Familieband

De rek is eruit. Heel langzaam ontstaan maar het is onmiskenbaar. Wat door momenten in een gezamenlijk leven van broers en zussen tot een onbreekbare band lijkt te zijn gesmeed, wordt door diezelfde tijd stukje bij beetje aangevreten. Het begint met hele kleine scheurtjes. Goed te overzien en nauwelijks van invloed op de gehechtheid aan elkaar. Toch?

Zo lijkt het. Maar als het er meer worden of de scheurtjes worden groter, dan lopen ze soms ongemerkt in elkaar over. Ze worden breder en onoverzichtelijker. Waar kwam dat ene scheurtje ook alweer vandaan en waardoor is de afstand nu ineens zo groot geworden? Als die zometeen gaat raken aan die barst daar, dan… Ach, dat zal toch niet? Zo’n ijzersterk verbond, ooit onuitgesproken en vaak zelfs hardop benoemd, daar zal toch niet de klad in komen?

Jawel. Want de rek gaat eruit. De elasticiteit, die ons steeds opnieuw naar elkaar toe trekt, wordt minder. Wat uiteindelijk overblijft is enkel touw. Stug en schurend. Dus ook daar komen rafels aan. Het verbindt ons nog maar dat is van een andere orde. De vanzelfsprekendheid ontbreekt. Als het laatste eindje uit de handen glipt, of min of meer bewust wordt losgelaten, dan is zelfs naar elkaar toetrekken geen optie meer.

Hoe het komt dat de rek verdwijnt? Waarom dat laatste eindje touw -wat ons nu nog bindt- uit de handen glipt? Ik weet het niet. Ontwikkelingen. Keuzes. Tegengestelde krachten. Een combinatie van factoren? Dingen gaan zoals ze gaan? Het kan allemaal zomaar zijn.

Maar is het onherroepelijk, vraag ik me nu vooral af. Of is er een mogelijkheid van ‘nieuwe elastiek’? Een vernieuwde band? Durven we dan wèl te erkennen dat rek van twee kanten komt? En dat daar waar de één trekt, de ander misschien eerst even wat moet laten vieren, voordat definitief wordt losgelaten? Dat het zelfs pijn kan doen als dat in één keer eenzijdig gebeurt…

Hoe dan ook, de rek is er nu uit. Te vaak en te veel gespannen. Te weinig gevierd of te veel laten vieren. Door overmacht. Door onmacht. Wat dan ook. Misschien knopen we straks nog wel wat eindjes aan elkaar. Of leggen we hier en daar een noodverband. Maar de familieband van toen? Nee, die band is weg. Kort nadat het elastiek mijn handen striemde, vroeg ik me af hoe die eigenlijk ook alweer was…

Zondag

In de tuin vliegt een hommel van een geranium naar een andere bloem. Met tussenpozen klinkt het gezoem. In de lindeboom klapt een houtduif één keer met zijn vleugels en verplaatst zich naar een andere tak. Verder weg krast een kauw en fluiten vogels in andermans tuinen. Het is zondag en het is nog vroeg.

Een tortelduif koert en tegelijk tikken de klokjes in de Kerkstraat twee kwartieren weg. De grote klok van de Lambertuskerk bevestigt dat met één lage slag. Het is half. Acht? Half negen? Het maakt niet zoveel uit. Het is zondag en het is nog vroeg.

Een van de buren trekt zijn garagedeur open. Een ander verplaatst zijn auto. ‘Goeiemorgen’ zeggen ze tegen elkaar. Ook mensen maken geluid. Op deze zomerse zondagochtend minder dan de vogels, maar toch. De klokjes van de Kerkstraat tikken drie kwartier weg. De grote klok bijft stil. Het is nog te vroeg.

Nog een kwartier. Dan is zij weer aan de beurt. Om te vertellen of het half acht of half negen was. Voor iedereen die dat wel of niet wilde weten. Of voor iedereen die wil weten of het acht of negen uur is. Kwestie van meetellen. Of niet. Op deze vroege zondagmorgen mag je kiezen of je meetelt, denk ik dubbelzinnig.

1…2…3…4…5…6…7…8…9!
10! Shit. Het was half tien. De houtduif in de boom verspringt spontaan een tak en de hond van de buren verderop blaft. ‘Stil’ bijt het baasje het beestje toe. Vogels fluiten elkaar uit. Even. Dan komt de rust terug. Maar anders. Waar tijd zojuist onbelangrijk was, is die nu bepaald. En daarmee ook bepalend. Komt van het meetellen, realiseer ik me. Als je mee wil tellen is alles anders… op deze iets minder vroege zondagochtend.

