Stil zijn

Ik verschil nogal eens van mening met mensen die hele uitgesproken meningen hebben. En dan zeg ik het heel netjes, want eigenlijk heb ik een bloedhekel aan dat soort mensen. Ik meen te mogen zeggen dat ik zélf -juist om die reden- meestal een onuitgesproken mening heb. Dat komt echter zo vaak voor, dat het in figuurlijke zin misschien ook wel weer uitgesproken te noemen is. Zo bekeken ben ik, min of meer onbewust, hetzelfde als degene die ik niet wil zijn. Ben ik stilzwijgend net zo schuldig als zij die roepen.

Hele uitgesproken meningen. Mensen die ze hebben, hebben vaak ook veel verstand van social media. Te pas en te onpas stellen ze anderen aan hun meningen bloot. Een digitaal exhibitionisme dat zijn weerga niet kent. Maar ook dáárvoor geldt dat het alleen maar kan bestaan als er aan de andere kant mensen zijn waar tegenaan ‘geexhibitioneerd’ kan worden. En dus ook hier: guilty as charged…

Wat betekent dit concreet? Bijvoorbeeld dat ik een bloedhekel heb aan mensen die grensrechters doodschoppen, maar dat ik daar niet over ga roepen. Omdat ik ook moeite heb met volwassen mannen die in voetbalprogramma’s deze mensen ongenuanceerd -want met veel ‘kennis van zaken’- veroordelen, terwijl ze in ‘normale’ omstandigheden week-in week-uit met woorden precies hetzelfde doen: scheids- en grensrechters verbaal molesteren. Ik zie het, hoor het en heb er vooral een onuitgesproken mening over. Ik zeg niks, zwijg en stem dus toe? Nee, dat niet. Maar wat dan wel?

Allereerst signaleren misschien, inplaats van meteen veroordelen. Of plaatsvervangend schamen en zelf proberen anders te zijn. Je eigen beperkingen zien en niet maskeren met andermans vermeende tekortkomingen. Hoe was dat spreekwoord van die balk en die splinter ook al weer? Ik google het en zie dat het spreekwoord afkomstig is uit de bijbel. Het nieuwe testament: Matteüs 7, voor de liefhebber. Daar lees ik ook over parels en zwijnen. Wolven en schaapskleren. En huizen bouwen, op rotsen of op zand. In één kloterig klein stukje bijbeltekst… Nogal uitgesproken allemaal, dat wel. Maar ik zeg niks.

Zal ik er iets van op Facebook zetten? Of twitteren? Dan doe ik tenminste nog iets met de zojuist opgedane non-informatie. Niet ex- maar tekstibitionistisch, zeg maar. Want ook hier guilty as charged. Ik volg weliswaar een aantal van jullie, maar tegelijk volg ik het allemaal al lang niet meer zoals ik zou willen… Even stil zijn is misschien het beste. Hoewel zelfs dat niet altijd echt wil lukken. Want je maakt ook geluid als je huilt. Als regendruppels tijdens een stille tocht. Voor Richard Nieuwenhuizen. Nieuwe huizen? Op rotsen of op zand? Hoe dan ook. Sterkte allemaal. In Almere en overal. Laat de stilte maar zo hard mogelijk klinken. Zodat niks- veelzeggend wordt.

Duizend levens

‘Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één.’ Een dichtregel van Cees Nooteboom, waar mijn oog op valt. Een regel om te bewaren, vind ik, omdat de zin me aan het denken zet. Er zit wat confronterends in. Een soort knieval voor de veel te schaars bemeten tijd die eenieder in een mensenleven gegund is. Een zelf-opgelegde beperking, lijkt het, die je machteloos maakt. In de dubbele zin van het woord. Kiezen omdat je geen keuze hebt. Eén voor één tik ik de woorden in. Een nieuwe notitie, waarbij het voelt alsof er na elk woord een leven aan me voorbij trekt.

Een ongeleefd leven. Een onvolledig geleefd leven. Een te weinig ingeleefd leven. Een te beleefd leven misschien? Combinaties van die vier? De zin intrigeert me. De massaliteit van de keuzes en er dan maar één nemen. Er 999 laten liggen, zogezegd. Het voelt als verspilling. En het roept de vraag op of dat éne leven dat je gekozen hebt niet een verkeerde keuze is. Zou Cees het ook zo bedoeld hebben? Of moet je het heel anders lezen? Als uit een soort bescheidenheid van een grote schaal bonbons er maar één nemen? Kijk mij eens welgemanierd zijn en beheerst. Zou kunnen. Maar toch…

Hoeveel ‘levens’ had ik? Wanneer waren mijn ‘keuze’-momenten? Waren het er duizend? Er zijn er veel te bedenken. Momenten in mijn leven die bepalend kunnen zijn geweest. Er schieten allerlei beelden door mijn hoofd. Van heel vroeg in mijn leven meegemaakte gebeurtenissen, van latere momenten, doorlopend tot aan de dag van vandaag. Het zijn doorleefde momenten, die misschien wel om die reden nog steeds zichtbaar zijn aan de binnenkant van mijn ogen.

Dan zie ik de vijfjarige kleuter die naar huis wil omdat het gevoel van onbehagen over de thuissituatie hem parten speelt. Ik zie de eerste klasser die voor een volle kerk mag voorlezen bij zijn eerste communie. De zesde klasser die onwetend in mooie krulletters opschrijft dat hij naar de HAVO gaat, maar pas als brugklasser de wereld open ziet gaan en VWO-er wordt. De schoorvoetende tiener die in psychiatrisch centrum ‘St. Anna’ zijn moeder bezoekt. De huilende 18-jarige die afscheid van haar neemt in een koud mortuarium.

