Verandering?

Ik had al twee avonden tegen het themawoord aangekeken. Zelfs al enkele zinnen opgeschreven, maar die ook weer met de backspace-toets weggehaald. Omdat ik het niets vond. Nog even gedacht dat juist daar eigenlijk ook wel een aspekt van verandering in zat. Iets dat net ontstaan was op papier, weer terugbrengen naar de oorspronkelijke situatie. Terug veranderen naar opnieuw niets. Tja. Daar dan over door filosoferen? Over ‘iets’ dat opnieuw ‘niets’ wordt? Is dat verandering? Mwah.

Opnieuw niets… ook daar zit iets interessants in. Kan ‘niets’ eigenlijk wel nieuw zijn? Begonnen met ‘niets’, even ‘iets’ geweest maar weer teruggebracht naar ‘niets’. Drie momenten in de tijd. Is ‘niets’ dan hetzelfde als het ‘niets’ waarmee ik begon? Of is ‘niets’ veranderd? Als ‘niets’ hetzelfde is, dan is alles anders. Hou die even vast! Want je kunt ook zeggen dat wanneer er ‘niets’ veranderd is, alles nog hetzelfde is. Nou even opletten, want volgens mij is de optelsom van deze twee stellingen dat verandering dus eigenlijk alles bij hetzelfde laat. Ging dat te snel? Nog één keer:

Als ‘niets’ hetzelfde is, dan is dus alles veranderd
Als ‘niets’ veranderd is, dan is dus alles hetzelfde
Opgeteld: Als twee keer niets hetzelfde en dus veranderd is, dan is dus alles veranderd en hetzelfde.

Tja, en daar sta je dan… Twee keer niks…

Waar moet je dan over schrijven. Ik heb nog even gedacht om het voorgaande weer allemaal met backspace weg te halen, maar dan had ik wéér niets gehad. Voor de zoveelste keer hetzelfde, dus waar blijf je dan met je verandering?

Maar wat dan? Voor de verandering –het themawoord van vanavond- moet er toch iets op papier komen. En ineens schiet het me te binnen. Nine-eleven! Vandaag, op de dag af, dertien jaar geleden, veranderde een aanslag de wereld. De Twin Towers van het World Trade Center stortten voor het oog van de wereld in. Om één minuut voor tien ‘s ochtends de eerste –the southern tower- en negenentwintig minuten later de tweede, the northern tower. Op Wikipedia lees ik dat de tweede toren honderdtwee minuten gebrand heeft, voordat die instortte. Om aan de verbrandingsdood te ontsnappen, kozen minstens 200 mensen ervoor om zich van de torens naar beneden te laten vallen. Het werd met verschillende video- en foto-camera’s vastgelegd. Bevroren momenten in de tijd, ijskoud in meerdere opzichten. ‘Lonely 10 second journeys’. Allemaal tragisch identiek en toch stuk voor stuk totaal anders.

Die onwerkelijke beelden waren een paar uur eerder vooraf gegaan door beelden die het begrip van de wereld al compleet te boven gingen. Vliegtuigen die zich met een sierlijke boog in de torens boorden. Van de tweede aanslag was de wereld live getuige. Terwijl de mensheid nog aan het bekomen was van de ramp in de ene toren, trof een ander vliegtuig, op dezelfde manier de andere toren. Die tweede toren, die hetzelfde was als de eerste toren trof hetzelfde lot als de andere toren. Alles was al in één keer anders en werd het een tweede keer weer… Verandering in het kwadraat. Hoeveel verandering kun je als mens verdragen?

De wereld veranderde. In mererlei opzichten. Bijvoorbeeld voor de nabestaanden van de 2977 slachtoffers. De kapers niet meegerekend, voegt Wikipedia achteloos vilein toe. Maar ook voor hen veranderde alles. Want niets was meer hetzelfde.

Nu, dertien jaar later, kijk ik terug, vooruit en om me heen. Toen stond er ineens twee keer niks meer en was alles anders. Nu staat op dezelfde plek iets anders en is niets meer hetzelfde. Of toch? Zou je voor de verandering kunnen zeggen dat alles wat veranderde toch hetzelfde is gebleven? Of, naar de toekomst kijkend, dat alles wat gaat veranderen uiteindelijk toch hetzelfde blijft?

Nine/eleven

For Tower one: nothing was the same and everything changed. Tower two: Nothing changed and everything was the same. Twin towers: everything changed and was the same…

Nevertheless, for a change…

Voor de verandering.

In gedachten: Hans en Jan

Met Hans liep ik over een achterpad, dat overal uitkwam en nergens. Hij kende die paadjes, want hij woonde al zolang als hij leefde in deze buurt. Het waren de achterpaadjes van de lange rijen huizen van de mensen die er ook woonden. Het waren de, voor buitenstaanders, onzichtbare verbindingen tussen de Jan van Eechoudstraat, de Wittenhorststraat, de Prinses Beatrixstraat, de Julianastraat, de Prins Bernhardstraat enzovoorts. Dat was Hans zijn domein en daar liepen we. Acht, negen jaar, denk ik, en de wereld was van ons. Of eigenlijk van Hans, als we bij zijn thuis waren.

Hans is onlangs gestorven. Twee weken eerder had ik de felicitaties voor zijn verjaardag nog op Facebook voorbij zien komen. Die berichten gingen gepaard met sterktewensen en opbeurende gedachten dat het hopelijk snel goed zou komen. Helaas mocht dat niet zo zijn. In de overlijdensadvertentie stond in drie korte zinnen hoe het was: ‘Tot mijn grote spijt moet ik jullie mededelen dat ik ben overleden. Ik was graag nog even gebleven. ’t Gaat jullie goed!’

