Vage tekst

Everybody get up! I hate these blurred lines… De laatste twee woorden vormen de titel van een pakkend liedje, waarin deze twee zinnetjes bij herhaling voorkomen. Zoek maar eens op. Robin Thicke heeft het bedacht.

Nooit eerder van gehoord. Dat wil zeggen, tot een paar dagen geleden, toen ik het via Facebook voorbij zag komen. Dion prees het aan en hij had het weer van zijn dochter aangeprezen gekregen. Everybody get up, dus eigenlijk. Lekker liedje.

Ik zocht wat inspiratie om een stukje weg te kunnen schrijven. Zo kwam ik bij dat liedje. Associatief dingen aan elkaar schrijven. Schrijvend denken. Nog zonder goed te weten welke regels er verschijnen. Een beetje vaag dus eigenlijk en jawel, daar is ie al… blurred lines!

Het werkt bijna altijd. Of het zinvol is, is een tweede. Maar ook daar kun je schrijvend over nadenken. ’I hate those blurred lines’. Compleet uit het verband van het liedje getrokken, maar dat mag bij schrijvend denken. Dat maakt het leuk en verrassend.

Vage regels -blurred lines- heb ik dus vrij doorvertaald naar onduidelijke tekst. ’ik haat die onduidelijke tekst’ klinkt wat zwaar, maar de neiging om te willen verduidelijken is er wel. Behalve schrijvend denken ook denkend schrijven dus.

Nadenken en schrijven over wat ik niet duidelijk zie. Een poging om tegengesteld aan ’blurred’ to the point te komen. En dan merken dat het deze keer niet lukt. Zoals het zo vaak bij andere pogingen niet gelukt is. Denk ik… Wel een leuk liedje. Blurred lines.

Groenewoudstraat 4

Aan de deur van haar kamer heeft ze een poster opgehangen. ‘Bent u degene die een keer zin heeft om met mij een terrasje te pikken?’ heeft ze er met mooie sierletters opgeschreven. Een medebewoner heeft een soortgelijke poster aan zijn kamerdeur. ‘Bent u degene die een keer zin heeft om met mij muziek te gaan luisteren?’

Ik ben op Groenewoudstraat 4. Het woonhuis van acht cliënten van Zorggroep Dichterbij. Ze hebben vandaag, zaterdag 16 maart, een open dag. Hun woning is verbouwd en dat willen ze laten zien. Eerst aan de buurt in de straat en aan genodigden. Later die dag aan familie, vrienden en bekenden. Het gemeentehuis, als allergrootste buur, is voor de ochtend uitgenodigd. De uitnodiging is via de afdeling Samenleving van de gemeente binnengekomen. Vanuit die afdeling mag ik me vanaf 1 februari beroepsmatig bezighouden met de communicatie rondom de Kanteling Maatschappelijke Ondersteuning. Onder andere om die reden ben ik gaan kijken. Maar ook omdat ik gewoon nieuwsgierig ben hoe het er binnen uitziet, na de verbouwing.

Elke ochtend fiets ik langs hun woonhuis, als ik naar mijn werk ga. Heel vaak zie ik de bewoners naar buiten komen. Begeleid stappen ze in hun busje en worden ze naar verschillende plekken van dagopvang gebracht. Een gewone, alledaagse gang van zaken voor niet-alledaagse, ongewone mensen, denk ik dan vaak. Mezelf meteen realiserend dat ongewoon en gewoon hele relatieve begrippen zijn. Ook dat gegeven maakt me nieuwsgierig naar de leefwereld van ‘de buren’. Hoe ziet hun ‘maatschappij’ eruit en wie zijn het die hen daarin ondersteunen? Ook ben ik nieuwsgierig hoe hun leefwereld beïnvloedt wordt door datgene dat wij beroepsmatig de Kanteling noemen.

Kanteling Maatschappelijke Ondersteuning, oftewel Kanteling MO. Een verandering in de manier van denken over zorg en welzijn, ingegeven door maatschappelijke ontwikkelingen zoals krimp en vergrijzing. Uit stapels beleidstukken heb ik bovendien geleerd dat wezenlijke onderdelen van de zorg, straks niet meer door het Rijk, maar door de gemeente moet worden uitgevoerd. De wet op de Jeugdzorg, delen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, met de klinkende afkorting AWBZ en de Participatiewet. Het zijn de drie, zogenaamde transities binnen het sociaal domein, opnieuw in prachtig ambtelijk beleidsjargon.

