Waar…

op een plek
in frisse wind
valt er een rupsje
uit de eik

om me heen
is vooral stilte
groen en weiland
waar ik kijk

voor en achter
hoor ik vogels
geven van hun
zangkunst blijk

het bankje
waar ik nu op zit
een blaadje van 
mijn been afstrijk

of ik er ben
of ooit zal zijn
dat weet het rupsje
uit de eik

het groene gras
en alle bloemen
buigen mee
met elke zucht

en in die stilte
van het fluiten
los ik op
in blauwe lucht

Zestig…

Is het die vreemde coronatijd? Is het omdat ik morgen zestig wordt? Dat onbestemde gevoel dat me bezig houdt, terwijl alles gewoon doorgaat zoals het gaat. Al die gebeurtenissen waar ik onderdeel van uitmaak, maar die buiten mijn invloedssfeer vallen. En daarnaast, of eigenlijk tegelijk, al die activiteiten waar ik wél zelf voor gekozen heb. Het leven waar ik middenin sta. Nou ja, middenin… zestig morgen. Mhm. Maar toch… 

Dat gevoel, ergens in mijn onderbuik. Dat onbestemde gevoel dat ik verstandelijk probeer te verklaren. Een gevoel dat je misschien wel herkent. Die knagende vraag of de dingen wel gaan zoals je zou willen. Voor zover je daar überhaupt iets aan te willen hebt. Vaak is het zoals het is. Maar dat gevoel gaat vooral over de momenten dat je jezelf afvraagt of je misschien niet méér kunt doen om dat onbestemde gevoel wat ‘bestemder’ te maken. 

En dan doemt de vraag onherroepelijk op. Waar bén je dan voor bestemd?  Welke ‘stem’ bepaalt of bepaalde je levensweg? En praktischer: hoe nu verder? Als ik daar nu zo over nadenk, dan lijkt het wel alsof deze vraag me eigenlijk mijn hele leven al bezig houdt. En al die tijd, tot op de dag van vandaag, heb ik er geen afdoende antwoord op. Ondertussen doe ik van alles. Maar doe ik genoeg?

Doe ik wel genoeg, als dat onbestemde gevoel toch zo nu en dan de kop opsteekt? Hou ik mezelf niet voor de gek door te blijven doen wat ik doe, terwijl er een behoefte lijkt te zijn, ergens diep in mijzelf, voor iets anders? Alles lijkt te drijven op onzekerheid. Op het niet zeker weten en het idee dat je dat wél zou willen.

Nu ik dat zo voor mezelf opschrijf, realiseer ik me dat het niet reëel is om zekerheid te willen. Oneigenlijk om niet te willen twijfelen.

Misschien moet twijfel juist wel de basis zijn om te doen wat je doet. Juist in het doen ligt de zekerheid. Het moment van doen is ontdaan van twijfel. Ik weet dat bij veel dingen die ik in het verleden deed, het mijn credo was. Doen. Zou dat misschien het antwoord zijn op de bestemmingsvraag? Of op z’n minst een deel van het antwoord? Heel zwart-wit gesteld: Doen in plaats van denken over doen?

Bestemd. Bestemming. ‘Stem’ is in beide woorden essentieel. Een stem die woorden maakt om vragen te stellen. Een stem die ook de antwoorden formuleert, zelfs al zijn het ‘maar’ deel-antwoorden op de grote ‘onbestemde’ vraag. Zo moet het waarschijnlijk zijn. Of, beter gezegd, zo kan het ook zijn. Minder twijfelen of de dingen die je doet wel de dingen zijn die je zou willen doen. Zou best eens kunnen. Maar het kan ook zijn omdat ik morgen zestig wordt. Of zou het toch die vreemde coronatijd zijn?

Weet je wat ik doe? Ik deel alvast deze gedachte, ben nu in de stemming. Misschien wil je erop reageren? Doen!

Fietsen…

Om 12.00 uur vertrokken. Nu op een bankje, vlakbij de kerk in Kronenberg. Op weg er naar toe in Hegelsom één van de acht markeringspunten gezien. Roodbruin roestig staal waaruit woorden waren gelaserd of gesneden. Uit de nette typografie afgeleid dat Jeu van Helden hier de hand in heeft gehad. Op dat moment ‘note to zelf’: Jeu vragen waar dat laserwerk gedaan is.