Ik zie de examenkandidaat, een jaar later, die dan wél slaagt maar geen idee heeft voor een vervolgstudie. De dienstplichtig militair in Amersfoort die zijn opleiding krijgt tot radarist. De kantoorklerk in Seedorf die op die manier een volledig nutteloze radar-opleiding min of meer zinnig invult . De vrijwilliger bij het Kindervakantiewerk Horst, die ook hoofdleider werd om in aanmerking te komen voor buitengewoon verlof. De korporaal die langer diende omdat hij nog steeds niet wist wat hij na z’n dienststijd wilde gaan studeren. De reiziger naar Griekenland die in drie maanden opgespaard verlof de tijd opvulde tussen diensttijd en begin studie.

Ik zie de student Logopedie, die eerst bij zijn oudste zus introk, maar later in Eindhoven op kamers ging. De logopedist, die in Hoogeveen bij de GGD Zuid-West Drenthe ging werken. De huurder van een 1-persoonsappartement in een flat aan de Helios die een jaar later samen met zijn vriendin op de Antares in een groter flatje trok. De bruidegom, die in 1991 met zijn vriendin trouwde, drie dagen feest had, en daarna gehuurd boven de Zeeman woonde. De vader van een dochter, die het eerste jaar alleen maar stil was als ze bewogen werd. De huiseigenaar die in de tuin van zijn nieuwe woning ’s zomers maximaal van één tot vijf de zon zag.

Ik zie de werknemer die weer een studie oppakte, om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De vader van een tweede kind, een zoon, wiens geboorte de moeder vier dagen op de intensive care deed belanden. De directeur van de eenmanszaak in grafische communicatie die elke opdracht een nieuwe uitdaging vond. De spreker die bij verschillende gelegenheden mocht verwoorden wat anderen bezighield. De orgelspeler die zijn jarenlange wens vervuld zag en een draai kon geven aan zijn hobby. De vijftigjarige die terugkijkend steeds kritischer vooruitkeek en zichzelf steeds vaker tegenkwam. De schrijver die de emoties van alledag bij herhaling probeerde te verwoorden.

Verhalen over het leven. En over de momenten in de tijd van het leven. Duizend levens? Ja. Ook ik nam er steeds maar één. Niet uit bescheidenheid of beheersing. Niet uit machteloosheid. Nee hoor. Ik nam er steeds één, maar dat télkens weer. Elk moment opnieuw. Omdat het niet anders kon. En ik zou het zo weer doen. Omdat het niet anders kan. Omdat ik dóórleef. Een leven lang. Met jou. Een leven uit duizenden…

Gekte

Morgen is het de 11de van de 11de. Traditioneel een datum dat de gekte los mag barsten. Het begin van een periode die uitmondt in drie dagen anders mogen zijn. Drie dagen iemand zijn, die je 362 dagen niet bent. Dat zou louterend werken is de algemeen erkende zienswijze in het zuiden. Rare gedachte eigenlijk. En begrijpelijk dat er vanuit de noordelijke provincies zo nu en dan met een gezonde portie scepsis naar gekeken wordt.

Zoals zo vaak zal de waarheid wel ergens in het midden liggen. Daar waar de meningen ver uit elkaar liggen is het goed om er eerst even tussenin te bivakkeren, voordat je een kant kiest. Áls je dat al zou willen, dat kiezen. Soms is gewoon even stil zijn en niets doen ook heel bevrijdend. Alleen, in deze tijd dat iedereen gehoord wil en vooral ook kán worden, is stilte heel zeldzaam. Afgelopen week weer voorbeelden te over.

Obama wordt herkozen en reikt in zijn krachtige overwinningsspeech symbolisch de hand aan Romney. Waar eerst de campagnes miljoenenverslindend gericht waren op het keihard onderuit halen van elkaar, is er na het optrekken van de verkiezingsrook, blijkbaar in één keer plaats voor verzoening. Vreemd. Waren het dan maandenlang boze maskers die men ophad? Een soort omgekeerde carnaval? Was het niet beter geweest om gewoon even stil te zijn en te luisteren, inplaats van elkaar tijdens de campagnes boven de enkels af te zagen en van alles wat verderfelijk is, te betichten?

Een twintigjarige jongen pleegt zelfmoord nadat hij zijn ouders in een brief uitlegt waarom. Een hele diepe stilte zou op zijn plaats zijn, maar het verdriet is zo groot dat de ouders besluiten een daad te stellen. Het overlijdensbericht wordt een stille aanklacht tegen de mogelijke oorzaak van de dood van hun zoon. Een droevige boodschap, die laatste ongehoorde woorden van Tim. Media nemen de stille aanklacht over maar vergroten die binnen no-time uit tot een lawaaierige kakafonie van medeleven en morele verontwaardiging. Een paar dagen lang zijn we allemaal tegen pesten. Natuurlijk. Niemand uitgezonderd. Iedereen doet mee. Totdat de maskers weer af gaan en bij deze en gene bewust of onbewust de ware aard weer boven komt. En opniéuw doen we allemaal mee. 362 dagen lang. Waarom? Om ons weer op te laden voor ‘drie dagen anders zijn’.

