Sven K., Benno L. en Sjinkie K.

Precies drie uur, zaterdagmiddag. Over drie-en een half uur word ik verwacht in de studio. Dan moet ik méér hebben dan deze paar regels. Maar wat? Ik kan nu al wel verklappen dat het gelukt is, en dat heeft alles te maken met het rennen van 5 km. Hoe dat zit? Lees vooral verder.

Vanmorgen heb ik de kranten gelezen voor inspiratie. Veel aanknopingspunten gezien voor mijn radiocolumn. Misschien wel té veel, want echt inspirerend heeft dat niet gewerkt. Tussendoor nog een begin gemaakt aan de cryptogram uit de Limburger. Een kopje koffie gedronken. De laptop opgebouwd en Word alvast opgestart. Mijn twee duimen op de spatiebalk gelegd en de rest van de vingers op het toetsenbord. Vroeger geleerd van Scheidegger. Kan ik ook met de ogen dicht, omdat onder de wijsvingers een riebeltje op de toetsen ‘f’ en ‘j’ is gemaakt. Zo hebben het witte neppapier op het scherm en ik elkaar een tijd lang blanco aangekeken.

Als de inspiratie dan uitblijft, moet je op een gegeven moment wat anders. De vaatwasser maar ingeruimd met dat wat er nog in pastte. Aangezet. Renkleren alvast aangetrokken en even later besloten om eerst 5 km te gaan rennen. Tijdens dat vaste rondje naar het station Horst-Sevenum en via Hegelsom terug, zou er toch wel wat inspiratie in mijn hoofd opkomen, was mijn veronderstelling.

Tja, en waar denk je dan aan onder het lopen. Eigenlijk aan het zelfde als wat er vanochtend in de krant stond. Alleen dan korter en meer in beelden. De shorttracker die paginagroot huilend gefotografeerd was. Vier jaar trainen voor nop door één scheve schaats. In de Volkskrant Stella Bergsma die Benno L. uitnodigt om bij haar te komen wonen, op de woonboot, als hij niet in Leiden wil blijven. Geniaal stuk, getiteld ‘Kom, schuil maar bij mij’.

Mijn tweede kilometer blijkt achteraf de snelste.  De gedachten blijven bij Benno L. te Leiden. Hij mag er blijven van de burgemeester. Die hoofdletter L -dat is shift, ringvinger rechterhand constateer ik mindful- houdt me bezig. Die L. suggereert anonimiteit, maar dat station lijkt pijnlijk gepasseerd. Benno is gelocaliseerd en het vastgepinde middelpunt van alle aandacht. One-hundred-and-eighty! Alle pijlen zijn gericht op hem. Maar ook op de shorttrackers en de baanschaatsers.

Benno kan geen stap zetten, laat staan 5 km gaan rennen of schaatsen. Ja, met vrijwilligers schijnt er iets mogelijk te zijn voor hem, maar of hij dat inspirerend vindt? Zou hij ook kranten lezen, ter inspiratie voor het een of ander? Dan zal dat de laatste tijd toch ook niet meevallen, lijkt me. Als je alleen maar aan je scheve schaats herinnerd wordt, al dan niet terecht, dan is het leven geen lolletje. Dan zou je zomaar huilend paginagroot kunnen worden afgebeeld in een Volkskrant. Maar die hoofdletter L. verhindert dat. Jaren opgesloten om je straf uit te zitten en als je dan vrij komt, is dat allemaal voor nop. Die scheve schaats blijft scheef. Omdat het recht niet meer gezien wordt.

Mijn persoonlijke vijf kilometer-race blijkt aardig vlak. De derde kilometer is iets langzamer dan de tweede, maar nog aardig op tempo. Ik spoor mezelf aan om vol te houden. Blijven lopen. Terwijl er niemand achter me aan zit. Ik denk weer aan Benno L. Die nergens naar toe kan lopen, terwijl iedereen achter hem aanzit. Ondertussen haalt het nederlands mannentrio goud op in Sotsji bij de ploegenachtervolging. Ook zij zitten achter elkaar aan, maar daar hoort het erbij. Hoewel Bergsma er blijkbaar niet meer bij wil horen. Iets of iemand heeft hem doen besluiten om vanochtend een keuze te maken. Dat mag. Het leven gaat net zo goed door. Want het goud telt. De nederlandse vrouwen doen even later hetzelfde als wat de mannen deden. Goud. Nederland is blij. De vreugde overheerst, ook in Leiden. Maar hoe lang, vraag ik me af. Er zit spanning op, vertelt Sven Kramer in een interview. Ook de andere twee schaatsers hebben het over die spanning in de race. ‘Je moet het toch nog maar doen’ is hun verklaring.

Mijn spanning zit vooral in de bovenbenen voel ik bij de vierde kilometer. Ik ben dan in Hegelsom en probeer mijn ademhaling en loopritme op elkaar af te stemmen. De laatste kilometer van de geplande afstand gaat in. Het einde komt in zicht. Ik kan weer tevreden zijn over mijn tijd, hoewel ik toch nog steeds sneller wil. Een zelfopgelegde eis. Slaaf van mijn eigen wensen. Knecht van mijzelf als baas. In het shorttracken heeft Sjinkie in dat opzicht zijn achternaam mee. Hij haalde individueel brons. Maar met zijn groepje wilde het gisteren niet lukken. Vandaar die huilende shorttracker in de Volkskrant vandaag. Naast de columns en commentaren over Benno L. Veel goud voor Nederland, maar lang niet alles blinkt.

