Zestig…

Is het die vreemde coronatijd? Is het omdat ik morgen zestig wordt? Dat onbestemde gevoel dat me bezig houdt, terwijl alles gewoon doorgaat zoals het gaat. Al die gebeurtenissen waar ik onderdeel van uitmaak, maar die buiten mijn invloedssfeer vallen. En daarnaast, of eigenlijk tegelijk, al die activiteiten waar ik wél zelf voor gekozen heb. Het leven waar ik middenin sta. Nou ja, middenin… zestig morgen. Mhm. Maar toch… 

Dat gevoel, ergens in mijn onderbuik. Dat onbestemde gevoel dat ik verstandelijk probeer te verklaren. Een gevoel dat je misschien wel herkent. Die knagende vraag of de dingen wel gaan zoals je zou willen. Voor zover je daar überhaupt iets aan te willen hebt. Vaak is het zoals het is. Maar dat gevoel gaat vooral over de momenten dat je jezelf afvraagt of je misschien niet méér kunt doen om dat onbestemde gevoel wat ‘bestemder’ te maken. 

En dan doemt de vraag onherroepelijk op. Waar bén je dan voor bestemd?  Welke ‘stem’ bepaalt of bepaalde je levensweg? En praktischer: hoe nu verder? Als ik daar nu zo over nadenk, dan lijkt het wel alsof deze vraag me eigenlijk mijn hele leven al bezig houdt. En al die tijd, tot op de dag van vandaag, heb ik er geen afdoende antwoord op. Ondertussen doe ik van alles. Maar doe ik genoeg?

Doe ik wel genoeg, als dat onbestemde gevoel toch zo nu en dan de kop opsteekt? Hou ik mezelf niet voor de gek door te blijven doen wat ik doe, terwijl er een behoefte lijkt te zijn, ergens diep in mijzelf, voor iets anders? Alles lijkt te drijven op onzekerheid. Op het niet zeker weten en het idee dat je dat wél zou willen.

Nu ik dat zo voor mezelf opschrijf, realiseer ik me dat het niet reëel is om zekerheid te willen. Oneigenlijk om niet te willen twijfelen.

Misschien moet twijfel juist wel de basis zijn om te doen wat je doet. Juist in het doen ligt de zekerheid. Het moment van doen is ontdaan van twijfel. Ik weet dat bij veel dingen die ik in het verleden deed, het mijn credo was. Doen. Zou dat misschien het antwoord zijn op de bestemmingsvraag? Of op z’n minst een deel van het antwoord? Heel zwart-wit gesteld: Doen in plaats van denken over doen?

Bestemd. Bestemming. ‘Stem’ is in beide woorden essentieel. Een stem die woorden maakt om vragen te stellen. Een stem die ook de antwoorden formuleert, zelfs al zijn het ‘maar’ deel-antwoorden op de grote ‘onbestemde’ vraag. Zo moet het waarschijnlijk zijn. Of, beter gezegd, zo kan het ook zijn. Minder twijfelen of de dingen die je doet wel de dingen zijn die je zou willen doen. Zou best eens kunnen. Maar het kan ook zijn omdat ik morgen zestig wordt. Of zou het toch die vreemde coronatijd zijn?

Weet je wat ik doe? Ik deel alvast deze gedachte, ben nu in de stemming. Misschien wil je erop reageren? Doen!

Het zoete van zout…

Vanmiddag ben ik begonnen aan een gedicht. Ik wilde een onbestemd gevoel in woorden vangen. Maar ja, onbestemd hè… Dan begin je eigenlijk al heel lastig. Wat ik voelde? Een mix van voortschrijdende tijd en machteloosheid. Berusting en tevredenheid. Maar ook twijfel. Het eigenlijk voortdurend ook niet precies weten waarom en daar maar zo nu en dan echt mee zitten, lijkt het. En toch…

Terugkerende vragen over wat er om me heen en in de wereld gebeurt, houden me wel bezig. Bewondering en verwondering over wat ik lees, zie en hoor. Wat is mijn rol in dat alles, vraag ik me af. Wat wil ik precies en wat doe ik daar voor. Of wat moet ik er misschien wel voor laten? Ik probeer als een soort objectieve toeschouwer naar mezelf te kijken om te ontdekken waar mijn gedachten over gaan. Als die toeschouwer ze onder woorden kan brengen, beschrijven ze dan dat onbestemde gevoel? En als ik ze opschrijf, voor wie doe ik dat dan? Voor die toeschouwer die ik zelf ben?

Toch deel ik het op mijn blog. Waarom? Ik kies er voor mijn twijfel om te zetten in een besluit. Ik schrijf het in eerste instantie voor mezelf, maar geef toe aan de drang om het daarna te delen. Ik wil niet de enige toeschouwer zijn. Wie weet, staat er iets in, waar anderen ook een onbestemd gevoel over hebben. En wie weet, hebben ze iets aan de gevonden woorden.

Deze avond heb ik mijn hoofd gebroken over de inleiding hierboven. Het gedicht had dat nodig, vond ik. Dus opnieuw besloten om te doen wat ik dacht. En stiekem heb ik hier en daar het gedicht zonet ook nog wat opgepoetst. Maar daar zie je niks meer van…

Het zoete zout

De dingen die je denkt,
in woorden tracht te vangen,
is aandacht die je schenkt
aan onvervuld verlangen.

Het lot, dat huilt en wenkt,
van jong naar langzaam oud.
Wat nooit gebracht is, brengt
het lief naar langzaam stout.

Dat lot dat lachend zwenkt,
van fier rechtop naar hangen.
Dat trots zijn tranen plengt,
in dag-en-nacht gezangen.

Die moed, heel laf gekrenkt,
door altijd van dat bange.
De koude angst verzengt,
het niet vervuld verlangen.

Toch, welke woorden je ook kiest,
doet goed, die aandacht vangen.
Wanneer je macht of moed verliest:
Proef zoet het zout op wangen!

edi-libedinsky-700023-unsplash

Foto: Edi Libedinsky