Terug

Dit jaar is Kerstavond anders dan anders. Op 24 december landt er omstreeks 19.00 uur in Düsseldorf een vliegtuig dat onze Mees weer thuis brengt. Met twee andere Dendron-leerlingen en twee leerkrachten is hij dan terug van twee weken India. Voor de stichting Helpende Handen hebben ze verschillende projecten, locaties en instellingen bezocht. Mees heeft ter plekke gezien en gevoeld hoe het is om in een land te leven dat totaal, maar dan ook totáál, anders is dan Nederland. Zonder twijfel is hij onder de indruk van alle ervaringen. Onze Kerst staat in het teken van zijn belevenissen. En daar verheug ik me op.

"Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt."
“Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt.”

Twee weken geleden werd Mees z’n avontuur werkelijkheid. Ons contact verliep vanaf dat moment via korte whatsapp-berichtjes. ‘Ik vertel wel in detail over wat ik meemaak, als ik thuis ben’, schreef hij in één van zijn eerste berichtjes. En na twee dagen was de zin ‘ik heb al zestien kantjes volgeschreven’ ook heel veelzeggend. Af en toe verscheen er een foto op zijn Facebook-pagina. Bijvoorbeeld van een kleine, ik schat twee- of driejarige Indiër, die een grote gele zonnebril omgekeerd op z’n neus zette. Onderschrift: ‘Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt’. Het was een speelse foto, met dat vrolijke ventje in het middelpunt van de belangstelling.

Achter het kereltje een kast, waarin een tiental plastic bakken te zien was. Gevuld met snoep leek het. ’Begrijpelijk dat het jongetje vrolijk gekkigheid uithaalt met die gele zonnebril van onze Mees’, dacht ik. Toen ik wat beter keek zag ik wat er in grote letters op de bakken stond. ‘Amytryn’ kon ik lezen. En daarnaast ‘Atenolol’ en ‘Fluoxetine’. Het waren medicijnen, leerde Google me. Amytryn tegen ‘neuropatische pijnen’. Fluoxetine was een anti-depressivum en Atenolol een bètablokker. Bloeddrukverlagend en hartslagvertragend. Ineens kreeg de vrolijke foto een wat serieuzere uitstraling.

De ruimte maakte kennelijk onderdeel uit van een verzorgingsinstelling. Ik wist dat ze dit soort plekken gingen bezoeken. Je kunt geen betere indruk krijgen van wat ‘helpende handen’ betekenen, dan het aan den lijve ondervinden en ter plekke ervaren. Zien wat er allemaal bij komt kijken, bij de opvang , verzorging en het onderwijs van weeskinderen bijvoorbeeld. Of bejaarden en zieken. Hier en daar zelf een helpende hand bieden. En vooral zien hoeveel andere mensen dat daar ook doen. Uit het hart en vanzelfsprekend.

In dat teken stond zijn reis naar India en in dat teken staat daarom onze Kerst dit jaar. De stichting Helpende Handen en het Dendroncollege boden Mees deze kans, die hij met beide handen heeft aangegrepen. Maar hóe aangegrepen zal hij zelf zijn? Hoeveel kantjes na die zestien heeft hij nog geschreven? Heeft hij z’n gele zonnebril nog? Daar ben ik benieuwd naar. Straks komt hij door de gate. Op Kerstavond. Terug. Gelukkig… Kerstfeest!

Goudvis

Goudvis…
Hm. Mijn eerste associatie is een ronde vissenkom. Daarin zwemt ie. Alsmaar rondjes om een groen plastic plantje, machinaal ontkiemd uit een witte nepsteen. Die steen ligt in het midden van de kom, in een bedje van gekleurde surrogaatkiezel. Zomaar, zonder reden, draait de vis zich om, en zwemt het rondje andersom. Hij kan ook niet echt anders. Het plantje staat precies in het midden, dus hij moet er wel omheen. Linksom of rechtsom. Hij kan er niet omheen dat hij er steeds omheen moet. Daar zit wel wat ironie in. En iets treurigs. Hij is ook niet echt van goud.

Weer draait hij zich om. Het is te hopen dat hij het plantje met zijn linkeroog anders ziet dan met zijn rechteroog. Of, nog beter, hopelijk hebben goudvissen een waardeloos geheugen. Of zou hij elke keer denken: ’Wat kan ik toch veel kanten op’? Want er moet toch iets in zijn luchtledig breintje zijn dat hem steeds motiveert. Dat hem steeds opnieuw doet besluiten om keer op keer te keren. Voelt hij zich als de spreekwoordelijke vis in het water? Maar kan hij daar wel zo blij over zijn? Waarschijnlijk bewijst het enkel zijn waardeloze geheugen. Want het is echt niet alles goud wat er blinkt. Alleen, goudvissen lijken dat niet te beseffen. Of vergeten dat steeds weer. Of ze zijn ontzettend Zen. Goudvis-zen.

Maakt ook niet uit. Een goudvis in een ronde glazen kom vind ik iets treurigs hebben. Net als een parkiet op een klein houten schommeltje. Of een hamster in een plastic tredmolentje. Het is de triestigheid van bedachte blijdschap. Verkeerd ingevulde vreugde. Empathisch eigenbelang. Denken voor de ander maar het zelf niet weten. Invullen wat je voor jezelf open laat. En zo zet de goudvis me toch op een spoor. Linksom of rechtsom. Wie is er nou eigenlijk zielig?