‘Bent ú degene die een keer zin heeft om met mij een cake te bakken? Weer een andere deur van een kamer op de bovenverdieping. De vader van een van de bewoners leidt me rond. Trots vertelt hij over de werkzaamheden die hij heeft mogen begeleiden. Mede dankzij zijn inzet is de trap en de lift op een véél logischere plaats gekomen. Ook op de bovenverdieping zijn de ruimtes nu functioneler. Hij, als lid van het oudercomité, is blij dat het comité mede haar stempel heeft mogen drukken op de uitvoering van de plannen. Ondertussen is het druk met buren en genodigden en vertrekt mijn trotse gids om anderen over de verbouwing te vertellen. Ik loop nog wat kamers van bewoners langs.

‘Bent ú degene die een keer zin heeft om met mij een wandeling te maken?’ Ook nu is de oproep op de poster vergezeld van een mooie foto van de bewoonster zelf. Het maakt de oproep direct. Ontdaan van elke opsmuk. Hier worden eigenlijk de vragen gesteld waar de hele Kanteling om draait, realiseer ik me. ‘Bent ú degene die een keer zin heeft om met mij naar een repetitie te gaan luisteren?’ Tussen haakjes heeft deze bewoonster er ‘koor’ achter gezet om haar wens nog concreter te maken. Haar medebewoonster, weer een kamer verder, heeft het woordje ‘kaarten’ tussen haakjes toegevoegd aan haar oproep: ‘Bent u degene die een keer zin heeft om met mij een potje te pesten?’. Ja, daar kun je maar beter duidelijk in zijn. Een lachend gezicht, met naam en telefoonnummer van de begeleiding maakt ook deze oproep af.

Bij de ingang is er een poster opgehangen, waarop de acht bewoners hun gasten gezamenlijk welkom heten. ‘Geniet van uw bezoekje’ staat erbij geschreven. Het is druk op Groenewoudstraat 4. De bewoners zelf lopen tussen alle bezoekers door en zoeken af en toe steun bij hun vaste begeleiders of bij de mensen die ze kennen. Het is goed om vanuit de gemeente kennis te maken met deze buren. Ik ben blij dat ik heb mogen zien waar het in de kern om gaat. Handig als ik maandag weer zo’n dik beleidsstuk door lees, waar niets in staat dat niet waar is, maar waarvan de inhoud met een paar posters is teruggebracht naar de essentie:

Ben ik diegene die voor een ander wat wil betekenen? Hoe méér mensen die vraag met ‘ja’ beantwoorden en die positiviteit daadwerkelijk omzetten in daden, hoe méér ongewoon, gewoon gaat worden. Wat nu voor veel mensen nog niet alledaags is, wordt dat straks wel. Door iemand te zijn die de vragen niet door anderen laat beantwoorden, maar die dat zelf doet. Bent u diegene?

De zin

Backspace. Klik, klik, klik. Mijn eerste zin ‘ik hoor kloppen bij de buren’, verdwijnt van achter naar voren en ik ben weer waar ik begon. Een valse start van mijn ‘action-writing’. Of toch niet. Een deur slaat er dicht. Een geluid dat eigenlijk al weer weg is als ik er echt naar luister. Onze ovenklok lijkt ineens van plan om alle doffe en minder zachte burenbonkjes te gaan ondersteunen.

Bestaat dat? ‘Action-writing’? Zoals een schilderij door een action-painter ter plekke gecreëerd wordt? Om zo ook, van het ene naar het andere moment, een verhaal te laten ontstaan? Een verhaal met zeggingskracht? Misschien is het een vergelijkbare maak-drang? Ziet de schilder in zijn hoofd al zijn meesterwerk op het nog lege doek? Of voelt hij bij de eerste verfstreek al de pijn van de beperking?

Een eerste zin schrijven en die dan meteen laten verdwijnen. Opnieuw en opnieuw, totdat je besluit om die eerste zin te laten staan en te gaan werken aan een tweede. Werk hoeft niet perse moeilijk te zijn, maar zo uit elkaar getrokken is makkelijk toch anders. En voor wie? Wat gaat het opleveren als ik voortdurend bij het wit tussen woorden wegdroom? Of nadenk? Naar buiten kijk en een paraplu voorbij zie wandelen? Mijn ovenklok in cadans hoor tikken met de toetsen van mijn Xenos-toetsenbordje. Waarvóór?

