Helden 1.0

eenEen… Twee… Drie… Prachtig getimed stonden ze uiteindelijk alledrie op de bühne van de Weijer in Boxmeer. Er waren al een aantal indrukwekkende scenes aan vooraf gegaan, maar dit was er óók een hoor! Nummer één die via de prachtig geïmproviseerde circustent de bühne opliep, had in zijn eentje de show al kunnen stelen. In z’n ene hand een kopje. In z’n andere hand het schoteltje. Het plaatje was perfect. Zoveel tragiek en kracht tegelijk in één stillevend beeld. Wauw…!

tweeEven later kwam nummer twee erbij. Net als nummer één, met een kopje en schotel in zijn handen. Het totaalbeeld dat dit tweetal creëerde ademde spanning en dynamiek. Ze namen de tijd. Of eigenlijk nam nummer drie de tijd, getuige de veelzeggende blikken van de eerste twee, richting de ingang van de circustent. En jawel. Daar kwam nummer drie. In zijn eigen tempo. Perfect getimed. Langzaam. Zoals dat soms in het leven gaat.

drieHet drietal vormde één van de circusacts, die onderdeel uitmaakten van de voorstelling Helden 1.0. Wat een prachtige vondst om deze drie acteurs onderling hun kopjes te laten uitwisselen! En dat pas deden nadat ze het publiek onmiskenbaar duidelijk hadden gemaakt wat nou het kopje was en wat het schoteltje. Geniaal. Ik vermoed dat dit -tot ontroering leidende- tafereel uit het brein ontschoten is van de regisseuse Kitty Korebrits.

Kitty regisseert theater Kleinkunst. Het theater dat onderdeel is van Gewoon Doen Zorg, waar Sandy Uytterhoeven haar passie voor zorg vertaald heeft in een goed doordacht en vernieuwend concept. Gelijkheid van mensen staat hoog in haar vaandel. Mensen die, ieder met hun eigen kracht en mogelijkheden, op een indrukwekkende manier in staat zijn om te ontroeren en warmte te brengen in de samenleving. Ik lees het op de site van Gewoon Doen.

En zo was het. Dat is wat ze deden. Me ontroeren. Me vervullen met warmte. De voorstelling Helden 1.0 heeft indruk gemaakt. Mieke, Harold, Natali, Judith, Hannie, René, Jacky, Kevin, Loes, Puck, John, John, Mike, Martien en Leroy. Met z’n vijftienen verkenden ze onze wereld. Lieten ze zien waar we heel vaak blind voor zijn. Reisden ze de reis die veel van ons veel te weinig maken. Er zijn voor elkaar. Niemand vergeten en uitdagingen niet uit de weg gaan. Koorddansend of schaatsend, dat maakt niet uit. Vèrder komen, daar gaat het om.

En daar zorgen, behalve de vijftien helden hierboven al genoemd, een hele serie andere helden voor. Iedereen gelijk, dus hier komen ze: Bart, Sandy, Kitty, Suzanne, Loukie, Marga en Bart (prachtige muziek!). Mocht ik iemand vergeten zijn, bij deze mijn excuus. Maar ik heb vanmiddag geleerd dan er dan altijd wel weer helden zijn die wèl aan deze vergeten persoon denken. Dat ontroert, geeft hoop en warm vertrouwen. Daarom heel veel dank en nogmaals een applaus. Ik sluit af met… één, twee drie… een hele diepe buiging!

drieeenheid2

Stip

Vandaag een aantal interessante gesprekken gevoerd. En of het toeval is of niet, heel vaak sluiten artikelen die ik daarna in de krant lees daar dan op aan. ‘Synchroniciteit’ heet dat volgens mij, maar ik weet niet of dat helemaal de lading dekt. Maakt ook niet uit. Het begon vanmorgen tijdens het hardlopen. Of eigenlijk tijdens het ‘iets-minder-hardlopen’, omdat we een 10 km lang gesprek hadden. Over van alles. En bovendien nog een witte reiger zagen. Zeldzaam. Die reiger. Niet die gesprekken. En dat is fijn.

We hebben het over pseudo-diepgang gehad. Maar ook over rigiditeit van organisaties en hoe lastig dat te veranderen is. Over logisch verstand versus systemen en structuren. Op 6 km ging het even over de waarde van enquêtes. Kunnen waardeloze vragen wel tot waardevolle antwoorden leiden, vroegen we ons af? Al (minder) hardlopend leg je dan verbanden die je in stilstand vaak niet ziet. Mooi is dat. Op die manier zijn grote dilemma’s ook terug te voeren naar de verwarrende eenvoud van een overbodig gestelde enquete-vraag: Uitkomsten roepen dan enkel nieuwe vragen op.

Thuis dacht ik daar over na. Over wat we hadden gezegd over systemen en structuren. En ik fantaseerde door over theorieën en strategieën. Over stippen die op de horizon worden gezet. Los van de praktijk gezongen vergezichten, die ons naar de toekomst zouden moeten leiden. ‘Zouden moeten’, omdat de weg naar de horizon weliswaar met piketpaaltjes is uitgezet maar die worden in de loop van de tijd noodzakelijkerwijs wel verzet. Niets mis mee, zo op het eerste gezicht. Wandelend of hardlopend naar die stip heeft men dat -nu ik zo naar het woord kijk eigenlijk heel voor de hand liggend- ‘voortschrijdend inzicht’ genoemd.

Wat mij echter wel een beetje verontrust, is dat de horizon -en dus ook die stip- al naargelang je dichterbij komt, met je meeschuift om vervolgens weer net zo ver van je af te liggen als toen je begon te wandelen. Daar sta je dan even bij stil. Je kijkt naar die stip. Denkt na en vervolgens denk je dat dat misschien juist daarom wel ‘visie’ wordt genoemd… die je in de de nieuwe werkelijkheid van waar je dan staat waarschijnlijk wel wat moet bijstellen.