Zouden wij vanuit een fisheye-perspectief ook niet treurigheid oproepen, vraag ik me af. Of zou het juist lachen zijn in een vissenkom? Gieren in een parkietenkooi? Kunnen zien wat er zich buiten hun eigen begrensde leefwereld afspeelt, maakt hun leven waarschijnlijk méér dan enkel kommer en kwel! Je mag het hopen. Of zou er nog iets anders aan de hand zijn? Zou een hamster zich te barsten rennen omdat de opgefoktheid buiten zijn hok te gemakkelijk door de spijlen naar binnen kan? Reageert het beestje de frustratie daarover al rennend van zich af? Fluit een parkiet steeds zijn snerpend eentonige deuntje als protest tegen alles wat er zich buiten zijn kooi afspeelt?

Het zou zomaar kunnen. En daarop doordenkend: hoe zouden witte kanariepieten dan gereageerd hebben op zwarte pieten? Anders dan bruine kanariepieten? Hoeveel gekte kun je in je kom of kooi verdragen? Het schijnt dat een goudvis de wereld steeds groter ziet, hoe dichter die bij de kom komt. Heb je dat ook nog.

Nee, langzaamaan begin ik toch wel wat begrip te krijgen voor die goudvis in zijn kom. Je zou je voor minder regelmatig willen omdraaien. Als de wereld in al zijn heftigheid steeds dichterbij komt, iedere onbenulligheid tot in het oneindige wordt uitvergroot, dan is omdraaien misschien nog wel de beste oplossing. Keer op keer. Om zo steeds opnieuw te proberen om het toch weer van de andere kant te bekijken. Niet stil te hoeven staan in een dolgedraaide wereld. Blijven rennen om er uit te komen. Fluitend als het niet anders kan.

Bedenktijd…

Het monotone tikken van onze ovenklok wordt onderbroken door het geluid van de toetsen op mijn draadloos bleutooth toetsenbordje. Elke nieuwe zin die ik opschrijf vormt zo een ritmisch samenspel met het tikken van de klok. Je zou doorlopend willen doortypen, alleen al om die reden, maar de werkelijkheid is anders. Tussen de zinnen is het langere momenten stil in mijn hoofd en overheerst de monotonie van de tikkende tijd. Tijd om te denken.

Wat wil ik aantikken in deze column, die ik straks live ga voorlezen bij Omroep Reindonk? Gevoed door de kranten van vandaag en Dieuwertje Blok op televisie, is de zwarte pieten discussie voor de hand liggend. Méér nog dan over kleur gaat dat, wat mij betreft, over verdraagzaamheid. Al dan niet bedoeld, maakte Nelleke van der Krogt er onlangs in Jeroen Pauw’s programma een aardige opmerking over. ‘Ik vind het goed dat we tegen racisme zijn’, zei ze. ‘Maar wat me ook verbaast’ vervolgde ze, ‘we zijn al even bezig over zwarte Piet, maar als diezelfde zwarte mensen in gammele, lekke bootjes over zee aan komen dobberen, dan zijn ze niet welkom’. Waar ik de kunst hoor in een dergelijke vergelijking, horen anderen de kitsch. Het zij zo. Dat mag.

Ik hou wel van Nelleke. En ook wel van Dieuwertje. In het Sinterklaasjournaal waren vrijdag de eerste witte clownspieten te zien. Vandaag zag ik ze zelfs vlakbij Sinterklaas. Ik zag de Goedheiligman ook opvallend naast de rode loper lopen, die er in Gouda voor hem was uitgerold. Wat mij betreft symbolisch voor waar het allemaal over gaat: er is niet slechts een pad naar de waarheid. Of, om toch een beetje in stijl van de discussie te blijven, die rode loper had ook zomaar geel kunnen zijn. Een beetje kaasstad had daar zó voor kunnen kiezen. En ook dan hoef je er niet overheen te lopen. Het mag, maar het moet niet.

Ik luister alweer een tijdje naar de klok van mijn oven. Het rood van zojuist kleurt nog mijn gedachten, terwijl ik lees over het vertrek van twee PvdA-kamerleden. Een andere associatie dringt zich op. Is de turkse vlag ook niet rood met geel? Even googlen leert me dat ik met dat rood wel goed zit, maar wat ik in mijn hoofd geel had gekleurd, blijkt in werkelijkheid wit. De witte sikkel van de maan en een witte ster staan broederlijk naast elkaar, omringd door alleen maar rood. Net als Kuzu en Öztürk, die in de Tweede Kamer voor zichzelf beginnen. Gaat het hier in feite ook niet over verdraagzaamheid, dit keer tussen hen en de rest van de PvdA?

Twee voorbeelden op een zaterdagmiddag uit de krant geplukt. Twee voorbeelden tussen honderd andere. Vaak confrontaties tussen contrasten. Tegenstellingen die zich niet wensen te verenigen. Kleuren, die zich niet laten mengen. Maar waarom niet? Het ligt namelijk zo voor de hand. Zwart en wit geeft grijs. Geel en rood, wordt oranje. Of, anders gezegd, oranje verdraagt zich met geel en rood. Zelfs als geel en rood dat niet willen, vormen ze samen nog oranje. Ajax en Feyenoord spelen allebei in rood-wit. Is dat de supporters nog nooit opgevallen? Heeft niemand hen dat ooit verteld? Of, om een willekeurige voetbalfilosoof maar eens te citeren, zie je het pas als je het doorhebt?