Tijdens een indrukwekkende herdenkingsbijeenkomst hebben veel mensen afscheid genomen van Hans. In de blauwe buitenlucht, onder een stralende zon. Een witte streep verbond langzaam een paar wolken. Niet veel later van de andere kant nog een witte streep. Alsof er ook in de lucht een kruis getekend moest worden. Ik keek er naar, in gedachten, en luisterde tegelijk naar de woorden over Hans.

Hans kende de smalle paadjes achter de huizen. Daar liepen we. Acht jaar, misschien negen. Ik liep voorop omdat Hans achter me aan liep. In één keer sloeg er vanuit een van de achtertuintjes een grote hond aan, juist op het moment dat ik voorbij het tuinhekje liep. Hans zag me enorm schrikken en dat maakte in dezelfde seconde zo’n indrukwekkende reactie bij hèm los, dat weer slechts een paar milliseconden later de hond jankend afdroop. Net als ik was de hond enorm geschrokken. Maar Hans stond gelukkig aan mijn kant. Oprecht verontwaardigd over wat dat beest mij had aangedaan. En dat werkte. Het voorval, en vooral Hans z’n vastberadenheid, is nooit meer uit mijn herinnering gegaan.

Het zal misschien in diezelfde zomermaanden zijn geweest. Een andere herinnering die me altijd is bijgebleven. Ik mocht met Hans en zijn ouders, Toos en Jan, mee op vakantie. Ik denk dat Erik, Hans broertje er ook bij was, misschien ook wel met een vriendje, maar dat weet ik niet zeker. Volgens mij waren we op de Schatberg, maar voor mij voelde het toen als een wereldreis. Mijn wereld speelde zich in die tijd vooral af in mijn hoofd, door de gespannen situatie bij ons thuis. Later heeft Jan me ooit verteld dat hij en Toos dat wisten en dat ik ook om die reden mee mocht met hen.

Mijn herinnering gaat terug naar een plek aan de zijlijn van een voetbalveld. Rondom het veld stond publiek en op het veld werd fanatiek gevoetbald. Ik vermoed dat ik met Hans, op onze knieen in het gras, naar die wedstrijd keek, en dat de ouders van Hans vlak bij ons stonden. Ik weet dat niet zeker, want op dat moment in gedachten verzonken, ontging me de hele wedstrijd.

In mijn geheugen gegrift staan echter de volgende beelden, die, ook hier, elkaar in millisecondes opvolgden: ik zie mezelf, starend in het groene niets; ik zie een vuist van achter mij verschijnen, die stopt vlak voor mijn neus, en ik zie en hoor tegelijk een levensgrote voetbal op die vuist met een knal terechtkomen en evenzo hard terugspatten, het veld in. Nog hoor ik het diepe ‘oooooh’-geluid dat er meteen op volgde, van alle toeschouwers. Ik keek om, in de ogen van Jan, zag een glimlach op zijn gezicht, en hoorde hem zeggen: ‘doa haadde geluk wah menke…’. En zo was het.

Nu is Jan een paar dagen geleden ook gestorven. Een week na Hans. Voor Toos en Erik en de familie een keiharde, en bijna niet te bevatten realiteit. Gisteren was er op de Wevert opnieuw een herdenkingsbijeenkomst. Daar kon ik niet lijfelijk bij aanwezig zijn, maar ik was er in gedachten. Ook vandaag weer even.

Ik stel me voor dat Hans daarboven Jan rondleidt over de witte paadjes achter de wolken. Diezelfde paadjes die een week eerder al werden aangelegd in de lucht, op de vrijdag dat Hans afscheid nam. Ik keek er toen naar maar zie nu pas waarom. In gedachten. Net als een week eerder. Ik zie ze vastberaden samen op pad. Ons bedroefd achterlatend, maar met de zekerheid van de mooie herinneringen.

Stilte is geen optie…

Stil zijn is geen optie. Ook niet als het maar één minuut is. Die ene minuut stilte, door miljoenen, gaat zwijgend verloren in het lawaai van miljarden. En ik maak er deel van uit, van zowel de stilte als van het lawaai. Waar een stil eerbetoon op zijn plaats is, uit respect voor de slachtoffers en de nabestaanden, klinkt tegelijkertijd schreeuwend luid de veroordeling. Maar van wie? Want ook de schuldigen zijn een minuut stil. En zij die veroordelen zelf niet allemaal onschuldig.

En ik? Ik zie veertig lijkwagens op tv. Ik zie duizenden mensen op viaducten staan. Ze strooien bloemen over de langzaam rijdende zwarte stoet. Ik word getroffen door die man van Rijkswaterstaat, die uit zijn vrachtwagentje stapt om die bloemen meteen weer van het wegdek te verwijderen. Was dat zijn opdracht? Eigen initiatief? Het is een hopeloze missie, want de stoet moet door en de bloemen te talrijk. Ik zie het, omdat de helicoptercamera dit moment voor mij heeft vastgelegd. Per ongeluk, denk ik, en zeker niet bewust, want snel ben ik vanuit grote hoogte weer deelgenoot van de schrijnende werkelijkheid. Met zovelen ben ik onder de indruk. Stille getuige op afstand… van getuigenissen dichtbij.

De tv neemt mij mee naar de traan van Maxima. De zorgvuldig buiten beeld gehouden nabestaanden. De omhelzing van Timmermans. De vastberadenheid van Rutte. Bijna tegelijkertijd lees ik over nalatigheid, over gespeelde betrokkenheid van BN’ers, over slappe inzet van onze regering en over slecht gemaakte herdenkingsliedjes van een enkeling. De Telegraaf die in chocoladeletters kopt over ‘inzet commando’s” waar ik vanochtend in de Limburger nog las over ‘ongewapende marechaussee’… Zoveel lawaai, daar waar ook respect en stilte had kunnen zijn.