Maar ik draaf wat door. Synchroniciteit, daar ging het om. Interessante gesprekken en navenante artikelen. In een gesprek werd een metafoor gebruikt. ‘Een olifant kopen is het probleem niet, maar het voer voor die olifant kan wel een probleem worden’. Het schijnt een uitspraak van een plaatselijke politicus te zijn. Afijn. Waar valt mijn oog op terwijl ik de Volkskrant lees? Een andere metafoor, weer met een olifant. ‘Door de olifant op te delen krijg je geen kleine olifantjes’. En even later in hetzelfde artikel deze: ‘Alleen de staart van de olifant zien en tegelijk weten dat hij er helemaal is, geeft vreselijke onzekerheid’. Het opinie-artikel in de Volkskrant gaat overigens over de ‘integrale’ aanpak tegen jihadisme. Annebregt Dijkman zegt daar interessante dingen over.

En dan deze. In dezelfde Volkskrant het artikel over het gevaar van de sociale media. De kop: De schepping van het nieuwe monster. Facebook en Twitter, zo schrijft Huib Modderkolk, beloofden ons ‘dat ze ons blikveld zouden verruimen. Kennis zou toenemen en de feiten zouden winnen.’ Oprichter van Facebook, Mark Zuckerberg, schreef destijds (2012) in een brief aan investeerders ‘dat Facebook nooit opgericht is om een bedrijf te zijn. Het is gebouwd als sociale missie: om de wereld meer open en verbonden te maken.’ Je zou dat een stip op de horizon kunnen noemen. Modderkolk betoogt in zijn artikel dat het streven van toen anno nu toch niet helemaal zo uit de verf gekomen is.

Nepvolgers, spambots en trollen zijn nu aan de orde van de dag. Ze infiltreren Facebook en Twitter en beïnvloeden de publieke opinie, door structureel nepnieuws en misleidende informatie te verspreiden. En Facebook en Twitter trekken zelf hun piketpaaltje van openheid uit de grond, door via strikt geheim gehouden algoritmes hun klanten slechts die boodschappen te laten zien, die voor hun eigen investeerders interessant zijn. Hoezo nooit opgericht om een bedrijf te zijn? De stip aan de horizon van toen is met hen meegeschoven. En wij schoven met miljoenen mee.

Een paar interessante passages nog uit het artikel: ‘Mensen die overtuigd zijn van hun eigen gelijk zijn het zichtbaarst aanwezig op Facebook en Twitter’ (Fidan Ekiz, schreef essay over het verdwijnen van de gematigde stem). ‘Door onze data te verzamelen hebben ze een portret van onze ziel gemaakt, dat ze gebruiken om massagedrag (en steeds meer ook individueel gedrag) ongezien te sturen en zo hun financiële belangen te dienen’ (Franklin Foer, Amerikaans journalist, schreef ‘Ontzielde wereld’).

Allemaal naar aanleiding van 10 km hardlopen op een zaterdagmorgen. Er liepen ons vanochtend verschillende hardlopers tegemoet. Zouden zij er vandaan komen? Een stip hebben achtergelaten? Hoe ver zou die horizon eigenlijk van ons af liggen? Volgende week toch eens ter sprake brengen als we weer gaan hardlopen. En tot die tijd maar gewoon blijven doorlopen. Misschien zie ik nog wel een witte reiger. Of iets anders dat zeldzaam is.

Regenboog

Aan het eind ervan staat die. Aan het eind van de regenboog. De pot met het goud. Volgens Ierse overlevering daar bewaard op een voor mensen onbereikbare plek. Ooit zag ik een foto die was gemaakt op de dag van de begrafenis van een dierbare. Op de foto was de regenboog goed te zien. Alle kleuren, van rood tot het bijna onzichtbare ultraviolet. De fotograaf was een van de nabestaanden die duidelijk troost vond in het natuurverschijnsel. Alsof het zo moest zijn op die speciale dag.

Mooie gedachte vond ik dat. Om meer dan een reden. Vaak is het de aanwezigheid van de zon die op speciale dagen toegeschreven wordt aan hogere machten. Maar een regenboog als weerverschijnsel markeert ook mooie momenten. En feitelijk kunnen ze niet zonder elkaar, de regenboog en de zon. Die symboliek, dat vind ik mooi. Een regenboog is er, bij de gratie van zon en regen. Het verband ligt voor de hand.

Tik op Google regenboog in, en je vindt er duizenden. De een nog indrukwekkender dan de andere. De allermooiste vind ik die, die een begin en een eind hebben. Het schijnt dat de regenbogen het grootst zijn wanneer de zon het laagst staat. In de late middaguren dus, bij zon en regen, dan heb je de meeste kans op zo’n regenboog. Ik vermoed dat de foto die ik ooit zag ook in de late middag is gemaakt. Een prachtig plaatje, maar ik kan het niet meer terug vinden.

De foto van de uitvaart van Harry Mulish, in 2010, die laat Google me wel zien. Een mooi voorbeeld hoe indrukwekkend de combinatie regenboog en uitvaart is. Het moet de nabestaanden zeer hebben aangesproken dat in zekere zin die dag een kleurrijk pad naar de hemel werd getoond. Een pad naar een plek, op het eind van die regenboog, die onbereikbaar is voor ons mensen. In gedachten is de overledene daar waar de pot met goud staat. Je zou zelfs zijn of haar leven in symbolische zin als de pot met goud kunnen zien. Dat geeft troost. En meer dan dat.

Een regenboog met een begin en een eind, heeft in feite twee plekken waar de pot met goud kan staan. Je zou kunnen zeggen dat het er maar net aan ligt waar de uitvaartdienst gehouden wordt. Volgens overlevering ligt de onbereikbare plek weliswaar altijd aan de andere kant van waar jij staat, maar tegelijk kan het zomaar zijn dat aan dat einde een andere droevige familie haar overledene de laatste eer bewijst. Voor hen is waar jij staat het einde van de regenboog. In de wereld waar onze overledenen hopelijk vertoeven, is tijd en afstand geen item meer. Daar is hier. En hier is daar.

