De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Alles wat ik afzonderlijk ervaar, gebeurt tegelijk met wat ik nog ga meemaken. Wat gisteren was, is er alleen omdat ik er vandaag aan denk. Terwijl morgen hetzelfde zomaar anders kan zijn. Ik denk na over de tegenstellingen die in me opkomen. Ondraaglijk en licht, afzonderlijk en tegelijk, gisteren en vandaag, hetzelfde anders.
Om me heen vult alles zich met iets. In dat alles ben ik tegelijk niets en allesomvattend. Net als iedereen tegelijk iemand en niemand kan zijn. Momenten in een continuüm van tijd. Ik schuif mijn vingers in elkaar en voel de warmte ervan op mijn handen. Een koele wind grijpt z’n kans, als de zon zich achter donkere wolken verstopt. Alles beweegt zich van me af en weer naar me toe. Afwisselend ja-knikkend en nee-schuddend groen, met de zekerheid van het toeval.
De wind neemt toe. Voorbode van regen? Of een teken van wat anders. Anders dat wat? Eigenlijk alleen maar anders dan zojuist. Anders dan nu. En daarmee met grote waarschijnlijkheid hetzelfde als wat er ooit was. Of opnieuw gaat komen. De overeenkomsten die ik zie, zijn met grote waarschijnlijkheid gebaseerd op toevalligheden. De constante factor lijkt het verschil dat ik er zelf aan toeken. Voor zover ik er invloed op heb. Of wil hebben. Omdat zelfs de verschillen overeenkomsten vertonen.
Ik denk. Dus ik besta. Al best een tijdje. Opeen gestapelde momenten. Ervaringen van eerder. Herinneringen, nu en dan, aan wat vergeten lijkt. Momenten die ik gisteren en vandaag heb meegemaakt. Mét anderen, méé gemaakt. Samen, terwijl dat morgen zomaar anders kan zijn. Anders is. Morgen, als ik tegelijk afzonderlijk en alleen ben. Mijn vingers weer vouw maar de warmte niet meer voel. Zelfs dan zal ik er nog zijn. Denk ik. Alleen al omdat ik er ooit was. Samen met anderen. Net als jij. En dan voor altijd.
100819. Ik tik de datum in, als naam voor het document waaraan ik nu begin te schrijven. Als ik de cijfers zie, en ik denk de nullen even weg, dan zie ik het telefoonnummer 1819 dat we vroeger op de Lindweg hadden. Al even geleden, maar het is zo’n getal dat voor altijd geassocieerd is met die zwarte bakelieten hangtelefoon in de hal van mijn ouderlijk huis.
Dat getal 1819 valt me wel vaker op. Op digitale klokken bijvoorbeeld. Net op het moment dat je kijkt, staat het voor je neus. Had je een minuut later gekeken, was het je waarschijnlijk niet opgevallen. Maar vroeg op de avond, precies om negentien minuten over zes kijk je, en dan verschijnen er stante pede in mijn geheugen de beelden van vroeger. Ik verwacht dat wel meer mensen dat hebben, met getallen die hen zijn bijgebleven.
Waarom is dat, vraag ik me af, dat herinneringen zo nu en dan getriggerd worden door situaties uit het heden. Het heeft uiteraard met leeftijd te maken. Hoe ouder je wordt, hoe meer herinneringen er zijn om gekieteld te worden. Maar zou het ook andersom kunnen werken, bedenk ik me nu. Dat herinneringen op hun beurt gebeurtenissen in het nu oproepen?
Ik heb eens ergens gelezen dat wanneer je over je toekomst nadenkt, je dat moet doen in termen van gebeurtenissen die je je later zou willen herinneren. Ik tik wat woorden voor de gein in Google en vind een dichtregel die over toekomst, herinneringen, heden en verleden gaat. Bedacht door dichter Kahlil Gibran. Hij schrijft: ‘En laat het heden het verleden vol herinneringen omhelzen en de toekomst vol verlangen’.
Ik zoek verder op zijn naam en vind nog veel meer quotes. En een heleboel info. Geboren in Libanon in 1883, op zijn twaalfde met zijn moeder naar America verhuist en via allerlei Europese omzwervingen uiteindelijk in 1931, op 48 jarige leeftijd in New York overleden. Hij was, behalve dichter, ook schilder en schrijver. In 1923 schreef hij blijkbaar zijn bekendste werk: ‘De Profeet’.