De Kronenbergse kerkklok slaat één uur. Ik fiets weer een stuk. Tot zo.

Precies zo, namelijk, stel ik me voor hoe het gedicht bij het ‘infinity-beeld’ moet komen te staan. Op doorleefd metaal. Met tekst waar je doorheen kunt kijken. Om te kunnen blijven zien wat je moet zeggen over datgene waar eigenlijk geen woorden voor zijn…

Drie kwartier verder. Door het bos bij Kronenberg gefietst en gezien hoeveel bomen plaats hebben moeten maken voor het aan te leggen eventingterrein. Rechts zie ik volgens mij Grandorse liggen. Ik kan me voorstellen dat twee- en vierspannen hier straks prachtig kunnen rijden. Straks..

Uiteindelijk bij de Middenpeelweg aangekomen en doorgefietst naar de ‘verhalenberg’. Op het hoogste punt het bovenstaande geschreven. Tot hier.

En daarna in alle richtingen gekeken.

En nu weer thuis met een aardbeiencornetto…

Infinity…

Soms komen dingen samen en dan moet het zo zijn. Twee weken geleden zag ik een bericht op de facebookpagina van Hospice Buurtzorghuis Doevenbos. Er bleek ter plekke een oude, zieke eik geveld. Maar niet zomaar. Wortels en een deel van de stam bleven staan, zodat  boomkunstenaar Roel van Wijlick daar een prachtig kunstobject van kon maken. Het facebookbericht heb ik meteen gedeeld op de facebookpagina van de Vrienden van Hospice Doevenbos. Dat was op zaterdag 11 april.

Een dag eerder, vrijdag 10 april, was de afscheidsdienst van Sharon. Vanwege de corona-maatregelen heb ik die dienst thuis, via een lifestream bijgewoond. Indrukwekkend. Richard, haar man, vertelde dat op een van de laatste dagen dat hij Sharon bezocht er ineens een groot houten ‘infinity-teken’ bij de ingang van het hospice stond. Het was het teken dat hij en Sharon jaren geleden op hun trouwkaart hadden gezet, als symbool van hun innige omarming. Hetzelfde teken ook, dat nu op de rouwkaart stond om de oneindigheid van hun liefde te benadrukken.  

Het kunstwerk gaat daarover. Het is ontstaan in de tijd dat in het hospice Sharon haar laatste dagen doorbracht. Roel van Wijlick heeft het gemaakt. In opdracht van de verpleegkundigen van het hospice, denk ik. Het oneindigheidsteken en de duif, met gespreide vleugels. Ik weet niet of Roel heeft beseft hoeveel troost zijn kunstwerk bij Richard heeft losgemaakt. De manier waarop Richard erover vertelde tijdens de afscheidsdienst was heel veelzeggend. Soms komen dingen samen en dan moet het gewoon zo zijn. 

Een week geleden kreeg ik een appje van Sylvia, een van de verpleegkundigen van Hospice Doevenbos. Het kunstwerk kwam opnieuw ter sprake. Ze vroeg me of ik er een gedicht bij wilde maken. En in een tweede berichtje dat er vrij snel achteraan kwam (Sylvia is ook best praktisch), of ik dan ook voor het bordje kon zorgen dat bij het kunstwerk moest komen te staan. 

Een eervol verzoek, waar ik uiteraard ja op heb gezegd. Met de woorden van Richard nog vers in mijn geheugen, ben ik een paar dagen later zelf naar het kunstwerk gaan kijken. Het infinity-teken. Wauw… Indrukwekkend! In het facebookbericht van het hospice lees ik er het volgende over: ‘Het infinity-teken (lemniscaat of 8) wat o.a. een teken van eeuwigheid is, geen begin zonder eind en verbondenheid laat zien‘.

En over de duif vermeldt het facebookbericht dat ‘die met gespreide vleugels op weg is naar…’ Drie puntjes sluiten de zin over de duif af. Veelzeggend. Vooral omdat die drie puntjes door iedereen zelf kunnen worden ingevuld. Richard had er een duidelijke associatie bij. En ik verwacht dat andere bezoekers, die vanaf nu aan het beeld voorbij komen als ze op weg zijn naar de ingang van het hospice daar ook wel hun gedachten bij hebben. De laatste zin in het facebookbericht is dan ook heel terecht: ‘Mooie symbolen passend bij deze bijzondere plek’. 