Zo vaak heb ik het in mijn hoofd al opgeschreven. En nog nooit gelukt om vast te leggen met woorden. Met minder denken en méér doen doe ik een poging. Telkens weer. Tikkend op toetsen, nú zelfs op het ritme van de regen, maar zo vaak tevergeefs. En toch… eens zal het er staan. Tot mijn eigen verbazing en geluk. Dan lees ik terug wat ik wilde zeggen. Gaat er een deur zachtjes open in mijn hoofd. Door het kloppen van mijn hart.

Omdat ik wèl heel veel van je hou.

Universum

Een verhaal voor het kwartaalcafé. Een keer in de drie maanden in café Cambrinus in Horst, van Jan en Henny. Een aantal gelijkgestemden bedenkt bij een themawoord een verhaal. Daar hebben ze drie maanden voor, maar dan komt de avond om het verhaal aan elkaar te vertellen. Elke keer weer een heerlijke (taal)avond. Vanavond was het themawoord ‘Universum’. Hieronder mijn bijdrage.

 

Universum

‘Het universum begint waar ik zelf ophoud’. Zo. Laat die maar eens even binnenkomen. Dat is een beetje ‘ik denk, dus ik besta’, maar dan voor beginners zeg maar.

Al weken probeer ik iets slims te bedenken om mijn verhaal voor vanavond aan op te hangen. Op zoek naar wat ik met het themawoord ‘universum’ kan doen. En om zes minuten over twaalf, dinsdag op woensdag, schiet me die zin te binnen. ‘Het universum begint waar ik zelf ophoud’. Opschrijven, dacht ik. Dan hebben we die alvast. En nu maar kijken of we er ook iets mee kunnen…

Dan gaat het snel. Het verhaal begint vrij vlot zijn eerste vorm te krijgen. Alleen al door een beetje te spelen met mijn zelfbedachte stelling. ‘Het universum begint waar ik mij zelf ophoud’. Ook leuk. Eén woordje verschil slechts en toch meteen ook een wereld. Ik plaats ‘mij’ in het universum. Het geeft de stelling nog meer een persoonlijke twist. En het woord ‘ophouden’ krijgt een andere dimensie. Het heeft nu met ‘ergens zijn’ te maken, waar het in de beginstelling nog de betekenis had van ‘niet meer doorgaan’. Afijn. Even vasthouden dat verschil.

‘Mij’, daar draait het nu om. Het hele universum. Oneindig groot en door het toevoegen van het woordje ‘mij’ in de stelling, bevind ik me daar middenin. Dat voelt in eerste instantie groots, maar, even doordenkend, vooral ook heel klein tegelijk. Het maakt mij namelijk zo nietig. Tot op een punt dat het eigenlijk geen naam meer mag hebben. Stel je zelf eens even voor als het middelpunt van het oneindige…. Omdat het oneindige van je zelf uit bekeken aan alle kanten alsmaar doorgaat, word jij relatief gezien steeds kleiner. Op den duur ben je zo onwaarschijnlijk klein. Ja, dan ben je eigenlijk niets meer en kun je net zo goed meteen ophouden. Daarmee zijn we weer bij de eerste regel van mijn verhaal: het universum dat begon waar ik ophield.

Dat schiet niet op, dus maar even een stapje terug. Het moet tenslotte nog een verhaal worden, niet dan? Het draaide om mij, dat universum. Maar het draait ook om jou, of om jou. Eigenlijk draait het universum dus om ons. Het universum begint waar wij ons ophouden. Hier dus, in kwartaalcafe Cambrinus. Als nieuwe middelpunt van het universum. Maar ook dan. Zo klein in het oneindige dat het opnieuw geen naam mag hebben. Ook Cambrinus is niets in het machtig grote universum. Dat is echter moeilijk te verteren. Sterker nog, je voelt steeds beter aan dat eigenlijk het tegendeel waar is. Hé Jan? Maar ja, de wetten van het universum lijken onverbiddelijk. Nog wat taalspielerei misschien? Wat als we het nou eens niet hebben over ophouden, maar juist over doorgaan? En niet over beginnen, maar over eindigen. Een soort taalkundige dubbele ontkenning, waardoor ik mijn stelling anders laat klinken, terwijl er in feite niets aan veranderd..

