Weemoed…

Een uitverkocht Cambrinus. Vanuit ’n plek in de verre hoek heb ik nog net uitzicht op de pianokruk en op pakweg twee octaven pianotoetsen in het midden van het klavier. Ik schat in dat ik zo Egbert prima kan zien spelen zometeen. Egbert Derix geeft een soloconcert. Het op één na laatste concert dat er in muziekcafé Cambrinus gegeven gaat worden. In het laatste seizoen. Ik heb het Jan bij een aantal vorige concerten al vaker horen vertellen. En ook nu weer is zijn introductie er een, waar weemoed doorheen klinkt.

Als je een café gaat beginnen, vertelt hij, krijg je tientallen adviezen hoe dat moet. “De helft van die adviezen hebben we op onze manier opgevolgd en de andere helft soms misschien wat eigenwijs naast ons neergelegd”. In een sfeervol mengsel van trots en melancholie gaat Jan nog even door. Het traditionele viltje, waar hij op het laatste moment nog altijd wat opschrijft, voordat hij een artiest aankondigt, trilt een beetje tussen zijn vingers. Als je met een café gaat stoppen, vertelt hij, blijken de adviezen daarover achterwege te blijven. Dat is iets dat je na 25 jaar helemaal zelf moet doen. En dat valt niet mee. Zeker niet wanneer het aftellen op een punt is beland, dat je bij de één na laatste bent…

Egbert zit al die tijd aan de vleugel. Tot zijn verrassing krijgt hij van Jan een antiek bierreclamebord, met de opdruk JAZZ, waaraan het woord ‘stout’ is toegevoegd. Uit 1929, als ik het goed onthouden heb. Die twee woorden, toen bedoeld om de biersmaak te omschrijven, staan nu, volgens Jan synoniem voor de muziek en een deel van Egbert’s karakter. Bovendien blijkt er voor het concert van Egbert geen poster te zijn gemaakt, zoals dat in de historie van het muziekcafé meestal wel het geval is. Geen halszaak, want het concert was in no-time uitverkocht.

Maar toch, een tweede cadeau volgt. Alsnog een poster met de aankondiging van het concert van Egbert. Passend in het betoog van Jan, die uitgebreid uit de doeken doet -je bent muziek-missionaris of je bent het niet- dat vanmiddag een dame uit Canada (who cares…) op de bühne had kunnen staan, maar dat tot Jan’s vreugde haar noodgedwongen afzegging eigenlijk maar één logische vervanger kende: Egbert Derix. En die zat klaar. Wachtend tot hij ‘stout’ zijn ‘jazz’ ten gehore mocht brengen.

Vanaf de eerste toetsaanslagen voelde ik de weemoed in de lucht. Bij elk nummer heb ik me afgevraagd, muziekleek als ik ben, wat de klanken nu precies bij me teweeg brachten. Eigen herinneringen uit vervlogen tijden. Dan, rondkijkend, de constatering van een uitverkochte zaal, die voor de één na laatste keer allemaal dezelfde kant op keken. En dezelfde kant op luisterden, als je dat zo kunt zeggen. Jarenlang heb ik de spreuk op het bord zien staan, dat je een muzikant nooit je rug moet toekeren omdat je oren dan verkeerd zitten. Vanmiddag heb ik de spreuk niet gelezen, maar zag en voelde ik het live.

We luisterden naar de voorbodes van de herinnering. Bij sommige passages maakte een milde droefheid zich van mij meester. De muziek liet mijmeren. De uitleg van Egbert bij de gespeelde nummers wakkerden de melancholie soms nog verder aan. Bijvoorbeeld door een muziektekst over nevel in januari. Dat riep herinneringen op aan zijn vader Jan, die een aantal jaren geleden overleden was in die maand. De herkenning, ongetwijfeld, bij zijn moeder en zijn broer.  Weemoed. Gedragen door gevleugelde klanken. Muziekvrienden genoten en één stel werd zelfs beloond voor hun in Cambrinus opgedane levenslange liefde.

Niet vreemd dat op het eind van het concert het applaus voor Egbert -die op indrukwekkende wijze zijn 61e (!) concert van de afgelopen 25 jaar in Cambrinus had afgerond- naadloos overging in een staande ovatie voor Jan en Henny. De weemoed die voor mijn gevoel al de hele middag in de lucht hing, vond zijn weg in de tranen van Henny. Jan stond op dat moment iets verder van me weg, maar ik weet bijna zeker dat de melancholie van de muziek ook hem tot op het bot geraakt heeft.

Weemoed dus. Een woord dat uit twee delen bestaat. ‘Wee’ als in pijn voelen bij een afscheid. Maar ook ‘moed’ als een drijvende kracht om door te gaan. Een ‘trip down memory lane’ hoorde ik iemand uit het publiek na afloop van het concert als verklaring geven voor zijn gevoelde emotie. Dat herkende ik. Maar het bevestigde mij ook in het besef dat herinneringen alleen maar dán ontstaan als er in het nu geleefd wordt. ‘C’est la vie’ rijmt best mooi op ‘melancholie’.