Sommigen slaan door in dat anders zijn, vinden we. Een Metro-columnist is daar een voorbeeld van. Hij schrijft ongevraagd in naam van een hoofdredactrice van een katholiek nieuwsblad een column en gebruikt Tim en diens familie als lijdende voorwerpen. Grote verontwaardiging bij alles en iedereen. Voors zowel als tegens. De rechtvaardiging van de columnist om zijn mening als die van haar te verkondigen is in feite een totale ontkenning van de ander. Het ultieme pesten. Daarmee doet hij precies hetzelfde als wat hij haar verwijt. En houdt hij tegelijk ons allemaal een spiegel voor.

Want ook wij hebben onze meningen meteen klaar. Vinden niet kunnen wat hij doet, over de rug van zelfvermoorde onschuld, maar vinden ook niet goed wat zij doet, onder het mom van katholieke onfeilbaarheid. Een paar dagen lang bestoken we elkaar dan met onze meningen. Op álle manieren die in deze tijd maar denkbaar zijn. Geen moment is het stil.

Of toch wel? Jawel. Want terwijl wij nog naar elkaar roeptoeteren wat we van alles en iedereen vinden, wordt ergens in besloten kring Tim in stilte begraven. Loopt een stoet Citaverde-leerlingen ingetogen langs hetzelfde spoor, waar een week eerder één van hen op is gaan staan. Een stilzwijgend afscheid en niemand weet waarom.

Om stil van te worden, een dag voor de elfde van de elfde…

‘Ja, ja…’

‘Jan is zijn hele leven bij een joekskapel geweest’. Met een brede glimlach op zijn gezicht wordt hij binnen gebracht, aan de hand van een verpleegkundige. Zij stelt hem aan me voor. Muziek is hem beloofd en dat wil hij weten. Jan wordt naast een medebewoner gezet. Daar krijg ik verder geen informatie over, zo in het voorbij lopen, maar er straalt geen vrolijkheid van af. Zittend in een rolstoel lijkt hij de tegenpool van Jan. ‘Ja, ja’, lacht Jan. Zijn ogen schitteren. De man in de rolstoel heeft zijn ogen dicht.

Rondom een tweede tafel in dezelfde woonkamer van het verpleeghuis zitten zes oudere dames. Een voor een netjes klaargezet, lijkt het wel. Ik vermoed door de twee vrijwilligers, die ik herken aan hun Zorggroep-speldje. ‘Voor de muziek’, is de dames waarschijnlijk telkens uitgelegd. Maar dat weten ze niet meer allemaal. Ik zie vragende blikken bij een paar van hen als ik de woonkamer binnenkom. ‘Is dat een pastoor?’ hoor ik één van de dames vragen.

Het buikorgel zit nog in het op maat gemaakte kastje, dat gemonteerd is op een onderstel van een oude kinderwagen. Maar dat weet hier niemand, dus ik vertel dat maar meteen bij binnenkomst. De vragende blikken verdwijnen niet meteen. Een man in een lange zwarte jas, met een zwarte hoed op, zien ze hier niet dagelijks. Het is even stil en daar maak ik gebruik van. ‘Ik kom muziek maken!’ vertel ik zo enthousiast als ik kan. ‘Ja, ja,’ lacht Jan en hij maakt een gebaar dat lijkt op het uitschuiven van een trombone. Maar dat denk ik alleen omdat mij verteld is dat hij in een joekskapel heeft gezeten. De man in de rolstoel slaapt.

‘Ik speel zélf nog mondharmonica. Nog steeds!’. Ze kijkt me trots aan. Met een blik van ‘je hoeft mij niets meer te vertellen over muziek’ lijkt ze te willen zeggen dat ik die van mij maar moet laten komen. Ze heeft er duidelijk zin in. ‘Is dat een pastoor?’, vraagt de mevrouw haar tafelgenoten opnieuw. Netjes gecoiffeerd krijgt ze een ontkennend antwoord. ‘Wat leuk, die kinderwagen’ merkt de mevrouw van de mondharmonica op. Ondertussen haal ik het orgel uit de kast. Ja, ja,’ roept Jan enthousiast. Al snel draai ik het eerste deuntje. De man naast Jan brengt zijn handen naar zijn oren.

De vrouwentafel zingt mee en is meteen om. Muziek horen ze en dat blijkt te bevallen. ‘Is dat een pastoor?’ hoor ik weer vragen. Het antwoord blijft nu uit. De buurvrouw kan niet praten en zingen tegelijk. ‘Ja, ja’, zingt Jan. Hij kan niet meer praten, denk ik. Sensorische afasie, schiet er wat oude logopedische kennis door mijn hoofd. Maar hoe mooi, die blije lichtjes in zijn ogen. Op dit moment lijkt ‘ja, ja’ ruim voldoende. En bovendien weet hij ook hoe een trompet bespeelt moet worden, zie ik. Ik knik hem toe, als een blijk van herkenning. ‘Ja, ja’, zegt hij lachend.