Inplaats van een universum dat begint waar ik ophoud, krijgen we een universum dat eindigt waar ik doorga. En waar ik door ga, sluit het universum steeds weer het vacuüm rondom mij. Waar wij doorgaan sluit het rondom ons. In géén tijd, oneindig vaak en telkens weer. Daarover door filosoferend wordt het universum een soort van omgekeerd vacuüm. Inhoudsloos gevuld met alles. Of bomvol gevuld met leegte. Met onbegrepen kennis en begrip voor onwetendheid. Nietszeggende uitspraken naast sprakeloze zeggingskracht. Zomerse winters als herfstachtige lentes.

Allemaal in één universum. Tegenstellingen die er geen zijn. Of misschien ook wel. Dat maakt het universum zo mooi. Want daarmee zorgt het universum dat alles doorgaat, zelfs als het ophoudt. In het universum kan iets dat nog moet beginnen misschien al wel ooit ge-eindigd zijn. Of is wat eindig is tegelijk een nieuw begin. Zó fijn dat ik mij daar in mag ophouden. Ik ga door.

 

Vroege vogel

Laat ik deze keer eens beginnen bij de zon-gele jus d’orange die ik me zojuist heb ingeschonken. In een wolkenblauwe beker zie ik nu. Wacht, ik laat het even zien.

20130127-141854.jpg

Dat is een heel ander begin dan: ‘Het is een grijze dag.’ Toch? Maar het ìs een grijze dag en het regent. Weinig aan te doen. Op een zon-gele jus in een wolkenblauwe beker na. Dus dan maar zo. Shitweer.

Het is zondagmorgen en ik heb zojuist met mijn iPhone een vroege, natgeregende vogel gefotografeerd. Dat natgeregende concludeer ik omdat hij niet schuilde. Hij zat niettemin heerlijk op een hoekje van ons huis. Dat heerlijk interpreteer ik, omdat ik geen idee heb van de gemoedstoestand van de merel. Het beestje had geen jus, dat zag ik wel, maar leek daar geen last van te hebben. Water genoeg.

20130127-142205.jpg Berusting is het woord dat me te binnen schiet, al schrijvende. Het verschil tussen het denkende zijn en het zijn in de meest elementaire vorm. Niet de bedachte berusting, maar die zonder enige bijbedoeling of associatie. Geen herinnering of toekomstbeeld. Het simpele ‘er zijn’, zoals een merel, natgeregend op de hoek van een huis. Wègvliegen, als je wìl wegvliegen. Niet meer en niet minder. Zonder jus, dat dan weer wel…

Maar ook zonder de gedachten over acht Nederbelgen, waarvan ‘we’ er al vijf hebben. Zonder het bijtende cynisme in de column van Youp van het Hek gisteren. Die bijna berustend over wantoestanden in de gezondheidszorg schrijft, waar ‘we’ met z’n allen aan zijn overgeleverd. En er lijkt geen ontkomen aan. Het valt allemaal als regen op een natte merel.

Die daar niet mee zit, overigens. Zittend op de hoek van ons huis, valt de regen mee en tegen tegelijk. Hij kan er toch niks aan doen. Zijn wereld is landen tussen blijven en wegvliegen. En alles daartussen. Meer is er niet. Niet meer dan merel, zeg maar.

Vandaag vroeg begonnen met alvast alleen maar zijn. Maar morgen, als de zon gaat schijnen, de veren droog zijn, dan wordt er gezongen. Ook vroeg en zo vaak als maar kan. Op een wolkenblauwe dag met een jus-gele zon.

Nieuwe herinneringen

Je toekomst begint op dat punt in je leven waarop je vooral herinneringen ophaalt. Deze mooie zin haalde ik uit de column van Hanna Bervoets in de Volkskrant van vanochtend. In vergelijking met het verleden, schrijft ze, valt het heden altijd tegen. We maken vroeger mooier om met onszelf te kunnen leven, is haar verklaring. Steeds maar nieuwe herinneringen blijven maken, besluit ze haar column, om de toekomst zodoende voor later te bewaren.

