De invloed van Arjen Lubach

Principes of mensen. Die gedachte ging door mijn hoofd. ’Stof tot nadenken’, zei ik, terwijl ik mijn jas aantrok. Voordat ik van mijn stamcafé naar huis vertrok, zei Egbert nog: ’Ik heb drie woorden voor je: Leve de koning!’. ’Van mij mag ie’, was mijn spontane antwoord. ’Schrijf er maar een column over’, zei Jan, ‘dan zal ik die wel liken op Facebook’. Nou, we zullen zien. Onderweg naar huis bedacht ik de insteek: principes of mensen. Komt ie.

 ’Vind ik leuk’. Het was opnieuw van toepassing op ons samenzijn. En weer waren we het niet helemaal eens geworden. Net als bij onze ontmoeting van afgelopen donderdag. Eén van de gespreksonderwerpen was het koningshuis, en met name Arjen Lubach z’n visie daarop. Hij had daar in zijn programma ’Lubach op zondag’ een item aan gewijd. Jan had de uitzending niet gezien maar was via Facebook geattendeerd op Lubach’s visie op het koningshuis. Jan had die zonder terughoudendheid ’geliked’ en gedeeld.

Ik had het filmpje van Arjen Lubach toen niet gezien. Wel Jan’s gedrevenheid om dat filmpje onder de aandacht te brengen en het te delen onder zijn Facebook-vrienden. Ik hoorde donderdag Egberts instemming over de teneur van Lubach’s verhaal. Hij en Jan waren het eens over de ’genialiteit’ waarmee het onderwerp ‘koningshuis’ door Lubach ter discussie was gesteld. Het maakte me nieuwsgierig.

De genialiteit zat, zoals ik het donderdag begreep, zowel in de inhoudelijke monoloog als in de afsluitende satirische conclusie en het besluit om zichzelf tot Farao der Nederlanden uit te roepen. Lubach koppelde vervolgens de geschiedenis aan het heden en de toekomst, door de kijkers op te roepen hem te steunen. Met 40.000 handtekeningen zou hij zijn Farao-schap in de tweede kamer op de agenda krijgen. Om daarmee in feite ook het koningshuis in diezelfde kamer ter discussie te stellen.

Vanavond hebben we het er weer over gehad. Volgens Egbert waren er al 50.000 handtekeningen binnen. Jan vroeg me of ik het filmpje had gezien, en dat was inderdaad het geval. Alleen kon ik Jan’s principiële instemming niet delen. Waar Jan vooral de inhoudelijke boodschap waardeerde (‘hoe bizar is het dat wij ’n zichzelf ingesteld instituut klakkeloos in stand houden’) werd ik vooral afgeleid door de manier waarop die boodschap door Lubach werd gebracht.

Was het de opmerking over Emma 17 waar hij wel/geen grap over maakte of lag het aan het uit de context gehaalde citaat over de schoolkeuze van Amalia? Waarschijnlijk. Onder andere. Maar ook aan het publiek dat op het einde Lubach slaafs en massaal leek te volgen, toen hij als farao verkleed zijn volk ’mende’. ’Ik zeg Fara, u zegt o’… En jawel hoor.  Met z’n allen. Effectbejag. Zo kwam het bij me over. Ook dat stond me tegen. 

Satire. Met een serieuze ondertoon die, als ik Jan en Egbert mag geloven, door het principiële karakter ervan, van hoog niveau was. Daar ligt waarschijnlijk dan mijn bedenking. Of mijn beperking, zo je wil. Ik kan die principes namelijk niet zo gemakkelijk los zien van de mensen die het betreft. Want als het over principes gaat lijken de mensen er niet meer toe te doen. 

Ik heb geen band met het koningshuis. Ik ben op Facebook bijvoorbeeld geen vriend van Maxima. En Willem en z’n dochters ken ik alleen maar van tv en uit de krant. Maar bovenal, over het huis waar ze wonen -laten we het voor het gemak even het koningshuis noemen- hanteer ik geen principes. Willem Alexander, Maxima, Amalia. Het zijn voor mij mensen. Geen argumenten om principes te duiden. Is dat gevoel versus verstand?