Mijn race zit er op. Nu dus nog achter de computer. Twee duimen op de spatiebalk en de rest van mijn vingers op de toetsen. Gedachten de vrije loop en de vingers laten bewegen. Drie thema’s met elkaar verweven. Benno, Sjinkie en Sven. Mooie namen. Voor jongens. Jorien of Ireen voor als het een meisje wordt. Ook die kinderen worden weer groot. Halen straks gouden medailles. Of staan huilend in de krant van later. Niemand weet waar de toekomst naar zal leiden. En zij die het denken te weten, vergissen zich vaak. Hoe is het met die gast bij Pauw en Witteman, die niet dreigde maar wel aangaf dat ‘zaterdag de deadline was’. Heeft hij vandaag ongelijk gehad? Of haalt hij zijn recht later? Ik vraag me af of hij in de gaten heeft dat hij dan zijn eigen scheve schaats rijdt.

Ik doe m’n ogen dicht en voel met mijn vingers over de toetsen. Ik vind de ‘f’ en de ‘j’ en zet er een punt achter.

 

 

 

 

De bomen en het bos

Een beetje in dominee Gremdaat-stijl zou ik willen beginnen met ‘kènt u die uitdrukking van de bomen en het bos? Dat u door de bomen het bos niet meer ziet? Of dat u een boom bènt die het bos steeds meer ziet veranderen? Daar moest ik aan denken toen ik…’

En zo zou dominee Gremdaat een minuut of vijf kunnen door-orakelen om tenslotte bij een, op het eerste gezicht, weinig verheffende conclusie uit te komen. Bijvoorbeeld dat hij u een goede boswachter toewenst. Of dat u meer oog moet hebben voor de wortels van de bomen omdat u die juist niet ziet. Of dat u het bos kunt redden door een door u zelf te planten boom. ‘Ga plánten!’ Záái!’. En na die euforische kreten murmelt Gremdaat meestal langzaam weg. Met spekjes en zo. Bijna alsof hij geschrokken is van zijn eigen gedrevenheid en de onmacht die daar aan lijkt te grenzen.

Een Gremdaat-gevoel. Zo zou ik het willen omschrijven. Dat gevoel dat me de afgelopen dagen bezig hield, tussen alle bedrijvigheid door. Een gevoel dat vanochtend, na het lezen van de Limburger en de Volkskrant, opnieuw de kop op stak. Het beeld van de bomen en het bos. Als metafoor van een heleboel zaken.

Van de openingsceremonie gisteren in Sotsji bijvoorbeeld. Waar meteen in het begin vijf bomen in dat prachtige olympische bos moesten opengaan, maar slechts vier bomen dat deden. De kans is niet denkbeeldig dat de boswachter van die vijfde boom zal sneuvelen, moet kappen of zal worden gekapt. De wereld zag het bos niet meer door slechts die ene boom. Erben Wennemars was er blij mee. Gelukkig ging er iets fout. Aan de nederlandse perstafel in Sotsji kon worden gelachen om die Russische boswachters. En zo murmelde het vervolgens ook gisteren langzaam weg.

De bomen en het bos, vandaag weer in de kranten. Twee uitspraken daaruit die uit compleet verschillende bossen leken te komen, zeg maar het Schwarzwald en de Biesbosch. Uit de Limburger: ‘Een oorlog begint niet op het slagveld, maar in je hoofd vol van (voor)oordelen’. En uit de Volkskrant: ‘Sport is geboren uit oorlogen en veldslagen’.

De eerste uitspraak komt van de duitse oud-minister van Buitenlandse zaken Hans Dieter Genscher. Genscher is een oude eik van 84 jaar die jonge boompjes vertelt over hoe de Muur op 9 november 1989 is gevallen. De tweede uitspraak komt uit de column van Bert Wagendorp, die ‘nebenbei’ vertelt hoe Mark Rutte gisteren Gordon heeft laten weten dat hij met Poetin heeft gesproken. Ook dàt is bomen, maar dat even terzijde.

Het bos, dat sport heet, ziet toch even twee markante bomen geplaatst. Sport gekoppeld aan oorlog en daarmee aan vooroordelen in ieders hoofd. Boeiend. Rinus Michels heeft het volgens mij ook een keer nog kernachtiger geroepen: ‘Voetbal is oorlog’. Kortom, stof tot nadenken zou je zeggen. En in mijn geval is er dan opnieuw de constatering en het gevoel dat we het vooral over bomen hebben en het bos niet meer zien. Het toch mèèr over dat bos hebben, daarmee kunnen we misschien een daad stellen. Al is het maar een Gremdaat…

Herkent u dat, lieve mensen? Dat u thuis, en op uw werk, en overal, soms wel eens denkt: waar is het bos? En dat u dan ook denkt, het bos, het bos, zal ik daar eens gaan wandelen, of doorheen gaan rennen. Dat moet u doen, lekker rennen, uw hoofd leeg maken in dat bos. Leeg maken van vooroordelen. Dat is goed voor u. En voor u medemens. En voor ons allemaal. Herkent u dat, lieve mensen? Dan wens ik u nog een fijne dag, met veel zon en allemaal fluitende vogeltjes in de bomen, in het bos, en met lekkere spekjes… en voor Sven een gouden medaille!