Hanna is een van mijn favoriete columnisten. En ook nu weer zet haar column aan tot mijmering. Het is weliswaar háár uitgestelde toekomst waarover ze schrijft, vanuit haar eigen meegemaakte of goed bedachte belevenissen. Maar is het misschien ook mijn toekomst, vraag ik me af, wannneer ze die in mooie volzinnen koppelt aan andere tijdsbegrippen als heden en verleden. Dát ik me dat afvraag is de kracht van haar column. Ik vind het vooral mooi hoe zij steeds vanuit haar eigen ervaringen bij mij dit soort vragen oproept. Haar beschrijvingen die telkens weer op herkenning stuiten. Herkenning met een glimlach over zoveel observatie- en relativeringsvermogen. Tot zover over een van mijn helden. Nu terug naar mezelf..

Wanneer begon mijn toekomst? Of moet die -zoals het woord eigenlijk bedoeld is- nog altijd gewoon beginnen? Ik weet dat ik heel veel moeite heb om ‘ad hoc’ details uit mijn verleden terug te halen naar het heden. Toch de essentie van herinnering, lijkt me. Misschien is het ook wel neurologisch te verklaren, maar wie weet, biedt het moeilijk ophalen van herinnering ook wel een gemakkelijke ingang naar de toekomst. Niet te lang stilstaan bij wat er was. Nieuwe herinneringen maken, zoals Hanna. Ik kan me er wel iets bij voorstellen.

Alleen sneu dat daarmee het heden wat wordt ondergesneeuwd. Nou ís dat ook een wat vaag moment, superkort, tussen verleden en toekomst, maar toch. Nu ik er zo over nadenk, is het zowél het einde van het verleden als het begin van de toekomst. En wat nog mooier is. Alleen vanuit het heden kun je naar believen terug en vooruit kijken. Daarmee krijgt het heden zoveel meer inhoud. Ik probeer het voor me zelf nog visueler te maken. Zou je kunnen zeggen dat zowel verleden alsook toekomst in het heden hun oorsprong vinden? Ik zie een soort zwart gat voor me, waaruit niets kan ontsnappen, omdat alles er in besloten ligt. Misschien moeten we het heden in analogie daarmee definieren als een ‘wit gat’. Dat klinkt vriendelijker en roept minder de negatieve associatie op van eindigheid. En dan zijn er ook weer nuanceringen mogelijk. Tussen een zwart en een wit gat liggen wel drie keer vijftig tinten grijs. Op plek 1, 2 en 3, zag ik vanmorgen ook in de Volkskrant.

In de Limburger las ik dat mijn dorpsgenoot Chrit Driessen gisteren in eerste instantie gedeeld nr. 1 was geworden. En op één puntje na, uit het nog verdere verleden, uiteindelijk tweede werd van Limburg. Ik heb hem vanmorgen een mailtje gestuurd met de welgemeende felicitaties. Over een half uur komt een monteur een nieuwe vaatwasser installeren, zodat we in de toekomst weer verlost zijn van het betere handwerk. Tot die tijd tik ik nog even verder aan deze column. Zou die trouwens ook iemand aanzetten tot mijmering, vraag ik me af?

Ach, de tijd zal het leren. We zullen het zien. Een moment van herkenning ligt maar héél even in het heden. De rest is geschiedenis, lees je dan vaak. Doctorandus P. vatte het perfect samen: De geschiedenis kan veel voldoening schenken als men van nature pessimistisch is. Dergelijke zinnen wakkeren het optimisme in mij aan. Zoals Hanna dat ook doet, met háár zinnen. Het zijn momentopnames, maar ze kleuren het verleden en de toekomst. Nieuwe herinneringen. Steeds weer. Gelukkig wel.

 

Wéér het beste?

Mistroostig weer. Onbestemd gevoel, op de laatste dag van 2012. Machtig en onmachtig tegelijk, dus bij elkaar is het eigenlijk helemaal niks. Net als elke andere oudejaarsdag is het morgen opnieuw 1 januari. Het patroon herhaalt zich, dus hoezo nieuw? Alles houdt op omdat het allemaal ook weer begint. En dat gaat maar door. Geboorte, dood, welkom en afscheid. Oud en nieuw.

Het voelt als klem zitten tussen uitersten. Blindstaren op wat zichtbaar is en tegelijk open staan voor wat je niet ziet. Wat is het beste als het niet beter wordt dan goed?