Ze mogen er van mij zijn. En ja, ze kosten een paar centen, maar dan heb je ook wat. Of niks. Wat je wil. Maar principieel tegen? Nee. Mochten ze er ooit niet meer zijn, heb ik daar ook geen problemen mee. Maar een farao om het koningshuis op een ludieke manier ter discussie te stellen? Mwah. Ik kan me voorstellen dat ze in de tweede kamer belangrijkere zaken te bespreken hebben. Hoewel ik over dat belang ook niet heel erg principieel ben. Dus laat het eigenlijk ook maar gewoon gebeuren. Arjen, succes. Ik hoop wel dat de kamerleden niet allemáál enthousiast ’o’ zullen schreeuwen, als jij ’fara’ roept…


Gesprekken met inhoud

Argumenten uitwisselen met de intentie om de ander te overtuigen van je gelijk. En daarmee tegelijk van zijn of haar ongelijk. En dat visa versa. Boeiend. Zeker als het onderwerp tegengestelde meningen kent, dan levert dat mooie en leerzame momenten op. ’Agree to disagree’ kan na een enerverend gesprek een mooie conclusie zijn. Zo ook gisteravond.

Ik weet nog dat ik me op enig moment mengde in de discussie. De vragen van een van de gesprekspartners waren terecht. Helder, via een goed onderbouwde inleiding, nieuwsgierig dwingend gesteld. Ik had er geen antwoord op. Wel een mening, die zich al even in mijn hoofd aan het vormen was: ’Niet over antwoorden discussiëren op vragen die niet de mijne zijn’. 

Maar wat in je hoofd als zo’n elementaire waarheid voelt, komt dan ongeveer als volgt naar buiten: ’Je vraagt me dit maar ik wil en kan niet over het antwoord discussiëren, als het over een onderwerp gaat waarover ik mezelf geen vragen wil of kan stellen’. Het klonk ineens veel minder stellig dan het een moment eerder in mijn hoofd had geklonken. Maar het was gezegd. Ik had mijn punt gemaakt. Vond ik.

Het werd even stil. En het zijn altijd die stilte-momenten dat ik me in een split-second afvraag of ik misschien zojuist iets heel vreemds heb gezegd. Een dooddoener heb gebruikt misschien, waarvan alleen ik me op dat moment niet bewust ben. Van de andere kant voelde mijn argument toch heel reëel. Een interessant contrast, zeker een dag later als ik er weer aan terugdenk.

Hoe dan ook. Het mooie van zo’n discussie is, dat je er door aan het denken wordt gezet. Ook een dag later nog. Ik hoefde slechts zijn argumenten te beamen. Maar ik kon het niet. Omdat ik het niet wist. Het was kennis, die niet de mijne was. Of de mijne werd. En bovendien had ik zojuist verkondigd dat het om antwoorden ging op vragen die ik mezelf niet stelde. 

Of zoiets. 

Volgende keer weer eens een boompje over opzetten. Over het gelijk van het ongelijk. Over de waarde van waarheid of de levenskracht van een dooddoener. Over inhoud en wat dáár nog onder ligt. Als dat laatste de vraag is, dan is ’een lekker biertje en een viltje’ één goed antwoord…

Ik vind het leuk.


Even snel…

 

 Al een paar dagen staat deze boom heel overtuigend de lente aan te kondigen. Vorige week schuchter begonnen door elk bloesemblaadje voorzichtig uit de knop te duwen. Nu… één witte wolk van ‘wèg die winter’!  Warm, wollig welbevinden. Witte bloesemblaadjes. Zometeen nog één keer sneeuwen.  Om lentezacht de winter weg te geeuwen. 

Ik wil niks zeggen, maar…

Met deze vijf woorden wordt heel veel ellende over de wereld uitgestort. Ik heb er lang over nagedacht, maar daar komt het op neer. Dat verklaart waarom mijn verhaal geen logisch vervolg geworden is op de zinsnede ‘ik wil niks zeggen, maar..’. Hoewel. Niet logisch, dat is eigenlijk nog maar de vraag. Misschien is dit juist wel de énige logische aanpak van deze Kwartaalcafé-opdracht. Maar daar laat ik u graag zometeen zelf over oordelen.

Natuurlijk, ik had best een verhaal kunnen schrijven. Gewoon door achter het woordje ‘maar’  te vervolgen met het  eerste het beste wat in me op komt:

Ik wil niks zeggen, maar… die ‘Reken af!’-slogan kan de SP toch niet echt menen?