Ik heb het gedicht gemaakt. En ik heb het als eerste gedeeld met de maker van het beeld, Roel van Wijlick. Hij herkende de woorden. Ze pasten, schreef hij, bij wat hij dacht toen hij het beeld creëerde. Daarna heb ik de woorden gedeeld met Sylvia. En nu deel ik het gedicht alvast met iedereen die het wil lezen. Omdat het beeld er al staat, maar ik nog met het bordje bezig ben. Sylvia ook trouwens. Een ontwerp daarvoor (zie hieronder) is er al. Maar het moet dus nog wel worden gemaakt. Dat komt goed. Soms komen dingen samen en dan moet het zo zijn.

Sharon…

Ik zie haar nog voor me als de jongste van drie mooie zussen. Sharon. Verscholen achter de benen van haar moeder. Van daaruit keek ze ons met grote ogen aan. Soms knipoogden we dan naar haar en dan glimlachte ze. Haar vader was eigenaar van een café en wij zaten daar als opgeschoten pubers vaak aan de tap. Boven het café woonden ze. Zijn vrouw en hun drie dochters waren meestal boven. Babs, Sharon, Jessica en Natascha. Zo nu en dan kwamen ze naar beneden, om vervolgens naar buiten te gaan. De dingen doen die jonge meiden doen. Naar vriendinnen, spelen, sportclub. Dat was toen. En nu? Nu is alles anders.

Het beeld uit mijn herinnering is bijna veertig jaar oud. Sinds hun vader en moeder destijds stopten met het café en hun geluk elders in de wereld zochten, ben ik de zussen uit het oog verloren. Zij vlogen uit, terwijl hun ouders uiteindelijk toch weer in Horst terecht kwamen. De laatste jaren kwam ik hun vader regelmatig tegen, als ik door Horst wandelde en hij toevallig net ook een ommetje maakte. Hun moeder zag ik zo nu en dan, op de fiets of in de winkel. Ze waren niet meer bij elkaar, maar al die tijd wel verbonden door hun drie meiden.

Eergisteren, donderdag 2 april, kwam ik hem weer tegen. Hij stond buiten de Hema te wachten en op anderhalve meter afstand spraken we elkaar kort. Het ging niet goed, vertelde hij. Sharon lag in het hospice… ‘De hele familie is hier’, vervolgde hij. ‘Maar door de corona kunnen we niet eens bij haar zijn’. Even was het stil. Het was een kwestie van dagen, vertelde hij verder, en misschien was dat ook maar beter. Zijn ogen stonden dof en de pijn klonk door in zijn stem. ‘We kunnen de kinderen niet eens knuffelen om ze te troosten’… De anderhalve meter was ineens zowel harde werkelijkheid als totaal misplaatst. Te ver voor een hand op de schouder. Ik heb hem, ondanks die anderhalve meter, veel kracht toegewenst. Met een ‘we zien elkaar’ gingen we uiteen.

Gisteren, vrijdag 3 april, is Sharon gestorven. Sinds gisteren zie ik steeds het beeld voor me van dat meisje dat ons met grote ogen aankeek. Ze zal toen drie of vier jaar oud zijn geweest, misschien vijf. Af en toe vroeg ze aan haar vader of ze naar buiten mocht om te spelen. Meestal mocht dat wel, na het maken van duidelijke afspraken. En Jessica of Natascha moesten dan op haar letten. Vader sprak de meiden streng toe, maar knipoogde dan, zonder dat zijn dochters het zagen, naar ons aan de tap.

En nu, bijna veertig jaar verder…onwerkelijk. Vorige zomer hebben Jack en ik een paar keer op een terras in het centrum gezeten. Ik herinner me die keer dat we op het terras van het café zaten waar hij in de vorige eeuw eigenaar van was. Zijn dochter Jessica was er toen bij. Even overgekomen van Mallorca, voor bezoek. Aan haar ouders en haar zussen. Nu, nog geen jaar later, is ze er weer. Net als Natascha, die volgens mij in Amsterdam woont. Ze zijn er weer, zoals ze er veertig jaar eerder ook altijd waren om op Sharon te letten als die naar buiten ging.

