Verlost

Ze zat vast. Iemand uit de andere wereld had haar vastgebonden in bed! Roepen had al heel lang geen effect gehad, maar toch bleef ze het doen. Met volle kracht. Ze schreeuwde en hoorde zichzelf. Kreten die een mengeling waren van blinde paniek en uitzinnige woede. Keer op keer voelde ze hoe forse ademstoten haar stembanden passeerden. Ze kon niet anders dan volhouden. Iemand zou haar toch wel horen en haar komen bevrijden? Toch?

Misschien degene die zojuist bij het raam was gaan staan? ‘Heej!’ Als een zweepslag verliet de kreet haar mond. Ze zag alleen z’n donkere schaduw, omdat de felle zon de kamer in scheen. Geen beweging. Toen hij daarnet voorzichtig langs haar was geschuifeld was er een glimp van herkenning geweest. Was het… Of was het degene die haar had vastgebonden? Maar waarom had hij haar dan dat bakje druiven gegeven? Of was het toch… wacht eens… waren het wel druiven? Misschien was het in groen vruchtvlees verpakt gif? Of nee, met lucht gevulde bolletjes, bedoeld om haar op te pompen zodat de band om haar middel nog strakker kwam te zitten. De mensen van de andere wereld waren listig. En ze waren met veel. 

‘Heej!!’. Opnieuw riep ze naar de persoon bij het raam. Impulsief en hard. Maar ze zag nauwelijks reactie. Dus bleef ze roepen. Tevergeefs. Het werd haar in één keer duidelijk. Weg ermee! Ze wierp het bakje druiven met kracht in de richting van het raam. Het spatte uiteen tegen de plank bij het voeteneinde van haar bed De schaduw bij het raam kromp ineen! Ha! Dat verklaarde veel. Het moest wel gif zijn! Met haar voet vertrapte ze één voor één de groene bolletjes. Het was ‘t enige juiste om te doen! Daar! En daar. Nóg een. Dáár! 

In haar ooghoek zag ze de figuur bij het raam zich verplaatsen. Voetje voor voetje schoof hij langs de muur, in de richting van de deur. Hij vlucht, dacht ze, en het voelde als een overwinning. Toen hij in de deuropening stond en nog even omkeek, zag ze opnieuw zijn gezicht. Hoorde zij hem nu zachtjes ‘tot ziens’ zeggen? De vastbinder? De gifmenger? Tot ziens? Kwam hij weer terug dan? Maar wacht eens… was het niet… Klik!. De deur viel in het slot. Tegelijk vervaagde het beeld van zijn gezicht. En het was weg, nog voordat het in haar hoofd samenviel met de herinnering aan andere tijden. Het ‘tot ziens’ had wel heel bedremmeld geklonken. 

Verklaren kon ze het niet, maar een intens gevoel van droefheid overviel haar. De tranen leken de storm in haar hoofd verder aan te wakkeren. Donkere gedachten en afwisselende vlagen van herinnering en angst joegen de golven van emoties tot ongekende hoogten. Ze moest hier weg! Dit was niet de plaats waar ze nu moest zijn. De groene massa aan het voeteneind leek zich naar haar toe te bewegen. Ze voelde het onder haar voet en ze zag het al op haar kuit. Paniek maakte zich van haar meester. Ze moest hier weg! Maar ze zat vast!

Met alles wat ze in zich had, schreeuwde ze het uit. Geen woorden meer, maar langgerekte kreten van wanhoop. Uit het diepste van haar binnenste werd de lucht langs haar stembanden keer op keer ruw naar buiten geperst. Hard en schurend klonken haar kreten. Hartverscheurend. Afgewisseld met snikkende ademteugen die haar longen weer probeerden te vullen. Ademteugen die niet opgewassen waren tegen de kracht van haar rauwe vertwijfeling.