Zomerregen

Zittend in een rieten stoel
In m’n eentje op ’t terras
Huilend ventje loopt voorbij
Waar het anders zonnig was

Kijkend naar de natte boel
Neem ik een slokje van m’n glas
Knoei een beetje bier op mij
Maar toch niks natter dan ‘k al was

Zomer waar ik herfst in voel
Zelfs aan de overkant geen gras
In twintig letters op een rij:
Zomerreeg-en-winterjas

-bij Jan op ’t terras-

20130628-165404.jpg

Parlez moi d’amour

Het is 16.30 uur. Over twee uur zit ik bij Radio Reindonk, bij het programma Weekendproat. Als u nu naar mij aan het luisteren bent, dan is het twee uur geleden dat ik aan dit verhaal begonnen ben. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat de bijdrage van vandaag nog heel vers is. Nog warm, zogezegd.
Afijn, het begin staat. Nu nog een onderwerp…

Waarom zo laat begonnen aan je verhaal, zult u misschien zeggen? Tja, dat heb je soms. Geen tijd gehad van te voren zou een reden kunnen zijn, maar dat vind ik altijd wat goedkoop. Mijn moeder zei vroeger al steeds op dat soort momenten: dan moet je tijd máken! En gelijk had ze. Geen tijd gemáákt zou dus een juistere omschrijving zijn van de reden waarom ik zo laat begonnen ben met mijn verhaal.
Maar goed, het is niet anders. En net zo goed heb ik nu al mijn tweede alinea.

Waar gáát het verhaal over, is de vraag. Normaal neem ik een actuele gebeurtenis uit de ochtendkrant. Daardoor laat ik me inspireren en dan schrijf ik zo een eindje weg. Maar ja, vanochtend heb ik geen krant gezien. Ja op de deurmat en ik heb `m zelfs opgeraapt. Maar toen moest ik weg, dus ik heb er nog geen letter van kunnen lezen. Geen onderwerp uit die hoek dus. Maar waarover dan wel?

Ach kijk, mijn derde alinea staat er al. Het begint warempel al op een verhaal te lijken. Hmm, het zal toch niet gebeuren dat ik zometeen nog tijd over heb? Misschien toch maar snel een onderwerp bedenken, want anders gaat het zometeen nérgens over. Waarom kon ik eigenlijk geen tijd maken voor mijn verhaal? Wat heb ik dan allemaal gedaan in plaats van het schrijven ervan? Ja, daar ligt misschien wel een potentieel onderwerp.

Georgeld. Vrijdagavond in Haelen, tijdens de Midzomernachtswandeling. En zaterdagmiddag bij de Twinkeling, een dagverblijf voor kinderen en jongeren met een beperking. Of moet ik tegenwoordig nog steeds zeggen `met mogelijkheden`? Wat dan ook, mijn onderwerp staat. Net als de vijfde alinea, maar dat even terzijde.

Muziek maken op mijn buikorgel. Gisteren in het bos kwamen groepen wandelaars voorbij. Bij elke groep heb ik hen een getal laten opnoemen onder de 216. Mijn buikorgel werkt namelijk niet met papierrollen, maar via een electronische aansturing waardoor ik 216 liedjes zó voor het uitkiezen heb. Ik moet vervolgens wel draaien om lucht door mijn draaiorgel te sturen en de liedjes te laten klinken.

Afijn, het willekeurig laten kiezen van een nummer levert vaak verrassende resultaten op. Zo had het gekund dat ik op de langste dag van het jaar zomaar een kerstliedje de Leudalse bossen had ingejaagd. Maar het toeval bleek correct selectief. Toepasselijke deuntjes, die gisteravond zelfs mensen verleiden tot een walsje op het bospad. Een beetje aangemoedigd zo nu en dan, maar toch. Mooi om te zien en voldoening schenkend. Aan mij en ik hoop ook aan hen.

Zaterdagmiddag bij de Twinkeling een andere doelgroep. Veel kinderen in een rolstoel, begeleid door familie en bekenden, maar ook kinderen zonder rolstoel. Evengoed -soms zelf nog wel intensiever- begeleid door familie en bekenden. Het eerste uur heb ik bij de ingang van de Twinkeling gestaan om de gasten muzikaal welkom te heten op de open dag. Er was veel te doen. Niet alle kinderen konden meteen een keuze maken.