Allemaal zaken die ik een uur geleden nog niet wist, en die ik me waarschijnlijk in de nabije toekomst ook niet meer zal herinneren. Maar goed, het staat genoteerd nu, dus wie weet. Dan kijk ik nog een keer naar de eeuwen waarin hij is geboren en gestorven en dan zie ik toch weer 1819. Ook zijn leeftijd triggerde me. Ik moest meteen aan mijn eigen moeder denken, maar bij nader inzien, en wat hoofdrekenwerk, blijkt zij toch een jaar ouder te zijn geworden.
Herinneringen in het heden. Ik omhels ze en kan niet anders dan vertrouwen hebben in de toekomst. Verlangen naar nog meer gebeurtenissen en getallen die mijn geheugen kietelen. Reken maar.
Al vijf keer een eerste regel weggepoetst. Gebackspaced, om maar in moderne termen te blijven. Of gedelete. Hoe dan ook, vijf keer opnieuw begonnen en toen maar bedacht dat ik het misschien juist daarover kort moet hebben. Vijf keer had ik een eerste idee, maar kwam ik daar schrijvend niet verder mee. Meestal een teken van te weinig inspiratie, maar daar aan toegeven wilde ik niet. Vaak helpt een goeie eerste regel me, maar soms heeft een idee net iets meer nodig..
Welke ideeen dat waren? Ik dacht even aan het lezen van boeken. Dat ik er nu twee ‘tegelijk’ aan het lezen ben. ‘The subtle art of not giving a f*ck’ van Mark Manson en ‘Taal voor de leuk’ van Paulien Cornelisse. Mijn indruk dat ik in beide boeken onderwerpen tegenkom die onderling uitwisselbaar zijn. Maar ja, mijn indruk. Dus wat voegt dat toe aan de wereld. Backspacen…
Een ander onderwerp waar ik aan dacht: iets schrijven over het schoonmaken van de grafsteen van mijn ouders. Zo nu en dan op mijn fietstochten ga ik daar langs om er letterlijk heel even bij stil te staan. Elke keer kijk ik naar de namen in steen, zie de geboortedatum van beiden en de jaartallen dat ze zijn overleden. En elke keer neem ik me voor dat ik er ooit een keer gericht naar toe moet gaan, met een emmer en een borstel. Dat moment gaat een keer komen. Maar tot die tijd… backspacen die eerste zin.
Toen schreef ik op: ‘Waarom lijkt een lang weekend op vrijdag nog zo lang terwijl hetzelfde weekend op maandag in no-time voorbij is gegaan’. Naar die zin heb ik een tijdlang gekeken, maar daar kwam ik helemaal niet verder mee. Sterker nog, de tijd die het nadenken daarover kostte, ging van de geringe hoeveelheid tijd af, die ik voor mijn gevoel op deze vrije maandag nog had. Snel backspacen dus.
En zo had ik nog wat ideeen, die ik nu alweer kwijt ben. En dat zegt eigenlijk al genoeg over de schrijfwaardigheid ervan. Ook gebackspaced dus. Om vervolgens het backspacen zelf tot onderwerp van dit schrijfsel te verheffen. Ik kan me voorstellen dat wanneer je dit leest -en al tot hier gekomen bent, dank voor je geduld!- een gevoel van nutteloosheid je bekruipt. Een gevoel van ‘had ik mijn tijd niet beter ergens anders aan kunnen besteden’…
Ik denk het wel. Maar nu je toch al tot hier gekomen bent, lees dan de laatste alinea ook nog maar even door. Ik wil je namelijk oprecht bedanken voor het lezen van mijn verhalen. Zo nu en dan wordt er zelfs ook op gereageerd. Dat vind ik fijn dus ook daarvoor hartelijk dank. En alsof het zo moet zijn. Op het moment dat ik dit allemaal schrijf, bij de 200-jarige eik, wandelen een man en een vrouw voorbij. We groeten elkaar, hebben het heel kort over de rust van deze plek en al wandelend draait zij zich nog even om en zegt: ‘Ik lees trouwens altijd je stukjes’…
De presentatoren van het radioprogramma ‘Wiekendproat’ hebben hun reces er op zitten. Voor Chrit, Jos en Robert begint een nieuwe periode van wekelijks op zaterdag twee uur live radio verzorgen. Respect voor hun inzet en creativiteit. Een keer in de maand mag ik bij hen aanschuiven om mijn column voor alle luisteraars de regionale ether in te slingeren. De eerste zaterdag van de maand hebben we daarvoor afgesproken. Vandaag dus weer, de eerste na het reces.
