Pip, van harte!

Vandaag is Pip jarig en vanavond gaan we er vlaai eten. Gisteren belde ze nog, vlak voordat ik voor haar en voor mij chinees zou halen. Dat hadden we eerder die middag telefonisch al afgesproken. ‘Neem je alsjeblieft ook twee eieren mee? Dan kan ik arretjescake maken, voor morgen’.

Het kan zijn dat we vanavond, tijdens het verjaardagsbezoek, arretjescake eten inplaats van vlaai. Aardige bijkomstigheid: Tot gisteravond had ik nog nooit bij de chinees binnen gezeten, met twee rauwe eieren in een tas. Zo zie je maar dat je in het leven iedere dag nieuwe dingen kunt meemaken.

Maar vandaag is ze dus jarig. Onze dochter Pip. Vanmorgen heb ik een grote ronde gewandeld en een aantal keren gedacht aan haar en haar zoveelste verjaardag. Aan de appjes die we vannacht, een paar minuten over twaalf, naar haar stuurden. Thea vanuit Den Bosch en ik vanuit Horst. Ik probeerde terug te denken aan al die andere verjaardagen in haar leven, maar merkte dat ik daar weinig actieve herinneringen aan had. En ik dacht na over een cadeautje, dat ik vanavond zou kunnen meenemen. Want ze was tenslotte jarig. Maar ook daar liet mijn fantasie me een beetje in de steek. En dan is wandelen wel prettig. Want toen ik bijna thuis was, wist ik het. Ik geef haar een verhaaltje. Of een gedichtje, naar aanleiding van het verhaaltje. Of allebei. Ze is het waard. Bij deze.

Verjaardagen. Elk jaar weer. Voor de één een unieke gelegenheid voor een wervelend feest, voor de ander een moment van bezinning. Weer een jaar erbij. Vaak een moment om tegelijk terug- en vooruit te kijken. Hoe wáren de jaren en hoe zullen ze worden vanaf nu? Dat laatste zal de toekomst uitwijzen. Maar het eerste deel van de vraag -hoe wáren de jaren?- daar is vanuit de herinnering mogelijk wel het een en ander over te zeggen.

Het fijne is dat wanneer je behept bent met een waardeloos geheugen, er fotoboeken zijn die je herinnering kunnen opfrissen. Dus die heb ik vanmiddag doorgebladerd, met in mijn achterhoofd het idee dat ik Pip wat herinneringen ga geven. Herinneringen aan verjaardagen van jaren geleden en van een aantal mooie momenten daar tussen in. Dat is vanavond. Nu al het gedichtje.

Proficiat, lieve Pip.

een getal op een kroon
kleurrijk
ongewoon
steeds een jaartje erbij

taarten, slingers
slagroom
aan de vingers
weer een kaarsje erbij

dus steeds blijven blazen
en je alsmaar verbazen
dat juist als vlammetjes doven
je in wonderen mag geloven

wens zes-en-twintig
of wens honderdelf:
als vlammetjes doven
zoek het vuur
in je zelf…

Blijven blazen… blijven wensen!

Kladversie…

Er zijn mensen die brieven hebben bewaard die ze 40 jaar geleden hebben geschreven. Ik verwacht niet dat dat heel véél mensen zullen zijn, maar toch. Ik ben er daar in ieder geval één van. Ik weet echter bijna zeker dat er nóg minder mensen zullen zijn die deze brieven bijna dagelijks met zich mee dragen. Misschien ben ik wel de enige…

Buiten schijnt het zonnetje. Ciara en Dennis zijn gaan liggen. Het is 11.00 uur, maandagochtend en ik heb zojuist weer een drietal zelf geschreven brieven uit het verleden overgetypt. Geschreven kladversies van brieven van pakweg 40 jaar geleden die ik één voor één aan het overtypen ben. Hoe zou het zijn, bedacht ik een paar jaar geleden, om mijn geschreven gedachten van toen terug te kunnen lezen. Chronologisch op een rij. Wat dacht ik in die tijd? Wat deed ik als negentien-, twintigjarige? Wat hield me bezig? Waar schreef ik eigenlijk over? 

Het zijn brieven uit de periode 1979 tot pakweg 1982. Het was mijn militaire diensttijd. Ik was van lichting 79-6. In gewone mensentaal: de grote groep jongemannen die vanwege hun leeftijd in november 1979 in dienst moest. In mei van datzelfde jaar was ik van de middelbare school gekomen. Geen idee voor een vervolgstudie en bovendien dus dienstplichtig. Die militaire dienstplicht heb ik daarom toen maar eerst vervuld. Geslaagd met wiskunde in mijn pakket maakte mij blijkbaar geschikt voor de radar-opleiding. Die duurde vier maanden in Amersfoort en daarna volgde mijn actieve diensttijd in Duitsland. Seedorf. 

Zo moet het er tijdens de opleiding af en toe hebben uitgezien…

Mei 1979. Het was één jaar nadat mijn moeder veel te jong was overleden, na jaren van afwisselende manische depressiviteit en min of meer gezond zijn, met alle gevolgen voor ons, haar kinderen. Dat was een roerige en instabiele tijd, die in mei 1979, na het behalen van mijn diploma, leek te zijn afgesloten. Tegenwoordig weet ik dat de verwerking van die instabiele jeugdjaren nog lang daarna invloed heeft gehad. Ik zie het onder andere als een verklaring waarom ik toen als dienstplichtig militair vanuit het buitenland zoveel brieven heb geschreven.