Ik wil niks zeggen, maar… ik weet zeker dat we uw goede been hebben geamputeerd.

ik wil niks zeggen, maar… steek jij je nek nu niet wat ver uit?

Elke toevoeging, na ‘maar’, had zonder twijfel tot een heel eigen verhaal geleid. En toch lukte het niet. Wekenlang gepiekerd, maanden, voordat ik er achter was, waarom ik het niet voor elkaar kreeg. Maandagavond wist ik het ineens. ‘De ellende van de wereld zit  in deze vijf woorden verpakt’, schoot het door mijn hoofd. Dáár lag het aan. Aan de woorden, een voor een, en in de combinatie ervan. Al meteen beginnend bij  ‘ik’, voegt daarna elk woord een extra negatieve dimensie toe aan het geheel. Hoe dat zit?

Laat ik de drie creatieve uitspattingen van zojuist maar gewoon gebruiken voor mijn uitleg. ‘Reken af’ draagt de SP ons op vanaf rood-witte sandwichborden rond lantaarnpalen en posters op billboards. Ik, nietsvermoedend lezer, wordt opgeroepen om ergens ‘mee af te rekenen’. Het uitroepteken laat er geen twijfel over bestaan. ‘Reken af!’  Een commando eigenlijk, dat geen ruimte laat voor een andere mening. Maar ik wil helemaal niet afrekenen! En ik krijg daar hele enge associaties bij. Want wie wil dat nou wél? Afrekenen. Ja,  IS-extremisten. Die willen afrekenen. En niet te zuinig.

Die associatie brengt me bij het woordje ‘wil’, het tweede woord van de zinssnede ‘Ik wil niks zeggen, maar…’. Het ligt ongetwijfeld aan mij, maar elke keer als ik aan zo’n ‘Reken af’-bord voorbij kom moet ik denken aan de zieke afrekencultuur van halsafsnijdende godsdienstfanatici.  Ik wil dat niet, en ik denk dat de SP het zo ook zeker niet bedoeld heeft, maar die gedachte komt wel  in mij op.

Ik heb zo’n IS-propaganda-filmpje nog nooit bekeken. Ook dát wil ik niet. Het liefst zou ik er helemaal niets van willen weten,  maar helaas, dat kan niet. Je hebt in deze niks te willen. ‘Ik wil niks’ kan namelijk niet meer in deze moderne tijd. Want er is altijd wel wat. In de combi ‘ik wil niks’  schuilt al een gespannen tegenstelling. Niet alleen niet-constructief maar zelfs dèstructief.

Waar ik naar toe wil, gaat namelijk nog verder:  Door alleen op ‘mezelf’ en op wat ik wil, gefocust te zijn, is er geen plaats voor de ander. Die andere persoon wil je dan niet zien, figuurlijk gesproken. Dat wil je niet. Ik –egocentrisch en enkel op mezelf gefocust- wil namelijk helemaal niks!  Dus zéker niet die ander! Bij IS-extremisten vertaalt zich dat zelfs  letterlijk. Vooropgesteld dat die onthoofdings-filmpjes echt zijn. Dan kan, volgens mij, iemand alleen maar tot dat halsafsnijden in staat zijn, als die persoon zichzelf -zijn eigen ik- volslagen los ziet van de ander. Afijn, genoeg hierover

‘Zeggen’ dan, het vierde woord. Hoe draagt dat in deze constructie bij aan negativiteit? Laat ik daar het tweede voorbeeld voor nemen. Het afgezette been. René Gude is dan mijn spontane associatie. Onze ‘denker des vaderlands’ is onlangs helaas veel te vroeg overleden aan kanker. Eerder zorgde zijn ziekte ervoor dat zijn been moest worden afgezet. Met veel humor zei hij daar zelf over dat dat wel ironisch was voor een  stand-up filosoof. René Gude was het tegenovergestelde van ‘ik wil niks zeggen’. Hij wilde niet alleen juist véél zeggen, hij hád ook heel veel en hele zinnige dingen te zeggen. Hoe vreselijk zou het zijn geweest als René Gude de stelregel ‘ik wil niks zeggen’ had aangehangen…