Net als in de vorige periode wil ik steeds een actuele column brengen, die geënt is op het nieuws van vandaag of van een paar dagen eerder. Dus ook vandaag redelijk op tijd opgestaan met de bedoeling om de Limburger door te spitten op opvallende zaken. Beneden aangekomen zag ik dat de Limburger in gebruik was. Mees was bezig een paginagrote zweedse puzzel in te vullen. Dat hebben we toen samen gedaan, terwijl ik tegelijkertijd mijn bakje cornflakes met melk leeg lepelde. Het nieuws moest even wachten.
Niet lang daarna kon ik de krant wel doorpluizen. Dat was vanochtend om pakweg 10.00 uur. En nu, zo’n drie uur later, zit ik op een heerlijk buitenplekje mijn geheugen te pijnigen wat ik nou eigenlijk in die krant ben tegengekomen. Niets schiet mij te binnen, wat kan betekenen dat er ook niets memorabels in de krant stond. In deze komkommertijd geen ondenkbare situatie. Wat me nu ineens wel te binnen schiet is een kort berichtje dat Dijsselbloem naast de IMF-topbaan gegrepen heeft. Och erm. Na Timmermans weer een deuk in het nederlandse zelfvertrouwen.
Ik weet niet welke voordelen het voor Nederland zou hebben gehad als Dijsselbloem die topfunctie wel had gekregen. Daarvoor ben ik te weinig thuis in de financieel-economische wereld. Ook het onlangs afgeketste voorzitterschap van Timmermans heeft me niet echt slapeloze nachten bezorgd, maar ook dat kan zijn omdat ik te weinig weet van de Europese belangen voor Nieuwstraat 5. Die Europese invloed op mijn woonadres zal er namelijk best wel zijn, maar zoals gezegd, daar weet -en dus merk- ik weinig van.
Waar ik wel wat van gemerkt heb, afgelopen week, is de consternatie rondom het Horster Hundje. Wel beschadigd, niet beschadigd. Wel zittend plassend of niet zittend plassend. Wel een Horster versje of niet een Horster versje. Wel een handtekening onder een petitie of geen handtekening. Wel draagvlak of geen draagvlak. Wel of geen gemeenschapsgeld. Wel naar de kritische inwoners geluisterd of niet naar de kritische inwoners geluisterd. Afgelopen dinsdag heeft Daan de Hulster van de Limburger er zelfs een heel artikel in de krant aan gewijd.
‘Veel dorpelingen hebben emotionele band met beeld’ kopte de krant. Nou ben ik ook dorpeling, maar ik herken die emotie bij mezelf niet zo. Waar ik wel van geniet, als ik er aan voorbij loop, is het plezier van jonge kinderen die er omheen dansen en zich vermaken met waterpret. Ik meen gelezen te hebben dat de drie genomineerde nieuwe hundjes alledrie dat waterplezier in stand houden. Dus van mij mag het allemaal doorgaan zoals het anderhalf jaar geleden blijkbaar gepland is.
Ik hoop dat Suzanne Duijf, Roel Sanders en Bodhi Raedts niet ontmoedigd raken door alle perikelen rondom het Hundje. Zij hebben te goeder trouw en met veel inzet mooie alternatieven voor het huidige hundje bedacht, toen er nog niemand van de andere dorpelingen er emotionele banden mee had. Vooral het ontwerp van Bodhi spreekt me aan. Alleen al omdat het ontstaan is uit heel veel creativiteit van een aantal kinderen samen. Ze bedachten zelfs acht varianten, waarvan er tot hun grote vreugde één, namelijk Bodhi’s hondje, bij de drie genomineerden hoort.