Niet moeilijk om te kiezen

Het hondje bij de buren blaft. Al een hele tijd. Irritant. Het was een speciaal ras, vertelden ze, toen ze de pup net gehaald hadden. Zó’n leuk beestje. We hoefden ons geen zorgen te maken. Het was een soort dat niet blafte. Nou, dat rasechte hebben ze er hierlangs snel uitgekregen. Hoezo puppycursus. Godverdegodver.

Allée. Tot tien tellen. Het is tenslotte mijn vrije zaterdag. Als de buren straks thuis zijn, dan zal het wel ophouden. Die rashond wil natuurlijk aandacht. Nou, de mijne heeft ie… Gek hoe je door vervelende prikkels geobsedeerd kunt raken. Beter zou zijn als je jezelf in dat geval zou kunnen afleiden met prettige prikkels. Maar die venijnige blafjes nemen telkens weer alle plaats in, in mijn hoofd. Is dat óók mindfullness?

Op de radio zingt Claudia de Brey een liedje van Gerard van Maasakkers: Benny. Een nummer over een homofiele jongen die in zijn traditionele familie niet uit de kast durft te komen. In het refrein komt regelmatig de zinsnede ‘niet moeilijk om te kiezen’ terug. Het doet me denken aan een situatie van gisteravond. Het gesprek ging over Sotsji en over de ‘zware delegatie’ uit Nederland die daar de olympische winterspelen gaat bezoeken. Daarmee zou een verkeerd signaal worden gegeven. Het antihomobeleid van Poetin zou te weinig of zelfs helemaal niet aan de kaak gesteld worden. Een minder zware delegatie doet dat wel?

Van mij mag de koning gaan. Hij doet dat graag en kan dat ook goed, aanmoedigen. Beelden van Willem uit 1996, tussen de bronzen hockeydames in Atlanta, bewijzen dat het uit z’n hart komt. ‘Niet moeilijk om te kiezen’, zou ik zeggen. Laten gaan die man. Meer twijfel heb ik met Rutte. Dat komt vooral door de context van het liedje van Claudia. ‘…wat als je nooit meer schijnheilig hoeft te zijn, en als je voortaan altijd jezelf kan zijn, dan is ’t niet moeilijk om te kiezen’. Mijn twijfel komt door het woord ‘schijnheilig’ denk ik. Maar ach, misschien houdt Mark ook écht van sport. Hij gaat voor Sven, geloof ik.

Sven gaat vooral voor zichzelf, lijkt me. En voor goud. Met zijn vriendin waarschijnlijk, Naomi van As, die trouwens een heel aardig potje kan hockeyen. Ze haalde tijdens de olympische zomerspelen in Peking goud voor Nederland. Dat was in 2008 en Willem was toen nog gewoon prins maar daarnaast ook lid van het IOC. Hij mocht die gouden plak uitreiken. Wie er toen van de regering bij was, weet ik niet meer. Misschien Mark wel. Ook in 2012? Zou best kunnen. Maakt ook niet zoveel uit. Zeker weet ik dat Naomi er in 2012 weer bij was. Toen in London. Opnieuw goud. Niemand vroeg zich op dat moment af hoe het daar met de homo’s ging. Beter dan in Peking? En hoe was het met de hetero’s? Ook daar was weinig aandacht voor.

Nu is dat compleet anders. In de aanloop naar de komende winterspelen zijn we er met z’n allen mee bezig. Kranten staan er vol van en praatprogramma’s hebben het over niks anders. Geen wonder dat we er allemaal iets van vinden. Delegatie is te zwaar, Mark Rutte te licht, Arthur Japin te gay, Kleintje Pils a-muzikaal… Het lijkt niet moeilijk om te kiezen.

Volgens mij komt dat omdat de keuzes allang voor ons gemaakt zijn. Keer op keer opnieuw, in honderden variaties. We hoeven alleen nog maar ja te knikken of nee te schudden. Volgzaam als hondjes die niet kunnen blaffen. En het vervolgens toch doen. Daar kun je behoorlijk last van hebben. Of niet. ‘…als je voortaan altijd jezelf kunt zijn, dan is ’t niet moeilijk om te kiezen’.

Dat ik er dan toch zoveel moeite mee heb, blijft me bezig houden. Want als het me niet zo bezig houdt, heb ik er dan te weinig moeite mee? Volgens alle media ben ik schuldig. Maar ik wil niks bewijzen. Ik denk dat ik me vooralsnog bij gebrek aan bewijs maar gewoon vrijspreek. Het blaffen is opgehouden.

Plat op de bek

Vier dagen voor Kerst. En dan nog een week tot het nieuwe jaar. De tijd van terugkijken, bezinning en vooruitkijken. Voor vandaag maar eens beginnen bij het eerste: terugkijken. Vers in het geheugen, de sticker van Wilders en zijn verkiezing tot politicus van het jaar; Onno Hoes, de toyboy, Albert Verlinden en sinds eergisteren geloof ik, hoort ook Patty Brard daar bij. Iets langer geleden. De zwarte pieten-discussie; Anouk die daar iets van vond en de zwarte mevrouw op het Malieveld. Een beetje omgekeerde volgorde maar dat doet aan de triestigheid van de losse gebeurtenissen niets af. En als je zo ook terugkijkt naar november, oktober, september enzovoorts, dan wordt die lijst van nationale sneuheid snel langer. Anouk twitterde destijds één zin die als vlag heel aardig de lading dekt, als je het mij vraagt: ’We dutch people are making fools of ourselves’. Dat werd haar niet in dank afgenomen maar ironisch genoeg bewezen juist al die reacties dat er maar één gelijk had en dat was Anouk.
Tot zover het terugkijken. Nu de bezinning.