Het einde is tegelijk weer een begin. De regenboog laat de weg zien. De gouden herinnering aan hen die er niet meer zijn ligt niet op een voor ons mensen onbereikbare plek. Integendeel, de pot met goud staat daar waar wij staan. Het goud ligt voor het oprapen. Daarvoor moet het wel eerst even regenen. Maar altijd komt dan ook weer ooit de zon. En als een regenboog zon en regen aan elkaar knoopt, is daar de bevestiging dat het kleurrijke leven doorleeft op alle plekken waar zon en regen elkaar ontmoeten. En het mooie is dat ook zonder zon en regen de kleuren altijd blijven. Zelfs de kleuren die nagenoeg onzichtbaar zijn. En dat is goud waard. Potten vol.

Column live voorgelezen op zaterdag 4 november 2017 in het radioprogramma Wiekentpraot. Muziek vooraf van Ellen ten Damme (‘Het regende zon’) en na de column van Mark Lotterman (‘It ain’t only sorrow that makes one cry’). Column begint op 3:20.

101 jaar…

Op een vrijdagavond werd ik gebeld. ‘Op verzoek van de dochter van de overleden mevrouw Nelly Mooren-Benders’, zei de uitvaartbegeleidster die ik aan de telefoon had. Nelly Mooren-Benders was een dag daarvoor overleden. Op 101-jarige leeftijd! Na die introductie vroeg ze of ik tijdens de afscheidsdienst van Nelly een verhaal en een gedicht wilde voorlezen. Als ik dat wilde doen, dan moest ik maar een appje sturen. De uitvaartbegeleidster zou me dan het telefoonnummer van de dochter terug-appen zodat ik met de dochter verder zou kunnen overleggen. Een beetje beduusd was ik van het verzoek. Beduusd, maar tegelijk vereerd en eigenlijk vooral nieuwsgierig.

101 jaar. Mijn hemel. Ik besloot meteen te googelen op de naam van Nelly en haar leeftijd. Vrij snel kwam ik een bericht tegen van een honderdjarige mevrouw Mooren die vorig jaar aan het dorp Grubbenvorst een zeldzame driekleurige beuk had geschonken. Even verder zoekend kwam ik uit bij het filmpje dat Reindonk er van had gemaakt. Mooie beelden waar Nelly, heerlijk ingepakt in dekens en met een constante serene glimlach op haar gezicht, getuige was van het officiële moment dat de boom aan de gemeenschap van Grubbenvorst werd overgedragen. Nelly markeerde dat moment en de burgemeester hielp haar daarbij.

Dezelfde burgemeester had de eeuweling eerder al gefeliciteerd. Ook daar kwam ik foto’s van tegen op internet. Weer met een vriendelijk glimlachende Nelly. Opmerkelijk vond ik een ander bericht dat er jaren eerder postzegels aan Nelly waren overhandigd. In voormalig kamp Amersfoort werden op die manier jaarlijks mensen geëerd, die in de oorlog voor de gevangenen van grote betekenis waren geweest. Nelly onderging die huldiging met een voorzichtige glimlach, zag ik op de foto. In het artikel las ik tussen de regels over haar onverzettelijkheid maar tegelijk ook over haar bescheidenheid. Eerbetoon voor haar verzetsdaden wuifde ze meestal weg, met de reden dat anderen die loftuitingen nog meer verdienden.

Diezelfde avond al besloot ik aan het telefonische verzoek tegemoet te komen. Alleen al het lezen over deze bescheiden vrouw en het zien van haar foto’s werkte inspirerend. Ik kon het niet verklaren en ik wist ook nog niet goed wat haar dochter zich voorstelde van mijn bijdrage. Maar toen ik een dag later haar telefoonnummer kreeg en met haar over haar moeder sprak was er voor mij geen enkele twijfel meer. Een verhaal en een bijbehorend gedicht van mijn hand had de dochter aangezet om mij te vragen. Het was nagenoeg van A tot Z van toepassing op Nelly, vertelde ze me. En terloops vroeg ze of ik daarnaast ook een tweede moment in de dienst wilde invullen. Hoe, mocht ik zelf weten.

Ik heb over die tweede bijdrage een paar dagen nagedacht en in de tussentijd over en weer verschillende mails gedeeld met de dochter. Ze stuurde me de grafrede toe die ze voor haar moeder had geschreven. Zo indrukwekkend om die te lezen en te zien hoeveel liefde erin beschreven was. Tegelijk ook ervaren hoevéél mensen voor elkaar kunnen betekenen. Een universeel gevoel bijna. Haar broer zou het In Memoriam schrijven, vertelde de dochter. Dat zou ik ook toegestuurd krijgen, zodat ik uit zijn herinneringen eveneens zou kunnen putten voor mijn tweede bijdrage. Het voelde bijna natuurlijk om dit alles te delen met elkaar. Ik heb dat gevoel omgezet in een tweede gedicht en dat heb ik hen diezelfde avond gemaild.

dienst
Bij het binnenkomen van de kapel

Op twee momenten in de afscheidsdienst heb ik vandaag mijn woorden mogen delen met allen die haar nabij waren. Bij het afscheid van een vrouw die méér dan een eeuw haar stempel had gedrukt op de levens van heel veel anderen. Ik ‘kende’ haar nog maar een week en toch voelde het alsof ze met haar bescheidenheid en kracht ook mij had geraakt. Het was heel speciaal om even een onderdeel te mogen zijn van datgene dat zij in méér dan een eeuw had bewerkstelligd. Ze deed dat, omdat ze niet anders kon. En ze kon het, omdat ze niet anders deed dan dat ze was. Glimlachend. Met de wijsheid van een eeuw. Dat, en nog een beetje meer…

Voor Elke en Geert, familie en bekenden.