Het is woorden zoeken voor wat je steeds maar niet gezegd krijgt. Nee, het is willen zeggen waar je geen woorden voor hebt. Maar ook, als je wel woorden hebt, daarmee toch niet zeggen wat je zou willen. Het is bijna nooit genoeg terwijl het zó vaak te veel is. Moedeloos van bravoure. Grenzeloos in beperking. Alles tegelijk en daarom per saldo nul.

Kort, éven een beetje stil zijn omdat er al zólang zóveel leven is. Het lukt me niet omdat het vanzelf gaat. Ik heb er geen grip op omdat ik het niet los kan laten. Het houdt me bezig terwijl ik er niks aan kan doen. Tijd verliezen met stilstaan terwijl alles tijdloos door gaat. Uitbundig verder willen maar schromelijk tekort schieten.

Creatief gepruts in de marge. Marginaal gelul in de ruimte. Hoezo het beste voor 2013? Dat hebben we elkaar in 2012 toch al gewenst? En? Hoe was het? Het beste ook gehád? Wat denk je in 2013 dan nog beter te krijgen? Beter dan het beste? Dan is het beste dus niet goed genoeg?

Ophouden! Laten we maar gewoon beginnen. Niet te veel vooruitkijken. Dan zien we wel.

…en buiten ontploft zojuist serieus het 12 miljoenste rotje van de in totaal 70 miljoen die we met z’n allen hebben opgehaald. Het regent.

Verdwaalde schapen…

Even na 6 december was door een foutje van het KNMI de wereld al wit. Afgehakte Nordmannen en Blauwsparren met kluit stonden buiten voordat we goed en wel in de gaten hadden, dat het nog lang geen Kerstmis was. De eerste LED-sterren verschenen achter huiskamervensters en lichtkettingen werden om bomen en struiken geslingerd. Essent en Oxxio trokken hun weekendverloven in. Stroom moest er komen. Veel méér nog dan een pronkstuk op een kerstboom was een piek de laatste jaren vooral een recordmoment in de meterkast thuis en de kassa elders.

Ja, ja, met een mooi scrabblewoord, de vercommercialisering van de feestdagen. Het mediagenieke van het kindje in de kribbe, dat met een contractverlenging nóg een seizoen zijn rol speelt binnen de heilige familie. De cast is nauwelijks veranderd. Nauwelijks, want er zijn vlak vóór of na 21 december wel wat schapen verdwaald. Maar ja, niet getreurd, die vinden hun weg wel terug. Of ze beginnen ergens anders een nieuwe kudde en prikken een nieuwe datum. Het kan. Het mag.

Ik wil eigenlijk niet de elfhonderdnegenendertigste zijn die de Maya-voorspelling een dag later wat  lacherig afdoet met een ’zie-je-wel’. Die nonchalante zelfverzekerdheid is, als je het mij vraagt, het twijfelachtige resultaat van een optelsom van opluchting en onbestemde angst. Nou vraagt mij dat niemand, dus ga ik er ook maar niet meer woorden aan wijden. Laat ik het er op houden dat ik deze komende Kerst en het nieuwe jaar wat bewuster vier dan anders. We zijn er nog en kunnen weer.

Wel wil ik even kwijt dat de komende feestdagen, na de Maya’s, voor mij méér inhoud hebben gekregen dan de jaren daarvoor. De wedergeboorte, de nieuwe kalender, de tekenen aan de wand en de noodzaak tot verandering geven op een vreemde manier toch wat hoop en energie. Of we willen of niet, de verandering lijkt zich te voltrekken. Op den duur ten goede, omdat het slechte meer en meer wordt ontmaskerd. We zijn er nog lang niet maar we kómen er wel. De donkere dagen voor kerst worden witter en witter, met of zonder sneeuw. Ondanks of misschien wel dankzij het KNMI. Daar ligt de oplossing namelijk niet. Men beschrijft enkel wat wij ervaren. Niet alleen het probleem, maar juist de oplossing ligt bij ons.