Maar stilte is geen optie meer. Dat vergt namelijk ook afstand en die is er niet. We staan er met z’n allen te dicht op en kunnen helaas niet anders. Iedereen mag doen wat hij of zij meent te moeten doen. We zijn met teveel om het samen eens te zijn. En met te weinig om een enkeling te willen begrijpen en respectvol te bejegenen. We hebben de middelen en we gebruiken ze. Goedschiks en kwaadschiks. De een ruimt plichtsgetrouw de bloemen op die de ander respectvol heeft uitgestrooid… Je zou er stil van worden. Maar helaas is dat geen optie meer.

Voor de verandering…

Kwartaalcafé

Al vier jaar, als ik goed geteld heb, zien we elkaar elke drie maanden in café Cambrinus. We, dat is een elftal gelijkgestemden, die -heel basic- zelfgeschreven verhalen vertellen aan elkaar. Elk kwartaal, in één café. ‘Kwartaalcafé’ dus, hoewel het geen toeval is dat ook het woord ‘taal’ in de naam is verborgen. Elke keer is letterlijk één woord aanleiding om drie maanden later van elkaars aanwezigheid en van elf totaal verschillende verhalen te kunnen genieten. Dat wil zeggen, als iedereen er is.

De meesten van ons komen uit Horst aan de Maas. Eén komt bijna elke keer vanuit Maastricht en zo nu en dan sluit ook een creatieve geest uit Nijmegen aan. De laatste keren waren zij er niet bij. En weer drie anderen bleken laatst om verschillende redenen eveneens niet aanwezig. Maar allez, ook zes verhalen is in de ambiance van café Cambrinus geen straf. Integendeel. Onder het genot van een lekker biertje of wijntje is aantal om meerdere redenen niet zaligmakend. Of misschien toch wel? Want net zo goed. Ze worden gemist, die anderen. Dus zou je ook kunnen zeggen dat het aantal aanwezigen júist zaligmakend is.

Voor de volgende keer, 11 september, is het woord ‘verandering’ gekozen. Ik neem alvast een voorschotje. Door me onder andere de vraag te stellen hoe veranderlijk de samenstelling van het Kwartaalcafé mag zijn. Of, wat óók kan, hoe anders elk verhaal is ten opzichte van het andere verhaal. Het mooie vind ik dat elk verhaal veelal aanleiding is om er met elkaar nog eens spontaan en goed over door te praten. Over het thema, over de inhoud, de wendingen, de creatieve vondsten. Over de wel of niet op autobiografische waarheid berustende onderdelen ervan. Over de cyclische elementen. De filosofisch diepere betekenis of de psychische (on)diepten ervan. Over de al dan niet verwoordde eigen geschiedenis of toekomst van de schrijver of schrijfster. Het is elke keer een mooi samenspel van in de kern gelijke geesten. Elf. Of zes, zoals laatst. Of acht. Maakt niet uit. Zo voel ik dat tenminste.

Ik schrijf bewust ‘voel’, omdat naast gevoel ook nog zoiets bestaat als ‘verstand’. Vanuit het verstand had ik kunnen schrijven ‘vind’. ‘Zo vind ik dat’. Als een mening. Een mening over het al dan niet zaligmakend zijn van ‘aantal’ in ons taalclubje. Onlangs nog kort met de initiatiefnemer van het Kwartaalcafé over gesproken. In hoeverre, vroegen we ons af, heeft ‘commitment’ invloed op dat ’aantal’. Wat motiveert mensen om er bij te willen zijn. Wat ‘motiveert’ hen om er niet te zijn. Mensen maken eigen keuzes. Telkens weer. En wat vind ik daar nu eigenlijk van. Een aantal is een vaag getalsbegrip. Een tiental is al wat precieser, maar het meest preciese is toch de optelsom van alle individuen. Vind ik dat de uitkomst van die optelsom altijd hetzelfde, c.q. maximaal moet zijn? En wat vinden de anderen?

Daarover verschilden we de laatste keer tijdens het Kwartaalcafé niet echt van mening. Gevoelsmatig en in het ideale geval zou de uitkomst 11 moeten zijn. De werkelijkheid laat zich echter moeilijk in gevoel vangen, hoewel datzelfde gevoel er wel door wordt ingekleurd. We missen onze medeschrijvers, maar missen zij ons op datzelfde moment ook? Ja, zegt de een. Misschien, zegt de ander. Is het eigen of gezamenlijke verantwoordelijkheid? Moeten of mogen we samen een mening hebben over wat een individu denkt of over hoe hij of zij handelt? Of nog abstracter: Mogen ‘we’ –als groep- iets vinden van wat een ‘ik’ vind? Iets in mij zegt van niet.

Als dat namelijk zo zou zijn, dan zegt mijn innerlijke rechter dat het omgekeerde ook zou moeten mogen. Dan zou wat ‘ik’ vind ook bepalend moeten mogen zijn van wat ‘we’ vinden. En als je vindt dat dat niet zo is –democratisch geschoold zoals we zijn- dan zou enkel over blijven dat ik mijn mening per definitie moet aanpassen aan de meerderheid. Uit een soort groepstrouw, of clubgevoel. En daar schuurt het voor mij. Nou is dat misschien heel persoonlijk. Een karaktertrek die er voor zorgt dat ik koste wat het kost een eigen afweging wil kunnen maken. Afgezien van alle omstandigheden die een eigen keuze soms zeer relatief maken, wil ik toch het gevoel hebben zelfstandige beslissingen te kunnen nemen. Het op mijn manier te mogen doen. Eigenzinnig te mogen zijn.