Eigenlijk al een beetje mee begonnen door die ene zin van Anouk. In het woord bezinning zit niet voor niets het woord ‘zin’ verpakt. En die zin van Anouk is daar een mooi voorbeeld van. Toch kun je bezinning ook in een wat diepere betekenis uitleggen. Meer in de zin van goede voornemens en bij jezelf te rade gaan. Wat is dan de zin? What makes sense?

Want wat te doen met de Patty Brard in ons? Welke stickers plakken we zèlf als we Geert Wilders tot politicus van het jaar kiezen? Kunnen wij nog wèl ons zelf zijn als we vinden dat Onno Hoes dat niet mag? Waarom hypocriet noemen dat RTL-boulevard zwijgt waar het normaal ronkt en spettert, terwijl wij ronken en spetteren op een manier waar je soms stil van wordt?

Kortom bezinning. Weer tot jezelf komen. Dat mag in deze tijd van het jaar. En dat brengt me bij het derde onderwerp van vandaag: vooruitkijken. Wat te doen straks? Want wat ik in de recente geschiedenis zie, zal in de nabije toekomst niet weg zijn. Misschien wel integendeel. Dus wat te doen? In het verlengde van bezinnen maar eens even naar buiten kijken.

De wind blaast het wintergras in ons stenen tuintje van links naar rechts. Steeds weer. Soms lijkt het op nee schudden, soms op ja knikken. Alsof de grassprieten continu met elkaar in gesprek zijn. Soms eens, soms oneens, maar voortdurend pratend. Over de wind waarschijnlijk. Meegaand, tegenbewegend, achteruit, vooruit. Schudden. De sprieten lijken elkaar vast te houden. Elk sprietje is onderdeel van een groter geheel. Er zitten geknakte tussen, maar die horen er gewoon bij. Geen grasspriet zal roepen dat een andere grasspriet te groen is, of uit de pot moet. Als de wind stil is, staat ook het gras even stil. De geknakte stelen bewegen nog net iets langer door lijkt het, maar al snel wuift het andere gras weer mee. Eens, oneens, maar wel samen.

Dat is, vooruitkijkend, misschien wel het devies. In het leven staan als een grasspriet. Genieten van regen, wind en zon. Geknakte stengels -leunend tegen fiere halmen- kussen zachtjes de grond, geven daar hun zaadjes af en zorgen zo voor nieuw gras. Zwaaiend, groen. Hier. En aan de overkant al net zo groen en wuivend. Continu bewogen.

Daarom bij deze alvast een groene Kerst gewenst en een zonnig 2014, met regen en wind en heel veel fijne beweging. Zónder stickers. Een sticker beweegt niet. Patty Brard trouwens ook nauwelijks, als ze net van de duikplank afkomt. Maar dat is weer terugkijken. En onbezonnen, om ook nog even het onderwerp ‘bezinning’ te noemen. Valt ‘plat op de bek gaan’ ook onder Anouks definitie van ‘Nederlanders die zich zelf voor schut zetten’? RTL-Smoele-Brard? Dacht het wel!

Maar toch. TV-schermen zouden misschien nog veel spiegelender gemaakt moeten worden zodat we vooral ook onszélf blijven zien als we naar anderen kijken…

Hallo Judith

Ik zou  je informeren over mijn bezoek aan Mieke. Dinsdagavond ben ik bij haar geweest en ik heb haar op jouw verzoek gevraagd naar de zondag daarvoor. Van José had ik op maandag al via mail gehoord dat zij Mieke er over gesproken had. Dinsdagavond vertelde Mieke mij hetzelfde als wat ze al aan José had verteld. Ik ga er daarom van uit dat Mieke’s verhaal wel overeenkomt met wat er zondag daadwerkelijk gebeurd is. Hieronder haar verhaal, dat ik zo goed mogelijk voor je heb samengevat:

Ze was met de taxi gegaan, zowel heen als terug, vertelde ze. Heen voor 75 euro en terug voor 80. Bedriegers waren het, zei ze en ze leek zich opnieuw boos te maken. Maar ze herpakte zich snel. ‘Dat had ik er wel voor over’ zei ze ietwat grimmig. Beneden bij de buiteningang was ze een man achterna gelopen en zo de flat binnen gekomen. Vervolgens had ze een lange tijd bij de deur van jouw appartement gewacht. Uiteindelijk was ze daar weer vertrokken, maar liet wel de tas met de fotoalbums bij je huisdeur achter. Ze was heel opgelucht toen ik haar vertelde dat jij die albums gevonden had. Ik heb Mieke verteld dat je echter eveneens erg geschrokken was. En dat je mij had gevraagd om uit te zoeken hoe ze daar gekomen was.