Mijn diensttijd is dan ook een tijd waar ik met gemengde gevoelens aan terugdenk. Ik leerde in vier maanden tijd een radar te bedienen, die ik in mijn hele actieve dienstperiode eigenlijk nooit meer heb hoeven aanraken. Mijn op de middelbare school al behaalde 10-vingerblind Scheidegger typediploma bleek mij echter uitermate geschikt te maken om bij een opperwachtmeester op kantoor te komen. En daar heb ik verder eigenlijk een prima tijdsinvulling gehad, voor zover je dat van je verplichte diensttijd kunt zeggen. Het heeft me in ieder geval de tijd gegeven om bewuster te kiezen voor verdere stappen in mijn leven.

Ik koos destijds bewust voor de opleiding Logopedie, bewust voor mijn eerste baan als logopedist in Hoogeveen, bewust voor een terugkeer naar Horst, samen met Thea. Ook bewust gekozen voor de geleidelijke overstap van mijn logopedische werk, via journalistiek- en grafisch werk, naar een volledig dienstverband bij de gemeente Horst aan de Maas. Bewuste keus ook om een dag van die volledige baan in te leveren om meer aandacht te kunnen besteden aan andere zaken die ik de laatste jaren belangrijk vind. Schrijven bijvoorbeeld.

Ik realiseer me terdege dat veel van wat ik schrijf zijn basis vindt in mijn verleden. En een belangrijk deel van dat verleden staat zwart op wit, blauw op wit en soms rood op wit, op een grote hoeveelheid velletjes papier van jaren geleden. Velletjes met in klad geschreven tekst, gericht aan heel veel verschillende mensen uit die tijd. Woorden en zinnen, die ik destijds zo netjes mogelijk over schreef. Mijn ‘dokters’handschrift maar zeker ook de gedachtensprongen, doorstrepingen en herschrijvingen, maakten overschrijven noodzakelijk.

Al die kladvelletjes van zo’n veertig jaar geleden zitten nu in een map, die dus al jaren in mijn tas zit. Zo nu en dan type ik, in wat verloren tijd, weer wat exemplaren uit. Ik ben er bijna doorheen. De uitgetypte brieven bewaar ik nu in een chronologisch opgebouwd excel-bestand. Dat vul ik zoveel mogelijk aan met (wat ik nog heb van) de tekst van de brieven die ik destijds ontving. Het voelt goed om telkens geconfronteerd te worden met wat ik toen dacht en schreef. Soms ben ik best trots op wat ik lees en soms schaam ik me er een beetje voor. Allebei heel waardevol.

Wat ik straks ga doen met dat stukje uitgeschreven geschiedenis? Geen idee. Het voelt een beetje als toen: met een middelbare schooldiploma in de hand geen idee hebben wat je wil gaan studeren. Met dat verschil dat ik nu over die geschiedenis van een aantal jaren heen lees en me realiseer dat ‘geen idee hebben’ helemaal niet zo’n verkeerde uitgangspositie is. Het leven leeft zich toch wel en juist dáár leer je misschien wel meer van dan van welke studie dan ook. Ik blijf daarom voorlopig -bewust maar vaak zonder nadenken- dagelijks slepen met mijn brieven om er op gezette tijden iets uit te kunnen halen. 

C’est la vie. Wat onzinnig lijkt, kan later van grote waarde blijken. Wat moeilijk was, maakt straks juist dingen eenvoudiger. Wat vroeger steeds niet lukte, kan zomaar de basis worden voor een geslaagde toekomst. Ja, ik laat mijn brieven nog even in de tas. Ach, het is helemaal niet zo vreemd. Want is het niet zo dat eigenlijk iedereen zijn of haar geschiedenis met zich meedraagt? Soms in het klad maar altijd met de mogelijkheid om het heel mooi over te schrijven. Een bewuste keuze. Om over te schrijven…

Voor M. en zijn familie… voor kracht, geduld en liefdevolle inspiratie

Code groen…

Vanmorgen begonnen met een wandeling om de schade van de storm Ciara met eigen ogen te gaan aanschouwen. Die schade viel hier in de buurt wel mee. Kleine takjes liggen her en der verspreid op straat. Maar in het hele land blijken er meer dan 5000 meldingen van schade te zijn, hoor ik zojuist op de radio. Een optelsom van alle meldingen, verzameld door de 25 veiligheidsregio’s die ons land rijk is. Tweehonderd (of meer…) meldingen per regio (hoezo trouwens 25?), is dat veel?

Sinds de waarschuwingen van het KNMI een kleur hebben gekregen, is volgens mij de hysterie in het algemeen en de weerhysterie in het bijzonder enorm toegenomen. Een code oranje zet alle seinen op rood. ANWB waarschuwt haar doelgroep om niet de straat op te gaan. Veiligheidsdiensten worden in staat van paraatheid gebracht. De alarmnummers worden massaal gedeeld via alle beschikbare kanalen. Iedereen zal het weten. Moet het weten. Een gewoon praatje over het weer -’windje hé?’- behoort voor altijd tot het verleden.