Ik maak de keuze om aanwezig te zijn, vier keer per jaar, bij het Kwartaalcafé, omdat ik dat een voor de hand liggende keuze vind. Voor mezelf. En ik mis de anderen, die op dat moment een andere keuze hebben gemaakt. Maar ik vind niet dat ik, als onderdeel van een geheel, iets van die afwezigheid moet vinden. Dat moeten ze zelf doen. En dat doen ze ook. Gelijkgestemde geesten, met soms een andere mening en een andere afweging. Misschien wel juist daarom steeds een eigen verhaal. Is het niet nu, dan toch zeker later. Dat hoop ik tenminste. Dat voel ik nog meer. Dat vind ik. Denk ik. Laat ik het eens opschrijven… voor de verandering.

Beeldmoeheid

Onze wasmachine is gestopt met wassen. Of eigenlijk, hij is gestopt met draaien, en dan wast het behoorlijk lastig. Tegelijkertijd is onze tv -modelletje koelkast uit de vorige eeuw- symptomen gaan vertonen van beeldmoeheid. Ook daar is enige uitleg op zijn plaats. de beeldverhouding van onze oude Philips is 4:3. Dat was in die tijd, voor mijn gevoel een paar jaar na de oorlog, een hele gangbare maat. Op de een of andere manier heeft onze tv nu signalen opgepikt uit de atmosfeer van andere beeldverhoudingen. Hij schakelt spontaan van zijn eigen formaat over naar een 16:9, 9:8 of 12:7. Dat zou op zich nog te hebben zijn, ware het niet dat hij dat met een frequentie doet, waar een moderne lcd-tv bewonderend naar zou kijken. Met andere woorden, het beeld flikkert als de neten.

Net als onze wasmachine hoort onze tv bij de categorie gedateerde elektronische apparatuur, waarvan je kan zeggen: vroeger waren het goeie. Daarom hebben we vandaag een nieuwe tv en een nieuwe wasmachine gekocht. Wat moet dat moet. Bovendien kregen we er een stofzuiger voor niks bij. En dat is prima, omdat onze eigen stofzuiger volgens mij gekocht is, nèt vóór onze philips tv. Ook van Philips trouwens, de ’T 500S de luxe’, dus dan weet je het wel…

Ik verdenk de makers van electronische apparatuur er van dat ze in elk apparaat geheime zenders inbouwen. Zenders die alleen kunnen communiceren met andere electronische apparatuur. Het kan namelijk geen toeval zijn dat wanneer er een tv kuren vertoont, vaak ook de computer, de voordeurbel of in ons geval de wasmachine zich vreemd gaat gedragen. Sommige apparaten verweren zich tegen die negatieve invloeden van hun mede-apparatuur, maar de meesten hebben stilzwijgende geheime afspraken over hun onderlinge levensduur.

Afijn, omdat dat zich allemaal op geheim niveau afspeelt is daar niks aan te doen. Bovendien is er een hoger doel en dat is dat we met elkaar een consumptiemaatschappij in stand moeten houden. Dus ook daarom moet je niet te lang stilstaan bij vooraf ingebakken mankementen van je huishoudelijke apparatuur. Daar komt nog bij dat die mankementen altijd te wijten kunnen zijn aan eigen onoordeelkundig gebruik. Een beetje verkoper heeft je in no-time een schuldgevoel aangepraat dat er voor zorgt dat eigenlijk jij het bent die niet goed heeft gefunctioneerd. Om die schuld in te lossen kun je nog maar één ding doen, en dat is ter plekke nieuwe apparaten aanschaffen. En dat hebben we vanmiddag dus gedaan.

Straks komt onze nieuwe tv. Volgende week dinsdag onze nieuwe wasmachine. Wanneer die hier in ons huis staat te wassen krijgen we van dezelfde firma de nieuwe stofzuiger. Onze oude stofzuiger zal dus een paar dagen lang van de nieuwe tv moeten aanhoren wat voor een verschrikkelijk oud beestje het is. Na dinsdag komt daar nog de hoon overheen die de nieuwe wasmachine met geheime signalen over onze ’Philips T 500S de luxe’ zal uitstorten. Ik verwacht dat onze stofzuiger daar heel goed tegen zal kunnen. Hij heeft al hetere vuren doorstaan en menig electronisch apparaat ruimschoots overleefd.

Wanneer echter straks de nieuwe stofzuiger op ons huisadres zal worden afgeleverd, vermoed ik dat het oude beestje spontaan de geest gaat geven. Tegen zoveel miskenning van jarenlange trouwe dienst kan ook hij niet op. Maar niet na een laatste symbolische daad. Met een laatste krachtsinspanning van 220 volt zal hij zijn moderne broertje van geheime repliek dienen. Hij zal tegelijkertijd de nieuwe wasmachine en de nieuwe tv met de mond vol electronische tanden laten staan. Het schaamrood verschijnt op hun tiptoetsen en digitale displays, als onze ’Philips T 500s de luxe’ met zijn laatste zuigkracht slecht twee woorden zal doorseinen aan álle nieuwerwetse apparatuur om hem heen: Suck you!

Allemaal anders…

Vorige week was ik twee dagen ziek thuis. Kuchen, keelpijn, koortsig, kriebelhoest en waterogen. Het stond in geen enkele verhouding tot alle andere ellende in de wereld, maar toch. Koortsdromen gaven aanleiding tot momenten van bezinning, waarvan ik op dit moment de waarde niet helemaal kan inschatten. Even wat doorfilosoferen ‘op papier’.

In de Limburger las ik vorige week in de rubriek ’De mening’ het verhaal van onderzoeksjournalist Rob Cox. Hij ging in op de menselijke maat binnen veranderende organisaties. Of liever gezegd, het ontbreken van de menselijke maat. Hij had het over de Zorggroep en het UWV en schreef over de planmatige opstelling en de regeltjesmentaliteit die er was gaan heersen. De menselijke maat kwam daardoor in het geding volgens Cox.