De komende tijd is alles anders. Anderhalve meter lijken kilometers als je een arm om een schouder wil  leggen. Anderhalve meter is onoverbrugbaar ver om een knuffel te geven. Sinds gisteren is Sharon weer buiten. De afstand van de aarde naar de zon overbrugt ze nu in de tijd van een knipoog. Die anderhalve meter zijn voor haar sinds gisteren een lachertje. Vanaf waar ze nu is let zij voortaan op haar zussen. Let ze op iedereen die in de voorbije jaren in haar leven kwam. Let ze op Richard, op haar zoons. Op haar vader en moeder. Sharon is buiten. En op alle momenten in de toekomst vooral steeds heel dichtbij. Als je het nodig hebt, geeft ze je een knipoog…

Voor Jack, Babs, Natascha en Jessica, 
Voor Richard, de kinderen en iedereen die Sharon heeft gekend

ik zie je in een mooi wit licht
geheeld, vol kracht, je zweeft

ik zie je met m’n ogen dicht
je speelt, je lacht, je leeft

ik blijf het zien
je mooi gezicht

je knipoog zie ik
met m’n ogen dicht

dus…
geen afscheid…
dag!

kus…
een knipoog…
lach!

Het wordt beter…

Ik heb ze uit. De boeken van Bart en Splinter Chabot. Respectievelijk ‘Mijn vaders hand’ en ‘Confettiregen’. De verwachting, uitgesproken in mijn vorige blog van afgelopen zaterdag, bleek juist. Beide boeken gaan over hun jongste jeugd, tot aan de dag van vandaag. Althans, tot aan de dag van het uitkomen van hun boeken, in januari en begin maart. Want de tijd dendert gestaag door. En dat er in twee á drie weken een hele andere tijd kan ontstaan, daar is iedereen ondertussen wel van doordrongen. 

Indrukwekkende boeken. Allebei. Je bent als lezer getuige van een worsteling die zich vooral in het hoofd van de een (Splinter) afspeelt, terwijl het verhaal van de ander (Bart) daar nog een fysieke component aan toevoegt. De geestelijke en lichamelijke invloed op het leven door wat een ongrijpbare situatie lijkt te zijn. In die zin passen beide boeken wel in de sfeer van deze coronadagen. Vooral omdat er ondanks alle strijd en onzekerheid uiteindelijk ook iets van hoop uitgaat. Hoe moeilijk en zwaar ook, het wordt beter.

Na het uitlezen van ‘Mijn vaders hand’, vanmiddag, ben ik een ronde gaan wandelen. Ik merk dat mijn wandelingen, de afgelopen weken, toch ook vaak over de Deken Creemersstraat gaan. Dan loop ik het kerkhof op en sta even stil bij het graf van mijn vader en moeder. Ik laat de uitgebeitelde getallen op me inwerken en verbaas me telkens over de jaren die zijn vervlogen. En over de herinneringen die geen enkele moeite lijken te hebben om bij elk bezoek die jaren moeiteloos te overbruggen.

Links en rechts van de steen op het graf is jaren geleden een buxushaagje geplant. Vorige zomer heeft nogal huisgehouden onder de buxuspopulatie en ook de twee haagjes bij het graf zijn daarvan het slachtoffer geworden. Dor en grijs en in zekere zin een triest beeld opleverend, waarvan ik vreemd genoeg, toch steeds het gevoel had dat het zo moest zijn. 

Laatst viel me al op dat er één groen takje uit de linker dode buxushaag ontsprong. Ik vond dat toen wel een symbolisch beeld en heb dat daarom vastgelegd op een foto. Vandaag zie ik dat aan de zijkant van het rechterhaagje nog veel meer groene takjes hun weg naar boven aan het zoeken zijn. De voorzichtige symboliek van vorige week is in een paar dagen tijd uitgegroeid tot een onmiskenbare boodschap van vernieuwing en levenskracht. Ook nu heb ik daar een foto van geknipt.