Gelukkig was dat niet zo. Nog in de laatste maanden van zijn leven heb ik zoveel mooie dingen van hem gehoord. Onder andere over emoties. ‘Angst en boosheid’,  zei Rene in een documentaire van de EO, ‘zijn niet de goeie emoties, als je een doodstijding wil verwerken. Angst maakt dat je wil vluchten en boosheid zorgt dat je wil vechten. Dat levert voor jezelf en voor anderen niks op. Verdriet, daarentegen, is een mooie emotie, want daar kun je bij verwijlen. Alleen, maar juist ook met familie of vrienden. Want het leven gaat dóór. Niet mijn leven. Hét leven. Dat geeft troost en is verdrietig tegelijk.’ Een prachtige scene uit de documentaire ‘De Kist’. Een scene, die zowel René, alsook de interviewer tot tranen toe beroerde. Zoveel echtheid. Niet omdat zij niets wilden zeggen. Integendeel. Zo puur omdat  zij samen ‘verwijlden in verdriet’.

‘Ik wil niks zeggen, maar’  zou in die sfeer van verwijlen totaal misplaatst zijn geweest. Ook dat is voor mij een toegevoegd bewijs dat de zinssnede eigenlijk in geen enkele situatie hout snijdt. Ik denk dus dat dat komt omdat het slechte van de wereld er in verstopt zit. ‘Ik wil niks zeggen’ –zonder ‘maar’-  is al problematisch, maar het is de combi met ‘maar’ die er ogenblikkelijk een tegenstrijdige uitspraak van maakt. Een leugen zelfs. Want als je écht niks wil zeggen, dan is het gebruik van het woordje ‘maar’ meteen al  het bewijs dat je liegt. Wat je daarna ook vertelt. Gelogen. Want je wilde niks zeggen en je deed het toch.

Je staat er niet bij stil. Maar ook hier is het gebruik van ‘Ik wil niks zeggen, maar’  een totale miskenning van degene waarmee je op dat moment in gesprek bent. De luisteraar wordt erdoor  gediskwalificeerd en doet er verder niet meer toe. Hij of zij staat daarmee gelijk aan niks. En zo ontstaat er een analogie met de situatie dat iemand,  -een ziekelijk egocentrische ‘ik’- een ander de mond snoert. In de meest extreme vorm door meteen maar het hele hoofd af te snijden.

Mijn derde voorbeeld:  ‘Ik wil niks zeggen, maar ik vind wel dat je je nek uitsteekt’ krijgt in dat licht bezien wel een hele wrange bijklank. Zie je nu dat in die vijf woorden het slechte van de wereld besloten ligt? Is er iemand die daar nu nog aan twijfelt? Iemand die het wel wat overdreven vindt? Ik wil niks zeggen, maar dat kan ik me heel goed voorstellen.

Ik ben heel benieuwd hoe jullie verhalen rondom het thema ‘Ik wil niks zeggen, maar…’ gestalte hebben gekregen. Tien tegen één dat de verhaalkarakters, die in deze verhalen de gewraakte zinsnede gebruiken, niet helemaal zuiver op de graat zijn. Het zit opgesloten in het gebruik er van. Ik wil niks zeggen, maar zo is het wel. Dáár zou ik mee willen afrekenen.

Bette Midler

Volgens YouTube was het in 1977. Ik weet nog dat ik voor onze tv zat en gepakt werd door het moment. Ik stond op het punt om te gaan stappen, maar raakte zo gefascineerd door een onderdeel van de show van Bette Midler, dat ik gebiologeerd bleef luisteren. Het was haar inleiding op een lied dat toen zo’n indruk maakte. ‘Hello in there’ heette het en het is later heel bekend geworden. Maar die inleiding, die is me altijd bijgebleven. En opnieuw, als ik er naar kijk, overvalt me een droefheid en een herkenning die ik daarna zelden meer heb gevoeld. Ja, nog één keer. In 2002. Toen ik in Venray op de laatste dag de kunstmanifestatie ‘De Waan’ bezocht.

