In 2019 deed ik voor het eerst mee met een gedicht. Het thema was toen ‘bevrijd’. De publieksjury bekroonde dat jaar mijn gedicht (gekozen uit 52 inzendingen) met de Rooje Roos publieksprijs. Daar was ik bijzonder trots op. Ik heb daar destijds een column aan gewijd, waarin ik het gedicht, maar ook het verhaal achter dat gedicht heb beschreven.
In 2020 deed ik opnieuw aan de wedstrijd mee met een gedicht. Dat jaar was het thema ‘Dwarsliggers’. Vijf gedichten (van in totaal 43 inzendingen) zijn toen door de vakjury en de publieksjury ook geschikt bevonden voor publicatie in de bundel. Daar zat ik weer bij en ook daar was ik trots op. Bovendien dankbaar en onder de indruk van het juryrapport, waarin de jury het best wel emotionele en ‘zware’ gedicht naar waarde wist te schatten..
Een aantal jaren daarna niet meegedaan, maar voor deze editie, 2025/2026 met het thema ‘vieren’, had ik wel weer een gedicht ingestuurd. Net als 64 anderen, die ook aan de poëziewedstrijd meededen. Zondag 12 april was de feestelijke bekendmaking van de winnaars en daar hoorde ik dat mijn gedicht bij de tien geselecteerden zat. Dus opnieuw trots.
Kunstenaars van Atelier Jerusalem hebben net als andere jaren beeldend werk gemaakt op basis van het thema. Wanneer de gedichten, die in een bundel gepubliceerd worden, bekend zijn, wordt aan elk gedicht een passend beeld gelinkt. Mooi hoe hier twee kunstvormen samenkomen.
Voor de geïnteresseerden en/of nieuwsgierigen heb ik hieronder de gedichten uit de bundels met het beeldende werk en de bijbehorende juryrapporten ‘klikbaar’ gemaakt. Zuster Marie-Claire zou trots op me zijn…
Gisteren, woensdag 1 april, was het enorm druk in het Gasthoês, bij het afscheid van Theo Vullings uit Lottum. In de grote zaal stonden 160 stoelen, maar dat bleken er veel en veel te weinig om alle aanwezigen een zitplaats te bieden. Het leek wel of heel Lottum uitgelopen was om Theo de laatste eer te komen bewijzen. Ik heb twee ontmoetingen met Theo en zijn gezin gehad. Als ik zijn afscheid van gisteren mee tel, eigenlijk drie. En alle drie heel indrukwekkend.
Er ging een rust van hem uit, die ik bij anderen in gelijksoortige situaties ook weleens ervaren had. Een ongeneeslijke ziekte, die langzaamaan de strijd aan het winnen was, maar die niet kon winnen van de geestkracht van de zieke zelf. Theo had in samenspraak met zijn gezin, de euthanasiedatum bepaald. Op vrijdag 27 maart moest het gaan gebeuren. Donderdag 26 maart was zijn zoon Thomas nog jarig, dus dan kon het niet. Die verjaardag moest nog gevierd worden.
Ik zag een foto van Frank staan, in de boekenkast achter Theo’s bed. Daar stond ook Frank’s urn, die bijna helemaal verstopt was achter een meters lang snoer van fel gekleurde kralen dat, een keer of drie dubbelgevouwen, ook aan de boekenkast was bevestigd. Een bewijs van jarenlange behandelingen en een groot doorzettingsvermogen, dat uiteindelijk niet had mogen baten voor Frank en het gezin.
En nu waren ze opnieuw in een soortgelijke situatie terecht gekomen. Theo was ervan overtuigd dat hij Frank weer ging ontmoeten. Natuurlijk was hij graag gezond geworden, na alle ingrepen die hij had doorstaan, maar als het dan toch niet anders was, dan moest het maar gaan zoals het ging. Met de foto van Frank en de kralenketting heel dichtbij, vertelde Theo die dinsdag honderduit. Uiteindelijk heb ik zijn slotwoord gefilmd en namen we afscheid met de afspraak dat ik zou proberen om hem het bewerkte filmpje nog naar zijn telefoon te appen. Hij wilde het namelijk nog graag van tevoren zien.