De reden van je vraag leek haar te ontgaan. Mieke vond het jammer dat ze jou niet gezien had. Maar ze was evengoed blij dat ze jouw flat -al was het enkel de buitenkant- gezien had. Ze had de blauwe flessen voor de raam gezien en de stickers op je afvalcontainers. Haar gezicht ontspande. De luxaflex was dicht geweest. ‘Jammer’, zei ze, ‘ik had graag meer gezien’. Maar net zo goed had ze een heel goed gevoel bij het bezoek. Ik vroeg haar wat ze had gedaan als jullie elkaar wel hadden gezien en jij haar had weggestuurd. ‘Dan was ik gegaan’, antwoordde ze. Het werd even stil. ‘Maar dan had ik haar in elk geval gezien’. 

In de tas zaten volgens Mieke de fotoalbums waarvan zij vond dat jij die moest hebben. Foto’s van toen je klein was. Mieke vertelde me dat ze dat ook al ooit bij je had aangekondigd. Het achterlaten van de albums had ze ingesproken op je voicemail. Hoe moeilijk ze dat ook vond. In de tas had trouwens ook nog een cadeautje gezeten voor je, omdat je jarig was. Of  ik wist wat jij dáárvan had gevonden? Ik wist het niet. Weer stil. Maar de albums waren in ieder geval in jouw bezit, concludeerde ze en dat leek het voornaamste. Wel wilde ze de tas graag terug hebben, dat dan weer wel…

Mieke en ik spraken nog kort over wat er zou gebeuren als jij heel expliciet zou aangeven helemaal geen contact meer te willen. Ietwat berustend klonk haar antwoord: ‘Dan is dat maar zo, daar kan ik dan toch niets aan doen.’ Even later vervolgde ze hoopvol: ‘Maar ik denk dat ze in dat geval toch wel de dingen die ik haar steeds stuur terug zou sturen…?’

Het was haar steeds te doen om er achter te komen hoe het met je ging, zei ze. En die wens was het sterkst op de momenten dat er speciale gebeurtenissen waren. Kerst, oud op nieuw, haar verjaardag, jouw verjaardag etc. 

Tot zover het ‘verslag’. Mijn inschatting is, na dinsdag, dat ze haar actie voor zichzelf overwegend als positief ervaart. Ze had gehoopt jou te zien, maar dat was helaas niet het geval geweest. Ik kan me voorstellen dat de situatie er voor jou anders uitziet. Datgene waar je juist afstand van aan het nemen bent, komt nu ’uit zichzelf’ weer dichterbij. Als relatieve buitenstaander kijk ik naar Mieke en ’kijk’ ik naar jou. Wat een complexe situatie, schiet er dan door mijn hoofd. Wat een ontzettend complexe situatie…

Ja, als je om te beginnen de geschiedenis eens buiten beschouwing zou kunnen laten. En als je vervolgens de ziektebeelden zou kunnen laten voor wat ze waren of ze zou kunnen nemen zoals ze zijn. De psychoses, de wanen en de emoties. En als je dan ook nog de angsten, de oordelen, het verdriet, de eenzaamheid aan allebei de kanten zou kunnen wegnemen, ja dan… misschien… ooit…

Ik probeer het me voor te stellen. Hoe dat zou zijn als dat allemaal werkelijkheid zou kunnen worden. Het lukt me niet. Het blijft een onzalige werkelijkheid. Historisch verkleefd en met weerhaken ingeklemd in de tijd. Is daar al ooit een boek over geschreven, vraag ik me af? Of moeten wij dat maar gaan doen, Judith? Eerst in het Nederlands, en dan vertaal jij het daarna in het Engels…

Ik vind dat wel een mooie gedachte om mee af te sluiten. Samen iets laten ontstaan uit wat er nog niet is. Iets maken van wat eigenlijk nooit had moeten zijn. Een boek. Wat vind je daarvan? Ik hoor graag van je.

Groeten,

Geert

Waar als de wil weg is?

Levendige contrasten worden doods en flets. Stil van alles wat te horen is. Verdoofd en blind voor wat pijnlijk zichtbaar is. Omdat niemand werkelijk weet en iedereen zomaar zegt.

Telkens weer. Steeds net niet. Missen wat raakt. Soms kant noch wal. Het voordeel van de twijfel vaak met zekerheid nadelig. Midden in de roos er toch volledig naast zitten.

Door een vastgelegd verleden een ongrijpbare toekomst. Alles moet nog komen maar veel is al voorbij. Machteloze pogingen tot grootse plannen. Verbleekt succes van sprankelende mislukkingen.

Moe van energie in krachteloos protest. Futloos van sterke eensgezindheid. De schreeuwers van het ongelijk horen het gelijk niet van de zwijgers. Die toestemmen. Opeens oneens vergeten.

Alles is voor hen die de halve wereld al hebben. Bescheiden tekenen we nooit voor de andere helft. Daarmee weggevend wat we voor altijd hadden willen houden. Pech. Wij. Niet zij. Geluk.

Zij, die onmerkbaar overduidelijk eigen ongeschreven wetten handhaven. Rechtspreken over wat krom is. En wij? We buigen weifelend waar we fier rechtop willen staan.

Op toppen van kunnen vrij hopeloos opzien tegen bergen. In dalen gedwongen genieten van de regen. Achter de wolken, maar aan de verkeerde kant, in de schaduw van de zon staan.

Het zit er in maar komt er niet uit. Als het er uit komt dan zit er niet meer in. Eeuwigdurende momentopname. Elke seconde van alle tijd. Steeds maar door. Voortschrijdend achteruit.