‘Je mag de jas wel uit doen, hoor’ zegt een van de vrijwilligers. Ik krijg het er inderdaad warm van. Van het draaien en het zingen. Het steeds vaker terugduwen van mijn leesbrilletje is ook een teken aan de wand. De statige lange zwarte jas, waar ik jaren geleden in getrouwd ben, doe ik uit. ‘O, zie je wel, het is geen pastoor’ zegt de mevrouw die pas bij de kapper is geweest. Opgelucht dat de brandende vraag die haar vanaf mijn binnenkomst blijkbaar heeft beziggehouden nu eindelijk lijkt opgelost. Ze kijkt me aan alsof ze me ontmaskerd heeft en draait zich om naar haar buurvrouw. ‘Het is geen pastoor’ legt ze haar uit. Maar haar buurvrouw luistert naar de muziek. Al de hele tijd. Zij wel. Net als de anderen. Op de man in de rolstoel na. Voor zover ik dat kan beoordelen. Zijn armen rusten nu op de leuningen maar zijn ogen zijn nog dicht. Verbeeld ik het me, of bewegen zijn handen een beetje op het ritme van de muziek? ‘Ja, ja’, lacht Jan naast hem. Behalve trombone en trompet spelen, blijkt hij ook te drummen. We wisselen samen weer blikken van herkenning. Muziek schept een band.

Als ik na afloop mijn jas weer aandoe en met orgel en al afscheid neem, doe ik dat bij Jan even persoonlijk. Het voelt goed. ‘Ja, ja’, zegt Jan en hij lacht weer lampjes in zijn ogen. ‘Is dat een pastoor?’ hoor ik achter mij vragen. ‘Neehee’, hoor ik een ander zeggen. Ik zwaai nog een keer en loop naar de lift. Waar ik eerder omhoog ging, ga ik nu omlaag. ‘Ups and downs’, denk ik, terwijl ik naar buiten loop.  ‘Ja, ja’…

Hoofd en hart

‘Wanneer kom je weer terug’? Haar glimlach en vragende blik was voor mij het bewijs dat ze het meende. Nog maar net gestopt met applaudisseren stelde ze de vraag uit de grond van haar hart. Ik moest denken aan een zin uit een liedtekst van Chris DeBurgh: ‘it’s the classical dilemma between the head and the heart’. In een hele andere context gebruikt weliswaar, maar het verschil tussen ‘hoofd’ en ‘hart’, verstand en gevoel, was ook in deze situatie aan de orde, vond ik. Haar hart vroeg naar het wanneer, maar ‘haar hoofd’ zou welk antwoord dan ook waarschijnlijk meteen weer vergeten zijn. Elk antwoord leek goed. ‘Snel’, zei ik, ‘ik kom snel weer terug’. De glimlach bleef. Ze knikte.

Op de koelkast stond met magneetletters heel groot de dag en de datum van vandaag vermeld. In de woonkamer van het verpleeghuis waar ik zojuist een amsterdamse potpourri op mijn draaiorgeltje had gespeeld, was het warm. De vrijwilligers hadden een tiental aanwezige bewoners al van koffie en thee voorzien. Nu, op pakweg de helft van het optreden, gingen ze aan de slag met fris en chips. Per tafel één bakje.

Ook hier weer het dilemma van hart en hoofd. Al deze mensen hadden vroeger ongetwijfeld de chips in het bakje netjes met elkaar gedeeld.  Gezamenlijk in alle sociaal wenselijke eerlijkheid het bakje om beurten benaderd. Met het hoofd, als het ware. Maar nu werd met een bijna wiskundige precisie de afstand van het bakje tot de buurman in één oogopslag vergeleken met de eigen afstand tot de lekkernij. En dan zet ook het liedje van Nicole, ‘Ein bischen Frieden’, geen zoden meer aan de dijk. Eén van de vrijwilligers werd op niet mis te verstane wijze op de rechtsongelijkheid gewezen. Tactisch werd het probleem uit de wereld geholpen door het bakje wat op te schuiven. De mevrouw met het timmermansoog liet vanaf dat moment het bakje niet meer los. Niemand reageerde daar echter op, dus was er ook geen probleem meer. Of had ‘Ein bischen Frieden’ het hart van de anderen misschien wel ‘geraakt’?

Tijdens het draaien en zingen zie ik zulke dingen aan. Ik zie mensen genieten. Het ene moment van de muziek en het andere moment van een bakje chips. Allebei is prima. Want het zijn mensen van het moment. Niet voor niets woonachtig in een verpleeghuis, onder begeleiding van vrijwilligers en vakkrachten. Die zo nu en dan wat vertier geregeld hebben. Een muzikant, een uurtje in de woonkamer. Die liedjes zingt over een molen, over tulpen in Amsterdam en klokken van Arnemuiden. Liedjes die je tot je eigen verbazing gewoon kunt meezingen. Deuntjes waar je op kunt inhaken. Met iemand die ‘toevallig’ naast je zit  en die je eigenlijk niet kent.  In dat dilemma van hoofd en hart wint het hart, om vervolgens samen te genieten. Even, zonder nadenken. Zelfs zonder chips, als je pech hebt. Of mét, als je geluk hebt. Allebei goed. Muzikale momenten van herkenning werken verbindend. Op de koelkast staat welke dag het vandaag is. En welk seizoen van het jaar we hebben. Of dat er toe doet? Het hoofd vindt van wel. Het hart zegt van niet. Het is vrijdag en het is herfst. Terwijl buiten de zon schijnt zing ik binnen een liedje van Reinhard May. ‘Über die wolken, muss die Freiheit wohl grenzenlos sein’.

Snel. Ik kom snel weer terug.