Bette Midler leidt het lied in met iets dat ze heeft meegemaakt. In het echt of misschien wel verzonnen, maar dan toch zó gebracht dat het bij mij destijds enorm geloofwaardig binnenkwam. Toen. En nu, als ik er opnieuw naar kijk, zie ik mezelf weer zitten als zeventienjarige. Tot in het diepst van mijn wezen geraakt door wat ze verteld. En door de herkennning die ze bij me teweeg brengt. Ze vertelt over een stevige vrouw op ’42-street’, die haar tegemoet komt. Op het eerste gezicht niks vreemds aan, maar naarmate ze dichterbij komt, ziet ze dat deze vrouw een gebakken ei op haar voorhoofd heeft. En dat is raar. Het publiek lacht.

Wat haar inleiding voor mij toen zo indrukwekkend maakte, was dat haar sketch niet doorging op het lachwekkende van de situatie, maar dat ze serieus en geëmotioneerd inging op haar diepe angst, om -god beware-  óók ooit wakker te worden met een gebakken ei op het voorhoofd. En mocht het dan ooit tóch gebeuren, zo vervolgt ze, mocht het tóch gebeuren, laat het de mensen dan niet opvallen. En als het onverhoopt toch opvalt en de mensen er dan over zouden praten, dan smeekt ze god opnieuw om haar die gesprekken alsjeblieft niet te laten horen. Want iedereen, besluit ze uiteindelijk, iedereen heeft wel zo’n gebakken ei. Sommige dragen het aan de buitenkant. Sommigen dragen het aan de binnenkant. Ik wist precies wat ze bedoelde.

Mijn moeder droeg haar ‘gebakken ei’ in die tijd zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant. Ze was opnieuw opgenomen in St. Anna om een psychose de baas te worden. In die tijd bezocht ik haar daar vaker en de emoties die daarmee gepaard gingen, heb ik in andere verhalen al vaker beschreven. Wat Bette Midler op dat moment met mij deed, was verwoorden wat ik toen niet kon zeggen. Mijn schaamte, mijn angst, mijn schuchtere wandelingen van school naar St. Anna. Bette gaf daar gevoel en woorden aan. Ze wees me op mijn ‘gebakken ei’ aan de binnenkant. Iets dat ik toen pas herkende. En dat gaf me zo’n gevoel van enorme opluchting, dat het me tot tranen toe beroerde. Ik voel het nog, als ik naar haar kijk en luister.

Nog regelmatig denk ik er aan terug. Zo nu en dan zie ik gebakken eieren bij anderen. En ben ik me bewust van dat broze evenwicht tussen het gebakken ei aan de binnen- en aan de buitenkant. Sommige mensen zijn zich er zelf ook bewust van. Anderen houden het angstvallig geheim of hebben gewoonweg niet in de gaten dat het te zien is. Voor sommigen is dat misschien ook wel het beste. Maar de meesten gun ik dat ze begrijpen waar het in de kern om gaat. Niet om het voor de hand liggende, o zo gemakkelijke, komische effect. Nee. Integendeel. Om met Bette te spreken: ‘You can call it a fried egg… you can call it anything you like… but we all got one…’. In dat licht bezien krijgt ook ‘Hello in there’ voor mij een extra diepgang. Daarom, ter afsluiting, Bette nogmaals. Omdat het zo mooi is.

In het kader van out of the box…

golden-circle-sinekWaarom. Hoe. En wat. Simon Sinek noemt het de ‘gouden cirkel’ voor succes van organisaties. Het ‘waarom’ beschrijft je doel, je drive. Met ‘hoe’ wordt het proces bepaald, terwijl het ‘wat’ gaat over het resultaat dat je bereikt en de middelen die je daarvoor inzet. Sinek’s theorie is dat je altijd begint met je af te vragen ‘waarom’ je iets wil doen. Daarna bepaal je ‘hoe’ je dat gaat doen en van daaruit bedenk je met ‘wat’ je je doel wil gaan bereiken. Waarom, hoe en wat. In die volgorde dus. De laatste tijd ben ik die gouden cirkel herhaaldelijk tegen gekomen. In verschillende overlegsituaties En steeds werd deze volgorde als een onweerlegbare bewijslast ingezet.