Een nummer onder de 216 was daar dus niet aan de orde. Ik heb zelf gekozen en om me heen gekeken of mijn muziekkeuze de juiste was. En gelukkig was dat meestal het geval. Blije gezichten, die zaterdagmiddag. Geschminkt soms, of heerlijk likkend aan een ijsje van de plaatselijke ijsspecialist. Kinderen die net nog een konijntje hadden geaaid in het op de parkeerplaats opgebouwde kinderboerderijtje of een ritje hadden gemaakt met de huifkar. In de brandweerwagen hadden gezeten en de sirene hadden mogen aanzetten. Binnen naar de BoomBoxBand hadden geluisterd en daar ook ranja en cake hadden gegeten. Of van de goochelaar hadden genoten, die in een aparte ruimte van de Twinkeling de kinderen betoverde. De peelkabouter Wijsneus die hen zojuist een handje had gegeven kwamen ze ook weer tegen bij de bus, waar kadootjes werden uitgedeeld. Binnen werden de kinderen professioneel gekiekt door de huisfotograaf van de Peelkabouters. En zo opsommend moet ik niet het personeel en de vrijwilligers van de Twinkeling vergeten die er ook rondliepen om `hun kinderen` te begroeten en te knuffelen. Kortom, veel menselijke warmte op een winderige zaterdagmiddag. En zo is mijn onderwerp eigenlijk wel bepaald in deze negende alinea. De langste alinea van allemaal. Omdat het belangrijkste juist dáárin verteld is.

De tiende tot slot. Een afsluiting van een verhaal dat zichzelf schrijft. Omdat het voortkomt uit wat mensen drijft. Gezamenlijke inzet die verbindend werkt. Daar iets over vertellen kost geen moeite. ’Vanzelfsprekend’ is het woord dat bij me opkomt. Een nummer onder de 216? Als we elkaar eens tegenkomen en ik heb mijn orgel bij me, vraag dan maar naar nummer 123. Een frans nummer: “Parlez moi d’amour”. Vertel me van de liefde. In tien alinea’s zojuist gedaan. Vooral in de negende. En net op tijd voor de radio-uitzending…

Zout

Hoe zou ’t zijn als zout niet alleen die witte kristallen zijn, maar ook als betekenisloos woord te zien zou zijn? Zou ’t kunnen? Dat zou ’t wel wat makkelijker maken om iets over zout te zeggen. En dat niet alleen. Het zou namelijk flauw zijn om zout alleen als smaakversterker te zien. Want dan zou ’t verhaal van mij met grote waarschijnlijkheid veel lijken op het zout-verhaal van een ander. Zou te eentonig worden. Een zouteloos aftreksel van wat we normaalgesproken elkaar te bieden hebben. Dan zou ’t zelfs allemaal wat smakeloos kunnen worden, en dat is toch het laatste wat je over zout zou willen zeggen. Zout smaakt, maar zou ’t ook lekker zijn om zout, als zout over een eitje, uit te strooien in een verhaal over zout? Dat zou ik wel eens willen proberen. En zou ’t dan niet leuk zijn als jullie meetellen hoe vaak het woord zout gebruikt is? Ik zou ’t  eerlijkgezegd niet meer weten. Alleen een zout-zoekopdracht in Word kan uitsluitsel bieden, maar jullie hebben nu geen Word tot je beschikking. Dat zou ’t ook weer te gemakkelijk maken. Te flauw voor woorden eigenlijk. Ik zou ’t daarom ook niet langer willen rekken dan nodig. Zout oké, maar goed is goed. Opzouten!

(Themawoord ‘Zout’ bij het Kwartaalcafé van 6 juni 2013 — 12x zout—)

‘Der Weg’

‘Wir haben den Regen gebogen’ zingt Herbert Grönemeyer. Een zin die iets in mij knakt. Want ik heb gelezen dat hij het nummer ‘Der Weg’, waar deze zin in voorkomt, opgedragen heeft aan zijn overleden vrouw Anna. Haar ziekte, het onvermijdelijke einde, hun gezamenlijke tijd toen en zijn lijden en ‘wederopstanding’ daarna, het zit er allemaal in. Zo mooi.