‘Kaal’ van Marco Roelofs

20121018-013649.jpg
Afgelopen zaterdag heeft Marco voor mij zijn boek ‘Kaal’ gesigneerd. ‘Voor Geert’ staat er in. En hij besluit met een ‘ferme groet’. ‘Marco. 13/10/12′.

Het regende die middag nogal. Een kwartier voor sluiting ben ik onder een paraplu naar de plaatselijke boekhandel gewandeld. Daar hield hij zijn signeersessie. De opkomst viel hem erg mee, vertelde hij. Fijn om te horen. Hij zag er goed uit. Voor zover ik het precies gevolgd heb, was hij op dat moment nog maar net punkzanger af. Zijn band, de Heideroosjes, was nog maar een paar dagen eerder officieel opgehouden te bestaan.

De laatste jaren had zich dat al wel een beetje aangekondigd, lees ik thuis. Ook door de voorbeschouwingen op het boek was me al duidelijk dat het einde van de Heideroosjes Marco niet onberoerd had gelaten. De band was zijn leven. Ingebed tussen een zevental sessies bij de psycholoog beschrijft hij zijn hele leven. Een open boek, zowel letterlijk als figuurlijk. Goed geschreven, prettig leesbaar. Prima verhaal. Recht voor z’n raap. Meer dan drie-en-twintig jaar no-nonsense, toevertrouwd aan 219 bladzijden. Een aanrader. Omdat je tussen de regels door niet alleen over Marco leest, maar ook veel over jezelf.

Vandaag luister ik via internet zijn interview terug bij het Cultuurcafé van L1. Volgens mij in gesprek met Frans Pollux en nog iemand. Bewust of onbewust worden de vragen die Marco zich in het boek stelt live voor de radio herhaalt. Vanzelfsprekend geeft Marco de antwoorden die ook in ’Kaal’ staan. Ik krijg een soort van film-zien-maar-boek-leuker-vinden-gevoel. De interviewers leggen veel nadruk op de aanpak van de psycholoog. Zo vragen ze Marco of de psycholoog er ook een ‘naam’ aan gegeven heeft, aan dat wat hij ‘had’. Of hij nu ‘beter’ is, en wanneer het moment was, dat hij dat zelf ervaarde… Gelukkig zijn soms de antwoorden beter dan de vragen.

Want volgens mij gaat het boek daar in essentie helemaal niet over. Belangrijker nog dan hoe ‘het’ heet en of je wel of nog niet ‘beter’ bent, gaat het boek over het ‘leven’ zelf. Of, soms, het ‘overleven’. Het gaat over vragen zónder antwoorden, op verschillende momenten van je bestaan. Lezen en leren hoe iemand daar mee omgaat is voor mij de ware kracht van ‘Kaal’. En daarom Marco, dankjewel daarvoor.

Speciaal ook voor die ene zin trouwens, die vrij vooraan in je boek staat, en waarbij ik een eigen momentje van vreugdevolle herkenning beleefde: ‘Na het winnen van een paar lokale playbackshows…’. Ik zie je nog als Urbanus en als André van Duijn. En een playbackshow later je talentvolle zusje als Shaka Zulu. Ik voel bij wijze van spreken nog jullie krachtige aanwezigheid van toen. Even gekoppelde, mooie momenten in levens.

In die zin. Ook fijn om te lezen. Niet dé, maar gewoon ’n zin van ons leven. Tussen álle andere zinnen. Een ferme groet terug daarom, naar jou en de jouwen.
’Geert 17/10/12’.

Er is iets moois kapot gemaakt…

Op het vliegveld in Brussel komt hij door de deur van de aankomsthal. Gitaar op de rug. Een bijna identiek beeld als 24 uur eerder, maar dan andersom. In meerdere opzichten. Was het gisteren nog met een verwachtingsvolle glimlach toen hij vertrok, nu staat zijn gezicht bedrukt. Zwaaide hij gisteren na een geslaagde paspoortcontrole nog even triomfantelijk vanaf de taxfree-zone, nu ging moeizaam zijn hand omhoog toen we oogcontact hadden. Een brok in de keel. Zijn bleke gezicht onderstreept pijnlijk het gevoel dat ik gisteren kreeg bij de mail dat ze het land niet in mochten. Nu ik hem zie wordt dat gevoel bevestigd: Er is iets moois kapotgemaakt.

Natuurlijk, twee keer negen uur achter elkaar vliegen eist ook zijn tol. Maar de echte pijn is veroorzaakt in de tijd tussen de heen- en terugreis. In nauwelijks één uur tijd werd zijn droom een drama. Wat twee weken India hadden moeten worden, werd wreed teruggebracht naar enkele confronterende momenten bij de Indiase douane. Nog geen half uur in het land waar ze zich maanden op hadden voorbereid, werden ze in het volgende half uur India weer uitgezet. Met niet te vatten machtsvertoon teruggedirigeerd naar hetzelfde vliegtuig als waarmee ze gekomen waren. Een onbegrijpelijke ervaring rijker en vele illusies armer. Iemand daar zou hen hebben moeten vertellen waarom, maar niemand deed het. Iemand hier zou hen moeten vertellen waarom, maar niemand kan het.

Daar ligt de kern van een pijnlijk dilemma. De ‘helpende handen’ van de één gaan blijkbaar gepaard met de ‘afwerende handen’ van de ander. Dat is voor mij als ‘volwassene’ al moeilijk te vatten. Hoe leg je dat dan uit aan een veertienjarige die er gisteren nog van overtuigd was dat zijn helpende handen iets konden gaan betekenen in de wereld.