Een eeuw was jij op aarde
En nog een beetje meer
Dat heeft zo’n grote waarde
En nog een beetje meer
Je gaf de mensen hoop en
nog een beetje meer
Je leerde kinderen lopen
en nog een beetje meer…

Het lot dat jij aanvaardde
en dat ook telkens weer
Respect dat jij vergaarde
en nog een beetje meer
Je liep er nooit zo mee te koop en
toch aan jou de eer
Je hart stond steeds wijd open
en nog een beetje meer…

Jouw boom heeft nu drie kleuren
en nog een beetje meer
Niets kan jou nog gebeuren
Je bent in hoger sfeer
Jouw beuk die zal ons wenken
Elk jaar weer  keer op keer
We blijven aan je denken
en nog een beetje meer…

Anne

Anne, de wereld is niet mooi, maar jij kan haar een beetje mooier kleuren…

Herman van Veen

Een zomerdag in oktober. Genieten van het weer met de kop vol gedachten. Op het ene moment over de betrekkelijkheid en op het andere moment over de zin van alles. 24 graden op 14 oktober. Hoe betrekkelijk en hoe zinvol wil je het hebben. In de krant vanmorgen gelezen dat de ‘volkswoede samenkomt in de petitie over Anne Faber’. Opnieuw, hoe zinvol en hoe betrekkelijk. Hoezo, via een petitie ‘eisen’ dat een ‘falend rechtssysteem wordt doorgelicht’ om zo te zien waar ‘de lekken zaten en waar het misging’. Of deze: ‘Wij roepen hen die verantwoordelijk zijn, onder andere het ministerie van Veiligheid en Justitie, ter verantwoording en eisen een verklaring’. En ‘wij’, dat zijn (zojuist even gekeken) al meer dan 350.000 Nederlanders die sinds gisteren hun digitale handtekening hebben gezet, zodat ‘dit nooit meer kan gebeuren’.

Nooit meer? Altijd minder? Vanmorgen een Ted-talk op YouTube gezien van Yuval Noah Harari. Hij heeft het over de objectieve wereld, zoals we die kunnen zien, voelen en ruiken. Daarnaast bestaat er volgens hem een subjectieve, fictieve, wereld, en het is die combinatie van twee werelden die ons mensen in staat heeft gesteld om de machtigste diersoort op aarde te worden. Met positieve gevolgen maar ook negatieve. Wat ons onderscheidt van dieren is dat wij massale, concrete en objectieve samenwerking combineren met het maken van afspraken over de fictieve wereld, zo stelt hij. Als voorbeeld noemt hij geld. Een chimpansee zal nooit een op zich waardeloos stukje papier inruilen voor een tros bananen. ‘Ik ben toch geen mens’, zou de chimpansee spottend kunnen denken.

Het is in die fictieve wereld, waar we menen dat verantwoordelijken verantwoording en verklaringen moeten afleggen. We hebben tenslotte met elkaar afgesproken dat iedereen recht heeft op veiligheid. En als die afspraak geschonden wordt door een onverlaat, dan is het behalve op de onverlaat waarop onze woede zich richt, vooral ook het systeem daarachter. Het systeem dat gefaald zou hebben om Anne te beschermen, maar -erger nog- lijkt te falen om ons als groep te beschermen. Dat we ook met z’n allen hebben afgesproken dat iedereen recht heeft op vrijheid, is in dit verband een lastig detail. In de petitie wordt namelijk ook geëist dat er een onderzoek moet komen naar de forensisch psychiatrische kliniek, die de verdachte de vrijheid gaf. Misschien is in de objectieve wereld zo’n onderzoek een verdedigbaar en best begrijpelijk initiatief. Maar in de fictieve wereld van internet, petities en social media is zo’n onderzoek een overbodige stap, omdat daar zowel het ministerie als ook de kliniek eigenlijk bij voorbaat al schuldig zijn verklaard.

Het artikel in de krant strooit met woorden als ‘stortvloed aan reacties’, ‘losgebarsten volkswoede’, ‘alarm slaan’, ‘platgebombardeerd’, ‘mokerslag’, ‘ontploffen op social media’ en ‘wantoestanden’. En dan moet het onderzoek dat wordt geëist nog beginnen. De initiatiefneemster van de petitie voelde ‘dat ze namens het Nederlandse volk moest spreken’. En uiteraard voor zichzelf en haar drie dochters, die volgens de krant 8, 15 en 17 jaar oud zijn. Dat objectieve en tegelijk totaal overbodige gegeven, geassocieerd met de constatering dat ‘verschillende inwoners uit Den Dolder zich niet meer veilig voelen’, kleurt het plaatje verder in. Iemand heeft het gedaan. We ‘weten’ waar de schuldigen zitten en het mag ‘nooit meer gebeuren’. In de subjectieve wereld heeft de massa die afspraken met elkaar maakt de waarheid in pacht. In de objectieve wereld is dat fictie.

Ik denk aan Anne Faber. Op deze zomerdag in oktober. Twee weken geleden was het volop herfst. Ook in Zeewolde. En over een week is het dat waarschijnlijk weer. Nu genieten met de kop vol gedachten en het tegelijk ook allemaal niet weten. Betrekkelijkheid en de zin van alles. In een wereld waar ‘nooit meer’ hetzelfde kan zijn als ‘altijd minder’ en dan toch nog teveel is. Of te weinig. De teller van de petitie staat nu op 350.853. Allemaal potentiële slachtoffers. Maar helaas ook mogelijke daders…

Eberhard en wij

Vrijdag, laat op de avond, zapte ik nog naar de uitzending van Pauw. Aan zijn tafel zaten mensen die op de een of andere manier van doen hadden met Eberhard van der Laan. De burgemeester van Amsterdam was donderdag gestorven, dus als een soort eerbetoon was dit waarschijnlijk een speciale editie van Pauw. De burgemeester van Rotterdam, Aboutaleb, zat er. En Wouter Bos, voormalig PvdA minister. Gerdie Verbeet, ex-Kamervoorzitter. Henk Dijkstra van het leger des Heils van Amsterdam was ook aangeschoven. En verder nog een journalist waar ik de naam van vergeten ben maar die blijkbaar veel met Van der Laan was opgetrokken. Jeroen Pauw liet ieder om beurten aan het woord om zijn of haar ervaringen met Van der Laan te delen.