Als die filosoof gelijk heeft, dan hebben heel veel mensen het nog niet door. Ze zien het niet. Of willen het niet zien. Als er een rode loper ligt in Gouda, dan zijn er mensen die willen dat de Sint daar overheen loopt. Denk ik. Ook als de Sint daardoor de kinderen achter de dranghekken geen handje kan geven. Gelukkig doet de Sint dat wel. Loopt hij dus niet over het gebaande pad en neemt hij daarbij zijn witte clownspiet gewoon mee. De kinderen lachen blij. Even bestaan er geen problemen.

Even. De klok van de oven tikt monotoon door. Het kan zijn dat die problemen er wèl zijn, bedenk ik me, maar dat ìk ze niet zie. Dat ìk het niet door heb en alle àndere mensen die stellingen hebben betrokken wel. Dat het helemààl niet draait om verdraagzaamheid en dat iedereen gelijk heeft, om bij z’n eigen mening te blijven. Dat zwart terecht zwart blijft en wit wit. Als het moet, hard tegen hard. Onverdraagzaam. Bootvluchtelingen, voetbalrellen. Politieke onverdraagzaamheid. Misschien zie ik het allemaal verkeerd. Is een witte of gekleurde Piet naast Sinterklaas inderdaad onverenigbaar met de traditie. Wordt Sinterklaas daardoor echt bedreigd in zijn bestaan…
Onbestaanbaar!

Vanmiddag was hij er gelukkig nog gewoon. Zelf gezien. Dieuwertje zag ook dat de Sint niet over die rode loper liep. Sinterklaas deelde liever handjes uit aan lachende kinderen. Zijn witte en zwarte pieten stopten die handjes vol met pepernoten. Rijen dik keken daar witte en zwarte vaders en moeders vertederd naar. Maar voor hoe lang nog? Ik weet het niet. Ik zet vanavond snel mijn schoen, ook al ben ik dit weekend alleen thuis. Nu kan het nog. Dat heeft Sinterklaas vanmiddag zelf gezegd. En Dieuwertje. Dus…

Zeik-cijfers…

Zo gênant om Jeroen Pauw met de NRC te zien zwaaien in zijn eigen tv-programma. Natuurlijk, hij moet het hebben van de actualiteit. En die ruikt al dagen naar de plas van mevrouw Van Rijn. Pauw lijkt daar steeds meer een neus voor te hebben. ’Laten we ons beperken tot de praktijk’ was zijn argument richting Martin van Rijn, toen die op enig moment terecht aangaf niet de staatssecretaris van zijn moeder te zijn, maar van alle mensen in Nederland. Pauw wilde echter terug ’naar de praktijk’ en herhaaldelijk leek het alsof hij Van Rijn daarmee en soms letterlijk zelfs met de NRC om de oren wilde slaan. Waar ging het over?

Wat een artikel had moeten worden over handvaardigheidsactiviteiten door vrijwilligers, werd niet onterecht een heel triest verhaal over demente, incontinente levenspartners. Uit het leven gegrepen, zoals veel dat onvermijdelijk is. Wat niet betekent dat bejaarden in hun verpleeghuis verstoken moeten blijven van de zorg die ze nodig hebben. Het ontbreken daarvan is op geen enkele manier goed te praten. De twee genodigden aan Pauw’s tafel deden dat ook niet. Zij waren allebei zeer betrokken. Beiden vanuit een andere invalshoek, maar tot op het bot gedreven. Allebei waren ze op zoek naar oplossingen. Pauw niet. Hij had een groot maatschappelijk probleem terug kunnen brengen tot de praktijk van twee betrokken mensen aan ’zijn’ tafel. Overzichtelijk, schuld en onschuld links en rechts van hem. Ge-downsized, zeg maar, tot ver beneden de enkels.

Martin van Rijn wilde liever niet als ’de zoon van’ reageren. Het siert hem dat hij dat desondanks toch soms deed. Maar daar had Pauw geen boodschap aan. Het was namelijk de praktijk die naar urine rook waar het in het programma vooral om te doen was. Want had het niet al in de krant gestaan? De moeder van de staatssecretaris bleek behalve dement ook incontinent! En de vader van de staatssecretaris zelf -de váder van!- had ’de noodklok’ geluid. Dus Pauw kon eigenlijk niet anders. Maar dat hij daarvan leek te genieten, en daarnaast een pijnlijk gênante desinteresse bleef uitstralen, dat zorgde ervoor dat hij, wat mij betreft, vooral bleef hangen in dezelfde pislucht die alle andere riooljournalistiek ook kenmerkt.

En ik? Ik keek er naar. Leefde mee met de man van 82, met die traan in zijn oog. Maar ook met die andere man, de zoon van die incontinente mevrouw Van Rijn. De zoon die tevergeefs een paar keer aan Pauw vroeg om de privacy van zijn ouders te respecteren. Tevergeefs, want het ging al lang niet meer om Van Rijn en zijn ouders. Het ging niet om die aimabele oude heer en zijn vrouw. Beide heren verschilden namelijk in essentie helemaal niet van mening. En als ik er nog eens heel goed over nadenk, het ging zelfs niet om Pauw, hoewel die veel pogingen deed om de polarisatie in stand te houden. Waar het vooral om draait is de misselijkmakende macht van de kijkcijfers.