Terwijl ik daar stond heb ik er nog eens over nagedacht. Hoe de natuur wat dood lijkt, toch weer levend maakt. Ook als er jaren en jaren overheen gaan, heeft de natuur er voor gezorgd dat herinneringen tijdloos zijn. Soms kunnen die herinneringen dor en grijs zijn, zoals in de boeken van Bart en Splinter Chabot. Maar altijd is er de mogelijkheid van een groen takje. Eerst voorzichtig misschien maar één, maar juist wanneer je denkt dat dat beetje groen niet opweegt tegen al het grijs, dan zie je de andere groene takjes.

Dat geeft hoop. Hoe moeilijk en zwaar ook, en hoe lang het ook duurt, het wordt beter. Ik heb de grafsteen met een grote dennenappel schoongeveegd. Alle bruine dennennaalden die er sinds mijn laatste bezoek op waren gewaaid, liggen nu weer naast de steen. Als ik mijn biologielessen van de middelbare school goed heb onthouden, zou dat best eens het voedsel kunnen gaan worden voor de buxus die nu opnieuw aan het uitslaan is.  Apropos, biologie. Had ik al verteld dat onze Mees cum laude is geslaagd voor z’n bachelor? En dat Pip het volgens mij prima doet in haar nieuwe baan? Bij deze! Trots op allebei!

Hoe dan ook. Ik heb mijn wandeling voortgezet in een stemming van vertrouwen. Sprak onderweg nog een paar bekenden, op ruim anderhalve meter afstand, en genoot van de zon, elke keer als die achter een wolk tevoorschijn kwam. Het wordt beter, hoe dan ook…

Een handvol confetti…

Ik sta bij de Bruna en zie beide boeken in de top 10-kast staan. Hoe zou het zijn, vraag ik me af, om tegelijk met de gedachten van een vader én zijn zoon geconfronteerd te worden. Gedachten die ze nagenoeg gelijktijdig op papier hebben gezet. Want ik zie dat ‘Confettiregen’ van Splinter Chabot op 3 maart is uitgebracht terwijl het boek ‘Mijn vaders hand’ van zijn vader, Bart Chabot, in januari uitgekomen is. Scheelt bijna niks.

Foto’s zijn allebei gemaakt door Anton Corbijn. Een reuzenrad bij Splinter en een afgeknotte wilg bij Bart Chabot. Ongetwijfeld foto’s met een diepere betekenis…

In ‘Confettiregen’ ben ik vanmiddag begonnen te lezen. Splinter beschrijft in het eerste deel zijn jeugd tot aan de middelbare school. In één passage is hij het kind dat zijn vader aan het werk ziet. Ik lees: ‘(…) Tikkend achter z’n laptop alsof het altijd regende. Schrijversregen.’ Mooi gevonden vind ik dat. Een stilzwijgende, creatief beschreven, ontmoeting tussen vader en zoon. Gevangen in één woord. Wat is dat toch, vraag ik me af, die  speciale band tussen ouders en kinderen, die dan zo voelbaar wordt.

Toen Splinter de passage over zijn werkende vader schreef, was Bart met grote waarschijnlijkheid ook zelf aan het tikken op zijn laptop. Want dat was zijn werk. Het hoeft natuurlijk niet zo te zijn, maar je kunt je zelfs voorstellen dat toen Splinter over zijn vader schreef, Bart op dat moment over zijn eigen vader schreef. De titel ‘Mijn vaders hand’ en de korte intro op de kaft sterken mij in dat vermoeden. Zowel Bart als Splinter schrijven over hun jeugd en over hun ouders. Mooi, die vorm van synchroniciteit.

Onlangs was Splinter’s boek onderwerp van gesprek bij ‘De wereld draait door’. De rest van de familie Chabot zat in het publiek. Je zag hoe ze meeleefden met de af en toe gevoelige en confronterende antwoorden die Splinter gaf op de vragen van Matthijs van Nieuwkerk. Zijn moeder was de enige die ‘Confettiregen’ vóór de publicatie gelezen had, vertelde Splinter. Bart raakte geëmotioneerd toen zijn zoon vertelde hoe hij in zijn worsteling zelfs even had gedacht aan de ultieme oplossing: uit het leven stappen. Over die innerlijke strijd ging zijn boek, vertelde hij. Maar nog meer over het leven zelf en hoe kleurrijk dat kon zijn. Kleurrijk als confetti.