Ik vraag me af hoe het kan dat ik zijn emotie tot in mijn botten kan voelen. Stemming? Regenachtige vakantieweer buiten? Herkenning? Gedeelde ervaringen van afscheid? Het zal allemaal wel meespelen. Doet er ook niet zoveel toe. Waar het even om gaat is de zin zelf.

‘Wir haben den regen gebogen’.. Het ontroert me. Omdat er in die vijf woorden zoveel kracht zit. Zoveel verdriet ook. En onmacht. Maar ook verrassing. En hoop. Wrang misschien maar daarom ook zo waar. Het een dat niet zonder het andere kan. Zon en regen worden waar door de regenboog.

‘Du hast jeden Raum mit Sonne geflutet’ bevestigt wat ik voel. Vloeibare zon en verbogen regen. Wat niet kan maar toch moet. Hallo afscheid en dag welkom. Omdat er eigenlijk geen woorden voor zijn en tegelijk zo veel, word ik er stil van.

Het leven komt inderdaad van voren. Je moet het aankijken om het te zien. Achter de regen, die nu tegen het raam tikt, voor de zon. Pas dan kun je de regen buigen. Met dank aan Herbert Grönemeyer.

(Op 16 juli 2012 gepubliceerd op de niet meer actieve website schrijfbloq.nl. Onlangs -getriggerd door een tweet van Marlies- weer teruggehaald)

Vier mei stilte en vijf mei feest?

De afgelopen dagen heb ik deze onderwerpen nogal eens voorbij zien en horen komen. Het lijkt er ook weer de tijd voor, 4 en 5 mei. Onlangs, de dappere burgemeester tegen de rest, bij Pauw en Witteman. Zaterdag, artikelen in de Volkskrant over herdenken,verzoenen en vrijheid. Verschillend van toon. Bijvoorbeeld de Voetnoot ’Ongewenst’ van Arnon Grunberg. Of de column ’Vredenhof’ van Bert Wagendorp. Allebei op eigen wijze kritisch en indrukwekkend. En zo waren er meer.

Een semantische discussie vond de een. Een emotionele vond de ander. Peter van Uhm, op de Dam, met een toespraak over ons, zichzelf en vooral zijn zoon. Wij, inplaats van zij of ik. Niet één dag, maar ook 364 dagen daarna. En op de dag nauwkeurig wist de generaal buiten dienst wanneer zijn zoon was gesneuveld. Dienend voor de vrijheid gestorven, 5 jaar en zestien dagen geleden.

Emotioneel. Semantisch zou iemand anders kunnen opwerpen. We hebben de vrijheid om te vinden wat we vinden. Daarom mogen we herdenken belangrijker vinden dan verzoening, maar mag het ook andersom. En wat is er dus mis met verzoenen en herdenken tegelijk? In vrijheid, met z’n allen? Alles is daar mis mee, want het lijkt een utopie. We -wij- doen het niet. Zij willen het niet en ik kan het niet. Nu even niet…

De burgemeester van Vorden is gezwicht voor hokjesdenkers die zelfs vliegtuigen over kerkhoven laten vliegen, om hun gelijk af te dwingen. ’Vorden is fout’ trok het vliegtuig achter zich aan. Wrang, maar erger nog; zij vinden zichzelf ook wij. En beneden, op het brede pad naar de oorlogsgraven van de gevallenen voor de vrijheid, bedenken we -zij of ik- de oplossing om met hekken een tweesplitsing aan te brengen: linksaf voor de verzoeners en rechtsaf voor de herdenkers.

Had dat vliegtuigje vannacht niet opnieuw kunnen opstijgen met de tekst ’Damascus is fout’? Dat was voor de mensen daar beter te hebben geweest dan de bommen die er nu gevallen zijn. Iemand heeft die gegooid. Een ander heeft daar deze keer een vliegtuig voor doen opstijgen. Niet ik, maar zij. Of toch wij? O ja, en er is onlangs weer een voetbalscheidsrechter doodgeslagen. Nu in Amerika. Door een 17 jarige. Hoe oud waren die voetballers bij Richard Nieuwenhuizen?

Zijn het incidenten? Uitzonderingen die júist het belang onderstrepen van de gedachten van 4 en 5 mei? Ik hoop het vurig en geloof het zelfs, maar toch. Dan hebben we er blijkbaar wel erg veel moeite mee met z’n allen. We -ik- kom er in ieder geval even niet uit. En ik twijfel sterk of zij er wel uitkomen.