En daarmee gaat het in feite dus over ons allemaal. Omdat wij kijken en vervolgens meteen in morele verontwaardiging wijzen naar degene die we schuldig vinden. Naar die anderen, die niets aan de urinelucht willen doen die we allemaal wel eens hebben geroken. Staatssecretaris Van Rijn geeft aan dat hij om die reden in de politiek is gegaan. Wat hebben wij gedaan toen we het roken? Wat doen we als we het ruiken? Hoeveel van ons blijven enkel in verontwaardiging wijzen naar de ander? Wordt dat ook bijgehouden in getallen? Zeik-cijfers? Misselijkmakend.

Oog in oog met mezelf

Een hele tijd lijkt het alweer geleden dat ik op mijn werk oog in oog stond met mezelf. Het overviel me op een maandagochtend. Ik heb er toen ook over geschreven. Gelukkig kon en mocht ik er mee aan de slag. Wat was er aan de hand? Had ik te lang gefunctioneerd op een manier die niet de mijne was? Was het de nadruk die binnen de organisatie voor mijn gevoel steeds meer was komen te liggen op structuren en systemen? Paste ’mijn manier’ van werken daar wel in? Een zoektocht volgde. En steeds meer raak ik er van overtuigd dat ’mijn manier’ wel degelijk past. Gelukkig.

vorm_inhoud-gebruik
Vorm, inhoud en gebruik in relatie tot elkaar

Wat ’mijn manier’ dan wel is? Als ik het zou moeten omschrijven, dan is dat het gemakkelijkst in steekwoorden. Dan denk ik (nog steeds) in termen van visualisatie en het samenspel tussen vorm, inhoud en gebruik.

Daarin past creativiteit en ’out of the box’, ja, misschien zelfs impulsiviteit en improvisatie. In die combinatie, daar ligt mijn kracht. Maar die laat zich niet zo makkelijk in structuren en systemen vangen. En waar die confrontatie nu ongeveer drie jaar geleden tot een soort van kleine crisis leidde, merk ik nu dat deze eigenschappen voor mij nog steeds essentieel zijn. Weliswaar staan structuren en systemen daar soms haaks op, maar niettemin plukt ook de organisatie er haar vruchten van, stel ik impulsief eigenwijs zo nu en dan vast. En dat voelt niet verkeerd.

Onlangs hebben we binnen het cluster communicatie met elkaar gesproken over een ontwikkelplan. Een team-ontwikkelplan, om precies te zijn, dat voor 2015 richting moet gaan geven aan onze manier van werken. Bovendien een logisch vervolg krijgt of misschien wel gevolg is van nog vast te stellen ’speerpunten’ voor ons team. Met alle andere teamontwikkelplannen binnen de hele organisatie moet een en ander gaan leiden tot een ’operationele agenda’. Ik vermoed dat die agenda, nu nog even op een ander niveau dan het mijne, hele zinnige informatie gaat opleveren. Voor het systeem of voor de organisatiestructuur, en dus voor ons. Denk ik.

Hoe dan ook, in voorbereiding daarop en met de besproken opdrachten in het achterhoofd hebben we ons communicatievak binnen de gemeentelijke organisatie eens goed tegen het licht gehouden. We hebben onze taken onder andere in verband gebracht met het recent vastgestelde collegeprogramma. Welke onderdelen daaruit raken onze afdeling communicatie? Begrippen als corporate communicatie, strategische communicatie en interne communicatie werden erbij gehaald om als mogelijke kapstokken te dienen voor onze rol, onze communicatieve taken en van daaruit uit te werken speerpunten.

De volgeschreven flip-over vellen en de onderlinge discussie hierover zetten me ter plekke aan het denken. In mijn hoofd probeerde ik het allemaal terug te brengen naar mijn denkkader van vorm, inhoud en gebruik. Ik heb die gedachten gedeeld met mijn collega’s en het was vooral de lichaamstaal die daar op volgde die me nu aanzet om mijn denkconcept nog eens toe te lichten. Vorm, inhoud en gebruik. Het zijn drie begrippen waarmee taalontwikkeling beschreven wordt. Maar die wat mij betreft van toepassing zijn op welke ontwikkeling dan ook.

De crux is om die drie begrippen in drie elkaar deels overlappende cirkels te zetten. In het snijvlak van die drie cirkels ligt het optimaal haalbare, de ultieme uitdaging: vorm, inhoud en gebruik zijn daar met elkaar in balans. Daarnaast zijn er ook drie snijvlakken van twee cirkels: vorm en inhoud, inhoud en gebruik, gebruik en vorm. En tenslotte heb je de losse elementen zelf, de vorm, de inhoud en het gebruik.

Ik gebruik toch even taalontwikkeling om mijn denkkader verder toe te lichten. Vorm zou je kunnen zien als de morfologie van taal. Letters, woorden, klanken. Inhoud kun je vertalen met syntaxis en semantiek; wat betekenen die letters, klanken en woorden als je ze in zinnen zet, en er zo betekenis aan geeft. Gebruik, tenslotte, gaat over de omgeving en situaties waar die vorm en inhoud gebruikt worden of nodig zijn.