Waarom moest ik, koortsig en net na een hoestbui, denken aan mijn werk, vroeg ik me al lezend af. Was het omdat ook bij ons ’de organisatie’ bezig was met veranderen? Verandering, omdat ze zich meende te moeten aanpassen aan de snel veranderende wereld om haar heen? En als dat zo was, was het dan wel zo vanzelfsprekend dat het individu zich binnen die organisatie daar dan dienstbaar aan maakte?

Tussen twee hoestbuien door besloot ik wat afstand te nemen. Ik dacht na over het doel van een gemeentelijke organisatie. In de kern was dat toch dienstverlenend zijn naar z’n inwoners toe. Aan de voorkant kwamen mensen met vragen, die met behulp van de achterkant moesten worden beantwoord. Sinds 2010 moest die achterkant via deregulering en digitalisering de dienstverlening op een hoger peil brengen. En dat niet alleen. De dienstverlening moest vooral ook meetbaarder worden gemaakt. Verhoudingen bepaalden steeds meer het beleid. Verhoudingen tussen getallen, niet tussen mensen.

Meten was weten. Weten was kennis en kennis macht. Macht over de toekomst van een wereld waarvan we alleen maar wisten dat die heel snel veranderde. Ik voelde me alsof ik niet van die wereld was, want ik veranderde niet snel genoeg mee, dacht ik kuchend. De organisatie wel. Dat was al bijna een wereld die bijvoorbeeld via het click-call-face-principe de volgorde en manier van antwoorden had bepaald. Bij voorkeur geformaliseerd in vooraf gedefinieerde, digitale werkprocessen, zodat de organisatie aan het woord kon zijn. En wat minder de mens.

Was het alleen in mijn koortsige beleving dat ik door flexplekken, virtuele werkomgevingen en procesafspraken het individu alsmaar meer uitwisselbaar zag worden? Niet het individu maakte de organisatie maar de organisatie maakte het individu. Allemaal vervangbare onderdelen van het geheel. Niet ’wie ben ik’ maar straks misschien vooral ’waar ben ik’? Ach, dat hoefde waarschijnlijk allemaal nog niet zo slecht te zijn. En misschien kon het ook echt niet anders.

Alleen… de planmatige afspraken die er mee gepaard gingen. De verantwoording die voortdurend naar elkaar moest worden afgelegd. En eigenlijk alleen maar, leek het, omdat we die steeds meer elkaar óplegden. Zowel ’horizontaal’, binnen de eigen afdeling en tussen afdelingen onderling, alsook in ’verticale’ richting, binnen de managements- en bestuurslagen. Het leek alsof we met elkaar een controlecultuur tot stand hadden gebracht. In mijn -op dat moment weliswaar waterige- ogen, had die soms wat krampachtigs.

Koortsachtig, voortdurend onder tijdsdruk, werkten we aan wat een veranderende wereld noodzakelijk maakte. Het moest, maar niet iedereen leek meer precies te weten waarom. Tegelijk vonden we niet de tijd om onder die druk anderen echt te ontmoeten. Of om ons af te vragen of het allemaal wel echt zo moest. Want waarom ook? Deregulerend en digitaliserend verleenden we in ieder geval de organisatie een dienst. Toch? Maar onszelf? Ik mezelf?

Gelukkig was ik na twee dagen weer beter… En was het allemaal weer anders.

Écht onder de indruk

Het was zaterdag. Tussen negen uur die ochtend en twee uur ’s middags. Muziek was de verbindende factor, maar de mensen die er door waren verbonden, maakten vooral indruk op me. Ieder op zijn of haar manier. Tussen het presenteren en aankondigen door heb ik soms ademloos geluisterd en gekeken. Ik zag echtheid. Be- en verwondering. Pure emotie soms, in de letterlijke betekenis van beide woorden. Genieten. En een spiegel voor mezelf, realiseerde ik me ook.

De generale repetitie was vandaag. De negen kandidaten van Funfactor hadden er naar uitgekeken. Zij waren overgebleven uit de voorronde van een dikke maand eerder. Zij, plus nog een reserve. Met z’n tienen stonden ze vanochtend op de bühne. De begeleidingsband FEZZ had hun nummers de afgelopen weken ingestudeerd. De vanzelfsprekendheid waarmee FEZZ dat al een paar jaar doet is een voorbeeld van mijn eerste genieten vanochtend. FEZZ liet zien en horen dat het instuderen van de nummers prima gelukt was.

Wat volgde was tien keer een muzikale ontmoeting. In mererlei opzichten. De band met de Funfactor-artiest, maar ook de ontmoeting van deze muzikale samensmelting met het meegekomen publiek. Tel daarbij de sfeervolle en gastvrije ambiance op van de aula van het mooie gebouw van de Gilde-opleidingen en het plaatje is compleet. Voor mij ’n tweede voorbeeld van de verwondering van deze ochtend en middag.

Bewondering, vervolgens voor de Funfactor-artiesten zelf. De verscheidenheid aan emoties en vooral de echtheid ervan, raken me telkens weer. Het pure plezier van de één komt binnen zonder kloppen terwijl de diepe concentratie van de ander een bijna even zo diepe indruk bij me achterlaat. Binnen de kaders van hun mogelijkheden lijkt er geen enkele grens. De zachte, zuivere stem van een kandidate met een door een spasme beperkte ademsteun maakt net zoveel indruk als het enthousiaste stemgeluid van een door adrenaline bijna stuiterende energiebundel. Wat een echtheid, denk ik, terwijl ik er naar kijk. Puur, zonder bijgedachten. En dat maakt me stil.