Die in alle eerlijkheid gedeelde emoties raakten mij toen. En raken me opnieuw als ik woorden lees als ‘Confettiregen’, ‘Schrijversregen’ en Mijn vaders hand’. Als je de diepere betekenis van zulke woorden kunt delen, dan spreek je volgens mij namens heel velen. Dan heb je het over innige verbondenheid. Over een besef dat generaties overstijgt. We zijn er en we zijn er voor elkaar. In voor- en tegenspoed, of we willen of niet. Met of zonder confetti, we hebben vergelijkbare ervaringen. Omdat we in essentie dezelfde dingen doen. Toen, nu en later.

Machtig interessant en boeiend vind ik dat en tegelijk ook wel confronterend. Zeker die emotie van Bart Chabot bij DWDD. Met de beste wil van de wereld je kinderen kleurrijk willen opvoeden in liefdevolle bescherming om dan te moeten beseffen dat je daar eigenlijk heel weinig aan te willen hebt. Net als je eigen leven je met ups en downs gebracht heeft tot waar je op dat moment bent, zo zal het leven van hen die je dierbaar zijn ook niet alleen over rozen gaan. Maar gelukkig… ook heel vaak wel. 

Ik moet het boek van Bart Chabot nog lezen en dus is de associatie heel voorbarig, maar op dit moment zie ik mijn vaders hand terug in de ring die nu aan mijn hand zit. De liefdevolle kracht ervan vindt zijn oorsprong in wat is geweest. Het is een stille krachtbron van het heden die sterker wordt door wat er nog komen gaat. Op het snijvlak van verleden en toekomst komen we onszelf en elkaar voortdurend tegen. Als je het wil zien, regent het daar altijd confetti. En als het niet regent, dan schittert de zon in gouden ringen. Ik ga weer wat lezen…

Een klein kwartiertje…

Hieronder de YouTube-registratie van mijn bijdrage aan de Verhalenberg, vorig jaar, 14 september. Wat lijkt dat lang geleden als je gedachten al twee weken gefixeerd zijn op corona. Ik kwam er gisteren bij toeval, al surfend, bij uit. Vijf korte bijdragen die samen iets minder dan een kwartiertje duren. Omdat er toen exact één kwartier moest worden gevuld, werd op die avond in september de overgebleven tijd spontaan gevuld. Met een willekeurig deuntje uit het orgeltje, dat bewees dat toeval niet bestaat…

Een gedicht maken over een thema en dat vervolgens voordragen op een orgeldeuntje vind ik een leuke bezigheid. Dat kan digitaal, zoals bovenstaande YouTube registratie bewijst. Nou vraag ik me iets af.

Ik ben benieuwd of er in deze coronatijd behoefte is aan ‘muziekgedichtjes’. Gewoon ter gelegenheid van een feestje dat nu niet gevierd kan worden, een verjaardag van iemand waar je nu niet op bezoek kan of een bedankje voor een kanjer van een vrijwilliger. Het kan ludiek zijn maar uiteraard ook serieus van toon. Zo zijn er misschien wel 100 andere redenen te bedenken, waarbij een digitaal muziekgedichtje van toepassing is.
Denk ik.

Ik wil dat dan wel maken. Waar het muziekgedichtje over moet gaan, moeten we uiteraard van te voren afstemmen. Net als een paar andere praktische zaken. En een beetje voorbereidingstijd heb ik ook nodig. Denk er maar eens over na. Hier iets over afspreken kan op verschillende manieren, als we maar 1,5 meter afstand houden…

Kijk voor mail- of telefoongegevens op de homepage van deze site.

‘Sociale afstand’ en sociale media…

Gisteren via Whatsapp een videogesprek gehouden met Mees en Ili, in Wageningen, met Pip en Joris in Horst vanaf de Gebr. van Doornelaan en wij zelf, vanaf de Nieuwstraat. Samen even ‘live’ digitaal bij elkaar. Gezellig en handig dat dat kan, in deze tijd, waarin je zoveel mogelijk rekening probeert te houden met de ‘social distancing’-maatregelen die de Rijksoverheid terecht heeft afgekondigd.