We zijn in deze tijd gedoemd om gewaarschuwd te zijn en tellen daarom constant voor twee. Een situatie die een vreemde paradox oproept. In het tijdperk van individualisering, waar we alleen maar met onszelf rekening menen te moeten houden, bepalen anderen voortdurend welke informatie je niet mag missen. Als individu valt daar bijna niet aan te ontsnappen. Als je met code oranje een boom op je hersens krijgt, dan heb je gewoon niet goed geluisterd. Eigen schuld.

In onze samenleving is het allang niet meer de wind die de meeste ellende veroorzaakt. Het is eigen schuld geworden. Want je had kunnen weten dat het code oranje was. Of, in een groter verband, misschien wel code rood. Zeker als we kijken naar de oorzaken van klimaatverandering. Die weer een gevolg is van alle menselijke en ‘on-menselijke’ invloeden op het milieu. CO2. Stikstof. Opraken van fossiele brandstoffen. Stijging van de zeespiegel…

Tot zover een aantal argumenten van het ene kwart van de mensheid. Een ander kwart namelijk, beweert het tegenovergestelde. En ook daarmee worden we voortdurend geconfronteerd. Via alle denkbare kanalen. Kranten, radio, tv, internet. Op de wederzijdse reactie-fora slaan ze elkaar om de oren -ieder met hun eigen argumenten. Ja, op die fora kan het er -hoe zeg ik het netjes- nogal stormachtig aan toe gaan.

En ondertussen vindt de helft van de hele wereld geen rustig plekje meer. Omdat het nergens meer windstil is. Code groen melden we niet meer. Eigen schuld.

Arme Jos…

‘Jos Heijmans legt taak neer’. ‘De Limburger’ heeft het zaterdagochtend met chocoladeletters op de voorpagina van de krant gezet. ‘Tijdelijk’ staat er met iets kleinere blauwe letters boven de kop. Wat is er aan de hand? Burgemeester Jos Heijmans van Weert heeft zichzelf tijdelijk op non-actief gezet. Hij wil het onderzoek dat zijn gemeenteraad naar hem wil instellen, niet hinderen of de schijn wekken dat hij het onderzoek zou beïnvloeden. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen.

Op de voorpagina legt ‘De Limburger’ nog een keer kort uit wat er aan de hand is. Heijmans zou de integriteitscode kunnen hebben geschonden omdat hij op eigen houtje subsidie heeft verstrekt aan een stichting in zijn gemeente. Van die stichting, met de naam ‘International Award for Young People’, is Heijmans zelf voorzitter. Hij is van mening dat hij die gemeentelijke subsidie wél mocht verstrekken. De vraag is nu of dat zo is.

De ‘Limburger’ had een paar dagen eerder al  in een artikel laten doorschemeren dat daar mogelijk toch wat twijfel over zou kunnen bestaan. Nou blijkt dat onderzoeksbureau Berenschot gaat bekijken wie er gelijk heeft. Volgens de krant kost dat onderzoek €27.500. Dat is méér dan het subsidiebedrag van €23.000 euro, dacht ik toen ik het las, maar dat terzijde. In april van dit jaar moet duidelijk zijn of Heijmans integer gehandeld heeft of niet.

Dit is zo ongeveer de samenvatting van wat ik vanochtend in de Limburger las. Over de inhoud van de zaak kan en wil ik verder weinig zeggen. Daar wordt nu een bureau voor ingezet en ik ga er vanuit dat ze hun werk goed doen. Dat mag trouwens ook wel voor dat geld… Nee, waar ik vanochtend vooral door getriggerd werd, was dat op twee plekken in het voorpagina-artikel de naam ‘De Limburger’ opvallend schuin gedrukt was. Eerst in de zin ‘Heijmans kwam in opspraak na een publicatie in ‘De Limburger’… en daarna ‘oordeelden integriteitsdeskundigen in ‘De Limburger’

‘De Limburger’ gaat er wèl prat op, was mijn eerste gedachte. De krant heeft iets onthuld en dat willen ze weten ook. Of die ‘onthulling’ terecht of onterecht is, dat zal op een later tijdstip wel blijken. Ondertussen beschrijven we alvast de vermoedens, passen hoor en wederhoor toe en voila, één artikel op de voorpagina en één uitgebreid achtergrondartikel op de regiopagina. Met opnieuw twee keer schuin gedrukt ‘De Limburger’. Mij bekroop een gevoel van oneerlijkheid, of op z’n minst voorbarigheid, bij de teneur van die twee artikelen. Een beetje dubbel, dat gevoel, want van de andere kant heeft de krant uiteraard het volste recht om onderzoeksjournalistiek te bedrijven en daar uitgebreid over te schrijven.

Dus is het zoals het is. Het laatste woord zal er nog wel niet over gezegd zijn. En daarmee is, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, eveneens het laatste artikel er nog niet over geschreven. Ik wens bureau Berenschot, burgemeester Heijmans, de Weerter gemeenteraad en ‘De Limburger’ veel wijsheid toe, de komende tijd. En verder de gouverneur van Limburg en iedereen die er -gewild of ongewild- bij betrokken is. Sterkte allemaal.