De woorden gingen vergezeld van beelden. Fragmenten uit het leven van Van der Laan. Interessant om te zien en te horen hoe de ene loftuiting de andere nog versterkte. Het waren mooie beelden. Uit Zomergasten bijvoorbeeld, waar Van der Laan nog niet zo lang geleden in zijn ziel had laten kijken. Hij was toen al ernstig ziek maar liet dat tijdens die uitzending vooral tussen de regels blijken. De liefde voor zijn stad Amsterdam en zijn drang om daar tot aan het eind toe voor te blijven werken, waren tekenend, aldus de gasten van Pauw. Het fragment werd getoond waar Amsterdammers, Ajax-fans en Marokkanen eensgezind voor het huis van de voetballer Abdelhak Nouri hun steun betuigden. Van der Laan kreeg in Zomergasten tranen in de ogen bij die beelden.

Ik ken Eberhard van der Laan verder niet. Uit de beelden die ik zie en de verhalen die ik lees, zou ik kunnen afleiden dat het een aimabel man moet zijn geweest. Welbespraakt, het hart op de tong en met een enorme dadendrang. Na Zomergasten bleek Nederland en vooral Amsterdam geraakt. Er ontstond spontaan een soort van ‘wake bij leven’ voor de ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam. Mensen toonden hun medeleven en hun verdriet. Gisteren in de uitzending van Pauw zag ik een fragment waarin de vrouw van Eberhard een menigte toespreekt en hen bedankt voor hun steun en medeleven. Ik denk dat het tijdens die, via social media, massaal geworden wake was, maar zeker weet ik dat niet.

Vanmorgen las ik de column van Bas Heijne op nrc.nl. ‘Verdriet’ was de titel en hij ging in op de aandacht die er rondom Van der Laan en zijn ziekte was ontstaan. Bas Heijne zei daarin een aantal rake dingen. Hij haalde de reactie aan van Van der Laan bij de beelden van Nouri. Heine citeerde Van der Laan: ‘Het is een onwaarschijnlijk verdriet dat iemand met zoveel perspectief zoveel pech heeft en afgesneden wordt van dat perspectief’. Wie zich Zomergasten kan herinneren weet dat op dat moment de emotie Eberhard even overmande. Bas Heijne constateert mijns inziens terecht dat de woorden over Nouri ook over Van der Laan zelf gingen.

Heijne typeert Van der Laan als iemand die nuchterheid met gedrevenheid combineerde. Betrokkenheid zonder sentimentaliteit. De uitzinnige bewondering die Van der Laan in de laatste maanden van zijn leven ten deel viel, staat daar haaks op, schrijft Heine, maar hij heeft daar vervolgens wel begrip voor. Ik citeer Bas Heijne: ‘Het ‘onwaarschijnlijke verdriet’ over Nouri waar hij tijdens Zomergasten over sprak, ging over het naakte besef dat het leven niet te besturen valt. De mens is een kwetsbaar wezen, en juist met die kwetsbaarheid weten we ons publiekelijk steeds minder raad’. Einde citaat.

Heijne gaat verder in zijn analyse: Het zieke jongetje Tijn met zijn nagellak, Nouri en nu de burgemeester van Amsterdam. Het waren mensen die werkelijk in iets geloofden, schrijft Heijne. Mensen die daarbij ‘hun ego ondergeschikt maakten aan iets dat groter was dan henzelf. Nederland raakt ontroerd bij de onrechtvaardigheid van hun lot, maar ook door de goedheid en de bevlogenheid van deze mensen, die iets wilden betekenen voor anderen. Die een vanzelfsprekende betrokkenheid hadden, aldus Heine, bij een groep, een omgeving of een gemeenschap.

Heijne sluit zijn column af door Van der Laan een witte raaf te noemen in een land waar de politiek ‘het zoekt in doorzichtig effectbejag en theatrale vlerkerigheid’. Dat laatste kan ik niet beoordelen, omdat ik in principe met de landspolitiek net zo onbekend ben als met Van der Laan zelf. Maar ik kan me bij de woorden van Heijne wel iets voorstellen. Heijne lijkt mijn twijfel aan te voelen. Hij schrijft: ‘Zijn dood is ook een verlies voor wie hem niét kende’. En zijn slotzinnen raken opnieuw mijn onbestemde gevoel dat ik gisteravond had bij het zien van de uitzending van Pauw. Heijne schrijft: ‘..je zou hopen dat ons verdriet niet blijft steken in het eren van zijn uitzonderlijkheid. Waar hij voor stond, zou gewóón moeten zijn, voor iedereen. Dát is zijn erfenis’. Einde citaat.

Gisteravond Pauw, vanmorgen de column van Bas Heijne. Tijdens het hardlopen vanochtend bedacht ik me dat intense droefheid of -zoals Bas Heine schrijft- ‘onwaarschijnlijk verdriet’ niet afhankelijk is en eigenlijk ook totaal los staat van media of massale aandacht. Toen ik vrijdagavond van de Hiltho naar huis reed, passeerde ik een café aan de Venrayseweg. Ik zag een wit A4 aangeplakt aan de binnenkant van de ingangsdeur van het café, dat verder helemaal donker was. Ik wist waarom.

Ik heb de tekst vanuit de auto niet kunnen lezen, maar ik weet bijna zeker dat er iets gestaan heeft in de strekking van ‘gesloten wegens familieomstandigheden’. Zo dichtbij. Ook een ‘onwaarschijnlijk verdriet’. Terechte tijd voor bezinning. Tijd om te aanvaarden wat eigenlijk onaanvaardbaar is en niet in tijd te vangen. ‘De mens is een kwetsbaar wezen, en juist met die kwetsbaarheid weten we ons publiekelijk steeds minder raad’, las ik vanochtend. Dat herken ik. En ik wens juíst daarom, ietwat radeloos, bij deze toch veel kracht toe aan hen die zich in deze woorden herkennen.

collage


Column voorgelezen tijdens Wört, de rubriek van Weekendpraot op radio Reindonk. Voorafgegaan door ‘Adios Lounge’ (Bob Forrest & Tom Waits) en afgesloten door ‘Kus mich dan’ (Arno Adams). Column start op 4:24 en loopt door tot 10:50.