Niettemin. Op deze zonnige dag van de vrijheid neem ik die vrijheid. Om al diegenen die dit lezen te wijzen op de gekte en tegelijk de wijsheid in deze wereld. Tegelijk. Niet in twee verschillende hokjes. Zoals haat en liefde niet los van elkaar te zien zijn. En leven en dood met elkaar verweven zijn. Zo kunnen de gedachten over 4 en 5 mei wat mij betreft niet los van elkaar worden gezien.

Herdenk, verzoen, ben vrij. Dien eventueel. Maar doe dat tegelijk! En vooral niet in hokjes. Want zodra je het één met klem prefereert boven het ander, is het nog maar een kleine stap naar een vliegtuigje. Met tekst of met bommen. Op 4 mei. Op 5 mei. Of vijf jaar en zestien dagen erna. Tegelijk. Alleen tegelijk zijn ik en zij wij. Alleen tegelijk zijn wij vrij.

Driewerf hoezee!

De prins is vandaag jarig. Mijn nichtje ook. Kim, proficiat. Ik hoop dat er vandaag voor jou gezongen wordt. Voor de prins doen ze dat over drie dagen ook. Het Koningslied. Maar daar hoef je niet jaloers op te zijn, hoor Kim! Over dat liedje is al zoveel te doen geweest, dat de verrassing er wel een beetje af is. Stel je voor dat er voor jou al drie weken lang ’zij leve hoog’ zou zijn gezongen. Alleen daarom al zou je er toch je verjaardag voor willen overslaan? Maar stel je ook nog eens voor dat er tegelijk grote aantallen mensen spontaan een mening over dat voor jou gezongen liedje hebben: ’ze leve niet hoog’- ’ze leve wel hoog’ – nietes – welles… Ja, dan gaat niet alleen de zin voor een verjaardag helemaal over, Kim, dan denk ik dat je -ik noem maar even een zijstraat- bijvoorbeeld zelfs geen koningin zou willen worden.

Stel je voor, je zou Willem heten en een moeder hebben die koningin is. Van een willekeurig landje, neem voor het gemak even Nederland. Nou, daar sta je dan, op je verjaardag. Over drie dagen ben jij de koning. Van een volk van facebookbabbelaars en twittertoeteraars. Een volk, waarvan je wist dat het een keer zou komen. Of beter, omdat de nederlandse taal na dat Koningslied nooit meer hetzelfde zal zijn: Een volk, die je wist dat zou komen. Over drie dagen zijn ze er. Stel je voor, Kim, dat dat volk allemaal op jouw verjaardag zou komen. Daar moet je niet aan denken, toch?

Maar van de andere kant. Dan zou je wel je feestje in de Nieuwe Kerk in Amsterdam mogen houden. Tweehonderd jaar geleden vierde Willem de Eerste daar al zijn feestje en vanaf die tijd mochten alle toekomstige vorsten en vorstinnen dat adres doorgeven aan cateringbedrijf ’Het oranje bordje’. Gewoon, lekker, geen gezeik van te voren en afwassen achteraf doen zij. Handig, want daar moet je op zo’n dag ook geen omkijken naar hebben.

Je zou dan wel 2300 gasten kunnen verwelkomen. Dat zijn er een heleboel en daar zou toch een aardig feestje mee te bouwen moeten zijn. Maar helaas kunnen er slechts 500 gewone burgers, zeg maar jouw vrienden en vriendinnen, bij zijn. Niks aan te doen, de rest hoort er nu eenmaal van oudsher gewoon bij. 1800 gasten op je feestje zul je dus wat minder goed kennen, Kim. Ministerraad, staatssecretarissen, leden van de Eerste en tweede kamer, diplomaten, gasten van het parlement, noem maar op. Ach, niet het slechtste volk, maar voor een gezellig feestje toch niet de eersten waar je aan denkt. Toch, Kim?