Vorm, inhoud en gebruik. Laat ik dat nu ook eens toepassen op ons teamontwikkelplan. Of beter nog, op onze organisatie. Eerst moet ik dan nog een klein zijstapje maken naar belangrijke randvoorwaarden van taalontwikkeling. Kinderen leren taal (vorm, inhoud en gebruik) als ze zich veilig voelen, als er een omgeving is waarin ze samen spelend kunnen leren, dingen kunnen ervaren en ontdekken. Speelsheid en creativiteit spelen een belangrijke rol in die belevingswereld. Plezier en nieuwsgierigheid en daardoor steeds nieuwe dingen ontdekken ook. Dat doe je voor jezelf maar vooral met en voor elkaar. Gezamenlijke actie en gezamenlijke aandacht leggen de basis voor ontwikkeling (Joint attention, joint action; Jerome Bruner, 1990). Ook dat is van belang voor vorm, inhoud en gebruik.

Nu onze organisatie. En ons teamontwikkelplan. Het gesprek dat we daarover hebben gehad bevatte zowel vorm-, inhouds- als gebruikselementen. Waar je dan mijns inziens naar op zoek zou moeten, is de samensmelting, het ’ultieme doel’. Daar waar vorm, inhoud en gebruik bij elkaar komen. Mijn idee is dat we met ons team, als het over het ontwikkelplan gaat, nog op het snijvlak van vorm en inhoud zitten: het woord (vorm) is in dit geval ’teamontwikkelplan’ en de invulling daarvan (van de zin of betekenis oftewel inhoud) ligt nu bij ons team. Op organisatieniveau waarschijnlijk ook bij alle andere teams. Maar hoe zit het met ’gebruik’?

Dat maakt mij dan nieuwsgierig. En nieuwsgierigheid is geen verkeerde randvoorwaarde voor ontwikkeling, is mijn ervaring. Bij vorm en inhoud van het teamontwikkelplan heb ik min of meer een beeld, maar weet ik voldoende van het gebruik? Waarvoor is bijvoorbeeld die ’operationele agenda’ van onze organisatie, er van uitgaande dat die agenda het doel is om alle teams met een teamontwikkelplan aan de slag te laten gaan?

Ik realiseer me dat er nog heel veel andere zaken een rol spelen in onze organisatie. Digitalisering en deregulering, om er maar twee te noemen, en dienstverlening. Die laatste als belangrijke drijfveer van de twee eerstgenoemde. Alle drie overigens ook te bezien vanuit vorm-inhoud-gebruiks-perspectief, maar los daarvan: Hoe verhouden die ’drie D’s’ zich tot de ’operationele agenda’? Kortom, een complex samenspel van factoren.

Het meest interessante is, vind ik dan, als het om ontwikkeling gaat, je zowel aan een complexe organisatie kunt denken, alsook aan de complexiteit van iemands persoonlijke ontwikkeling. Het heeft mij namelijk erg geholpen om bij al die complexiteit de balans te vinden door ook hier de vorm-, inhoud- en gebruik-cirkels in te zetten. Een soort van terugbrengen naar de essentie.

Omdat elke cirkel wezenlijk is en alle drie even belangrijk, is het vooral de combinatie waar het om gaat. Enkel aandacht voor inhoud? Gaat niet werken. Teveel nadruk op de vorm? Heeft geen zin. Geen aandacht voor gebruik? Breekt je op. Beleid maken ’op inhoudsniveau’, of over de hoofden van ’gebruikers’ heen? Niet ideaal. Ontwikkelen van het team of de organisatie? Ga op zoek naar de overlap tussen vorm, inhoud en gebruik. Zoek de balans.

Die balans kwijt raken of tijdelijk uit het oog verliezen kan op alle momenten en op veel meer niveaus dan je in eerste instantie zou denken. En dan kan ’tijdelijk’ in sommige gevallen zelfs drie jaar duren. Korter kan ook. Of langer. Maar dat is eigenlijk alleen maar vorm, dus op zichzelfstaand moet je daar niet veel betekenis aan hechten. Verstand gebruiken dus, waarbij het niet zozeer het verstand, maar veel meer om het gebruik gaat. Plus de vorm. En de inhoud. Samen. In balans.

Witte wegwijspieten…

Zwarte zwijgpieten zullen dit jaar hun opwachting maken, naast witte wegwijspieten. Over beiden is veel te vertellen, maar de gevoeligheid van de materie noopt tot zorgvuldige formulering. Een misverstand is zo geboren. Te zwart-wit is al vaker oorzaak geweest van onbegrip en heftige discussie. Nuancering is bij dit heikele onderwerp dus op zijn plaats.

Een zwijgpiet heeft daarom slechts één opdracht. Hij moet zijn mond houden. Het is een opdracht die de zwijgpiet zichzelf heeft opgelegd. Hij moet niks. Hij wil het zelf. En zoals een pakjespiet verantwoordelijk is voor pakjes en alleen daarop kan worden aangesproken, zo is de zwijgpiet dit jaar verantwoordelijk voor de stilte. Daar kan hij ook op worden aangesproken, maar dat heeft normaalgesproken weinig zin, omdat een goede zwijgpiet niet zal ingaan op hetgeen hem wordt gevraagd of toegeroepen. Hij zwijgt. En hij is zwart.