Ondertussen moet ik denken aan wat ik vanmorgen las op Facebook. Namelijk een persoonlijke impressie van een bezoeker aan het theatercollege van Rutger Bregman, in de schouwburg in Venlo. Rutger Bregman schreef het boek ‘De meeste mensen deugen’ en zijn theatercollege ging er over waarom dat zo was. Een inspirerend college was het geweest, las ik. Op basis van historische feiten onderbouwde Bregman zijn stelling, dat de meeste mensen gewoon deugen. Dat is op zich al een prettige constatering. Het geeft een positieve draai aan  het tegenwoordig toch vooral negatieve mensbeeld in de media.

Rutger Bregman bleek de zaal echter nóg een belangrijke boodschap te hebben meegegeven: ‘De wereld ziet er niet uit zoals op het nieuws of in de krant wordt opgetekend. Nieuws gaat namelijk altijd over de uitzonderingen. Niet over alle gewone dagelijkse dingen die wèl goed gaan’. Een wezenlijke boodschap, waarvan ik denk dat het belangrijk is om die te onthouden en de waarde er van in te zien. 

Ik realiseer me terdege dat daarmee helemaal niets gezegd is over het al dan niet waar zijn van wat er op het nieuws of in de krant verschijnt. Maar het voelt wel fijner om al die zaken te bekijken vanuit de wetenschap dat de meeste mensen deugen. Misschien iets voor ‘De Limburger’ om daar toch wat meer rekening mee te houden? Zou Berenschot dat trouwens ook doen, vraag ik me af? Zou wel mogen. Voor dat geld…

Verlost

Ze zat vast. Iemand uit de andere wereld had haar vastgebonden in bed! Roepen had al heel lang geen effect gehad, maar toch bleef ze het doen. Met volle kracht. Ze schreeuwde en hoorde zichzelf. Kreten die een mengeling waren van blinde paniek en uitzinnige woede. Keer op keer voelde ze hoe forse ademstoten haar stembanden passeerden. Ze kon niet anders dan volhouden. Iemand zou haar toch wel horen en haar komen bevrijden? Toch?

Misschien degene die zojuist bij het raam was gaan staan? ‘Heej!’ Als een zweepslag verliet de kreet haar mond. Ze zag alleen z’n donkere schaduw, omdat de felle zon de kamer in scheen. Geen beweging. Toen hij daarnet voorzichtig langs haar was geschuifeld was er een glimp van herkenning geweest. Was het… Of was het degene die haar had vastgebonden? Maar waarom had hij haar dan dat bakje druiven gegeven? Of was het toch… wacht eens… waren het wel druiven? Misschien was het in groen vruchtvlees verpakt gif? Of nee, met lucht gevulde bolletjes, bedoeld om haar op te pompen zodat de band om haar middel nog strakker kwam te zitten. De mensen van de andere wereld waren listig. En ze waren met veel. 

‘Heej!!’. Opnieuw riep ze naar de persoon bij het raam. Impulsief en hard. Maar ze zag nauwelijks reactie. Dus bleef ze roepen. Tevergeefs. Het werd haar in één keer duidelijk. Weg ermee! Ze wierp het bakje druiven met kracht in de richting van het raam. Het spatte uiteen tegen de plank bij het voeteneinde van haar bed De schaduw bij het raam kromp ineen! Ha! Dat verklaarde veel. Het moest wel gif zijn! Met haar voet vertrapte ze één voor één de groene bolletjes. Het was ‘t enige juiste om te doen! Daar! En daar. Nóg een. Dáár! 

In haar ooghoek zag ze de figuur bij het raam zich verplaatsen. Voetje voor voetje schoof hij langs de muur, in de richting van de deur. Hij vlucht, dacht ze, en het voelde als een overwinning. Toen hij in de deuropening stond en nog even omkeek, zag ze opnieuw zijn gezicht. Hoorde zij hem nu zachtjes ‘tot ziens’ zeggen? De vastbinder? De gifmenger? Tot ziens? Kwam hij weer terug dan? Maar wacht eens… was het niet… Klik!. De deur viel in het slot. Tegelijk vervaagde het beeld van zijn gezicht. En het was weg, nog voordat het in haar hoofd samenviel met de herinnering aan andere tijden. Het ‘tot ziens’ had wel heel bedremmeld geklonken. 

Verklaren kon ze het niet, maar een intens gevoel van droefheid overviel haar. De tranen leken de storm in haar hoofd verder aan te wakkeren. Donkere gedachten en afwisselende vlagen van herinnering en angst joegen de golven van emoties tot ongekende hoogten. Ze moest hier weg! Dit was niet de plaats waar ze nu moest zijn. De groene massa aan het voeteneind leek zich naar haar toe te bewegen. Ze voelde het onder haar voet en ze zag het al op haar kuit. Paniek maakte zich van haar meester. Ze moest hier weg! Maar ze zat vast!

Met alles wat ze in zich had, schreeuwde ze het uit. Geen woorden meer, maar langgerekte kreten van wanhoop. Uit het diepste van haar binnenste werd de lucht langs haar stembanden keer op keer ruw naar buiten geperst. Hard en schurend klonken haar kreten. Hartverscheurend. Afgewisseld met snikkende ademteugen die haar longen weer probeerden te vullen. Ademteugen die niet opgewassen waren tegen de kracht van haar rauwe vertwijfeling.

