizontaal’, binnen de eigen afdeling en tussen afdelingen onderling, alsook in ’verticale’ richting, binnen de managements- en bestuurslagen. Het leek alsof we met elkaar een controlecultuur tot stand hadden gebracht. In mijn -op dat moment weliswaar waterige- ogen, had die soms wat krampachtigs.

Koortsachtig, voortdurend onder tijdsdruk, werkten we aan wat een veranderende wereld noodzakelijk maakte. Het moest, maar niet iedereen leek meer precies te weten waarom. Tegelijk vonden we niet de tijd om onder die druk anderen echt te ontmoeten. Of om ons af te vragen of het allemaal wel echt zo moest. Want waarom ook? Deregulerend en digitaliserend verleenden we in ieder geval de organisatie een dienst. Toch? Maar onszelf? Ik mezelf?

Gelukkig was ik na twee dagen weer beter… En was het allemaal weer anders.