De hele kamer zat vol met familie, die allemaal op de verjaardag van Thomas waren gekomen. ‘Wil je een stuk vlaai?’, was het eerste dat ik hoorde, toen ik me aan iedereen had voorgesteld. En het tweede was dat ‘de HDMI-kabel al aan de televisie hing’. Van tevoren bedacht -misschien wel door Theo- zodat hij vanaf zijn bed alles goed zou kunnen zien. En dat pakte prima uit. De hele familie zag zich op verschillende foto’s zelf terug. Genietend en soms lachend gingen er opmerkingen over en weer. Ik meende te zien dat Theo daar op zijn manier erg van genoot. Na afloop heb ik Theo ter afscheid een hand gegeven. Opnieuw kreeg ik een stevige en warme handdruk en een uitgebreid woord van dank dat vanuit heel diep van zijn hart leek te komen. Indrukwekkend…
Een dag later, vrijdag, heb ik daar nog vaak aan teruggedacht. Die ochtend appte Yvonne dat ze ook afscheid van Theo had genomen. Maar niet voordat ze, op dringend verzoek van Theo, hem het door haar geschreven voorwoord nog had voorgelezen. Zoals Theo ook zijn hele netwerk zelf had benaderd. Zijn broers en zussen, zijn vroegere werkgever, de voetbalclub, zijn huidige Vitelia-collega-commissarissen, zijn vrienden. Allemaal met de open vraag of men tijdens zijn afscheid wat wilde vertellen. En bij een bevestigend antwoord, of ze die verhalen dan a.u.b. ook nog aan hem wilden komen voorlezen. En iedereen deed dat met liefde. Theo had de gave om in zijn directheid ook heel aimabel te zijn en te blijven. Vanaf zijn ziekbed nam hij zo al van heel veel mensen afscheid. In alle rust, omdat het nu eenmaal ging zoals het ging en in de overtuiging dat hij Frank weer ging ontmoeten..
Tijdens zijn afscheidsdienst, gisteren 1 april, werden al die verhalen aan alle aanwezigen verteld. Afgewisseld met foto’s die de verhalen visueel maakten. Op het eind spraken Thomas en Johan, namens het gezin, iedereen nog toe. Maar het laatste woord was aan Theo zelf, die zich in zijn filmpje eerst nog een soort van verontschuldigde dat hij daar in beeld kwam (‘toch raar, ôp mien afscheidsdienst…’), maar vervolgens in alle rust alle aanwezigen bedankte en een aantal mensen nog in het bijzonder.
‘..en daan haopelijk, oeit, tot ziens, ma ik haop daat dat nog lang moog dure. Groetjes vaan meej, kusjes, hoie wah…’. En daarna, op de muziek van Bob Marley, ‘Don’t worry, about a thing’, zagen we Theo op de rug en zoomde het beeld uit op een kudde schapen die hem volgden. ‘…cause every little thing, gonna be allright… don’t worry..’. Indrukwekkend.
Het was nationaal te doen. Zaterdag 21 maart werd er opgeruimd in Nederland. En dus ook in Horst aan de Maas. Groepen mensen in gele hesjes gingen met knijpers en afvalzakken hun wijk of buurt in, om op te ruimen wat andere mensen in hun wijk of buurt aan rotzooi hadden achtergelaten. Rond Landgoed de Gortmeule, op Veld-Oostenrijk, kwam ik zo’n groep tegen. Opruimers bedoel ik. Of ik er een stukje over wilde schrijven, werd me door hen gevraagd. Uiteraard!
Ik maakte wat foto’s en vervolgde mijn eigen wandeling. Onderweg dacht ik na over de insteek van het stukje. Drie dagen geleden, woensdag 18 maart, vond er namelijk al een andere landelijke activiteit plaats. Ook in Horst aan de Maas. Zou het leuk zijn om die twee gebeurtenissen te combineren, vroeg ik me wandelend af. En zodoende.
De gemeenteraadsverkiezingen. Zou het toeval zijn dat er dan drie dagen later een landelijke opschoonactie plaatsvindt? Ik bedoel, omdat er over het hele land gezien blijkbaar weer rechtser gestemd is. Ook in Horst aan de Maas. Volgens de lijsttrekker van de partij die na woensdag de grootste werd, is dat het geval. In het duidingsdebat, een dag later, sprak hij dat uit. En ik las het daarna op zijn facebookpagina: ‘⅔ koos rechts/midden, ⅓ koos links’. Hij noemde onder andere de winst (van 2 naar 3 zetels) bij BVH en de VVD. In datzelfde duidingsdebat onderstreepte de lijsttrekker van BVH die constatering van de winnaar met een niet te verbergen enthousiasme.