Met een laatste krachtsinspanning zette ze aan voor een alles bevrijdende kreet. Op hetzelfde moment dat haar stembanden sloten en weer open wilden gaan, kleurde de lucht in haar longen volledig rood. Op slag viel ze stil. Het was een stilte die zo gauw en nieuw de ruimte vulde dat het harder klonk dan haar roepen een paar seconden eerder. Een rauwe, ruwe en steeds roder wordende stilte die, wrang genoeg, in de plotselinge rust wel werd gehoord. 

Dat was toen.

Een roos viel bijna geruisloos van haar kist, toen die door het gangpad van de stille kerk naar buiten werd begeleid. Haar zoon raapte de rode bloem stilzwijgend op, om die  terug te steken tussen de groene bladeren van het bloemwerk. Maar hij bedacht zich. Buiten, in alle vrijheid, rook hij aan de roos. De zoete geur deed hem -vreemd genoeg en tot zijn eigen verbazing- denken aan de geur van geplette druiven. ‘Mijn moeder’, dacht hij en keek omhoog. ‘Ze heeft me gezien’.

De Raadselige Roos

Mijn zus Trudy had longkanker en uiteindelijk heeft alleen de dood haar daarvan kunnen bevrijden. De dood verloste haar ook van haar, bij tijd en wijle, moeizame strijd met het leven. Dingen gaan soms zoals ze gaan.

Zittend aan de houten picknick-tafel, vlakbij de plek waar zo’n drie jaar eerder de as van Trudy is uitgestrooid, schreef ik het gedicht hierboven. Dat was in juli 2019.

Toen ik kort daarna het thema ‘Bevrijd’ van de schrijfwedstrijd ‘De Raadselige Roos’ voorbij zag komen, moest ik meteen aan dit gedicht denken. Ik had al vaker willen meedoen aan deze amateurwedstrijd en besloot daarom het gedicht in te sturen.

Een aantal weken geleden kreeg ik telefoon van één van de organisatoren van de ‘Raadselige Roos’. Het gedicht bleek te zijn genomineerd en zou in de uit te geven bundel een plaats krijgen. Een eervol gegeven al, waarop een uitnodiging volgde om bij de prijsuitreiking op zondag 19 januari aanwezig te zijn. ‘Wie weet…?’ waren zo ongeveer zijn woorden.

Sinds gisteren weet ik het. Het gedicht heeft de publieksprijs gekregen! Van de 52 inzendingen uit Nederland en een deel van België, vond een publieksjury dat ‘Voorbij…’ de Rooje Roos Poëzieprijs verdiende. Het juryrapport was lovend en de voorzitter van de publieksjury fluisterde mij bij de overhandiging ervan toe ‘dat ze persoonlijk geraakt was’. Bij al het ‘formele’ eerbetoon is zo’n persoonlijke opmerking heel fijn om te horen. Ook dat het om een publieksprijs gaat, vind ik een fijne gedachte. Bij deze dus de publieksjury nog heel hartelijk dank.

Er wordt traditioneel een bundel uitgebracht ter gelegenheid van de proza- en poëziewedstrijd. Daarin -voor het eerst in kleur- beeldend werk van cursisten tekenen en schilderen. Eveneens gemaakt rondom het thema ‘Bevrijd’ en vervolgens gecombineerd met de gedichten en verhalen in de bundel. Bij het gedicht ‘Voorbij…’ is gekozen voor het werk van Diny Hoeijmakers-Keijsers uit Horst. Goed gekozen, wat mij betreft. Mooi hoe het groen terugkomt en hoe het geheel de indruk wekt van een mens in beweging. Tegelijk zou het ook iets heel anders kunnen zijn. Net zoals het leven niet altijd is wat het lijkt.

Hoe dan ook. Ik ben verguld met de prijs en de aandacht voor het gedicht. Op het gedachtenisprentje van Trudy stond destijds een zwarte roos. Die vond ze mooi. Maar ik denk dat ze een rode roos ook wel had kunnen waarderen. Ik in ieder geval wel.

Vroeg grijs…

Een peuter op het Lambertusplein heeft een gaatje gevonden, waar zij een stokje in kan steken. Vlakbij de fontein die uit staat. Haar vader kijkt er naar. Hij heeft het handvat vast van een steel die aan een plastic fietsje bevestigd is. Voor zometeen. Het stokje gaat een beetje onhandig in en uit het gaatje en elke keer als dat lukt, kijkt de peuter naar haar vader, of die ook wel getuige is van haar ontdekking en alle geslaagde pogingen.

Ik zit binnen bij Grøn, aan een tafeltje vlakbij het raam, dicht tegen de verwarming en kijk naar het aandoenlijke tafereeltje buiten. Dan stopt er een man bij de ingang van Grøn . Hij laat de riem, waaraan zijn herdershond vast zit, zonder aarzelen op de grond vallen. Een fors rubberen bot gooit hij ernaast. De man loopt naar binnen, steekt zijn hoofd door de deur en ik hoor hem een koffie verkeerd bestellen. Buiten zie ik dat de peuter een aantal wiebelige pasjes zet in de richting van de herdershond, die geduldig op zijn baasje wacht.