Een duo, twee totaal van elkaar verschillende individuen, accordeert muzikaal perfect met elkaar. Een jongen en een meisje. Een deel van de fans is herkenbaar aan de haren van de zangeres. Duizend vlechtjes, ritmisch van symmetrie. Het laat de gedetailleerde aandacht zien die de mensen om haar heen aan haar hebben gegeven. En aan elkaar, want dezelfde vlechtjes zie je ook bij haar zussen en haar moeder. Bewondering, ook voor dat onderdeel van deze muzikale happening. Muziek verbindt, maar elkaars haar op liefdevolle wijze doen doet daar niet voor onder. Verbondenheid kent vele gedaantes.

Van wéér een andere orde is de verbondenheid die de vrijwilligers van Funfactor ten toon spreiden. Naar elkaar toe maar zeker ook naar de Funfactor-kandidaten toe. En, wetende dat Funfactor onderdeel uitmaakt van Funpop, nóg meer verbondenheid door de aanwezigheid van een aantal Funpop-vrijwilligers bij de generale repetitie van Funfactor. De jongste vrijwilliger die aanwezig is, met knalrood Funpop-shirt, is volgens mij bijna één jaar. Het liedje ’de glimlach van een kind’ lijkt voor hem gezongen.

En zo komen ze voorbij, in een ochtend en een middag. Voorbeelden van echte emoties en pure bewondering. Je moet je er wel even voor openstellen maar heel veel moeite kost dat niet. Juist vanwege die echt- en oprechtheid. Geen verpakking van voorbedachte rade of aangeleerde terughoudendheid. Geen sluiers van gekunstelde correctheid of dubbele agenda’s. What you see is what you get.

En dat, opnieuw, maakt me stil. Van respect. En van het besef dat wat deze mensen uitstralen van een kwaliteit is die bij lange na niet door iedereen van ons wordt gehaald. Laat ik voor mezelf spreken en die spiegel van vandaag vooral mezelf voorhouden. Want tot in het diepst van mijn vezels voel ik dat er in dat opzicht nog werelden te winnen zijn. Een ontdekkingsreis is op zijn plaats. Een wereldreis naar emoties.

Ik beperk me, ter illustratie ervan en tot slot, tot een paar titels van liedjes die vandaag gezongen zijn. Voor die het wil en zich er in herkent, te gebruiken als routekaart voor een mogelijk ophanden zijnde reis naar de eigen emoties. Want, zoals gezegd, je moet je er wel even voor open stellen en het willen zien: kijk bijvoorbeeld eens ècht naar ’de glimlach van een kind’.

’Vrienden voor het leven’, ’Would you be happier’ en ’Love shine a light’ zijn drie andere titels die tot denken kunnen aanzetten. Doe er uw voordeel mee. Ik wens ook u alvast een prettige reis. En als u een mooi tussenstation zoekt, dan zou dat Funpop kunnen zijn, op 24 en 25 mei aanstaande. Op zondag 25 mei kunt u de kandidaten van Funfactor komen bewonderen. Ik beveel het u van harte aan. Écht waar!

Wijsheid is vooruitgeschoven twijfel

De afgelopen dagen heb ik opnieuw een paar keer de opmerking ‘wat is wijsheid’ gehoord. Niet uitgesproken met een vraagteken, maar wel een beetje zo bedoeld. Een vraag waarin het antwoord lijkt te zijn inbegrepen. ‘Retorisch’ heet dat volgens mij. Omdat ik niet meteen op het woord ‘retorisch’ kon komen, heb ik dat via Google opgezocht. Poeh, dan schrik je wel even. Ik wil alleen ‘retorisch’ vinden, maar ik word geconfronteerd met nog veel meer vraagsoorten. Komen ze: Open, gesloten en keuzevraag; directe en indirecte vraag; gerichte of lineaire vraag; strategische vraag; reflectieve vraag; retournerende vraag; doorvraag; relationele en circulaire vraag; negatieve vraag; suggestieve vraag; retorische vraag -die zocht ik- en, om het lijstje af te ronden, de hypothetische vraag.

Boven die indrukwekkende lijst staat dat een vraag een zin is die bedoeld is om informatie in te winnen, een verzoek te uiten of tot denken aan te zetten. Nou, dat laatste aspekt, dat werkt… Was ‘wat is wijsheid’ al die keren wel retorisch bedoeld, vraag ik me af. Of zou de opmerking misschien met een suggestieve danwel hypothetische bedoeling zijn gemaakt? En misschien zit er daarom wel verschil tussen wat de één met ‘wat is wijsheid’ bedoelt en wat de ander met zo’n opmerking voor ogen heeft. Wat is wijsheid, vraag ik me nu eigenlijk -nóg meer dan daarnet- af…

Ik stoei wat met bedenksels als ‘wijsheid is uitgestelde angst’ en ‘wijsheid is vooruitgeschoven twijfel’. Om de reden daarvan duidelijk te maken moet ik even de situatie schetsen waarin de opmerking werd gemaakt. We zaten met z’n tweeën te praten over een confronterend en emotioneel onderwerp. Het onderwerp maakte bij ons allebei wat los, maar of het ook dezelfde gedachten of vragen opriep,  dat werd me niet duidelijk. Niet, wat de emotie aanging en niet wat de confrontatie betrof. Het op het eind uitgesproken ‘tja, wat is wijsheid…’ maakte dat we er in ieder geval over eens waren, dat de tijd het ons misschien wel zou leren. We verwachtten van elkaar op dat moment geen antwoord. We wisten immers niet wat ‘wijsheid’ was. Wel was er twijfel. En misschien zelfs angst?