Maar dit stukje zou over afval gaan. Over mensen die afval weggooien en over mensen die dat dan weer opruimen. Landelijke Opschoondagen zijn er jaarlijks twee, werd mij zaterdag verteld. Maar ik weet dat er door het jaar heen ook heel veel mensen in Horst aan de Maas dagelijks door hun wijk lopen, in een geel hesje, met een knijper en een afvalzak. Ze noemen zich Mooimakers. Ze ruimen bijna dagelijks zwerfafval op, omdat er ook bijna dagelijks afval achteloos wordt weggegooid.
Maar goed, de landelijke Opschoondag en de landelijke gemeenteraadsverkiezingen. Zijn er meer overeenkomsten? Ik zag in de weken vóór woensdag 18 maart vaak groepen mensen in gekleurde hesjes lopen. Rood, groen, oranje om maar wat kleuren te noemen. Politiek gedreven groepen mensen, die hun politieke voorkeur in clubkleuren lieten zien en hun politieke meningen lieten horen aan medebewoners. Aan ‘kleurloze’ inwoners die misschien even later de in hun handen gedrukte flyers achteloos op straat hebben laten vallen.
Ik kan wel zeggen dat ik over het algemeen respect heb voor alle mensen in gekleurde hesjes. Maakt niet uit of het in gele, rode, blauwe, groene of oranje hesjes is. Ze laten allemaal een betrokkenheid zien bij wat er in wijken, buurten, dorpen, ja zelfs in het hele land omgaat. Dat die betrokkenheid bij een bepaalde kleur hesje zich dan beperkt tot dorps- of landsgrenzen is dan wel weer jammer. Zeker als ze bepaalde groepen per definitie anders willen behandelen dan ‘eigen’ groepen. En erg genoeg, ook veel mensen zónder een gekleurd hesje zitten blijkbaar op die lijn. Zoals er ook mensen zijn, die achteloos hun rotzooi overal achterlaten.
Over beide fenomenen kan ik me soms best wel wat zorgen maken. Maar het zijn met name de gele hesjes, die me dan weer wat vertrouwen geven. Afgelopen zaterdag nog. En vooral de gele hesjes door het hele jaar heen. Nu de anders gekleurde hesjes nog, die maar een week of drie zichtbaar waren…
Voor Yvonne, Ger, Marjos, Martin en anderen, in gele hesjes
Op de laatste dag voor de verkiezingen staan ze er. Op de dinsdagmarkt. Hun laatste flyers uit te delen. Bij de Lambertuskerk heb ik er al twee in mijn handen gedrukt gekregen. De eerste, door iemand van Essentie, die met name zijn eigen plek op de kieslijst er mee onder de aandacht brengt, maar waarop ook kort beschreven staat hoe zijn partij bij zijn visie aansluit. En de tweede flyer is van Leef. Met aan de ene kant hun hele kieslijst van 50 personen in het klein afgebeeld en aan de andere kant twaalf punten uit hun partijprogramma.Â
Als ik niet meteen bij Gember naar binnen was gelopen, had ik ook nog de SP-flyer moeten aannemen. Wat ik trouwens in alle vriendelijkheid ook wel gedaan zou hebben. Ik hoor dat bij het gemeentehuis het BVH-campagneteam staat. Omdat ik naar Gember ging, hoefde ik daar niet aan voorbij. Maar hoe dan ook, dan hebben we in korte tijd al vier van de zeven partijen gehad en ik vermoed dat de overige drie ook wel ergens op de markt hebben gestaan.
Ik heb een paar dagen geleden het verkiezingsdebat op Omroep Horst aan de Maas teruggekeken. En ik heb daarna nog een drietal interviews met lijsttrekkers teruggeluisterd. Niet alle zeven, maar alleen die waar ik nieuwsgierig naar was. Want ik weet al op wie ik ga stemmen. En op wie zeker niet. Maar wat me na het debat en de interviews bezighoudt, is hoe die zeven lijsttrekkers met hun achterban, álle zeven op onderdelen vinden dat alleen zij daarvan lijken te weten wat goed is voor Horst aan de Maas.