Ik stel me voor hoe alert haar vader op hetzelfde moment de afstand inschat tussen zijn kind en de hond. Die afstand blijft gelukkig ruim aan de veilige kant omdat het meisje de grens lijkt te hebben bereikt van de wereld die zij in haar ontdekkingsdrang aankan. Ze stopt, kijkt om naar haar vader, en ziet dat die haar nieuwe ontdekking ook heeft gespot. Zij draait zich om, loopt naar hem toe en samen verdwijnen ze uit mijn zicht.

Buiten ontdoet de man zijn hond van de riem. Met het rubberen speeltje houdt hij zichzelf en de hond bezig. Ik kijk er naar, terwijl ik op mijn thee wacht. Ik probeer me het gevoel van de vader van zojuist voor te stellen, door uit mijn herinnering te putten hoe ik er zelf liep, toen mijn dochter en zoon de leeftijd hadden van net kunnen lopen. Ik merk dat door de jaren die herinnering in beelden niet meteen paraat is. Maar wat ik voel, vertedert me. Ik neem me voor om de video-opnamen van toen weer een keer te gaan bekijken.

De jongeman van Grøn brengt me vriendelijk mijn Earl Grey-thee. Of ik er een zandloper bij wil, om de tijd van drie minuten in de gaten te houden. Prima. Terwijl de oranje zandkorreltjes langzaam van boven naar beneden vallen, denk ik aan de foute associatie die ik steeds bij Earl Grey heb, namelijk Early Gray, als in ‘vroeg grijs. Gray met een a. Ik zet het in gedachten af tegen de naam Grøn . Nog ‘groen’ zijn als vader, tegenover het ‘vroeg grijs’, waar ik mijzelf op dit moment met mijn leeftijd inschaal.

Earl Grey. De thee blijkt te zijn vernoemd naar een Brits staatsman en premier, bovendien graaf -in het engels ‘earl’- met de naam Charles Grey. Grey met een e. Hij leefde van 1764 tot 1845. Wikipedia vertelt me eveneens dat kapitein Jean-Luc Picard uit de serie ‘Startrek: The Next Generation’ er ook steeds om vroeg: ‘ Tea, Earl Grey, hot!’. Het zijn weetjes die ik opzoek, om mijn radiobijdrage voor Wört op de valreep nog wat extra inhoud te geven. ‘The next generation’. Zoals de peuter van zojuist dat is voor haar vader en zoals mijn kinderen dat zijn voor mij. Wel toevallig dat ik die subtitel ‘The Next Generation’ nú juist tegenkom. De volgende generatie…

Vóór ik bij Greun ging zitten heb ik bij Bruna twee boeken gekocht. ‘Otmars zonen’ van Peter Buwalda en ‘Alles lijkt zoals het was’ van Frits Spits. Sippend van de hete thee, constateer ik dat die boektitels mijn gedachten misschien al wat hadden ingekleurd, voordat ik besloot een kop thee te gaan drinken. Ik kijk naar buiten. Wel fijn dat er een forse overlap is tussen mijn generatie en de volgende. Een kleurrijke tijd. Van relatief groen naar vroeg grijs. Via oranje zandkorrels, die in drie minuten tijd heel veel jaren kunnen doen verstrijken… 

Foto vanLiane Metzler

PostNL…

Beste Rick van team PostNL,

Met enige verbazing je mail ontvangen. Ik ga er voor het gemak van uit dat PostNL een serieus bedrijf is, dat staat voor hun core-business: post en pakketten bezorgen in Nederland. Als ik inlog op jullie website, dan lees ik ‘Wij zijn PostNL en we hebben iets voor u’. Daar wil ik het even met je over hebben. En over je mail die je vrijdag stuurde…

PostNL is een bedrijf dat door leveranciers in het buitenland wordt ingeschakeld, wanneer er in Nederland bij een klant iets bezorgd moet worden. Blijkbaar hebben die buitenlandse firma’s vertrouwen in jouw organisatie en leveren ze pakketten bij jullie af die bestemd zijn voor Nederlandse klanten. De buitenlandse firma, reMarkable, waar ik een bestelling deed, had eveneens dat vertrouwen. De verzendkosten om mijn bestelling op mijn thuisadres te krijgen was overigens bij die betaling inbegrepen. Al eerder is door deze firma -toen weliswaar via DHL- herhaaldelijk een pakket in goede orde bij mij bezorgd. Voor mijn laatste bestelling kon ik er voor kiezen om de bestelling via de ‘reguliere weg’ te laten bezorgen. Dat bleek dus via PostNL…

Via allerlei mails heb ik wekenlang het bezorgtraject van PostNL gevolgd. Ik heb een aantal malen met de klantenservice van PostNL gebeld. Via adviezen van ‘nog even afwachten’, ‘het pakketje ligt bij de douane’, ‘het pakketje zal binnen een paar dagen bezorgd worden’ kreeg ik uiteindelijk het advies om digitaal een soort van ‘vermissingsformulier’ in te vullen. Die actie mijnerzijds (?) zou leiden tot onderzoek door jullie, naar waar het pakketje gebleven was. Dat ik daar zélf een vermissingsformulier voor moest invullen, vond ik al vreemd, want ík was het pakketje niet kwijt. Júllie waren het kwijt! Maar goed, ik werk zelf in een grotere organisatie en ik snap dat sommige zaken geformaliseerd moeten worden voordat ze (al dan niet) gaan werken. Hoe dan ook, ik verwachtte dat het in ieder geval een oplossing zou opleveren, er van uitgaande dat PostNL nu, via terzakekundige specialisten, hun verantwoordelijkheid ging nemen.