Misschien dat ik daar een andere keer iets over op papier zet. Maar nu alvast even dit. Met dank aan de muze, aan Egbert en aan Jan en Henny, waarmee ik zometeen voor één van de laatste keren in café Cambrinus een biertje ga drinken. Het mooie is, realiseer ik me tot slot, dat op al die andere plekken waar ik Jan en Henny straks nog ga tegenkomen, overal toch een beetje Cambrinus zal zijn. Dat geeft de burger moed. Weemoed voor even. Maar vooral moed voor het leven.

In gedachten: Hans en Jan

Met Hans liep ik over een achterpad, dat overal uitkwam en nergens. Hij kende die paadjes, want hij woonde al zolang als hij leefde in deze buurt. Het waren de achterpaadjes van de lange rijen huizen van de mensen die er ook woonden. Het waren de, voor buitenstaanders, onzichtbare verbindingen tussen de Jan van Eechoudstraat, de Wittenhorststraat, de Prinses Beatrixstraat, de Julianastraat, de Prins Bernhardstraat enzovoorts. Dat was Hans zijn domein en daar liepen we. Acht, negen jaar, denk ik, en de wereld was van ons. Of eigenlijk van Hans, als we bij zijn thuis waren.

Hans is onlangs gestorven. Twee weken eerder had ik de felicitaties voor zijn verjaardag nog op Facebook voorbij zien komen. Die berichten gingen gepaard met sterktewensen en opbeurende gedachten dat het hopelijk snel goed zou komen. Helaas mocht dat niet zo zijn. In de overlijdensadvertentie stond in drie korte zinnen hoe het was: ‘Tot mijn grote spijt moet ik jullie mededelen dat ik ben overleden. Ik was graag nog even gebleven. ’t Gaat jullie goed!’

Tijdens een indrukwekkende herdenkingsbijeenkomst hebben veel mensen afscheid genomen van Hans. In de blauwe buitenlucht, onder een stralende zon. Een witte streep verbond langzaam een paar wolken. Niet veel later van de andere kant nog een witte streep. Alsof er ook in de lucht een kruis getekend moest worden. Ik keek er naar, in gedachten, en luisterde tegelijk naar de woorden over Hans.

Hans kende de smalle paadjes achter de huizen. Daar liepen we. Acht jaar, misschien negen. Ik liep voorop omdat Hans achter me aan liep. In één keer sloeg er vanuit een van de achtertuintjes een grote hond aan, juist op het moment dat ik voorbij het tuinhekje liep. Hans zag me enorm schrikken en dat maakte in dezelfde seconde zo’n indrukwekkende reactie bij hèm los, dat weer slechts een paar milliseconden later de hond jankend afdroop. Net als ik was de hond enorm geschrokken. Maar Hans stond gelukkig aan mijn kant. Oprecht verontwaardigd over wat dat beest mij had aangedaan. En dat werkte. Het voorval, en vooral Hans z’n vastberadenheid, is nooit meer uit mijn herinnering gegaan.

Het zal misschien in diezelfde zomermaanden zijn geweest. Een andere herinnering die me altijd is bijgebleven. Ik mocht met Hans en zijn ouders, Toos en Jan, mee op vakantie. Ik denk dat Erik, Hans broertje er ook bij was, misschien ook wel met een vriendje, maar dat weet ik niet zeker. Volgens mij waren we op de Schatberg, maar voor mij voelde het toen als een wereldreis. Mijn wereld speelde zich in die tijd vooral af in mijn hoofd, door de gespannen situatie bij ons thuis. Later heeft Jan me ooit verteld dat hij en Toos dat wisten en dat ik ook om die reden mee mocht met hen.

Mijn herinnering gaat terug naar een plek aan de zijlijn van een voetbalveld. Rondom het veld stond publiek en op het veld werd fanatiek gevoetbald. Ik vermoed dat ik met Hans, op onze knieen in het gras, naar die wedstrijd keek, en dat de ouders van Hans vlak bij ons stonden. Ik weet dat niet zeker, want op dat moment in gedachten verzonken, ontging me de hele wedstrijd.

In mijn geheugen gegrift staan echter de volgende beelden, die, ook hier, elkaar in millisecondes opvolgden: ik zie mezelf, starend in het groene niets; ik zie een vuist van achter mij verschijnen, die stopt vlak voor mijn neus, en ik zie en hoor tegelijk een levensgrote voetbal op die vuist met een knal terechtkomen en evenzo hard terugspatten, het veld in. Nog hoor ik het diepe ‘oooooh’-geluid dat er meteen op volgde, van alle toeschouwers. Ik keek om, in de ogen van Jan, zag een glimlach op zijn gezicht, en hoorde hem zeggen: ‘doa haadde geluk wah menke…’. En zo was het.

Nu is Jan een paar dagen geleden ook gestorven. Een week na Hans. Voor Toos en Erik en de familie een keiharde, en bijna niet te bevatten realiteit. Gisteren was er op de Wevert opnieuw een herdenkingsbijeenkomst. Daar kon ik niet lijfelijk bij aanwezig zijn, maar ik was er in gedachten. Ook vandaag weer even.

Ik stel me voor dat Hans daarboven Jan rondleidt over de witte paadjes achter de wolken. Diezelfde paadjes die een week eerder al werden aangelegd in de lucht, op de vrijdag dat Hans afscheid nam. Ik keek er toen naar maar zie nu pas waarom. In gedachten. Net als een week eerder. Ik zie ze vastberaden samen op pad. Ons bedroefd achterlatend, maar met de zekerheid van de mooie herinneringen.