Respect voor al die campagneteams en voor het werk dat ze de afgelopen weken hebben verzet. Nu ook weer op de markt. Want als ik zie hoeveel marktgangers angstvallig de andere kant op kijken als een enthousiast partijlid hun kant op komt lopen, dan moet dat flyeren toch ook wel soms ontmoedigend zijn. Ondankbaar soms, als je merkt dat de grote meerderheid van de inwoners helemaal niet betrokken lijkt bij wat er zich de afgelopen vier jaar in de gemeentepolitiek heeft afgespeeld en waarschijnlijk ook niet geïnteresseerd is in wat er de komende vier jaar gaat gebeuren.Â
Maar waar ik wel een beetje bang voor ben, dat is dat die apathie onder onze inwoners vooral die partijen in de kaart speelt, die hun huidige campagne met name baseren op wat er in hun ogen fout ging in de jaren hiervoor. Die partijen in de kaart speelt, die ‘vergeten’ wat goed ging, omdat dat hen in deze campagne beter uitkomt. Die beschuldigend naar de ander wijzen en vervolgens pretenderen dat alleen zij de mening van álle inwoners vertolken, met als enige argument dat alleen zij ‘naast de mensen’ staan. Terwijl ik vanmorgen op de markt eens te meer ervaren heb, dat álle partijen heel dicht bij en naast de inwoners staan.Â
Afijn, we zullen woensdagavond 18 maart zien hoe die ‘nabijheid’ van de afgelopen weken uitpakt voor de toekomst. Als het opkomstpercentage weer rond de 50% ligt, dan is welke uitkomst dan ook, voor de helft van onze inwoners geen enkel probleem…
Ik heb het gedicht ‘Germa en Fred’ voorgelezen, zoals ik Germa beloofd had. Voorgelezen op vrijdagavond 6 februari 2026, tijdens de presentatie van carnavalskrant de Klos. Het gedicht schreef ik op 7 december 2025 voor haar, met het voornemen om het in de Klos te laten publiceren. Dat voornemen en het gedicht heb ik haar geappt. Bijna per kerende post kreeg ik een appje terug, dat me ontroerde: ‘Geert, het is prachtig! Ik ben je zo dankbaar, zo ben ik er toch nog een beetje bij..’. Fred, haar partner, stuurde me een filmpje waarin Germa het gedicht zelf voorlas aan haar vriendin Laura. Ook bij het bekijken van dat filmpje voelde ik weer tranen prikken..
‘Dan ben ik er toch een beetje bij’.. Germa bedoelde de komende carnaval, waarvan ze wist dat ze dat feest niet meer zou halen. De eerste chemokuur om haar maagkanker en uitzaaiingen te bedwingen had niet het gewenste effect opgeleverd. Integendeel, ze was er eigenlijk alleen maar zieker van geworden. Toen de artsen een tweede chemokuur voorstelden, die enkel levensverlengend zou kunnen zijn, besloot Germa voor kwaliteit van leven te gaan inplaats voor kwantiteit.
Vanaf dat moment pakte Germa de regie op de tijd die haar nog restte. Ze legde contact met Bob Noten Uitvaartverzorging en maakte afspraken met haar huisarts. Ik sprak Germa en Fred voor het eerst op 2 december vorig jaar, nadat Astrid van Rens, medewerker van Bob Noten, mij daarvoor benaderd had. ‘Ze kent jou’, had Astrid gezegd, ‘van het trommelen met carnaval’. Mijn vermoeden om wie het zou gaan werd bevestigd, toen ik Germa zag. Elke carnaval was er wel een moment dat we elkaar tegenkwamen. Zij kwam dan steevast vragen of ze even mocht trommelen. Vorige carnaval bleek de laatste keer te zijn geweest.