Een wegwijspiet wijst de weg. Dat was vroeger al een taak van wegwijspieten, maar toen waren ze nog zwart. Nu niet meer. De zwarte hebben zonder enige terughoudendheid, rancune of twijfel de witte wegwijspieten ingewerkt. Ze zijn blij dat het wegwijzen voortaan wit kan gebeuren. De zwarte wegwijspieten zijn omgeschoold tot zwijgpieten. Daar zijn ze, na jarenlang zwart wegwijzen ook wel aan toe. Te lang al hebben ze tevergeefs uitgelegd waar men moest zijn. Niemand wil echter nog de weg weten, is hun ervaring. Pakjes, daar wil men wèl van weten, maar de weg, ho maar. Dat is vaak heel frusterend. Zelfs zo frusterend dat ze soms van bittere ellende gewoon hun mond houden. De stap naar zwijgpiet is dus slechts een hele kleine. En ze zijn toch al zwart. Dus dat komt goed uit.

Die nieuwe witte wegwijspieten, die zijn nog vers en fanatiek. Die gaan er nog voor. Ook zij zullen tevergeefs de weg wijzen, is de algemene opinie, maar soit. Dingen gaan zoals ze gaan. Er zijn gelukkig zoveel witte wegwijspieten gerecruteerd, dat het niet zoveel uitmaakt als de één perongeluk verkeerd de weg naar rechts wijst, omdat de andere dat waarschijnlijk ook perongeluk naar de weg links zal doen. Beide wegen worden dan door de pakjespieten bezocht, weliswaar op verkeerde gronden, maar net zo goed is daar dus geen probleem te verwachten. Drie keer links is ook rechts, is het credo dat de zwarte wegwijspieten, de witte op het hart hebben gedrukt. Die begrijpen dat nog niet helemaal, maar ze geloven de zwarte wel. Die kunnen het tenslotte weten.

Verder houden ze er hun mond over. Past ook bij hun nieuwe functie. Die van zwarte zwijgpiet. En ze zijn er bovendien op vooruit gegaan. Maar daar hoor je ze verder niet over. Want de illusie van de juiste weg hebben ze lang geleden al losgelaten. Eigenlijk tegelijk met het vertrek van Aart Staartjes, in 2001, toen die voor de laatste keer de echte Sinterklaas heeft binnengehaald. Vanaf dat moment zijn we met z’n allen een beetje de weg kwijtgeraakt. Die echte Sinterklaas, dat was Bram van der Vlugt, maar daar hoor je tegenwoordig niemand meer over. Bram was trouwens een oud klasgenoot van Aart, op de toneelschool, maar dat terzijde. Want voor je het weet zit je op een zijpad, raak je de weg kwijt en ben je verdwaald. En dan zal je net zien, dat het daar barst van de zwarte zwijgpieten, maar er niet één witte wegwijspiet te vinden is…of nog erger, juist heel veel. Dan kan je het helemaal schudden.

(heel vrij vertaald naar Wittgenstein: ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss mann schweigen’.)

Hardlopen in Venray

‘Complimenten voor de organisatie’, facebookte burgemeester Hans Gilissen enthousiast over de Singelloop, die voor het eerst in zijn gemeente werd gehouden. Dat enthousiasme moet alles te maken hebben gehad met het feit dat hij zelf niet mee heeft gelopen. Hij heeft niet in de kleinste ruimte van die gigantische schouwburg gestaan, waar de lopers hun startnummers konden afhalen. Ik was erbij, samen met velen, en stond in die compacte massa. En ik wil er eigenlijk helemaal niet zo’n punt van maken, maar nu moet ik het toch even kwijt.

Kun je een groep mensen die aan vier kanten ingesloten is door elkaar, een inschrijftafel en twee wanden van glas een rij noemen? Hooguit een hele dikke rij, maar hoe dan ook, daar stond ik tussen. Je zag de meisjes achter de tafel stevig hun best doen om de meute van startnummers te voorzien. Het was ook hun eerste keer, dus ik kon dat best gelaten aanschouwen en wachtte rustig mijn beurt af.

Toen ik bijna vooraan was, hoorde ik een collega-loper zijn naam zeggen tegen een van de meisjes. ‘Uw nummer?’, vroeg het meisje. Het was even stil. Je zag haar denken: ‘daar heb je er weer zo een’, maar ze bleef vriendelijk. Ze wees, over de meute heen, naar de andere kant van het vierkante hokje. ’Dáár hangen alle namen en dáár vind u uw nummer’. En meteen richtte ze haar aandacht op een ander, die wèl zijn nummer wist. Het was druk.

Ook ik heb me toen maar omgedraaid en ben, tussen alle lopers door, naar de andere kant van het hokje gelopen. Inderdaad, daar hingen de lijsten. Gelukkig had ik mijn leesbril bij me en vond ik mijn naam en mijn nummer: 610. Met die kennis 180 graden gedraaid en zonder één pas te verzetten stond ik weer in de meute die gezamenlijk op weg was naar de inschrijftafel. Aan de zijkant leek het echter wat minder druk, dus ik schuifelde langzaam die kant op.