De wereld is vandaag iets minder voor de hand liggend geworden dan dat die gisteren was. Daarmee is er iets heel moois kapot gemaakt. Ik hoor de troostende woorden, zie hier en daar de tranen. De meelevende omarmingen. We doen andere onbeholpen maar goedbedoelde pogingen om te repareren wat domweg lijkt vernield.

Ik voel boosheid en verdriet tegelijk. Want ik weet hoe graag hij dit wou en dus hoeveel hij nu mist. Ik zie de geknakte steel van een bloem die zó graag wilde bloeien. Gebroken vertrouwen dat zich niet zo simpel laat lijmen. Het zal veel tijd en veel geduld vergen, houd ik me zelf voor, maar kan het gevoel nog niet van me afzetten dat je de barstjes altijd zult blijven zien. Er is ’gewoon’ iets moois kapot gemaakt.

Vrij snel duikt de pers op de gebeurtenis. Social media gaat nu eenmaal sneller dan welk vliegtuig van Jet Airlines dan ook. De afspraak van het reisgezelschap om het verhaal vanuit èèn mond -die van Raoul Dusch- te vertellen, werkt in eerste instantie. In het artikel van Kitty Borghouts in de digitale Limburger, diezelfde dag nog, wordt Raoul geciteerd. Hij beschrijft de gedeelde ervaringen. ‘Een domper’ noemt hij het, ‘een enorme teleurstelling’. Hij vertelt te willen gaan uitzoeken wat de reden is van de landuitzetting. Daarvoor wil hij gaan aankloppen bij de Indiase ambassade en het ministerie van buitenlandse zaken.

Even later neemt de lokale radio op hun internetpagina het bericht op, voegt er wat geur en kleur aan toe en interpreteert sommige zaken net even iets anders. Bijvoorbeeld deze zin: ‘Het Dendron College gaat nu bekijken met het ministerie van buitenlandse zaken waarom de twee begeleiders India niet binnen mogen’. Op de nieuwssite van de Limburger staan ondertussen wat reacties op het eerste artikel van Kitty. Meningen stapelen zich al snel op. In de anonimiteit van cyberspace mag alles worden geroepen. Ook datgene dat er niet toe doet.

Want waar het wat mij betreft om gaat is van een andere orde. De reden van de reis is namelijk niet het ’helpen van de zwakke hulpbehoevenden uit de laagste sociale klassen’. Daarvoor zijn vier veertienjarigen en twee begeleiders niet voldoende. De ware kracht zit in de aanwezige, ongedwongen, bereidheid om te gaan zien en aan den lijve te gaan ervaren hoe het op andere plekken in de wereld is. De wil om ter plekke te be-grijpen, letterlijk er-varen en dan, later thuis, te ver-tellen. Daar gaat het om. Pas als je iets écht begrijpt, tot in het diepste van je wezen, kun je het daarna uitleggen en over-brengen aan anderen.

Zij moeten zich nog een mening over de wereld vormen, waren daartoe bereid en wilden dat doen door te ontmoeten, te ervaren en door te gaan zien. Dáár helpende handen aan bieden is waar het om gaat. Dat is het mooie ervan. Daar ligt de grote kracht en daarom is het des te pijnlijker dat het deze keer niet zo mocht zijn. Héél erg jammer. Iets moois is daarmee ‘kapot gemaakt’.

Iets dat ik niet zondermeer kan uitleggen aan mijn veertienjarige zoon. Ik voel het zo. Ik meen het te kunnen zien aan zijn bleke gelaat. Ik heb er op dat moment geen woorden voor en voel me machteloos. Vooral ook omdat ik zie dat hij er geen woorden voor heeft.

Iedereen is vooral aangedaan om wat er hen is aangedaan. De een uit zich zichtbaar, de ander meer van binnen. Hoe maak je recht wat krom is? Hoe máák je, wat kapot is? Maar alle afwerende handen ten spijt, helpende handen waren, zijn en zullen op die ‘enorme teleurstelling’ het enige antwoord blijven. Straks. Nu nog heel even niet. Voorzichtig lopen. Er liggen scherven.

Bang

‘Maar als het tóch waar is?’ Angstig kijkt hij me aan. Onze zoon van elf heeft van een vriendje de onheilstijding gekregen dat een komeet de aarde en al het leven daarop zal gaan vernietigen. Huilend heeft hij me deelgenoot gemaakt van zijn angst. Samen zitten we nu voor de computer en tellen het grote aantal Google-hits, waarin de naam van de komeet automatisch gerelateerd wordt aan de term ‘broodje aap’. Het stelt hem voor dat moment gerust, en ik ben blij dat me dat gelukt is. Een kind hoort niet bang te zijn voor de dood…