Nou moet ik concluderen uit jouw mail dat die verantwoordelijkheid zonder enige moeite teruggeschoven wordt naar mij als klant? De énige in het hele proces die geen enkele invloed heeft op het verzendingstraject, van buitenland naar binnenland naar mijn huisadres? Een traject waar PostNL van aangeeft dat het hun vakgebied is? ‘Wij zijn PostNL en we hebben iets voor u…’. Nou, blijkbaar dus niet altijd…

Ik heb jouw mail voor de duidelijkheid onder mijn reactie bewaard, voor het geval er behalve jijzelf ook nog andere collega’s bij TeamNL werken. Even een metafoor om te zien of ik goed begrijp wat je eigenlijk zegt in je mail: Ik bestel een artikel bij een firma X, die tegen betaling aanbiedt dit artikel bij mij thuis te bezorgen. Deze firma schakelt daarvoor een tussenbezorger Y in. Die neemt het pakketje in ontvangst en schakelt vervolgens een bezorger Z in. Dat herhaalt zich mogelijk een paar keer, maar uiteindelijk is het pakketje bij eindbezorger P… Ergens in dat traject is het pakketje kwijt geraakt. Maar in plaats dat in volgorde deze bezorgers taakbewust en met verantwoordelijkheidsgevoel bij vorige bezorgers informeren waar het pakje zou kunnen zijn gebleven, concludeert nu eindbezorger P ‘na een onderzoek tot zijn spijt en met excuses’ dat de klant het maar moet uitzoeken bij de firma, waar hij het pakketje heeft aangeschaft.

Ik weet niet waar het ‘onderzoek’ van PostNL uit heeft bestaan, maar van ‘service’ is hier m.i. niet echt sprake. Zeker niet wanneer eerder in het traject het pakketje blijkbaar nog wel ‘op de digitale radar’ van PostNL was, getuige de antwoorden die ik via de klantenservice mocht ontvangen. Even voor jouw duidelijkheid: ik was niet betrokken bij de, zoals jij ze in je mail noemt, Internationale Postafspraken die er zijn gemaakt. Jij blijkbaar ook niet, want ik zie dat het de reden is dat je mij niet verder kunt helpen…

Ik schrijf regelmatig columns en ik moet je zeggen dat ik deze hele handelswijze van PostNL wel columnwaardig vindt. Misschien moet ik er op de valreep van 2019 nog maar een verhaal aan wijden om mijn gevoel over PostNL na jouw mail te kanaliseren. Mogelijk gaat de column viral en, wie weet, komt het terecht bij iemand die wél de Internationale Postafspraken kent en mij verder kan helpen. Want ik zie dat jij het lopende dossier al gesloten hebt in de veronderstelling dat je mij voldoende geïnformeerd hebt.

Met vriendelijke groet,
Geert van den Munckhof

PS Dank nog voor je excuses, maar ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt, dat ik liever het pakketje zou willen ontvangen.


Van: Navragen <navraag@postnl.nl>
Verzonden: vrijdag 27 december 2019 11:26
Aan: geertvandenmunckhof@planet.nl
Onderwerp: Navraag zending met Barcode: Xxxxxxxxxxx

Geachte heer van den Munckhof,

Naar aanleiding van het onderzoek naar onderstaande zending, informeer ik u het volgende.

Tot mijn spijt valt niet meer te achterhalen wat er precies is gebeurd met de zending, mijn excuses hiervoor.

Ik wil u adviseren contact op te nemen met de afzender voor een passende oplossing. De afzender kan conform de overeengekomen voorwaarden bij de eigen postorganisatie een onderzoek naar uw zending opstarten en u wellicht alvast een nieuwe zending toesturen. Deze afhandeling is vastgelegd in de Internationale Postafspraken tussen de postbedrijven wereldwijd. Om deze reden kan ik u niet verder helpen. 

Ik ga er vanuit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en sluit bij deze het lopende dossier.

Heeft u nog vragen? Dan kunt u contact opnemen met onze klantenservice op telefoonnummer 088-2255555. Wij zijn bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 08:30 tot 20:00 uur en op zaterdag van 09:00 tot 16:00 uur. U kunt ook op deze e-mail reageren.

Met vriendelijke groet, 

Rick
Team PostNL

Wei…

‘Wei’ is de titel van de documentaire van Ruud Lenssen. Slechts drie letters, net zoals het woord ‘wij’ uit drie letters bestaat. Maar wat kun je met drie letters heel veel zeggen. Ik was, samen met Thea, aanwezig bij de Limburgse première, zondag 22 december jl., in de schouwburg van Venlo. Uitverkocht. Terecht. Maar de komende tijd nog heel vaak te zien. Een aanrader!