Even later tikte er iemand op mijn schouder. ’Meneer, u kruipt zomaar voor’, was zijn verwijtende commentaar. Ik vertelde hem dat ik er al voor de tweede keer stond en dat ìk geen rij had ontdekt. Ik geloof dat ik hem ook nog gecomplimenteerd heb met zijn vermogen om dat systeem wèl te hebben doorgrond. Afijn, omdat er vlak voor me opnieuw iemand, die alleen zijn naam wist, werd teruggestuurd, kon ik mijn nummer doorgeven.

Met nummer 610, een badstof polsbandje en vier veiligheidsspeldjes ben ik toen de grote zaal van de schouwburg ingelopen. Alle plek van de Venrayse wereld om mijn nummer op te spelden. Hier en daar hoorde ik medelopers vertellen over hetzelfde als wat ik had meegemaakt. ’Ach’, dacht ik, ’het is voor de organisatie de eerste keer. Ze zullen hier ongetwijfeld veel van leren’.

Buiten hoorde ik dat de prijzen werden uitgereikt aan de jeugdlopertjes. Ik besloot mee te gaan applaudisseren. Ook voor hun was het tenslotte de eerste keer. Een spontane presentator riep de winnaars van de meisjescategorie, ik geloof de 7/8-jarigen, naar voren. ’Tijn’, werd ook geroepen en dat bleek een jongetje. De presentator probeerde dat nonchalant op te lossen, maar de verbouwereerde blik van het ventje veranderde er niet door. Jolig werd er nog een extra applaus gevraagd voor de winnaars van de ’meisjes 7/8’!

Even later constateerde de presentator bij de drie winnaars van een jongens-categorie dat één van hen een meisje was. ’Goh, dan staan we nu weer quitte’, was de enthousiaste oplossing. Volgens mij voelde hij er zich ook ongemakkelijk bij, maar maakte hij er het beste van. De blik van het meisje heb ik niet gezien. Ook een leermomentje, dacht ik, en klapte driftig het foutje weg, de blikken van sommige vaders en moeders bewust vermijdend.

De start van de 5 en de 10 km werd een kwartier uitgesteld. Ik kon me daar wel iets bij voorstellen. Ik hoorde dat er ook nog startnummers moesten worden bijgemaakt, maar dat kan een gerucht zijn geweest. Uiteindelijk stonden we in het startvak. Minstens 650 lopers is een bewonderingswaardig aantal voor een eerste keer. Iets van dien aard zei de presentator, die alle lopers vlak voor de start nog toesprak. Met vlagen bereikte zijn stemgeluid de plaats waar ik stond. De honderden lopers achter me praatten nietsvermoedend -want niks horend- gewoon door. De stemming was oké.

Het startsein werd gegeven door burgemeester Gilissen. Ik meende al dat ik de presentator die naam had horen zeggen in een gunstige windvlaag. Toen ik iemand ietwat onbeholpen de steiger op zag klimmen, werd mijn vermoeden bevestigd. Ik herkende de burgemeester. Hij heeft ook nog vanalles verteld, maar daar heb ik helaas niks van kunnen verstaan. Heel verstandig dat hij ineens zijn hand opstak, met vijf vingers omhoog en daar heel ritmisch steeds één vinger van naar onder deed. Met zijn vuist in de lucht bleek inderdaad het startsein te zijn gegeven.

Ik heb lekker gelopen. De route was goed verzorgd. Om de kilometer stond duidelijk aangegeven hoe ver nog. Bij het vijf-kilometerpunt werd onmiskenbaar aangeduid dat de 10-kilometer-lopers nog verder moesten. De verkeersregelaars deden hun werk prima. Na 7 kilometer merkte ik dat mijn looptempo wat inzakte, maar achter wat collega-lopers aan, die nèt wat sneller liepen, kwam ik de dip te boven. Heerlijk gelopen en het einde kwam langzaam dichterbij. De joekskapel tussen de achtste en negende kilometer gaf muzikale kracht. Bijna binnen…

De laatste kilometer gelopen op het applaus van het rijendikke publiek in de winkelstraat. Het laatste bochtje. Het schouwburgplein op. Met de laatste energie en zelfs een kleine versnelling de finishplaten gepasseerd. Heerlijk. De medaille, het flesje isotone dorstlesser, ze vormden de kersen op de taart. De eerste Singelloop zat er voor mij op. Alle aanloopprobleempjes van het begin helemaal vergeten. Lekker gelopen en nu eigenlijk alleen nog maar benieuwd naar mijn tijd.