Dus die oplossing komt er. Goedschiks. Ondanks of dankzij de economische crisis. Met of zonder het griekse debacle. Wel of geen strijd in het Midden-Oosten.  Positieve of negatieve media. We zijn zelf aan zet. De rest draait daar om heen en beïnvloedt slechts wat zich láát beïnvloeden. Net als een kerstboom die van onder uit versierd is met slingers en ballen, naar boven toe steeds minder van dat moois heeft, maar wel eindigt in een schitterende piek. Daar doe ik het mee de komende dagen en alle tijd daarna. Zolang het duurt. Fijne feestdagen allemaal.

Stil zijn

Ik verschil nogal eens van mening met mensen die hele uitgesproken meningen hebben. En dan zeg ik het heel netjes, want eigenlijk heb ik een bloedhekel aan dat soort mensen. Ik meen te mogen zeggen dat ik zélf -juist om die reden- meestal een onuitgesproken mening heb. Dat komt echter zo vaak voor, dat het in figuurlijke zin misschien ook wel weer uitgesproken te noemen is. Zo bekeken ben ik, min of meer onbewust, hetzelfde als degene die ik niet wil zijn. Ben ik stilzwijgend net zo schuldig als zij die roepen.

Hele uitgesproken meningen. Mensen die ze hebben, hebben vaak ook veel verstand van social media. Te pas en te onpas stellen ze anderen aan hun meningen bloot. Een digitaal exhibitionisme dat zijn weerga niet kent. Maar ook dáárvoor geldt dat het alleen maar kan bestaan als er aan de andere kant mensen zijn waar tegenaan ‘geexhibitioneerd’ kan worden. En dus ook hier: guilty as charged…

Wat betekent dit concreet? Bijvoorbeeld dat ik een bloedhekel heb aan mensen die grensrechters doodschoppen, maar dat ik daar niet over ga roepen. Omdat ik ook moeite heb met volwassen mannen die in voetbalprogramma’s deze mensen ongenuanceerd -want met veel ‘kennis van zaken’- veroordelen, terwijl ze in ‘normale’ omstandigheden week-in week-uit met woorden precies hetzelfde doen: scheids- en grensrechters verbaal molesteren. Ik zie het, hoor het en heb er vooral een onuitgesproken mening over. Ik zeg niks, zwijg en stem dus toe? Nee, dat niet. Maar wat dan wel?

Allereerst signaleren misschien, inplaats van meteen veroordelen. Of plaatsvervangend schamen en zelf proberen anders te zijn. Je eigen beperkingen zien en niet maskeren met andermans vermeende tekortkomingen. Hoe was dat spreekwoord van die balk en die splinter ook al weer? Ik google het en zie dat het spreekwoord afkomstig is uit de bijbel. Het nieuwe testament: Matteüs 7, voor de liefhebber. Daar lees ik ook over parels en zwijnen. Wolven en schaapskleren. En huizen bouwen, op rotsen of op zand. In één kloterig klein stukje bijbeltekst… Nogal uitgesproken allemaal, dat wel. Maar ik zeg niks.

Zal ik er iets van op Facebook zetten? Of twitteren? Dan doe ik tenminste nog iets met de zojuist opgedane non-informatie. Niet ex- maar tekstibitionistisch, zeg maar. Want ook hier guilty as charged. Ik volg weliswaar een aantal van jullie, maar tegelijk volg ik het allemaal al lang niet meer zoals ik zou willen… Even stil zijn is misschien het beste. Hoewel zelfs dat niet altijd echt wil lukken. Want je maakt ook geluid als je huilt. Als regendruppels tijdens een stille tocht. Voor Richard Nieuwenhuizen. Nieuwe huizen? Op rotsen of op zand? Hoe dan ook. Sterkte allemaal. In Almere en overal. Laat de stilte maar zo hard mogelijk klinken. Zodat niks- veelzeggend wordt.

Duizend levens

‘Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één.’ Een dichtregel van Cees Nooteboom, waar mijn oog op valt. Een regel om te bewaren, vind ik, omdat de zin me aan het denken zet. Er zit wat confronterends in. Een soort knieval voor de veel te schaars bemeten tijd die eenieder in een mensenleven gegund is. Een zelf-opgelegde beperking, lijkt het, die je machteloos maakt. In de dubbele zin van het woord. Kiezen omdat je geen keuze hebt. Eén voor één tik ik de woorden in. Een nieuwe notitie, waarbij het voelt alsof er na elk woord een leven aan me voorbij trekt.