Voort schreiend vooruit. Maar blijven lachen. Je moet wel. Omdat het kan. Je kunt het. Omdat het moet. Waar een wil is, is een weg. Waar, als je weg wil. Niet waar, als je wil weg is.

Glutenvrije pepernoten

De ME was paraat, zaterdag, bij de intocht van Sint Nicolaas in Groningen. Ik heb het niet gezien, maar volgens mij is er niets gebeurd. Behalve dan dat er ME was bij de intocht van Sinterklaas in Groningen…

In de Volkskrant zaterdagochtend een artikel over de ‘oermoeder van het Zwarte Pietenprotest’, Riet Grünbauer. Zij schreef in 1968 een artikel in de Panorama, waarin ze haar standpunt kenbaar maakte.  Tegen zwarte schmink ‘zodat onze kinderen niet langer pret beleven ten koste van een ander ras’. De titel van het artikel: “Het witte Pieten-plan”. Even voerde ze daar gedreven actie voor, flyerde in de winkelstraat en schreef brieven naar de tweede kamer. Landelijke dagbladen werden door haar benaderd. Tot ineens haar actie abrupt stopte. Van de ene op de andere dag.

Haar zoon Marco herinnert zich dat er een keer drie mannen op de galerij van de flat verschenen. Twee verkleed als zwarte piet en een derde met een filmcamera. Zijn moeder werd door de zwarte pieten vastgepakt en boven de galerij getild. De filmopnamen -die de zoon nooit meer gezien heeft- zullen ongetwijfeld het bange gezicht van zijn moeder hebben getoond. Dat ‘incident’ was er een van velen die nog volgden. Riet werd bang voor de media en voor de dreigementen. Ze heeft in haar hele leven nog maar één keer over zwarte piet gepraat, volgens haar zoon: ‘Mijn moeder vertelde dat ze was gebeld door ‘een enge man’. Hij zei: zal ik bij je komen om samen een paar witte pietjes te maken? Dat vond ze afschuwelijk.’ Dat was in 1968.

En dan nu, in 2013, twee komma één miljoen ‘likes’ op de Facebookpagina voor behoud van Zwarte Piet. Heftige reacties op alles en iedereen die het standpunt van enige nuance durft te voorzien. Geen pretje om sommige van die reacties te lezen. Die kleuren het mensbeeld zo verschrikkelijk inktzwart dat daar geen schmink tegenop kan…

Ik heb geen echte mening over zwarte pieten. Van mij mag alles blijven zoals het was, maar het mag ook anders. Waar ik wel moeite mee heb is het zo schaamteloos tentoonspreiden van het gebrek aan verdraagzaamheid. Bij zowel zwart als wit.  In dat verband vielen me onlangs twee YouTube filmpjes op. Het waren deel 1 en deel 2 van Jane Elliot’s experiment ‘The Angry Eye’. De films gingen niet over zwarte pieten, maar wel over zwart en wit. De moeite van het bekijken waard. Ik heb ze hieronder als link toegevoegd.

Tenslotte, het artikel naast het verhaal van Riet Grünbauer. De kop daarboven: “Zwart Piet krijgt glutenvrije pepernoot”. De laatste twee zinnen van het artikel zetten me aan het denken.  “Er waren meerdere Pietjes en kinderen met glutenallergie. Daarom zijn alle pepernoten nu glutenvrij.” Er zit iets ‘metaforisch’ in die zinnen, waar ik niet meteen de vinger achter krijg. Zijn het de gluten, als iets dat sommige mensen niet kunnen verdragen of zijn het de miljoenen pepernoten die ‘daarom’ allemaal glutenvrij moeten worden? Het is ook een vorm van verdraagzaamheid, maar nu een waar we klaarblijkelijk  geen moeite mee hebben en die we vanzelfsprekend vinden. Terwijl met wat dichterlijke vrijheid de zinnen ook als volgt zouden kunnen klinken. “Er waren meerdere Pietjes en kinderen met racisme-allergie. Daarom zijn alle meningen nu racisme-vrij.”

Iets voor een ‘Glutitie’?

Wijsheid is vooruitgeschoven twijfel

De afgelopen dagen heb ik een paar keer de opmerking ‘wat is wijsheid’ gehoord. Niet uitgesproken met een vraagteken, maar wel een beetje zo bedoeld. Een vraag waarin het antwoord lijkt te zijn inbegrepen. ‘Retorisch’ heet dat volgens mij. Omdat ik niet meteen op het woord ‘retorisch’ kon komen, heb ik dat via Google opgezocht. Poeh, dan schrik je wel even. Ik wil alleen ‘retorisch’ vinden, maar ik word geconfronteerd met nog veel meer vraagsoorten. Komen ze: Open, gesloten en keuzevraag; directe en indirecte vraag; gerichte of lineaire vraag; strategische vraag; reflectieve vraag; retournerende vraag; doorvraag; relationele en circulaire vraag; negatieve vraag; suggestieve vraag; retorische vraag -die zocht ik- en, om het lijstje af te ronden, de hypothetische vraag.