 

Atrium

‘Ik ruik wierook’, zei Thea, terwijl we naar de plaatselijke modellen keken, die de schoenen en kleding van lokale ondernemers showden. Het was vorige week zondag. Koopzondag en het weer was fantastisch. Op de posters had het al gestaan. ‘Atrium’, in grote letters. Modeshow op koopzondag, zoals dat al wel vaker was georganiseerd. Nieuw was dat deze keer onze Mees ook meeliep in de show. En nieuw was ook dat de show in het atrium werd gehouden. Het voorportaal van de Sint Lambertuskerk, die voor de gelegenheid ook haar deuren wagenwijd had opengezet. Dat verklaarde de wierookgeur die we in het atrium roken.

Het atrium is een ommuurde, open ruimte die je betreedt, vóórdat je de kerk zelf binnengaat. Ik heb eens ergens gelezen of misschien heb ik het me wel laten vertellen dat die ruimte bewust door de architect is gebouwd, om een overgangsplek te creëren tussen de drukke wereld buiten de kerk, en de sacrale sfeer die je toch meestal in een kerkgebouw aantreft. Even het wereldse achter je laten om je een kort moment ‘voor te bereiden’ op de ontmoeting die je met jezelf aangaat wanneer je het kerkgebouw zelf binnentreedt.

We stonden nog buiten het atrium, toen geluidsflarden muziek en deskundig modecommentaar onmiskenbaar duidelijk maakten, dat de modeshow al bezig was. Pas toen kregen we in de gaten dat het zich vooral in het atrium afspeelde. Dus naar binnen. Daar bleek dat een groot aantal toeschouwers ons al was voorgegaan. De modellen liepen over een catwalk die vakkundig was ingeklemd tussen een vijf- zestal stenen bogen. Onder elke boog was een podiumelement geplaatst, aangeschoven naar achteren, tot aan de stenen kruisen die daar al decennia in alle rust stonden en nu als decorstuk leken dienst te doen.

Met dank aan Wim Moorman

 

 

 

Hieronder een korte film-impressie van de show

Het was al met al een mooie entourage en de modellen kwamen goed tot hun recht. In leeftijd variërend van heel jong tot al wat ouder, met als gezamenlijk kenmerk dat het waarschijnlijk allemaal mensen waren die hun roots op de een of andere manier in Horst aan de Maas hadden liggen. Net als het publiek, logischerwijs. Zo waren Thea en ik hier ook gekomen. Onze Mees showde zijn slaapoutfit en z’n badjas als een pro. Onder elke boog een iets ander standje. Bij de laatste boog aangekomen trok hij de badjas uit en dat ontlokte aan de speakerlady nog een ontdeugend commentaar. Verder was haar taak vooral benoemen bij welke ondernemer de geshowde kleding te verkrijgen was.

Ik kreeg bij dit alles een dubbel gevoel. Mooi om te zien dat dit alles met eigen mensen, eigen ondernemers en in ons eigen dorp opnieuw zoveel mensen op de been bracht. Levendigheid en ondernemerslust ten top. Maar tegelijk voelde het ook misplaatst. De plek -hoe mooi ook- was daar mijn inziens niet voor bedoeld. Ik betrapte mezelf op een degelijkheid die me een beetje verraste. Terwijl ik helemaal niet kerkelijk ben, had ik blijkbaar toch een bepaald respect voor het gebouw en mijn idee daarover. Na de show met Thea, op een van de vele terrassen in het centrum, nog over doorgepraat. We zaten duidelijk niet op een lijn. Zij vond juist de combinatie een verademing. Een doorbraak in het starre beeld dat kerk en religie meestal oproepen. En eigenlijk kon ik haar daar ook geen ongelijk in geven.

Maar toch.. het gevoel blijft hangen dat het niet de juiste plek is voor een modeshow, of welke andere commerciële activiteit dan ook. Ik krijg het beeld niet uit mijn hoofd van de filmscene uit Jezus Christ Superstar, jaren geleden, waar hij de tempel hardhandig ontdoet van gokkers en handelaren. Ik weet het, die vergelijking slaat misschien wat door, maar die associatie kreeg ik wel die zondagochtend. En dat wilde ik even delen met iedereen die dit leest. Misschien ben ik wat eenkennig als het om de reuk van wierook gaat. En misschien ben ik ook gewoon een ouwe zeur. Maar dan wel een eerlijke ouwe zeur… ik hoor graag wat jullie er van vinden.

Voor de wat jongere generatie: hieronder een link naar de scene uit Jezus Christ Superstar. En voor degene die niet bij de modeshow waren: daar ging het er wel rustiger aan toe dan in deze scene ;-)… En toch, het gevoel blijft…

Schatten aan herinneringen…

‘Gortmeule wifi kleine veld’. Een mededeling die spontaan op mijn scherm verschijnt, vlak voordat ik in alle rust aan mijn ‘zondagse verhaal’ wil beginnen. Het brengt me even van mijn apropos. Maar tegelijk is het ook wel toepasselijk. Kort daarvoor heb ik bij jouw plekje gezeten, maar daar was het me toch wat te druk. Wat dat betreft heb je genoeg aanloop, bedenk ik me nu, en ik denk aan de tijd dat je nog leefde, toen dat heel anders was.

Ik had me voorgenomen om weer even tegen je aan te praten. In de wetenschap -of moet ik zeggen in de hoop- dat mijn gedachten op de een of andere manier bij je aankomen. En als ze bij jou aankomen, dan komen ze wellicht ook wel aan bij onze ouders. Doe ze de groeten als dat zo is. Gisteren in de achtertuin nog een kleurige vlinder voor me uit zien vliegen. Mooi dat ik toen ook even aan je moest denken. Misschien dat ik daarom nu hier zit.