Toch lijkt het erop dat nog veel mensen buiten, die anderhalve meter niet zo nauw nemen. Op social media wordt deze mensen stevig de maat genomen. Veelal in beschuldigende bewoordingen. Dat is van de ene kant best begrijpelijk. De reacties ontstaan veelal uit angst (hoewel dat vaak een slechte raadgever is) of ze ontstaan uit terechte verontwaardiging, omdat het virus bij deze of gene binnen de familie, al heel dichtbij, doende is met zijn vernietigende werk…

De onzekerheid van het niet weten wat de nabije dagen, weken of maanden nog gaan brengen maakt mij ook onzeker en onrustig. Waar ik nu aan moet denken is hoe dit virus onze samenleving op allerlei manieren verdeelt. Op de eerste plaats uiteraard de ‘gezonde mensen’ tegenover de groeiende groep ‘zieke mensen’. Hopelijk, hopelijk, hopelijk gaat dat hier in Nederland meevallen…

Maar vervolgens uit de groep ‘gezonden’ bijvoorbeeld ook de verdeling van voor- en tegenstanders van de aanpak van de Rijksoverheid. Beide partijen uiten hun meningen via social media soms zelfs wat agressief naar elkaar toe. Of neem de mensen die ‘nietsvermoedend’ buiten samenscholen en daarmee ‘tegenover’ de mensen staan die er voor gekozen hebben om zoveel mogelijk binnen te blijven. Kijk naar de facebook-vrienden die wél reageren op nieuws tegenover hen die stilzwijgend hun eigen plan trekken uit de informatie die ze tot zich nemen.

Internet is vaak de bron van zowel informatie als van des-informatie. News en fake-news, in goed nederlands. We hebben met z’n allen nu alle tijd om die al-dan-niet-informatie tot ons te nemen en we doen dat volop. Wat ik interessant vind, is welke keuzes gemaakt worden om die al-dan-niet-informatie weer te delen, via Twitter of Facebook. Ik vraag me af wat de drijfveren daarvoor zijn.

Nog even los van het feit of je de Wilders/Baudet boodschap aanhangt (lockdown en grenzen dicht!) of de ‘social distancing’-strategie van dit moment ondersteunt die gebaseerd is op de adviezen van het RIVM en GGD-en. Ook los van het gegeven of de reacties zijn ingegeven door een emotioneel filmpje uit Italië, China of Spanje, of dat de reacties gebaseerd zijn op dwingende oproepen (‘dit moét je lezen’) van andere Facebookvrienden. Wat maakt dat je zelf ‘in de pen’ klimt en vooral: wat is dan de boodschap die je verder verspreidt?

Ik heb daar niet direct een antwoord op. Of beter gezegd, ik wil geen oordeel geven wat wel en niet ‘goed’ is. Wel merk ik dat ik een voorkeur heb voor genuanceerde boodschappen. En niet voor boodschappen die andere mensen beschuldigend de les lezen. Maar ook daarover kun je weer van mening verschillen. Want wat is ‘genuanceerd’ in de wereld waarin we nu leven? Zien we die nuances überhaupt nog wel in de digitale wereld? En in de echte wereld?

Marli Huijer

Gisteravond las ik een interessant artikel op de site van scienceguide.nl. Sicco de Knecht interviewt daarin Marli Huijer, voormalig huisarts en denker des vaderlands. Haar filosofische kijk op verschillende zaken gaf me op een vreemde manier wat rust in deze onzekere tijd. Haar verhaal ging over onderwerpen die mij de afgelopen dagen ook hebben beziggehouden. Als voorbeeld een citaat uit het interview: ‘Het virus maakt van iedereen een potentiële vijand.’ Marli Huijer vraagt zich af of dat ‘vijanddenken’ misschien niet een nog groter gevaar is dan het coronavirus. Het zet me aan het denken. Zeker wanneer ik sommige reacties op Facebook voorbij zie komen.

Ik zit thuis en kies ervoor dat ik deze boodschap van Marli Huijer verder wil verspreiden. Bij deze. Haar woorden doen niets af aan de ernst van de situatie waarin we nu met z’n allen verkeren. Maar het interview  is tegelijk een oproep om vooral een samenleving te blijven, waarin ‘samen’ het belangrijkste is. Zonder ‘samen’ heb je alleen maar een ‘leving’, zegt Huijer ergens in het interview. Met in gedachten het Whatsapp-groepsvideogesprek van gisteren, met eigen kids en aanhang, denk ik dat ze hiermee de kern raakt.

Met Mees en Ili, Pip en Joris, Thea en Geert