Gelukkig heb je je 500 vrienden en vriendinnetjes nog. Minder dan op je facebook, maar toch. Helaas zitten de meesten wel helemaal achterin de kerk. Dat wil zeggen, zo’n 400 ervan. De rest mag wel lekker dicht bij je zitten. Gewoon even kiezen welke honderd je het allerleukste vind. Je zou misschien wel anders willen, maar dat kan helaas niet.  Protocol. Maak er net zo goed maar een leuk feestje van, Kim. Je wordt tenslotte niet elk jaar 27! Laat staan koningin…

Over dat laatste hoef je niet rouwig te zijn. Trouwens,  Willem heeft al een koningin. Dat wil zeggen, over drie dagen, want dan wordt ook zij gehuldigd. Koningin van een volk, die zij wist dat zou komen. Moeder van Amalia, die de Nieuwe Revu wist dat ze zou komen… sneu blaadje… en vrouw van onze Koning, die -soms een beetje dom- daarmee niet anders is dan al zijn onderdanen. In deze maatschappelijk en economisch barre tijden krijgen we met z’n allen gewoon wat we verdienen. Niet meer en niet minder. We zijn er zelf bij. Zo waarlijk helpe ons god.

Klein filosofietje

Het is al bijna helemaal donker buiten. Tegen tienen zit de eerste dag van het filosofie-weekend er op. Op het ISVW-landgoed in Leusden is de bar open. Eros Ramazotti klinkt op dit moment door de boxen. Met een koud witbiertje voor me op tafel overdenk ik de eerste dag.

Ik probeer voor mezelf te bedenken met welk gevoel ik nu hier zit. Tevreden, dat in ieder geval. Maar ook met een gevoel dat ik ergens getuige van ben geweest, waar ik de echte impact nog niet van kan overzien. Geen onprettige gedachte. Het is een gevoel van open mogelijkheden. Een herinnering komt bij me boven. Het moet in 1974 geweest zijn.

Ik heb even terug moeten tellen want ik meen dat het in de tweede klas van het Atheneum is. A2a, volgens mij, maar terwijl ik het opschrijf twijfel ik of het niet A2b was. Hoe dan ook, het is een klas waarin stevige karakters zitten. Niet alleen krachtig, maar ook onderling nogal van elkaar verschillend. Het is de tijd waarin de sfeer op school voor mij -nu terugkijkend- gesymboliseerd werd door een tweetal leerkrachten. Niet op grond van hun letterlijke aanwezigheid, maar wel door het gedachtengoed dat ik hen destijds al dan niet terecht toedichtte.

Voor mijn jaargenoten van toen; ik denk aan de geschiedenisleraar Juurlink en de Nederlands docent Pieter-Paul van Laake. Voor die laatste mag je ook Gerus van den Boomen lezen. Het contrast in sfeer van die tijd, dat wil ik er maar even mee aangeven. Een soortgelijk contrast tekende zich af in onze klas.

Het was de reden dat wij al heel vroeg voor Jeruzalembegrippen op werkweek mochten. In mijn herinnering zie ik mezelf op een conferentieoord, dicht bij Maastricht. De plaatsnaam herinner ik me even niet, maar de naam schiet me wel te binnen. Het was vormingscentrum De Klinkenberg of een naam van die strekking. Zometeen eens even googelen, dan vind ik de plaatsnaam misschien ook wel weer. Een vaag gevoel bekruipt me dat het misschien wel Meerssen was, maar dat kan ook goed door de huidige media-aandacht zijn, dat ik dat nu denk.

Raar hoe herinnering soms werkt. Want zoals ik hier nu zit, met m’n witbiertje, moet ik terugdenken aan de vormingsweek in 1974. Een foto die ik lang gehad heb van die werkweek, toonde mij in een typische denkhouding. Ik herinner me nog dat ik ook toen, tijdens die werkweek, een gevoel had van onbestemd begrip.

De verhalen en opdrachten van die werkweek. De gesprekken en de tijd daartussen. Het gevoel dat het goed was, zonder te weten waarom. Het idee dat ik er nog wel achter ging komen, waarom die aanwezigheid goed voelde. Het was een diffuus besef van een basis die er die week werd gelegd. Niet goed te duiden, maar wel een prettig gevoel.

Zo zit ik hier nu weer. Vijfendertig jaar later en geen spat veranderd, realiseer ik me. Nog een slok van mijn witbiertje. Dát is wel een verschil met toen, maar verder… Het zit wel goed. Een goed gevoel, dat tegelijk ook wel confronterend is, zonder op dit moment te kunnen zeggen waarom.

Is het herkenning, omdat er vandaag veel over ’verhalen in de filosofie’ is verteld? Is het de constatering dat er veel meer mensen zijn zoals ik, die het ook niet precies lijken te weten, maar die in ieder geval op een positieve manier op zoek zijn? Kleine levensvragen waar ongetwijfeld kleine antwoorden op te vinden zijn. Misschien vormen die samen wel één groot antwoord? Wie zal het zeggen. We hebben morgen nog een dag. En daarna hopelijk ook nog een aanzienlijk aantal.