Soms vraag ik me af of die ‘gesprekken’ die ik met je heb, niet vooral gesprekken zijn met mezelf. Of, indirect, monologen met anderen, hoe vreemd dat ook klinkt. Maar omdat ik dit opschrijf en straks via internet deel, maak ik hen die dit lezen deelgenoot van mijn gedachten. Ik stel me voor dat iedereen bij gelegenheid wel eens terugdenkt aan iemand. Als mijn gedachten op ‘papier’ die herinneringen dan oproepen, dan hoop ik dat ze net zo zonnig zijn als de dag van vandaag.

Twee fietsers, een man en een vrouw, komen mijn kant op. Niet alleen dat, ze stoppen bij het bankje, waar ik zit. Wat blijkt? Onder de bank is een ‘geo-schat’ verstopt. Hun hobby is het om die schatten op te sporen. Ik heb daar wel eens van gehoord, maar ik ben er nog nooit in levende lijve mee geconfronteerd. Hij pakt de schat, pakt er een briefje uit en noteert er wat op. Dan gaat de schat weer terug onder de bank. Even met hen over deze wondere wereld gesproken. Vrij snel gaan ze weer op weg. Op zoek naar een andere schat. Te vinden over de hele wereld, vertelde hij. Het maakt me nieuwsgierig.

Als ze weg zijn, bekijk ik de schat eens nader. Ook de inhoud intrigeert me. Vanaf juli van dit jaar hebben al een groot aantal mensen de schat gevonden, zie ik op het briefje dat in het schatkokertje zit. Mijn spontane ontmoeting van zojuist heeft hun geocache-naam ook genoteerd zie ik. De vinddatum is schriftelijk geregistreerd. Maar ze gaan het ook nog digitaal doorgeven, legde hij me zojuist uit. Misschien had ik hem moeten vertellen dat hier ook ergens WiFi in de lucht hangt…

Een korte, spontane ontmoeting, op deze zonnige zondag. Op een plek waar je het niet verwacht, is een schat verborgen. Nu ik er zo over nadenk, in de rust die al weer een tijdje heerlijk voelbaar is, is het net alsof het zo moest zijn. Er zijn op de hele wereld plekken waar schatten verborgen liggen. En iedereen mag die vinden. Omdat ze ooit in het verleden zijn ‘verstopt’. Maar ook nu en in de toekomst nog een plek gaan krijgen. Schatten aan herinneringen. Je hoeft ze alleen maar te vinden. En soms komen ze, net als vlinders, vanzelf naar je toe…

Lief…

Een uurtje orgelen in Hof te Berkel. Het was even geleden, maar vrijdagmiddag is het er weer een keer van gekomen. Van drie tot vier. Deuntje uitkiezen, draaien en zo nu en dan tekst er bij zingen. Nederlandstalig, duitstalig, engelstalig, franstalig, ja zelfs italiaans repertoire draai ik uit mijn orgel. En als je het maar fonetisch uitschrijft, dan klinkt elke taal gezongen nog best autochtoon ook.

Elke keer voel ik een kleine drempel om te beginnen. Want niet elke bewoner lijkt zich bewust van het muzikale intermezzo dat hen te wachten staat. Maar mijn ervaring is ook dat de meeste bewoners mensen zijn van het moment. Dus bij de eerste klanken breekt het ijs snel. En wanneer de tekst kan worden meegezongen, blijkt muziek en zang toch een hele fijne manier om mensen even te laten genieten van het moment.

Daar focus ik op. Ik leg de nadruk op hen die ik zie genieten. En ook de mevrouw die in het begin haar ogen dicht houdt, doet die toch op sommige momenten even open. Slaapt daarna ook weer verder, maar wie weet, zijn haar dromen vanaf dat moment toch een beetje muzikaal gekleurd. Zeker bij hen, waarbij het ‘nu’ misschien vooral verleden is en veel minder toekomst, lijkt zo’n moment van herkenning een welkome afwisseling.

Van het vanmiddag tot mij ‘veroordeelde’ luisterpubliek ontving ik na afloop een bedankcadeautje. Zojuist -het is nu bijna middernacht- heb ik dat presentje geopend. ‘Lieve Geert’, zo opent de kaart, die vastzit aan een mooi verpakte boekenbon van de Bruna. Ik wordt er een beetje verlegen van. ‘Lief’, denk ik meteen. ‘Had niet gehoeven’ is een tweede gedachte. ‘Maar je vindt het wél leuk’, galmt een ander stemmetje heel eerlijk door mijn hoofd. En dat is zo.

Dus, dankjewel, voor de driedubbele blijdschap. Voor de boekenbon en voor het gevoel vanmiddag welkom te zijn geweest. Maar vooral voor dat ‘lieve’ in de kaart. Ook met de ogen dicht klinkt dat fijn. Ik hoop dat die mevrouw dát vanmiddag op haar manier net zo heeft ervaren. Tot een volgende keer.

bedankkaart

 

Mét of zónder bril …

met brilMijn rijbewijs verloopt morgen. Daar kwam ik gisteren achter, dus daar heb ik toen maar meteen werk van gemaakt. De pasfoto op mijn oude rijbewijs was minstens van 10 jaar geleden. Toen keek ik nog zonder bril en had al mijn baardhaar zich geconcentreerd onder mijn neus. Ik had er dus alle begrip voor dat een nieuwe pasfoto nodig was. Een paar minuten later zat ik bij vakfotograaf Eugene op de stoel en mocht ik een groot stuk wit karton onder mijn kin houden, ter hoogte van mijn borstkas. De lichtinval was namelijk heel belangrijk voor pas- en rijbewijsfoto’s, vertelde Eugene me.