Germa had haar afscheidsdienst op papier al helemaal uitgewerkt. Haar levensverhaal had ze op twee manieren uitgeschreven. Puntsgewijs en als een lopend verhaal. De foto’s die ze graag getoond wilde hebben bij haar afscheid had ze al uitgezocht. De muziek die ze mooi vond, stond op een memorystick. Ze vertelde over haar wensen, staande en af en toe lopend, zichzelf enigszins ondersteunend aan een verrijdbare morfinestandaard. In overleg met Fred en haar huisarts werd een definitieve datum bepaald, waarop Germa haar lijden beëindigd wilde zien. Omdat ze geen afscheid wilde nemen op de verjaardag van Fred werd die datum over een weekend heen getild. Maar of ze die datum zou gaan halen, was nog maar de vraag. Germa leek het antwoord te kennen. Zij had de regie.
Ik ben diezelfde avond aan de slag gegaan, wetende dat haar gezondheid heel broos was. Ik wist ook dat ze nog wel heel graag de complete inhoud van haar afscheidsdienst zelf wilde kennen. Allereerst zette ik de door haar uitgekozen foto’s samen met haar muziek in een vijftal presentaties. Een dag later hebben we die samen bekeken. Als je zelf de foto’s van je leven op muziek voorbij ziet komen, dan is dat een diep emotionele ervaring. Foto’s van haar kindertijd, met haar vriendinnen, de momenten met Fred en zijn kinderen. De foto’s van carnaval. We spraken daar samen nog over. Die zaterdagavond schreef ik een gedicht, dat ik weer een dag later met haar en Fred kon delen. Het gedicht dat haar afscheidsdienst op 15 december 2025 zou besluiten…
Germa,
natuurlijk ging het veel te vlug, maar misschien kijk je nu wel met ons mee
en heb je je ouders daar teruggezien vloog je met hen al over zee
hoe is het daar waar je nu bent? is carnaval er ook bekend?
stel dat je daar ook trommels ziet waarop je hemels los kunt gaan
ja dan, zal ons verdriet van nu straks zeker ook weer overgaan…
Ze was er blij mee, schreef Germa. Het gaf troost, zei Fred. En het is altijd fijn wanneer zo’n afsluitend gedicht, gebaseerd op het verhaal van degenen waarvoor het geschreven is, ook resoneert bij de betrokkenen.
Maar Germa’s situatie liet me niet los. Diezelfde dag schreef ik een tweede gedicht over onze carnavals- en trommelontmoetingen. Dat gedicht heb ik vrijdag 6 februari, aan het begin van de Klospresentatie voorgelezen voor een 500-tal aanwezigen. Zoals ik haar en Fred had beloofd. En wie weet, was Germa er inderdaad ook een beetje bij. In ieder geval in gedachten.
Germa en Fred…
ik heb mien tróm ál bes wát jaor en heb dur hiël veul óp gehouwd en aalt, ás ik dán urges waor, dá vulde dát ál gauw vertrouwd
zütjes beginne, ni te hárt en bitje spienze, niemus kwaod? dá langzaam vlotter, volle vaart geconcentreerd en in de maot
hiël duk zaog ik eur ál vá wiet dá waas ut áltied vaste prik ur stilzwiegend ‘leuk dát ge dur ziet’ má in eur oege stoong: móg ik?
ze lüsterde iërs vur ze begós en sloog dá langzaam ritmies mei en hürde ze dát ut sneller mós dá goof ze ‘t tempo ennen drei
helaas môs zeej vur áltiëd gaon ut lot stook dur en stökske veur ma ás ik ôp miën tróm goj slaon is iëne roffel straks vur eur…
Gisteren condoleerde ik zijn zoon Stefan via de mail.
Hallo Stefan,
Ik had het gerucht in Horst al opgevangen maar las net de overlijdensadvertentie van je vader op Nu Horst aan de Maas. Mooie foto van hem, die jullie daar gekozen hebben.
Ik wil je bij deze van harte condoleren. Ik heb je vader heel vaak door Horst zien wandelen. Er heeft wat mij betreft altijd een soort mooie onaantastbaarheid rondom hem heen gehangen.
We zijn elkaar een paar keer tegengekomen bij Gember, maar daar zag ik hem ook regelmatig alleen binnenkomen en plaatsnemen. Bedachtzaam en erudiet. Mooie man…
Heel veel sterkte gewenst, vrijdag bij het afscheid.