Dus ‘wat is wijsheid’? Goed omgaan met die twijfel? Niet laten leiden door angst? Tijd het werk laten doen? Van allemaal een beetje? Ik denk het. Maar wijsheid is vooral dóen. Niet alleen tijd het werk, maar ondertussen ook zelf aan de slag! Want je kunt je zóveel afvragen. Direct of indirect, strategisch of hypothetisch. Je kunt alsmaar blijven reflecteren op van alles en nog wat en onophoudelijke suggesties doen hoe het misschien ook zou kunnen. Je kunt over en weer blijven doorvragen, relationeel, circulair ja zelfs lineair. Maar, hoe goed bedoeld ook, dat schiet allemaal niet op. Schuif dus maar even vooruit, die twijfel. Stel de angst gewoon een tijdje uit. En dóe vooral. Dat is wijsheid. Uitgestelde angst. Vooruitgeschoven twijfel. En vooral dóen! Ik weet het zeker.

PS Voor degene die zich bij het bovenstaande toch nog van alles afvragen. Hieronder een wijze link…
“>http://nl.wikipedia.org/wiki/Vraag_(taal)#Retorische_vraag

Twan Huys

20140420-125742.jpg
Op donderdag 14 april, vorige week precies drie jaar geleden heb ik Twan Huys mogen interviewen. In Griendtsveen stond hij op de zeepkist en hij vertelde voor een zeer aandachtig publiek een klein uur over zijn leven en zijn werk. In zijn boek ‘Over Geluk’ heeft hij dat heel knap samengevat. Hij schrijft daarin over zijn jeugdjaren in Horst. Over zijn vroege en hele diepe wens om de wereld in te trekken, aangewakkerd door een grote mate van nieuwsgierigheid. Die vervolgens leidde tot zijn loopbaan als oorlogsverslaggever, America-correspondent en huidige presentator van o.a. Nieuwsuur.

Indrukwekkende woorden sprak hij. Over ‘bulletbaby’s’ bijvoorbeeld. Een gangbare term in ziekenhuizen in Somalië, waar men ongeboren kinderen met een schotwond in hun lijfje probeerde te redden uit doodgeschoten moeders. Of zijn beschrijving van ‘butterfly-mines’. Kleine mijnen die op vlinders leken en daardoor een onweerstaanbare aantrekkingskracht hadden op kinderen. Met die filosofie ook gemaakt, want kinderen van de vijand, zijn later, zonder handen of benen, veel minder gevaarlijk.

Twan vertelde over de adrenaline-rush die veel oorlogsverslaggevers verslaafd maakt aan hun werk. Over zijn eigen keuze om met dat werk te stoppen, toen hij op een onthutsende wijze geconfronteerd werd met het steeds grotere entertainment-element van oorlog. Tientallen TV-satelietwagens op de plek waar Kosovaarse vluchtelingen met duizenden voorbij liepen en een Belgische journaliste van een Privé-achtig blad, die ter plekke vroeg welk conflict er eigenlijk precies speelde. Ze had de opdracht gekregen daar een verhaal van te maken, dus tja…

Beelden, vertaald in woorden, die indruk maakten. Geluk lijkt dan wat haaks te staan op die verschrikkingen, maar het is van de andere kant ook wel begrijpelijk dat je juist na al deze beelden en ervaringen daar naar op zoek gaat. Het was juist die zoektocht, waar de aanwezigen in Herberg ‘De Morgenstond’ zeer nieuwsgierig naar waren. Ik mocht als presentator de vragen van de aanwezigen aan Twan doorspelen. Een soort NOVA-College Tour in het klein, zeg maar.

‘Over geluk’ kreeg een hele plaatselijke vertaling. Twan’s vader en moeder, die nog steeds in Horst wonen, zag ik trots naar hun zoon kijken, terwijl die ontspannen alle vragen beantwoordde. Soepel werd ‘Over geluk’ verbonden aan de middag zelf en aan de goede doelen, CliniClowns en Funpop. De cheques voor beide goede doelen van de organiserende stichting ‘De Peelkabouters’ waren al indrukwekkend, maar het was Twan die het geluk van met name Funpop nog wat vergrootte. Want uiteindelijk stelde hij de verkoopopbrengst van zijn meegebrachte boeken geheel ter beschikking aan Funpop. In een half uur leverde dat nog eens 1101 euro extra op.

Hij bracht, zonder daar volgens mij zich heel bewust van te zijn, één van zijn eigen antwoorden in de praktijk: Er werd hem gevraagd of hij van al die ervaringen -de mens op z’n slechtst- niet heel cynisch was geworden. ‘Nee’, zei hij zonder enige aarzeling, ‘cynisme zit niet in mij. Want naast al de verschrikkelijke dingen die je ziet, zie je tegelijk ook hele mooie dingen’. In een half uur méér dan duizend euro sponsoren is daar wat mij betreft een voorbeeld van. ‘Over geluk’ gesproken. Inspirerende ontmoeting. Mooie vent, die Twan Huys.

Hellend vlak

Op een maandagavond, het kan ook vrijdagavond zijn geweest, met Egbert het onderwerp ‘Hellend vlak’ eens nader onder de loep genomen. Ik meende de betekenis wel te kennen. Mezelf op een hellend vlak begeven, betekende in mijn beleving zoiets als ‘in een mogelijk gevaarlijke situatie terecht komen’. Niet fysiek gevaarlijk, maar in de figuurlijke betekenis, in de zin van potentieel nadeelbrengend.

Voor de duidelijkheid toch maar even gegoogled. Drie betekenissen kwam ik tegen. Uit de retoriek, uit de scheepvaart en uit de mechanica. Omdat ik niks met scheepvaart en mechanica heb, komt mijn invulling van hellend vlak dus uit de retorica. Interessant. Ik wist dat niet. Een hellend vlak, of glijdende schaal, blijkt een argument te zijn waarmee je beweert dat een bepaalde actie een reeks opeenvolgende gebeurtenissen zal veroorzaken die uiteindelijk tot een (meestal ongewenst) einde zullen leiden. Soms is een hellend vlak een terecht argument, maar vaak gaat het ook om een drogreden. Of, zoals de retorica uitlegt, als B niet onherroepelijk uit A volgt is er geen redengevend verband, en dan is het argument een drogreden. Waar het in de kern dus om gaat is het causale verband tussen A en B. Dat bepaalt of een hellend vlak een drogreden is of niet.