Gisteren kwam het opnieuw ter sprake en ik betrapte mezelf erop dat ik wat moeite had met de niet tegen te spreken waarheid van die theorie. Was die volgorde wel zo logisch, vroeg ik me een beetje eigenwijs af. Zou je ook vanuit intuïtie kunnen beginnen met het hele concrete ‘wat’. Vanuit je gevoel en diepe besef dat het middel dat je zou willen inzetten, voldoet aan het (nog) onuitgesproken ‘waarom’. Met andere woorden. Zou het middel niet de toegang kunnen opleveren naar een proces, van waaruit het ‘waarom’ als vanzelfsprekend naar voren komt? Daar wil ik toch eens wat dieper op ingaan. Even buiten de lijntjes kleuren…

Waarom? Omdat ik, als beelddenker, merk dat ik bij de ‘waarom’-vraag vaak meteen beelden krijg. En dat is niet altijd handig. Het ‘waarom’ wordt namelijk nog vooral bepaald door woorden. We horen het eerst over de visie en de missie te hebben. Die moet beschreven worden. Verstandelijk beredeneerd. Het is een fase waarin het ‘not done’ is om al aan het ‘wat’ (lees ‘middelen’) te denken. Sterker nog. Dat kan sowieso toch pas ná het proces, na het ‘hoe’? Dat is namelijk de fase waarin je de strategie laat bepalen ‘wat’ het plan wordt. Jammer genoeg is die ‘hoe’- fase er ook een waarin de balans vaak doorslaat naar talige beschrijvingen. Intuïtie of buikgevoel passen daar niet in. Het ‘wat’ -de visualisatie die je glashelder voor je ziet- kan echt pas op het laatst…

En daar sta je dan. Voor de zoveelste keer met meteen een beeld in je hoofd. Met een gevoel dat zich concreet wenst te vertalen in een beeld. Niet om meteen met een oplossing te komen, maar omdat de visualisatie de toegang is naar een verder uit te werken aanpak. Het is het tastbare bewijs van een intuïtieve strategie. Een boodschapper van een visie die je al eerder of zelfs bijna tegelijkertijd tot in het diepst van je vezels hebt gevoeld. Zo nu en dan ook wel hebt uitgesproken. Alleen bleek dat meestal niet op het juiste moment. Of vond men de volgorde verkeerd. Waarom wist ik dan vaak (nog) niet te verwoorden. Hoe kon ik ook niet meteen uitleggen. Maar ik wist wel wat! En dat voelde vaak goed.

Als je goed luistert, dan hoor je het ook. Dan valt je op dat het woord ‘visie’ al in ‘visualisatie’ zit. Intuïtie, buikgevoel, verrassing, nieuwsgierigheid. In the box toch buiten de kaders denken. Wat, hoe en waarom. Gewoon even in die volgorde. Misschien dat Simon Sinek er van gruwelt. Maar ik heb er vandaag Ricardo Semler bij VPRO-Tegenlicht hele interessante dingen over horen zeggen. Heel beeldend. Nieuwsgierig? Klik hier

Ontmoeting en afscheid

Vier jaar geleden geschreven, in een rubriek die ‘de draai van Geert’ heette. Een verhaal om even bij stil te staan. De titel is nieuw. De rest van alle tijden…

Ze zaten naast elkaar, op barkrukken aan een tafeltje. Een mooi stel om te zien. Eigenwijs kleurige kleding. Veel rood. Druk in gesprek verwikkeld en af en toe nippend van een lekker glas bier. Een tafereel met een warme uitstraling. Het was op een donderdagavond. Het kleine cafeetje in het centrum van Horst was gezellig vol. Een grote groep volleybalrecreanten had deze avond uitgekozen voor hun nieuwjaarsborrel. Ik was er daar één van. Meteen bij binnenkomst zag ik ze. Niet voor het eerst trouwens. Ik kende hen en hun vaak wat frivole, uitbundige uitstraling was me al vaker opgevallen. Alleen vanavond was daar iets vreemds mee aan de hand. Twee dagen eerder was zijn oudste broer voor de trein gesprongen.

Ik ben bijna meteen naar hen toegelopen en heb ze gecondoleerd. Als je het over ‘een draai geven aan’ hebt, dan was dit zo’n situatie. Want ik heb even getwijfeld of ik hen moest ‘storen’ met mijn medeleven. Even schoot het door me heen dat zij misschien juist samen de situatie in gepaste eigenheid wilden beleven. Het contrast gaf echter de doorslag. Zij met z’n tweeën en wij met de groep. Op nog geen twee meter van elkaar. De onwerkelijkheid stond als het ware zo dicht bij de realiteit van alledag dat ik eigenlijk niet anders kon of anders wilde.