Een paar uur later thuis, na een heerlijk warm bad, zag ik de eerste facebookberichten over de resultaten van collega-lopers. Nieuwsgierig heb ik de mooie website van de Venrayse Singelloop opgezocht, die -dat even tussendoor- gemaakt is door de winnaar van de vijf kilometer, Sjors Thielen. Complimenten daarvoor. Onder ’deelnemers vond ik de categorie ’uitslagen’. Ik heb ze allemaal nagekeken. Zelfs bij de meisjes in de categorie 6 en 7 jaar. Maar ik sta er niet tussen…

Ineens moet ik weer denken aan dat tikje op mijn rug, in de drukte van dat halletje. Het zal toch niet…? Nee, dat kan niet. Op de site vond ik een contact-optie. Ik heb via de mail uitgelegd dat ik mezelf niet terugvond in de uitslagen. Dat ik nummer 610 had en dat ik benieuwd was naar mijn tijd. Ik heb nog geen reactie terug gehad. Het facebookbericht van burgemeester Gilissen stemt me niettemin hoopvol. ’Complimenten voor de organisatie’. In een reactie op een reactie geeft hij zelfs aan volgende keer zelf mee te lopen. Ik twijfel nog een beetje, maar dat kan tegen die tijd best anders zijn… Zei ik ’tijd’? Hmm…

Te

Te veel.
Te vaak.
Beelden,
woorden,
op televisie.
telefoon, tablet,
buiten proportie,
belicht
en beticht.
Telkens weer.

Terechte angst
of onterecht?
Iedereen duidt,
neemt stelling.
Teveel meningen,
tegelijk.
Buitelend over elkaar.
Keer op keer.
Facebook, Twitter,
steeds maar weer.

Doden delen,
lijken liken.
Hoe meer
doden,
hoe meer
kijkers.
Lijkcijfers.
Beeldbepalend.

Deskundigen weten
dat het anders moet,
spreken elkaar tegen.
Onwetenden
wetenschap in pacht,
verkondigen
steeds hetzelfde.
Telkens weer.
Delen we
en liken.

Het aantal hits
bepaalt de waarheid,
niet de argumenten.
Kwantiteit
voor kwaliteit.
De buik
spreekt,
als het hoofd
liefst
even zwijgt.

Emotie,
vroeger weldoordacht,
uit de tenen,
spat nu
veel en vaak
en ongenuanceerd
uit de vingertoppen.
Te veel.
Te vaak.
Tè…

Play…

Gisteren, precies drieëntwintig jaar geleden zijn Thea en ik getrouwd. Heel vroeg in de ochtend van 20 september -het was 02.00 uur- realiseerde ik me dat. Net daarvoor bij Cambrinus interessante gesprekken gehad over het schrijven van verhalen, over geloof, de bijbel, boeken in het algemeen en de verbranding daarvan. ’Lyromanen’ was het woord dat me te binnen schoot.

Twintig september. Fietsend naar huis kroop ongemerkt die datum mijn hoofd in. Dat gebeurt me wel vaker als ik de overgang van de ene dag in de andere bewust meemaak. Twintig september, dacht ik. Een wolk schoof voor de maan weg. Een paar uur terug was het dus negentien septe…. Ik hield mijn voeten even stil op de trappers. Heel even. Want negentien september is speciaal, maar ook weer niet zó speciaal, dat ik er op de dag zelf aan had gedacht. Thea ook niet.

In onze ringen staat 1991991 gegraveerd. Dat vonden we toen een leuke datum. Een palindroom, maar dan met getallen. Die ringen schoven we een dag later aan elkaars vingers, toen we onze wettelijke trouwbelofte nog eens kerkelijk onderstreepten. Van beide gebeurtenissen zijn filmbeelden bewaard. Onlangs hebben we die laten digitaliseren. Niet alleen van het trouwen, alle video-8 en vhs-banden die we hadden, hebben we nu op een schijf van 300 gigabyte staan. Gigantisch.

Die harde schijf met onze geschiedenis hangt onopvallend met een USB-kabeltje aan de televisie. Een klein zwart kastje dat we op elk moment via de afstandsbediening kunnen aanspreken, om terug te gaan in drieëntwintig jaar historie. Ik heb die nacht ons kerkelijk huwelijk nog een keer bekeken. Prachtige beelden gezien van mensen in de kerk. Mensen die ik al jaren niet had gezien en ook nooit meer in levende lijve zal zien.

Markante mensen, mooie momenten, nu allemaal gevangen in nullen en enen. En nog gigabytes te gaan. Van de driehonderd gieg is nog geen 80 gieg gebruikt. Ik fantaseer -eenvoudig rekenend- dat ik waarschijnlijk nooit genoeg toekomst meer heb om het schijfje vol te krijgen. Een interessante gedachte in dit digitale tijdperk. Meer geheugenruimte hebben dan toekomst. Confronterend. Of zegt dat meer over wat we ons nog herinneren uit het verleden?

Hoe dan ook. De beelden van toen ontroerden en lieten me glimlachen tegelijk. Herkenning door de jaren heen, afgewisseld met een gevoel van melancholie. Wie waren die mensen, die elkaar toen het ja-woord gaven? Die elkaar trouw beloofden tot in de eeuwigheid, ten overstaan van velen die er nu niet meer zijn? En wie zijn zij nu, die er toen als peuters en kleuters bij waren? Eén van hen stond een week geleden voor het altaar…

De geschiedenis herhaalt zich. Letterlijk nu. Zo vaak als ik wil en gigabytes lang. Net als de toekomst. Ruimte in overvloed om veel te onthouden. Tijd lijkt geen rol te spelen. We spelen ermee. Onze smart-tv kan zelfs de tijd stilzetten. Ook de tijd uit het verleden als ik op de pauzeknop druk. Ik zie mijn vader stilstaan terwijl hij op weg was naar de communie. In gedachten loop ik nog een keer met hem mee. Niet echt. Net echt. Play…

Note to self: neem de tijd voor de toekomst…