Boven die indrukwekkende lijst staat dat een vraag een zin is die bedoeld is om informatie in te winnen, een verzoek te uiten of tot denken aan te zetten. Nou, dat laatste aspekt, dat werkt… Was ‘wat is wijsheid’ al die keren wel retorisch bedoeld, vraag ik me af. Of zou de opmerking misschien met een suggestieve danwel hypothetische bedoeling zijn gemaakt? En misschien zit er daarom wel verschil tussen wat de één met ‘wat is wijsheid’ bedoelt en wat de ander met zo’n opmerking voor ogen heeft. Wat is wijsheid, vraag ik me nu eigenlijk -nóg meer dan daarnet- af…

Ik stoei wat met bedenksels als ‘wijsheid is uitgestelde angst’ en ‘wijsheid is vooruitgeschoven twijfel’. Om de reden daarvan duidelijk te maken moet ik even de situatie schetsen waarin de opmerking werd gemaakt. We zaten met z’n tweeën te praten over een confronterend en emotioneel onderwerp. Het onderwerp maakte bij ons allebei wat los, maar of het ook dezelfde gedachten of vragen opriep, dat werd me niet duidelijk. Niet, wat de emotie aanging en niet wat de confrontatie betrof. Het op het eind uitgesproken ‘tja, wat is wijsheid…’ maakte dat we er in ieder geval beide over eens waren, dat de tijd het ons misschien wel zou leren. We verwachtten van elkaar op dat moment geen antwoord. We wisten niet wat ‘wijsheid’ was. Wel was er twijfel. En misschien zelfs angst.

Dus ‘wat is wijsheid’? Goed omgaan met die twijfel? Niet laten leiden door angst? Tijd het werk laten doen? Van allemaal een beetje? Ik denk het. Maar wijsheid is vooral dóen. Niet alleen tijd het werk, maar ondertussen ook zelf aan de slag! Want je kunt je zóveel afvragen. Direct of indirect, strategisch of hypothetisch. Je kunt alsmaar blijven reflecteren op van alles en nog wat en onophoudelijke suggesties doen hoe het misschien ook zou kunnen. Je kunt over en weer blijven doorvragen, relationeel, circulair ja zelfs lineair. Maar, hoe goed bedoeld ook, dat schiet allemaal niet op. Schuif dus maar even vooruit, die twijfel. Stel de angst gewoon een tijdje uit. En dóe vooral. Dat is wijsheid. Uitgestelde angst. Vooruitgeschoven twijfel. En vooral dóen! Ik weet het zeker.

PS Voor degene die zich bij het bovenstaande toch nog van alles afvragen. Hieronder een wijze link…
http://nl.wikipedia.org/wiki/Vraag_(taal)#Retorische_vraag

In herkenning verbonden

Ruby Wax bij Twan Huys gezien? Ook Victor die zijn vraag had ingebed in een gedicht? Zó indrukwekkend. Niet alleen het gedicht, maar alles er omheen. De zichtbare strijd die hij voerde en de empathie die Ruby Wax daar tegenover zette. Ik kijk er naar en word vooral geraakt door de echtheid van wat ik zie en hoor. Indrukken en wat ze met je doen. Daar gaat dit verhaal eigenlijk over. Indrukken, zoals ook zaterdagochtend bij een begrafenismis. Ontroerende momenten die je even bezig houden. Maar eerst nog even Ruby en Victor. Hieronder zijn gedicht, in het Engels en daaronder de vertaling.

How do you want to be remembered
When finally your soul is tempered
When rest and peace fall on to thee
Then what will be, or not to be
If when there is nothing left to see
And we cry rivers in to sees
Cause the mist of autumn trees
And the humming summer bees
Your spirit’s lift so magically
Salt of earth been born in thee
But if death takes you ruthlessly
And when your soul is finally tempered
How do you want to be remembered?

Hoe wil jij herinnerd worden
Als je ziel eindelijk ingetoomd wordt
Wanneer rust en stilte je ten deel vallen
Wat is dan wel of niet
Als er niets meer te zien is
En we rivieren huilen die zeeën worden
Omdat de mist van herfstbomen
En de zoemende zomerbijen
Je ziel zo magisch optillen
Zout der aarde wees in u geboren
Maar als de dood je meedogenloos meevoert
En als je ziel eindelijk ingetoomd wordt
Hoe wil je dan herinnerd worden?

Victor en Ruby wisselden na het gedicht een paar woorden. Boordevol echtheid. Prachtig en ontroerend om te zien. Ruby beantwoordde de in het gedicht gevatte vraag. Ze nodigde hem uit voor na de show. Daarna sprak ze over haar depressies en hoe vreselijk die periodes waren. Zij kende haar eigen kwetsbaarheid en aanleg er voor. Ze zag het ook wanneer andere mensen er aan leden vertelde ze. Haar metafoor gaf feilloos aan hoe erg de ziekte was en hoe zij depressies bij anderen kon zien. ‘It’s the look of a dead shark. Look him in the eyes and you’ll see’. Confronterend. Maar ook weer zo echt. Ik moet Twan eens bij gelegenheid vragen of Ruby na de uitzending Victor nog gesproken heeft. Kan bijna niet anders na haar vraag richting Victor en het uit zijn tenen komende antwoord: ’yes!’. Echter kon het niet klinken.

Echtheid. Ik zag en hoorde het zaterdagochtend bij de begrafenis van de moeder van Peter, Paul en Lily. Tijdens een mooie dienst ontroerde mij de woorden, de zang en de aanwezigheid van oude bekenden. Peter en Petra. Paul. Lily. Hay en Christien. Er waren veel mensen in de kerk. Allemaal op hun eigen manier verbonden met haar en met elkaar. Even verenigd voor een gezamenlijk afscheid van een dierbare, een familielid of een kennis. Ik was er daar een van. Ook ooit een klein onderdeel van het leven dat nu het aardse was ontstegen.