Hij gaf een stevige hand. Ook warm. Heel veel woorden hebben we niet gewisseld. Dat was ook niet nodig. Heel kort raakte het nieuwe jaar de afgelopen twee dagen. En dat was goed. Die avond hebben zij aan dat tafeltje nog een tijd met elkaar gesproken en hebben wij onze nieuwjaarsborrel verder afgenoten. Met een paar keer een schaal bittergarnituur die van hand tot hand ging. Gebroken fricandellen en ringen calamaris. Een vreemde combinatie, maar de kroegbaas was eigenlijk vergeten dat wij kwamen. Ook hij had er dus een draai aan moeten geven. Wonderwel gelukt overigens. Een stukje fricandel blijkt precies in het oog van een calamaris-ring te passen en dan kun je het ineens op heel veel manieren eten. Het toeval leidt soms tot aparte ervaringen.

Ik heb hen die avond niet zien vertrekken maar twee dagen later zag ik ze weer. Bij de begrafenismis. Hij vertelde over zijn broer. Het rode jasje kleurde mooi bij de glas-in-lood-ramen. Zijn verhaal was indrukwekkend. Woorden van warmte, waar af en toe een traan doorheen klonk, als de herinnering te dicht bij de onwerkelijke realiteit kwam. Momenten dat hij bij vlagen pijnlijk intens voelde dat het waar was. Ook het lot leidt soms tot aparte ervaringen. In de kerk een traan op je wang voelen omdat het allemaal zo verschrikkelijk waar is. En toch twee dagen eerder gewoon fricandel met calamaris…

Provinciale verkiezingen, 4 jaar geleden

Zo nu en dan is terugkijken goed om weer vooruit te kunnen kijken. Op 2 maart 2011 waren de laatste PS-verkiezingen. Op 18 maart dit jaar mogen we weer. Gisteren kwam ik via Facebook Ger Driessen tegen. Ooit prominent GS-lid en straks, ook op 18 maart, in de race voor een bestuursfunctie binnen het Waterschap Peel en Maasvallei. Tijden veranderen. In 2011 schreef ik er het volgende over.

Gisteren hebben we ook hier in Horst aan de Maas gestemd voor de Limburgse Provinciale Staten. Omdat er op de kieslijsten personen stonden uit mijn mooie dorp, was ik extra benieuwd naar de uitslagen. Met name naar het resultaat van één dorpsgenoot, de huidige gedeputeerde Ger Driessen. Een gedreven CDA-politicus, die graag aan zijn vierde (!) periode binnen Gedeputeerde Staten wilde beginnen. Zijn ‘eigen’ provinciale CDA echter, had hem in de aanloop naar de verkiezingen in eerste instantie helemaal niet verkiesbaar gemaakt. Na protesten (voor een belangrijk deel van zijn eigen lokale Horst aan de Maas-aanhang) werd hij alsnog op een ‘onmogelijke’ vijftiende plek neergezet. De mensen die de (provinciale) politiek een beetje gevolgd hebben, kennen de naam Ger Driessen misschien van diens eigenzinnige promotiefilmpjes, die er daarna ontstonden. Landelijke aandacht haalde hij ermee. Hij kwam zelfs bij ‘De wereld draait door’ en bij Pauw en Witteman. Menigeen vroeg zich af of de goede man wel wist waar hij mee bezig was. Vandaag blijkt dat hij met voorkeursstemmen gekozen is. Het lijkt erop dat hij op één CDA-collega na (waarschijnlijk lijsttrekker Martijn van Helvert) de meeste Limburgse CDA-stemmers op zijn hand heeft gekregen. Wie het laatst lacht… Ik heb net de uitzending op de EO gezien (Uitgesproken EO). Men heeft Ger Driessen gisteren, en vanochtend, gevolgd met een camera. De korte documentaire gaf een heel aardig beeld te zien van Ger. Vond ik.