Een paar dagen later komt hij met een trillende onderlip van de trap af. De angst blijkt hardnekkig en heeft opnieuw de kop op gestoken. Met name dat gegeven zet me aan het denken. Waar is hij zo bang voor? Nog steeds de komeet? Het onvermijdelijke einde? Of zijn het de gedachten over het verlies van datgene dat hij niet wil verliezen? Wat is er over als iedereen in je omgeving sterft? Dan blijf je alleen achter en wat heb je dan nog? Maakt hij zich ongerust over zijn eigen sterfelijkheid of denkt hij aan de onze? De komeet is ongetwijfeld de aanleiding, maar zit de angst niet veel dieper? Zelf kijk je ook wel eens hoe laat het is op je biologische klok. En dan overtuig je jezelf dat half twaalf nog een heel eind af is van vijf voor twaalf, maar toch. Dingen zijn eindig en onze Mees lijkt dat te voelen. Of vul ik dan teveel in, vraag ik mezelf af. Zit hij er misschien veel aardser in en denkt hij aan de fysieke pijn van zo’n enorme inslag? Wat het ook is, je wil als ouder je kind niet bang zien. Dus probeer ik hem opnieuw gerust te stellen. ‘Je hoeft niet bang te zijn, Mees’… de woorden worden gevolgd door de zakelijke uitleg van het broodje-aap gehalte van de gewraakte komeet. De angst verdwijnt echter niet uit zijn ogen. Ik sla mijn armen om hem heen en ik voel meteen dat in de geborgenheid van die omarming de spanning uit zijn lijf stroomt. ‘Je bent bang hé?’ Mees laat zijn tranen de vrije loop terwijl ik hem vasthoud en stevig tegen me aandruk. Even niks meer zeggen, schiet het als een komeet door mijn hoofd. Kille uitleg maakt plaats voor warm gevoel en dat blijkt veel beter te werken. Het huilen stopt na verloop van tijd en lijkt een bevrijdende werking te hebben gehad. We praten nog wat na en hij gaat weer naar bed. ’s Morgens vertelt hij lekker geslapen te hebben. Gelukkig.

Voor nu. Want hij is een denker. Filosoofje in de dop. Dus zal het zeker een keer opnieuw ter sprake komen. Dat had bijvoorbeeld al gekund bij het onlangs gevonden dode spitsmuisje, dat hij samen met een ander vriendje in onze tuin heeft begraven. We hebben het toen niet over de dood gehad. Misschien omdat mijn opmerking dat ze ‘blij waren met een dode muis’ wat verkeerd getimed was, maar goed. Soms kan je ook met humor een tegen-emotie oproepen is mijn ervaring. Mees en zijn vriendje zullen best wat woorden hebben gewisseld tijdens de ‘begrafenis’. Maar hebben vooral ook gehandeld. Een houten kruisje gemaakt. Een bedje van bloemen gelegd. Emoties gedeeld. Mooi om te zien. En goed om van te leren. Ratio versus emotie. Mannen die van Mars komen en vrouwen van Venus en dat soort dingen. De waardevolle kracht van contrasten. Zonder dood geen leven. Zonder zwart geen wit en zonder geluid geen stilte. Ik word er stil van. Zo stil dat je een muis kunt horen vallen…Op school hebben ze verdraaide spreekwoorden gehad vandaag. ‘Om je dood te lachen, pap’…Hij geniet weer. Lief ventje. Echt waar.

Rijk…

Om de middelvinger van zijn linkerhand zat nu al bijna 18 jaar het enige goud dat hij rijk was. De trouwring van zijn vader. Of van z’n moeder, daar waren hij en zijn broers en zussen niet helemaal zeker van. Zestien jaar eerder namelijk, na het overlijden van hun moeder, had zijn vader haar trouwring zorgvuldig bewaard. Bij die van hem zelf. In de loop van de tijd waren de ringen als het ware naar elkaar toegegroeid. In diameter ontliepen ze elkaar al nauwelijks. De inscripties aan de binnenkant waren door de tijd nagenoeg weggesleten. Uiteindelijk was er eigenlijk geen verschil meer. En sterker nog, op het eind bleek er nog maar één ring te zijn. Die had hij nu om zijn vinger. Al bijna 18 jaar.

Niet dagelijks, maar toch heel vaak, voelde hij aan die ring. Pakte hem vast met de vingers van zijn rechterhand. Draaide er vaak aan zonder na te denken. Of trok hem achteloos halverwege de middelvinger en liet hem dan weer terugglijden. Telkens weer. Meestal onbewust. Maar heel soms werd hij zich bewust van die handeling. De handeling die hij dan associeerde met de tijd waaraan hij als het ware draaide. Hij werd zich bewust van het goud, dat meestal blonk, maar dat ongetwijfeld niet altijd had gedaan. En ook naar de toekomst toe waarschijnlijk niet altijd zou blijven blinken. Maar het was net zo goed zijn goud. Dat, ook al was het niet altijd, toch heel vaak wél blonk. De schittering van vroeger terughaalde naar het heden.

Was het diezelfde draaibeweging die zijn vader ook had gemaakt met de ring, vroeg hij zich af? Of zijn moeder? Keer op keer. Steeds opnieuw. Zoals hij het deed. En dachten zij ook, zo nu en dan, aan de tijd, voor of na elke omwenteling? Stonden zij er bijvoorbeeld ook bij stil dat met elke omwenteling de inscripties dichter aan de oppervlakte kwamen. Per keer ongemerkt ondieper werden. Ongemerkt beetje bij beetje meer en meer onzichtbaar werden? Om uiteindelijk onvermijdelijk zichtbaar weggesleten te zijn? Terwijl hij aan de ring draaide, realiseerde hij zich die tegenstelling: Pas helemaal vervaagd leken de inscripties eigenlijk steeds nadrukkelijker aanwezig.