Interessant toch? Ik wist dat echt niet. Die maandagavond, het kan ook vrijdagavond zijn geweest, begaven Egbert en ik ons op het hellende vlak van de logica. Want wat de encyclopedie me ook leerde was dat er nog een heleboel andere argumenten te benoemen zijn. 44 om precies te zijn. Uit die lange, veelal latijnse, opsomming een paar aardige voorbeelden. Het argument van de onwetendheid bijvoorbeeld: Argumentum ad ignorantiam. Of het argument van het stilzwijgen, het argumentum ex silentio. Of neem de overhaaste generalisatie, ook wel het secundum quid genoemd.

Drogredenen op basis van onjuiste vooronderstellingen zijn er ook. De Ad Hominem (op de man spelen) en de Ad Populum (met het oog op het volk). Ad Verecundiam staat voor het autoriteitsargument en de Ad Chartam is een drogreden die een beroep denkt te moeten doen op documenten of papier. Leuk hè? Een opvallende die een beetje op zichzelf staat was de Reductio ad Hitlerum. Daar kom ik zo nog even op terug. Weer andere argumenten liggen in de sfeer van de emoties. Meerdere Ad Passiones zogezegd. De Ad Metum in Terrorem bijvoorbeeld of de Ad Baculum, die beiden een beroep op de angst doen. Of neem de Ad Odium, die een beroep doet op wrokgevoelens. De Ad Misericordiam heeft betrekking op medelijden dat kan worden opgewekt. Terecht of onterecht.

Nog een andere categorie van argumenten heeft een semantische achtergrond. De Ad Nauseam staat voor de nodeloze en misleidende herhaling. De Ignoratio Elenchi is een manier om argumenten niet inhoudelijk te weerleggen maar de argumenten zelf weer als reden op te voeren van de weerlegging. Volgen jullie het nog? Dan snappen jullie deze ook nog wel. De Petitio Principii oftewel de cirkelredenering. Die valt in dezelfde categorie als de Ad Consequentiam, wat zoveel betekent als een beroep doen op de gevolgen. In consequentiam zit consequentie. Dat vind ik dan weer interessant.

En nog één om het af te leren. Wel een toepasselijke: De Reductio ad Absurdum. Het bewijs halen uit het ongerijmde, het absurde. Daarmee weerleg je een stelling door een absurdisme. Logisch toch? Waar een maandag- of een vrijdagavond toch niet allemaal toe kan leiden hè? En dat brengt me ook bij het argument waar ik nog even op zou terugkomen: Een woordspeling op de Reductio ad Absurdum: de Reductio ad Hitlerum. Deze drogreden is een specifieke Ad Hominem. Dat is op de man spelen, weet je nog? Als iemands argument of mening overeenkomt met iets dat Adolf Hitler en/of de nazi’s ook vonden, is het automatisch verwerpelijk en/of fout. Een paar voorbeelden:

  • “Hitler was ook vegetariër.”
  • “Meer snelwegen? Dat vond Hitler ook.”

Waarom deze hele opsomming uit de retoriek? Omdat ik bij elk argument steeds opnieuw een associatie meen te kunnen leggen met de uitlatingen van Geert Wilders. Opmerkingen en vragen, veelal in niet meer dan140 tekens. Een selectie van de maand maart.

1 maart: ‘In wat voor land leven we? Miljarden voor het buitenland en hier ouderen op straat schoppen? Schaam je kabinet en CDA!
2 maart: ‘Ellende in Oekraïne is resultaat van EU buitenlands beleid!’
4 maart: PVV: Nu belastingverlaging, stop afbraak zorg!’
5 maart: ‘Totaal gestoord: EU geeft 11 miljard aan de Oekraïne. Ook ons geld. En in NL is geen geld voor belastingverlaging?
12 maart: ‘PVV-kiezers stemmen voor een stad met minder lasten en als het even kan wat minder Marokkanen’
14 maart: ‘Sidali teruggefloten door Spekman, neemt woorden terug. Verstandig. Vertrek naar Marokko zou nog verstandiger zijn.
19 maart: ’Willen jullie meer of minder Marokkanen?
27 maart: ‘Walgelijk dat Rutte politiek bedrijft over de rug van kinderen’
29 maart: ’Mark, ga je vandaag de kinderen van juweliers troosten?’

Wat was ook alweer een drogreden? Als B niet onherroepelijk uit A volgt, en er geen redengevend verband is tussen A en B. De uitlatingen van Wilders zijn retorisch sterk, maar in mijn beleving stuk voor stuk voorbeelden van hellende vlakken.  Argumenten die gebaseerd zijn op onwetendheid, stilzwijgen en overhaaste generalisatie. Vaak op de man gespeeld, ja zelfs volksmennend. Hij maakt daarbij verkeerd gebruik van autoriteit en van documenten. Speelt in op emoties zoals angst, wrokgevoelens en opgewekt medelijden. Hij maakt gebruik van nodeloze en misleidende herhaling. Van cirkelredenaties, oorzaak-gevolg omkeringen en maakt inhoud ondergeschikt aan effect. Hij doet een oneigenlijk beroep op gevolgen en hij ridiculiseert andermans argumenten. Die laatste was in het latijn Reductio ad Absurdum. En een speciale vorm daarvan was de Reductio ad Hitlerum. Dat is retorica. Dat is logica. Van een maandagavond. Het kan ook een vrijdagavond zijn geweest. I rest my case.