20131104-014846.jpg
Echtheid. Zij was het die mij ooit een kleine medaille had gegeven. Die was gezegend zei ze en ik moest hem maar goed bewaren. Er in geloven hoefde niet, zei ze. Bewaren was voldoende. Het zou me behoeden. Dat zei ze en daarom zat de medaille jarenlang los tussen mijn kleingeld. Bijna uit gewoonte was ik er zuinig op. Het verbaasde me elke keer -als ik ongewild de medaille toch kwijt was geraakt- dat ik die ook weer altijd terug vond. En ik heb hem nog. Sinds kort met een veiligheidsspeld bevestigd aan de binnenkant van mijn portemonnaie. Want ook al hoef je er niet in te geloven, toch moet je wondertjes niet te vanzelfsprekend gaan vinden.

’Als je ziel eindelijk ingetoomd wordt, hoe wil je dan herinnerd worden?’ Ik herinner haar als degene die me voor altijd en alles wilde behoeden. Het enige dat ik moet doen is die herinnering koesteren. En de medaille bewaren. Zonder dat ik er in hoef te geloven. Omdat het toen al echt was, nu nog echt is en later ook echt zal zijn. Voor Peter, Paul en Lily. Bij deze sterkte. In herinnering altijd verbonden.

Uit het oog, in het hart

Hoe lang is het geleden dat ik met vrienden op zondagmiddag een potje ging biljarten in het dorpscafé. Meestal ging het biljarten over in een spelletje kaarten. Toepen. Wie het eerst zijn zeven punten kwijt was, betaalde een rondje. Dat schrijven van de punten gebeurde door één persoon, op een lei, met een krijtje. Als je schreef, dan ging daar de suggestie van uit dat je je ‘overlevingskansen’ in het spel in eigen hand had. ‘Wie schrijft, die blijft’ was de gevleugelde uitspraak. Dat ging natuurlijk lang niet altijd op. Ik kan me keren herinneren dat ik schreef en dat ik op de rand van de lei maar bij één naam de verloren rondjes kon aanstrepen. Jawel. Bij mezelf. Ik schreef en bleef. Zelfs veel langer dan gepland, samen met mijn vol leedvermaak elke keer goedkoop proostende vrienden… Ach, het was gezellig, dacht ik dan een dag later. Heel zeker wist ik dat meestal niet meer.

20131030-010010.jpg

Zou het ‘wie schrijft, die blijft’ ook opgaan, vraag ik me af, als ik er over een hopelijk hele lange tijd niet meer ben? Het is een rare kronkel, maar het schiet me te binnen als ik nadenk over de tijd die me in dit leven nog gegeven is. Ik zie in gedachten een foto voor me van mijn vader in zijn jonge jaren. De foto is gemaakt in Indië. Hij zit daar in zijn militaire kloffie. Bezig een brief te schrijven aan mijn moeder. Ik zag de foto toen ik, heel veel jaren later, een schoendoos met familiefoto’s tegenkwam. Mijn ouders waren al enige jaren dood. Wat me trof was de achterkant van de foto. Daar had hij voor mijn moeder een kort berichtje op geschreven. Ik las het en een paar momenten was hij er weer. Heel even. Omdat hij schreef en bleef.

Ik stel me voor dat ooit mijn kinderen over internet struinen, misschien wel in een net zo melancholieke bui als ik nu. Het kan dan zo maar gebeuren dat internet, de digitale schoendoos van de toekomst, hen ineens een verhaal van mijn hand voorschotelt. Misschien wel ‘Uit het oog, in het hart’, wie zal het zeggen? Wat zij dan lezen is wat ik schreef, met al in het achterhoofd dat ik niet kon blijven. Zoals ik nu lees, wat mijn vader schreef. Hij en ik, we schreven en bleven. Nu valt me op dat als je ‘bleven’ met aandacht uitspreekt, het als ‘beleven’ klinkt. Mooi woord, ook voor later. We schreven en beleven…

Wat je niet kunt veranderen, moet je zo laten. Ik besef dat -‘wie schrijft, die blijft’- een soort van remedie kan zijn tegen het onvermijdelijke. Dat je niet blijft, betekent niet dat je niet schrijft. Integendeel! Dus nu alvast voor straks, voor hen die me zo dierbaar zijn: Laat deze zinnen maar zo vaak als je wil rondgaan in je hoofd. Laat de woorden maar zachtjes botsen tegen de herinneringen van toen. En laat ze overal kleine lieve letterkusjes geven. Van mij, voor jullie. Het is een kwestie van beleven. Lezens-lang genieten…

Dit verhaal is voor iedereen -van toen, van nu en later- die ook aanvoelt dat de slogan ‘wie schrijft, die blijft’ op een wat emotionele manier een beetje wringt. Het klinkt misschien raar, maar het helpt als je ‘wie schrijft, die blijft’ met een wat rebelse bravour omzet naar: ‘wie leest, is er nog niet geweest’. Waar je niet geweest bent, daar kun je altijd nog naar toe gaan. Doe dat, geniet ervan en vooral, onthoud het. Zodat je er ook over kunt schrijven. Over dat momentje in de tijd. Een heel leven. Heel even…