Ruud’s ‘wei’ is in z’n meest letterlijke betekenis de wei van zijn vader Jac. De wei is Jac’s plekje, mooi gelegen ergens in het buitengebied. Het is de plaats waar Jac jarenlang dagelijks liefdevol zijn pony’s verzorgt en z’n kippen voert. Het is de plek die in al die jaren een deel van hemzelf is geworden. Een plek waar hij thuis is. Waar hij bij wijze van spreken elke grasspriet kent en aan de eieren kan zien van welke kip ze afkomstig zijn. Dat was toen…

Vóór aanvang van de film, heet Ruud ons allemaal welkom. Een bonte mengeling van familie, vrienden en bekenden. Donateurs, sponsoren en mensen die namens verschillende organisaties komen. Samen hebben zij met name in financiële zin bijgedragen aan de totstandkoming van de film. Je zou al die mensen kunnen samenvatten onder de term ‘wij’ en in zekere zin spreekt Ruud ons ook zo toe. Hij vraagt ons of we na afloop van de film nog even willen blijven zitten. Hij wil dan namelijk nog wat mensen bedanken. De film laat een persoonlijk familieverhaal zien, vervolgt hij, waarvan de beelden bij hem, bij zijn zus Susanne en bij zijn moeder Ria nog steeds emoties oproepen. We mogen huilen bij de beelden, vertelt Ruud, en we mogen lachen, want ‘die twee emoties liggen soms heel dicht bij elkaar’… 

En hij heeft gelijk. Bij sommige scenes wordt er gelachen. Bij andere scenes prikken de tranen achter de ogen. De kracht van de film zit wat mij betreft in de rauwe waarheid die zo vaak niet verteld wordt, omdat die zich veelal binnenskamers afspeelt. Het is indrukwekkend hoe Ruud die muren geslecht heeft. Hoe hij ongetwijfeld bij het filmen van zijn vader elke keer opnieuw grenzen heeft moeten verleggen. Net als zijn moeder en zijn zus. En grensverleggend is heel zeker Jac, de hoofdpersoon van de film. Alleen was bij hem de vasculaire dementie de reden dat er elke keer ongewild opnieuw een grens werd verlegd…

Dat proces, dat langzaam begint met het vervagen van herinneringen, en uiteindelijk uitmondt in het verlies van alles wat je dierbaar is, dat proces heeft Ruud zichtbaar gemaakt. Vooral door de beelden te laten spreken, maar zeker ook door het zijn vader te laten vertellen. Letterlijk en pijnlijk trefzeker vastgelegd in woord en gebaar. Jac vertelt het aan hem op alle momenten achter en soms zelfs vóór de camera. Jac vertelt het aan zijn vrouw en aan zijn dochter, Ruud’s zus Susanne. En zij op hun beurt vertellen het aan elkaar en daarna weer aan Jac. Voor wie het steeds onbegrijpelijker wordt en die het steeds minder kan verwoorden aan hen die hij zo liefhad..

‘Ik heb de stek hier zelf in de grond gestoken. En nu staat er deze boom’. Trots staat Jac bij een forse boom in zijn wei en kijkt ons aan. Ruud vraagt hoe lang dat geleden is en Jac denkt na… ‘Ik heb de stek zelf in de grond gestoken’ is zijn antwoord en hij loopt verder.  Op de filmposters en -flyers is het gezicht van Jac verweven met een boom, waarvan langzaamaan de bladeren verwaaien in de wind. Treffender is het proces van geestelijke aftakeling niet weer te geven. Een emotioneel beeld dat recht doet aan de film.

Tranen dus. Bij mij vooral ook aan het eind van de film, waar ik Ruud samen met zijn vader de beelden zie bekijken, die wij met z’n allen net gezien hebben. Ruud en Jac kijken naar zichzelf. Op de cameramonitor, schat ik in, met het effect alsof ze met z’n beiden ook naar ons in de zaal kijken. Ik hoor Ruud tegen z’n vader zeggen: ‘Kijk, dat zijn wij! Zie je het, Pap? Lijken we ook op elkaar?’. Er verschijnt een glimlach op Jac z’n gezicht. ‘Zo kan ik altijd naar je kijken, ook als je er niet meer bent’. Misschien niet helemaal begrepen door Jac, op dat moment, maar de liefde in zijn ogen spreekt boekdelen. 

Op de kleine filmflyer die ik in de foyer vindt, zie ik dat Ria over de schouder van Jac mee wandelt door de wei, die zijn leven was. Ruud’s documentaire ‘Wei’ zorgt ervoor dat ‘wij’ mochten mee wandelen. Dank daarvoor aan Ruud en aan iedereen die hij op het eind van de film ook nog bedankte. Wij bleven er graag voor zitten, maar gingen uiteindelijk toch met z’n allen staan voor een minutenlang applaus. Verdiend. Wij voor ‘Wei’. En in zekere zin ook voor onszelf, omdat een ieder van ons mogelijk ooit een eigen ‘wei’ moet inleveren. Applaus voor hen die wij dan als mantelzorger mogen begroeten. Mensen zoals Ria. Zoals Ruud. Zoals Susanne. Zoals wij… ‘Kijk, dat zijn wij! Zie je het…’

foto Krzysztof Kubicki / Eastrada