Een gebreide lappendeken

lappendekenElke lus is door haar handen gegaan. Elke steek heeft ze zelf op de naald gezet. Twintig achterelkaar en daarna twintig naalden gebreid. Eén naald links en dan eentje rechts. Elk lapje dat zo ontstond, heeft ze bewaard totdat er voldoende waren voor een lappendeken. Zo’n lappendeken erfde ik in 1978. Het was het jaar dat mijn moeder overleed, nu bijna 35 jaar geleden. Zolang al… en die deken heb ik nog.

Ik herinner me mijn moeder als een zorgzame vrouw. Maar ook als een vrouw met zorgen. Ze kwam uit een ouderwets groot gezin, met een traditionele rolverdeling. Haar broers mochten gaan studeren. Voor haar en haar zussen was dat niet weggelegd. Bekwamen in huishoudelijke taken, dát was veel belangrijker, vonden haar ouders. Niet ongewoon in die tijd. Leren koken, schoonmaken en naaldvakken. Dáárin mocht ze uitblinken, ook al was dat min of meer gedwongen. En uitblinken, dat dééd ze. Toen ze jaren later met mijn vader trouwde, werden dat zeer gewaardeerde eigenschappen. Vooral voor haar omgeving.

Mijn moeder werd negen keer zwanger. Op twee miskramen na was het een voorbeeldige kinderrij. Bijna elk jaar één. Ik was vijfde van zeven. De gezinssituatie en de tijd van toen vergden veel van haar. Téveel soms. Misschien was het de stress van die tijd. Misschien was het de slepende ontevredenheid over niet vervulde levensdoelen. Misschien wel een combinatie van beide. Wie weet. Wat ook precies de oorzaak was, mijn moeder werd manisch depressief. Zo nu en dan moest ze daarvoor zelfs worden opgenomen in St. Anna in Venray. In 1978 was ze daar ook.

Het was mijn examenjaar. Ik zat in Venray op school en kon mijn moeder daarom makkelijk en vaker bezoeken. Als ik er aan terug denk zie ik de beelden weer voor me. Als scenes van een film waarin zij vaak ongewild de hoofdrol had. Ongewild, omdat het script soms onnavolgbare wendingen nam. Eén scene kwam vaak terug. Mijn moeder die aan het breien was. En ik, die haar bij mijn bezoeken steeds van nieuwe restjes wol voorzag, zodat ze ook kon blíjven breien. Want die deken moest af.

Overzichtelijke lapjes in een bij vlagen losgeslagen leven. Het breiwerk gaf haar houvast, denk ik nu. Maar het voorkwam niet dat ze op een dinsdag -het was 9 mei 1978- aan een acute longembolie overleed. Nog zie ik mijn vader zijn schoen strikken toen hij thuis kwam en het mij vertelde. ‘Moeder is dood…’. Een traan viel precies op de lus van de veter die hij in zijn handen had.

Herdenken. Ieder doet dat op zijn of haar manier. Zelf heb ik veel aan de symboliek van de dingen die op mijn pad komen. Die ene natte veterlus in de hand van mijn vader bijvoorbeeld. Of de honderdduizenden lussen die door mijn moeders handen gingen. De lappendeken die daardoor ontstond. Die deken, waar nu mijn kinderen warm onder wegkruipen, als ze draadloos aan het internetten zijn op hun mobiel.

De lappendeken heeft in 35 jaar heel vaak haar warme dienst bewezen. Door het vele gebruik kwamen er slijtageplekken in het breiwerk. Links en rechts vielen er gaten. Steken lieten los. Maar de warmte, die bleef. Onlangs heeft mijn vrouw de deken aan een grondige restauratie onderworpen. Steken opgehaald, gaten gedicht en herstelplekken onzichtbaar weggewerkt met gehaakte bloemen. Het voelt alsof er nu nóg meer warmte in de deken zit.

Herdenken. De gebreide lappendeken brengt herinneringen terug. Verdrietige maar ook hele fijne. En mooier nog dan de deken zelf is de warme genegenheid die in haar ligt besloten. Liefde die zij er lus voor lus in heeft gelegd. Telkens weer. Daar denk ik aan terug. Aan dát gevoel dat nu met gehaakte bloemen extra is onderstreept. De kille kou van de dood wint het nooit van de warmte van haar deken.