Met een laatste krachtsinspanning zette ze aan voor een alles bevrijdende kreet. Op hetzelfde moment dat haar stembanden sloten en weer open wilden gaan, kleurde de lucht in haar longen volledig rood. Op slag viel ze stil. Het was een stilte die zo gauw en nieuw de ruimte vulde dat het harder klonk dan haar roepen een paar seconden eerder. Een rauwe, ruwe en steeds roder wordende stilte die, wrang genoeg, in de plotselinge rust wel werd gehoord. 

Dat was toen.

Een roos viel bijna geruisloos van haar kist, toen die door het gangpad van de stille kerk naar buiten werd begeleid. Haar zoon raapte de rode bloem stilzwijgend op, om die  terug te steken tussen de groene bladeren van het bloemwerk. Maar hij bedacht zich. Buiten, in alle vrijheid, rook hij aan de roos. De zoete geur deed hem -vreemd genoeg en tot zijn eigen verbazing- denken aan de geur van geplette druiven. ‘Mijn moeder’, dacht hij en keek omhoog. ‘Ze heeft me gezien’.

De Raadselige Roos

Mijn zus Trudy had longkanker en uiteindelijk heeft alleen de dood haar daarvan kunnen bevrijden. De dood verloste haar ook van haar, bij tijd en wijle, moeizame strijd met het leven. Dingen gaan soms zoals ze gaan.

Zittend aan de houten picknick-tafel, vlakbij de plek waar zo’n drie jaar eerder de as van Trudy is uitgestrooid, schreef ik het gedicht hierboven. Dat was in juli 2019.

Toen ik kort daarna het thema ‘Bevrijd’ van de schrijfwedstrijd ‘De Raadselige Roos’ voorbij zag komen, moest ik meteen aan dit gedicht denken. Ik had al vaker willen meedoen aan deze amateurwedstrijd en besloot daarom het gedicht in te sturen.

Een aantal weken geleden kreeg ik telefoon van één van de organisatoren van de ‘Raadselige Roos’. Het gedicht bleek te zijn genomineerd en zou in de uit te geven bundel een plaats krijgen. Een eervol gegeven al, waarop een uitnodiging volgde om bij de prijsuitreiking op zondag 19 januari aanwezig te zijn. ‘Wie weet…?’ waren zo ongeveer zijn woorden.

Sinds gisteren weet ik het. Het gedicht heeft de publieksprijs gekregen! Van de 52 inzendingen uit Nederland en een deel van België, vond een publieksjury dat ‘Voorbij…’ de Rooje Roos Poëzieprijs verdiende. Het juryrapport was lovend en de voorzitter van de publieksjury fluisterde mij bij de overhandiging ervan toe ‘dat ze persoonlijk geraakt was’. Bij al het ‘formele’ eerbetoon is zo’n persoonlijke opmerking heel fijn om te horen. Ook dat het om een publieksprijs gaat, vind ik een fijne gedachte. Bij deze dus de publieksjury nog heel hartelijk dank.

Er wordt traditioneel een bundel uitgebracht ter gelegenheid van de proza- en poëziewedstrijd. Daarin -voor het eerst in kleur- beeldend werk van cursisten tekenen en schilderen. Eveneens gemaakt rondom het thema ‘Bevrijd’ en vervolgens gecombineerd met de gedichten en verhalen in de bundel. Bij het gedicht ‘Voorbij…’ is gekozen voor het werk van Diny Hoeijmakers-Keijsers uit Horst. Goed gekozen, wat mij betreft. Mooi hoe het groen terugkomt en hoe het geheel de indruk wekt van een mens in beweging. Tegelijk zou het ook iets heel anders kunnen zijn. Net zoals het leven niet altijd is wat het lijkt.

Hoe dan ook. Ik ben verguld met de prijs en de aandacht voor het gedicht. Op het gedachtenisprentje van Trudy stond destijds een zwarte roos. Die vond ze mooi. Maar ik denk dat ze een rode roos ook wel had kunnen waarderen. Ik in ieder geval wel.