Een ongeleefd leven. Een onvolledig geleefd leven. Een te weinig ingeleefd leven. Een te beleefd leven misschien? Combinaties van die vier? De zin intrigeert me. De massaliteit van de keuzes en er dan maar één nemen. Er 999 laten liggen, zogezegd. Het voelt als verspilling. En het roept de vraag op of dat éne leven dat je gekozen hebt niet een verkeerde keuze is. Zou Cees het ook zo bedoeld hebben? Of moet je het heel anders lezen? Als uit een soort bescheidenheid van een grote schaal bonbons er maar één nemen? Kijk mij eens welgemanierd zijn en beheerst. Zou kunnen. Maar toch…

Hoeveel ‘levens’ had ik? Wanneer waren mijn ‘keuze’-momenten? Waren het er duizend? Er zijn er veel te bedenken. Momenten in mijn leven die bepalend kunnen zijn geweest. Er schieten allerlei beelden door mijn hoofd. Van heel vroeg in mijn leven meegemaakte gebeurtenissen, van latere momenten, doorlopend tot aan de dag van vandaag. Het zijn doorleefde momenten, die misschien wel om die reden nog steeds zichtbaar zijn aan de binnenkant van mijn ogen.

Dan zie ik de vijfjarige kleuter die naar huis wil omdat het gevoel van onbehagen over de thuissituatie hem parten speelt. Ik zie de eerste klasser die voor een volle kerk mag voorlezen bij zijn eerste communie. De zesde klasser die onwetend in mooie krulletters opschrijft dat hij naar de HAVO gaat, maar pas als brugklasser de wereld open ziet gaan en VWO-er wordt. De schoorvoetende tiener die in psychiatrisch centrum ‘St. Anna’ zijn moeder bezoekt. De huilende 18-jarige die afscheid van haar neemt in een koud mortuarium.

Ik zie de examenkandidaat, een jaar later, die dan wél slaagt maar geen idee heeft voor een vervolgstudie. De dienstplichtig militair in Amersfoort die zijn opleiding krijgt tot radarist. De kantoorklerk in Seedorf die op die manier een volledig nutteloze radar-opleiding min of meer zinnig invult . De vrijwilliger bij het Kindervakantiewerk Horst, die ook hoofdleider werd om in aanmerking te komen voor buitengewoon verlof. De korporaal die langer diende omdat hij nog steeds niet wist wat hij na z’n dienststijd wilde gaan studeren. De reiziger naar Griekenland die in drie maanden opgespaard verlof de tijd opvulde tussen diensttijd en begin studie.

Ik zie de student Logopedie, die eerst bij zijn oudste zus introk, maar later in Eindhoven op kamers ging. De logopedist, die in Hoogeveen bij de GGD Zuid-West Drenthe ging werken. De huurder van een 1-persoonsappartement in een flat aan de Helios die een jaar later samen met zijn vriendin op de Antares in een groter flatje trok. De bruidegom, die in 1991 met zijn vriendin trouwde, drie dagen feest had, en daarna gehuurd boven de Zeeman woonde. De vader van een dochter, die het eerste jaar alleen maar stil was als ze bewogen werd. De huiseigenaar die in de tuin van zijn nieuwe woning ’s zomers maximaal van één tot vijf de zon zag.

Ik zie de werknemer die weer een studie oppakte, om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De vader van een tweede kind, een zoon, wiens geboorte de moeder vier dagen op de intensive care deed belanden. De directeur van de eenmanszaak in grafische communicatie die elke opdracht een nieuwe uitdaging vond. De spreker die bij verschillende gelegenheden mocht verwoorden wat anderen bezighield. De orgelspeler die zijn jarenlange wens vervuld zag en een draai kon geven aan zijn hobby. De vijftigjarige die terugkijkend steeds kritischer vooruitkeek en zichzelf steeds vaker tegenkwam. De schrijver die de emoties van alledag bij herhaling probeerde te verwoorden.

Verhalen over het leven. En over de momenten in de tijd van het leven. Duizend levens? Ja. Ook ik nam er steeds maar één. Niet uit bescheidenheid of beheersing. Niet uit machteloosheid. Nee hoor. Ik nam er steeds één, maar dat télkens weer. Elk moment opnieuw. Omdat het niet anders kon. En ik zou het zo weer doen. Omdat het niet anders kan. Omdat ik dóórleef. Een leven lang. Met jou. Een leven uit duizenden…