Ik heb geen CDA gestemd, maar ik put toch voldoening uit deze geslaagde Don Quichote-actie. Mooi hoe zijn eigenzinnige aanpak leidt tot het succes dat hij voor ogen had. Interessant ook hoe alle ‘deskundigen’, die voorspelden dat de filmpjes een verdere ‘diskwalificatie van de politicus’ teweeg zouden brengen, vandaag ongelijk hebben gekregen. In ieder geval wat Ger betreft. Het CDA heeft natuurlijk ongenadig verloren. Met name in Limburg. De provincie waar de macht sinds gisteren is overgedragen aan de PVV. Daar waren geen promotie-filmpjes voor nodig. De PVV-kiezers hebben gekeken naar eigen beelden van de dagelijkse werkelijkheid. Eigen beelden, want het zijn vaak films die ze zelf hebben uitgekozen. Als je alleen maar ziet wat je wil zien, dan is wat je niet ziet bijna automatisch ook datgene wat je niet wil. Daar hoef je niet zo lang over na te denken.

Maar we zullen het zien. Tijd zal leren of het ‘vertrouwen’ in de PVV, uitgesproken door bijna één miljoen Nederlanders, terecht is. In de Provinciale Staten van Limburg is de PVV in één keer, met 10 zetels, net zo groot geworden als het CDA. Of net zo klein, het is maar hoe je het bekijkt. Men moet nu samen gaan ‘regeren’ en dat is -ook in Limburg- toch vooruitzien. Ik heb vandaag tweets voorbij zien komen, waarin mensen aangeven vanaf vandaag ‘moeite te hebben om in Limburg te moeten vertoeven’. Ook heb ik al ergens gelezen dat het ‘jammer is dat zelfs België Limburg niet wil hebben’. Dat laatste kan overigens niet want zelfs onze premier roept dat hij ‘Nederland aan de Nederlanders terug wil geven’ en dus niet aan de Belgen. Al eerder schoffeerde hij ons buurland door in een ander verband te spreken over ‘Belgische toestanden’ die ‘hij niet zou willen’. (Lees in dit verband maar eens het artikel van Yves Desmet  ‘Hollandse toestanden: Nederland is vulgair scheldland’).

Het zijn, hoop ik, ludiek bedoelde tweets, maar ik kan er niks aan doen. De over-één-kam-geschoren-afwijzing, die bij de PVV terecht veroordeeld wordt, wordt door twitteraars (én premiers) met tweets en uitspraken als hierboven onbedoeld zelf ook gebezigd. Ludiek hopelijk, nogmaals, maar alleen voor hen die de humor ook doorzien er er verder niks bij denken. Polarisatie ligt echter zo verdomd snel op de loer. Zeker bij zulke gevoelige zieltjes als ikzelf. Hoe graag had ik vandaag ook kunnen tweeten dat er ‘bij ons gelukkig maar 7% PVV gestemd heeft’. Maar er blijkt zo verdomd veel verschil tussen ‘ons’ hier en ‘zij’ daar. En laat dát nou net de situatie zijn die ik juist niet wil en waarover ik me ongerust maak. Ik heb overigens PvdA gestemd. Omdat ik Roy ken. Maar hij komt er waarschijnlijk niet in. In GS bedoel ik. Jammer. Hetzelfde onverdiende lot als veel vluchtelingen straks? Zoals gezegd, we zullen het zien.

Het wordt toch weer gewoon lente.

Zoë aas heej…

Zoë aas heej
Ongeloage
tusse Pruuse
en de Piël zoong…

Zoë aas heej
en bitje geboage
loestig lachend
op de buun stoong…

Zoë aas heej
op ziene meziek
zuutjes dansend
door de kneeje boag…

en zoë aas heej
en bitje sjansend
dun doem umhoëg deej
aas ie oow zoag…

Zoë aas heej
‘Ut kapelleke’
of ‘Dun boëm’
leet kleenke…

hedde geej toen ok
de sterre
in zien oëge
zeen bleenke?

Bliëve klappe
Ni te snappe
Ongewoën…
Danke Toën
GvdM

Aas enne fillum vurbeej…

Haij eur gaer
iets liefs gezag
ma elkes kier
daomeij te laat
Kreeg ut ok
ni oetgelag
Ut geveul
woameij ie zaat…

Woij eur kusse,
lief, hiël zuutjes
Ma dun tiëd
ging dur vaandoor
liekt ieder oor
fieftig minuutjes
miste elken daag
twië oor…

Och, waat woij heej
eur gaer kusse
baalde, daat
ie daat ni kos
kreeg dur vlak
en kleur va, dus uh…
‘the end’
vurdaat ut waas begos!
GvdM