Al maanden geleden had ik de kaartjes besteld. De beelden van een repeterende Renée, in het bijzijn van Liesbeth, hadden grote indruk op me gemaakt. Liesbeth List, in de nadagen van haar carrière, met een niet aflatende waardigheid, maar wel met een afnemende helderheid van geest. Haar ogen straalden bij het aanhoren van de stem van Renée en waarschijnlijk de herkenning van de teksten die zij zelf ooit had gezongen. Ooit, maar wanneer precies, dat leek in een steeds grijzer wordend verleden te liggen.
Hoe mooi, dacht ik toen, dat het leven en het werk van een mens op een dergelijke wijze vereeuwigd kan worden. Nog net op de valreep van een leven dat door het leven zelf steeds meer naar het onbewuste wordt geleid. Door Alzheimer, of andere geestdodende aandoeningen enkel nog tot herinneringen bij anderen leidt. Hoe mooi, dat juist die anderen die herinneringen levend willen houden, omdat ze toen al, nu nog en straks ook zo de moeite waard zijn.
Ik had kaartjes voor de eerste rij. Van dichtbij zag ik de opkomst van Renée, met een rode pruik in haar handen. In het bijzijn van het publiek zette ze die pruik op en vanaf dat moment was ze Liesbeth. Liesbeth List, die vervolgens haar leven aan een eettafel met gasten aan zichzelf voorbij zag trekken. Gebeurtenissen uit haar leven. Verhoudingen die ze had. Twijfels die haar verscheurden en successen die die tweestrijd weer tijdelijk deed verstommen. Maar het ging om meer dan Liesbeth List. Het ging om Renée. En het ging om ons.
Het lied ‘Laat me niet alleen’ (ne me quitte pas) zong Renée met zoveel overtuiging, dat ik vanaf rij 1 een traan over haar wang zag rollen. Niet alleen Liesbeth List’ angst om alleen gelaten te worden, lag in die traan. Het afscheid van mensen in het algemeen en vooral van hen die je lief zijn, dat zat in haar -en daarom ook in mijn- traan. Over haar en mijn wang rolde even dezelfde traan. Ik heb niet achter me gekeken, maar ik weet bijna zeker dat meer mensen uit het publiek die ervaring hadden. Zo mooi, om dat van dichtbij te mogen delen.
En dan de twijfel. Renée’s vertolking van het nummer van Edith Piaf, ‘Je ne regrette rien’, was daar een exceptioneel prachtig voorbeeld van. Op het moment van zingen was Renée Liesbeth en Edith tegelijk en je kon eigenlijk niet meer zien wie nu wie was. Was de verkrampte houding en de sjofele kleding nu van Piaf of van Liesbeth? Na het nummer was het Liesbeth die haar twijfels uitsprak over haar Piaf-vertolking. ‘Iedereen kon zien dat het niet goed was’, hoorde je Liesbeth zeggen. Haar twijfel werd ook onze twijfel. Het was Renée, die uiteindelijk alle twijfel weer wegnam.
‘Ik heb nergens spijt van’. De kracht van dat nummer, gerelateerd aan de twijfel die ieder mens van tijd tot tijd wel voelt. Zo indrukwekkend vertolkt door Renée, ondersteunt door het verhaal rondom Liesbeth. De performance raakte veel meer dan het leven van Liesbeth. Renée raakte ook haar eigen leven en dat van iedereen die herkende waar ze over zong. Een ovationeel applaus viel haar en haar crew terecht ten deel. Want in de kern klapten we eveneens voor onszelf en voor onze eigen levens. Dat we elkaar niet alleen wilden laten en dat we nergens spijt van zouden willen hebben. We klapten voor levensmoed. Voor het leven liefhebben en doorgaan.
En dat blijven we doen, zolang onze herinneringen het toelaten. Of zolang anderen onze herinneringen blijven delen. Mijn herinnering aan het optreden van Renée wil ik bij deze delen. Na afloop in de foyer nog even met haar gesproken. Het woord ‘ge-wel-dig’ in drie kussen in haar oor gefluisterd. Een dag later zag ik de prachtige reactie op Facebook van haar broer Peter: ‘Who are you, and what did you do with my sister 😉 #HeelTrots #ZoDeMoeiteWaard’. Wie ze was? Ze was Liesbeth en ze was Edith. Ze was ons allemaal en ze is Renée.
Een… Twee… Drie… Prachtig getimed stonden ze uiteindelijk alledrie op de bühne van de Weijer in Boxmeer. Er waren al een aantal indrukwekkende scenes aan vooraf gegaan, maar dit was er óók een hoor! Nummer één die via de prachtig geïmproviseerde circustent de bühne opliep, had in zijn eentje de show al kunnen stelen. In z’n ene hand een kopje. In z’n andere hand het schoteltje. Het plaatje was perfect. Zoveel tragiek en kracht tegelijk in één stillevend beeld. Wauw…!
Even later kwam nummer twee erbij. Net als nummer één, met een kopje en schotel in zijn handen. Het totaalbeeld dat dit tweetal creëerde ademde spanning en dynamiek. Ze namen de tijd. Of eigenlijk nam nummer drie de tijd, getuige de veelzeggende blikken van de eerste twee, richting de ingang van de circustent. En jawel. Daar kwam nummer drie. In zijn eigen tempo. Perfect getimed. Langzaam. Zoals dat soms in het leven gaat.
Het drietal vormde één van de circusacts, die onderdeel uitmaakten van de voorstelling Helden 1.0. Wat een prachtige vondst om deze drie acteurs onderling hun kopjes te laten uitwisselen! En dat pas deden nadat ze het publiek onmiskenbaar duidelijk hadden gemaakt wat nou het kopje was en wat het schoteltje. Geniaal. Ik vermoed dat dit -tot ontroering leidende- tafereel uit het brein ontschoten is van de regisseuse Kitty Korebrits.