De herinneringen werden letterlijk tastbaar als hij aan de ring draaide. Hij voelde de teruggedraaide tijd, maar ook, terwijl hij onnodig de andere kant op draaide, de tijd die nog moest komen. Hij werd zich bewust van de wederkerigheid ervan. Waar het bij hem om draaide, daar had het bij hen ook om gedraaid. Wat zij vroeger deden, had hij ook gedaan of ging hij nog doen. Dezelfde gouden momenten had hij beleefd of ging hij nog beleven. In het goud voelde hij de verbondenheid met hen. De oneindige draaiing ging dwars door de tijd. De ring verbond wat er was met het nu. En tegelijk het nu met wat nog ging komen. Er was geen eind en geen begin aan zijn gouden ring. Herinnering werd toekomstbeeld en droom werd zomaar werkelijkheid. Zijn vaders ring van toen was zijn ring van nu en werd straks misschien wel zijn zoons ring van later. Zijn vader, hij, zijn zoon. Of zijn dochter. Wie zou er straks draaien aan die ring?

Ja, het was dan misschien niet allemáál goud wat er blonk, maar héél veel wel. Een goed gevoel. Een goud gevoel.

Een trieste houten kop

Een heel triest kijkend kunstwerk, vorige week in de woonboerderij van kunstenaar Floor Hermans in Meerlo. Eigenlijk niet meer dan een grote houten kop op een sokkel. Maar wel een kop die een droevigheid uitstraalde die zijn weerga niet kende. Zo droevig dat ik er alleen al om die reden een foto van heb gemaakt. Het was een treurigheid die op het eerste oog in schril contrast stond met het andere werk van de kunstenaar. Indrukwekkende naakttekeningen van weelderige en wulpse vrouwen, die in niets aan de verbeelding overlatende poses, model hadden gestaan voor de kunstenaar. Of toch in ieder geval in de fantasie van de kunstenaar hun losbandige leven hadden geleefd. Mocht dat laatste het geval zijn geweest, en hij niet live van die schoonheid heeft genoten, dan doet dat niets af aan de zeggingskracht van de tekeningen, maar dat maakt de trieste blik van de houten kop wel weer wat begrijpelijker. Ik ken Floor Hermans verder niet, maar ik bewonder nu al de onmiskenbare veelzijdigheid van zijn emotionele vertalingen in beeld en vorm.

Een lange inleiding om toch weer terug te keren bij die trieste houten kop. Of eigenlijk bij de treurige uitstraling ervan. Want daarmee kom ik, bij waar ik het eigenlijk over wil hebben in deze column. Over het feit namelijk, dat ik die treurigheid op het moment dat ik het beeld zag, in mijn gedachten meteen koppelde aan de komende verkiezingen op 12 september.

Of eigenlijk niet de verkiezingen zelf, maar de in mijn ogen beschamende aanloop er naar toe, op onze nationale tv-stations. Commercieel of publiek, het maakt niet uit. Formats van tv-uitzendingen kunnen wat verschillend zijn maar in essentie zijn het steevast politieke kopstukken die elkaars ongelijk staan aan te tonen. Alles binnen de randvoorwaarden van het programmaformat uiteraard. Daarin hoeft een argument namelijk niet persé waar of goed onderbouwd te zijn, als de lengte ervan in seconden maar klopt.

Alleen dan kan men elkaar goed getimed van leugens betichtten om vervolgens -en dat is volgens mij redelijk nieuw- een dag later al openlijk hun ongelijk te erkennen. De uitlating, door hun politieke tegenstander een dag eerder als leugen gekwalificeerd, wordt dan als vergissing bestempeld. Kijk mij eens groothartig mijn eigen fouten toegeven. Niets menselijks is mij vreemd. Ziet u wel?
Maar een dag later als lijsttrekkers weer net zo vrolijk elkaar af staan troeven in quasi overtuigende verontwaardiging bij opnieuw een ‘meningvormend’ debat. Nou doet u het wèèr!

In de Limburger vandaag staat een politieke prent van Tom Janssen. Met het onschuldige beeld van touwtjespringen fileert hij de materie feilloos. De ene kant van het springtouw is in handen van de media terwijl het andere einde door de peilingen wordt gehanteerd. Zij laten het touw met zichtbaar plezier draaien terwijl drie politici, wat verbeten kijkend, maar netzogoed netjes springen op de maat. Want niemand wil uiteraard als eerste afgaan.

Dat stemt me dus treurig. Maar op de een of andere manier kan ik het de politici niet eens echt kwalijk nemen. Het is een oud democratisch principe dat zij geacht worden te doen wat wij willen. Zij handelen elke vier jaar op basis van de knopjes die wij vroeger in de stemhokjes op de stemkastjes indrukten.

Misschien is het wel heel erg tekenend dat we dat de laatste jaren weer met een rood potlood doen. Dat rood heeft namelijk iets betweterigs. Het rode potlood hanteren heeft iets corrigerends, terwijl het indrukken van knopjes nog de suggestie van kiezen in zich herbergde.

Allemaal heel relatief, daar ben ik me van bewust, maar wat ik wil zeggen is dat ik meer en meer de mentaliteit van het rode potlood in onze maatschappij zie. Kiezen is steeds meer gebaseerd op correctie en oppervlakkigheid en steeds minder op overtuiging en inhoud. Opgeteld bij mijn inschatting dat de keuzevrijheid van velen vandaag de dag niet veel verder gaat dan de knopjes op de afstandsbediening van de tv, dan stemt dat verdrietig. En daar krijg je soms zelfs een houten kop van. Met dank aan Floor Hermans.