‘Ook een paar foto’s zónder bril’, zei de fotograaf, ‘want daar doen ze wel eens moeilijk over’. Met ‘ze’ bedoelde hij waarschijnlijk de gemeente, de plek waar een rijbewijs moet worden aangevraagd of, in mijn geval, verlengd. Daar kwam ik juist vanaf. Sterker nog, daar werken mijn collega’s en daar zou ik zometeen mijn nieuwe pasfoto’s aan toevertrouwen. Mét bril, nam ik me voor, want dat was hoe ik me in het openbaar vertoonde en hoe mensen mij zagen. En ik de mensen weer zag, sinds het moment dat mij de bril op de neus werd gezet. Met andere woorden, de bril hoorde sinds een paar jaar bij mij. Vond ik. Maar dat vonden mijn collega’s niet…

Aan de receptiebalie werd de eerste test uitgevoerd. Een kopie van mijn pasfoto liet zien dat mijn bril een soort van minimale witte schaduw op mijn voorhoofd wierp. Het was twijfelachtig en bijna niet zichtbaar, maar toch. ‘Witte plekken op de foto mag niet. Acht van de tien foto’s van mensen met bril worden afgekeurd’ wist mijn collega te vertellen. ‘Maar je kunt het proberen’ was haar advies. Ze gaf me een nummer en verwees me naar de grote tafel in de wachtruimte van het gemeentehuis. ‘Het scherm in de gaten houden tot je nummer daarop verschijnt en dan zie je aan welke balie je verwacht wordt’.

Het duurde nog géén minuut. Balie 1. Even gezellig gebabbelt, maar ook snel ter zake gekomen. Ik schoof de foto mét bril naar voren. ‘Die wil ik graag op mijn nieuwe rijbewijs’, zei ik. Meteen verscheen er een bedenkelijke frons op het gelaat van mijn collega. Opnieuw werd er een printje van mijn foto gemaakt. Mijn collega liep er even mee naar achteren om raad te vragen aan andere collega’s. Ondertussen schoof ik maar alvast een foto zónder bril uit het pasfoto-mapje. Mijn voorgevoel werd bevestigd. ‘Zónder bril’. De formele uitspraak was gevallen. ‘De bril is een accessoire, die kun je afzetten. Je identiteit kun je niet afzetten, dus daarom’.

Tijdens het invullen van het formulier liet ik die motivatie verder op me inwerken. Formulier plus foto ging naar Enschede, werd me verteld en daar werd de foto opnieuw -volgens ‘Fotomatrix Model 2007’- aan een onderzoek onderworpen. Is de mond goed gesloten, staan beide oren er op, etc. Wie ooit een pas of een rijbewijs heeft aangevraagd, herkent waarschijnlijk de criteria waaraan je moet voldoen om ‘gewoon’ te zijn wie je bent. De foto van mijn identiteit -die ik niet kon afzetten- werd letterlijk strak ingekaderd en op het speciaal daarvoor geprepareerde formulier geplakt. Ik zag twee blokjes links en rechts van het kader, ter hoogte waarvan mijn oren moesten komen. Gelukkig stonden die er allebei op. En op gelijke hoogte…

Het schijnt dat je als inwoner van een gemeente gemiddeld één keer in de drie jaar in een gemeentehuis komt. Als je er werkt is dat vaker. En als je er full-time werkt is dat elke dag. Net als ik. Maar soms is het goed om te ervaren en vervolgens vooral te beseffen wat de impact is van wat we met z’n allen aan regeltjes en gebruiken hebben bedacht. Terwijl mijn collega de handelingen verrichtte die nodig waren, dacht ik na over mijn identiteit die ik niét, en over mijn bril die ik wél kon afzetten. Dat ik dan niks meer zou zien en die hele identiteit voor mij één vage blur zou zijn, deed helemaal niet ter zake, bedacht ik me. Niet lachen, mond dicht en twee oren tussen twee blokjes. Zo was het nu eenmaal en dus kwam je zó op je rijbewijs. Als je voldoet aan wat moet. 38 euro 95. En dat allemaal heel vriendelijk. Niets dan lof voor mijn collega’s. En dat meen ik.

Volgende week vrijdag is mijn nieuwe rijbewijs klaar en moet ik mijn oude rijbewijs meenemen om het nieuwe te krijgen. Na zondag mag ik niet meer rijden, tenzij ik met mijn verzekering iets regel. Dan zijn er blijkbaar wel mogelijkheden, maar ik ga niks regelen. Het was gewoon mijn eigen schuld dat ik m’n rijbewijs zo laat heb verlengd. Ik ga gewoon met de fiets. Dat deed ik toch al. Elke dag opnieuw. Naar dezelfde werkgever, die ook mijn collega’s in dienst heeft. Goeie collega’s, die net als ik in overheidsdienst werken en vanaf hun flexibele werkplek dátgene uitvoeren wat met z’n allen in dit land is bedacht. In Den Haag, in Enschede en ook in Horst aan de Maas.

Mét of zónder bril, dat blijft een heel interessant gegeven. Metaforisch bijna. Mét bril is alles misschien wel beter te zien, maar soms moet je bril ook even af om iets beter te begrijpen. Bijvoorbeeld begrip voor al die mensen die maar één keer in de drie jaar bij de overheid aankloppen en vervolgens op feestjes heel hard kunnen lachen om ambtenarengrappen. Met open mond lachen en tranen in de ogen. Begrip dat op zulke momenten misschien wel de ware identiteit onthuld wordt. De identiteit die je niet op rijbewijzen of op paspoorten ziet. De identiteit van de ‘echte’ wereld, waar de overheid vaak heel ver vanaf lijkt te staan. Begrip voor iedereen die zich daar elke vier jaar tóch weer voor wil inzetten. En ook begrip voor hen die dat niet doen. Met of zonder bril.

Vrijdag mag ik weer rijden. Mét bril. Met een nieuw rijbewijs. Zónder bril. Veilig, maar onherkenbaar. Welke Nederlandse filosoof was dat ook alweer, die zei: ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’?

Verhaal horen? Klik hieronder. Eerst muziek: ‘Without me’ van Eminem (tot 4:51). Dan het verhaal (tot 11:28). En tenslotte ‘It’s not my name’ van The Ting Ting’s.