Groet,
Geert van den Munckhof
Die vrijdag van het afscheid was vandaag, 6 februari. Op mijn vaste dagelijkse wandeling besloot ik een route te lopen die langs het huis van Walter ten Brink zou leiden. Als een soort stil eerbetoon aan de man, die de route van zijn huis naar het centrum van Horst zelf ook zo vaak gelopen had. Die ochtend was volgens de rouwbrief het besloten afscheid. Toen ik het pad naar zijn huis voorbij wandelde, zag ik al een paar mensen buiten met elkaar in gesprek. Het lange, mooie pad naar zijn huis. Ik heb daar ooit al wat over geschreven.
Dat ik er toen over schreef, en er ook een gedicht over maakte, had alles te maken met het gegeven dat zijn vrouw Hanni toen net overleden was. Over haar ziekteproces en over Hanni zelf heb ik ook ooit geschreven.
Die twee verhalen zijn tot stand gekomen op de plek, waar ik vaker schrijf, bij de oude eik en het kruis bij de Gortmeule. En ook vandaag besloot ik daar voorbij te wandelen. Ik herinnerde me momenten dat ik er op het bankje zat en dat Walter ten Brink me tegemoet liep, vriendelijk knikte, vertelde dat hij dat rondje vaker maakte, ter afscheid me een goededag wenste, en weer verder schreed. Met diezelfde mooie, vriendelijke onaantastbaarheid.
Nu zag ik van een afstand een auto bij de eik geparkeerd staan. Er stonden een paar fietsen en er waren drie personen bezig. Toen ik hen voorbij liep, sprak een van hen me aan. We raakten aan de praat en ze vertelden me waar ze mee bezig waren geweest. Laat ik het zo samenvatten, dat ze op die mooie plek een hele eervolle rituele handeling hadden verricht, die te maken had met de as van hun ouders.
Terwijl we spraken, kwamen Ton en Fien van de Gortmeule aangefietst. Ze stopten even omdat ze in een van de drie mannen een bekende zagen. Een kort gesprekje volgde. Ton en Fien bleken op weg te zijn naar het afscheid van Walter ten Brink, dus vervolgden hun weg. Ook ik liep verder en dacht na over de dingen die gebeurden. Over levenspaden die bewandeld werden. Paden waar ik nu zelf ook over liep. Letterlijk en figuurlijk. Gebeurtenissen die ‘op je pad’ komen.
Over het pad naar huize Ten Brink, waar Hanni ooit samen met Walter liep. Het pad, waar Hanni, na haar overlijden een laatste keer begeleid is door Walter en hun zoons Stefan en Guido met aanhang. Met in gedachten waarschijnlijk ook hun kinderen die ze bij leven al hadden moeten missen: Claudia, Maurits en Judith. En vandaag zou ook Walter over dat pad zijn laatste reis gaan maken. Het gezin zou hem daarin begeleiden, stond op de rouwkaart van Walter. Naar zijn laatste rustplaats bij Hanni op de begraafplaats in Horst.
Het gezin. Ik vergeleek de rouwkaart van Hanni, die 26 juni 2020 overleed, met die van Walter en zag dat ‘het gezin’ in zes jaar tijd ‘gegroeid’ is. Bij Hannie las ik Claudia(†), Stefan en Jenny, Luc en Martijn, Maurits(†), Claudia, Thomas, Judith(†), Guido en Mirjam, Casper en Amber. Op de rouwkaart van Walter had Martijn er een Sietske bij, Claudia een Kevin, Thomas een Loïs, Casper een Lieke en Amber een Arvind. Walter was volgens de kaart pa, schoonvader en ook trotse opa. Zoals Hanni destijds ma, schoonmoeder en trotse oma was. Weliswaar toen van iets minder ‘kleinkinderen’.
Hanni en Walter. Allebei in hun leven markante persoonlijkheden in Horst en ver daarbuiten. Hanni’s kleinkinderen, zes jaar geleden, zijn iets minder kleine kleinkinderen nu. Zij bewandelen hun eigen levenspaden. Daar was Walter trots op. En ik denk dat iets van die trots ook altijd heeft doorgeschenen in die mooie onaantastbaarheid die over hem heen hing, als je hem zag wandelen. Omdat hij begreep dat levenspaden weliswaar eindig zijn, maar toch altijd doorlopen…