Het actiecomite ‘Behoud het hundje’ en de werkgroep ‘Vervang het hundje’ gaan over een paar weken met elkaar in gesprek. Ik denk niet dat ze er samen uit gaan komen, gezien de verhardende standpunten op social media. Hoe goed de initiatiefnemers ook proberen om de toon van de discussie netjes te houden, het riool dat Facebook heet laat zich niet sluiten. Daar is helaas lang niet alles goud wat er blinkt. Het hundje van Bodhi wel. Dat wordt helemaal van goud als het aan hem ligt. ‘Kostbaar, maar toch mag iedereen er straks aan zitten’, lees ik in de krant. Mijn stem heeft ie. Maar die hadden Timmermans en Dijsselbloem ook. Dus of dat helpt…
De grote waarde van creativiteit, nog zonder petities en Facebook…
Een foto van een jongetje, zittend op de grond tussen volwassenen in, met z’n hoofd rustend op één hand. Op een bepaalde manier voel ik me betrokken bij dat beeld. Hij is in gedachten verzonken. Zijn aandacht is gevangen door iets dat alleen hij ziet. In alle rust nieuwsgierig, zo zou ik zijn gemoedstoestand willen omschrijven. Een foto is aanleiding voor onderstaande beschouwing.
‘Spelenderwijs’ door het leven gaan. Een eigenschap, die bij mij wat op de achtergrond lijkt te raken. Met de vakantie in het vooruitzicht toch goed om die eigenschap weer wat op te poetsen. Gebruikmakend van een herinnering van 33 jaar geleden.
Gelaten nieuwsgierig naar de wereld kijken (foto van Cristina Gottardi via Unsplash.com)
In 1986 schreef ik mijn scriptie: ‘Peuters op de video’ met als ondertitel ‘Spelenderwijs’. De ondertitel suggereert een gemakkelijk verlopen proces, maar dat was zeker niet het geval. Pas toen ik in alle rust mijn nieuwsgierigheid kon focussen, mede dankzij een goede begeleiding, kwam het eindproduct tot stand. Een resultaat, waarvan de examencommissie uiteindelijk zeer gecharmeerd was. Een onorthodoxe aanpak had ik gehanteerd, vertelde men mij, en ik kreeg, behalve een dikke voldoende, ook het advies om die manier van werken voor de toekomst te bewaren. Bij het zien van de foto moet ik daar aan terugdenken.
Bespiegeling
Beschouwend. En nieuwsgierig. Ik zie de peuter op de foto en denk terug aan de tijd van toen. Het was in het voorlaatste jaar van de opleiding Logopedie. Ik liep stage in het ‘Peuterpracticum’. Dat was een peuterdagopvang, binnen de muren van de logopedische opleiding in Eindhoven. Kinderen met een ‘normale’ ontwikkeling en kinderen met een (risico op een) afwijkende spraak- en taalontwikkeling werden er opgevangen. Wij, een viertal derdejaars studenten Logopedie, begeleidden de peuters en hun ouders. Tegelijkertijd konden we de praktijk ervaren van ‘echte’ taal- en spraakontwikkeling. Een duidelijke win-win-situatie.
Theorie en praktijk
Het jaar daarop was mijn scriptiejaar. Met de stage van een jaar eerder nog vers in het geheugen, had ik bedacht dat ik het leerproces van peuters in beeld wilde brengen. Ik wilde live situaties uit het Peuterpracticum vastleggen op video, en die beelden voor het (logopedische) nageslacht bewaren. Voorzien van ingesproken commentaar, dat gebaseerd was op een gedegen theoretische onderbouwing. Ik had tenslotte niet voor niets al drie jaar logopedische theorie achter de rug en meende daardoor wel zo’n beetje te weten hoe het allemaal zat. Al die theorie moest toch in de praktijk te vangen zijn, vond ik. Voortvarend ging ik alvast van start.
Ontdekkingen
Prachtige beelden kon ik zo vastleggen. Juist door de spontaniteit van de peuters en hun onbevangenheid werden het stuk voor stuk prachtige scenes. De peuters voelden zich op hun gemak en leken dagelijks nieuwe ontdekkingen te doen. Ik was onder de indruk van wat ik achteraf terugzag op de videobeelden. Ik zag interactie, vaak zonder woorden, omdat die woorden veelal nog ontbraken of niet begrepen werden. Ik zag – ondanks talige beperkingen – hele creatieve oplossingen in interactieve en speelse situaties. Acties die keer op keer herhaald werden, maar goed beschouwd elke keer waardevol bleken, omdat ze telkens met zoveel plezier gepaard gingen. En door hele kleine variaties vaak nieuwe ervaringen met zich mee brachten.
Bomen en bos
Het leek allemaal zo voor de hand liggend en vanzelfsprekend, de ontwikkeling die ik zag. Maar juist daardoor liep ik vast in mijn scriptie. Want bij de beelden hoorde toch echt een theoretische onderbouwing. Er waren echter zoveel aspecten te beschrijven, er was zoveel theorie, met zoveel verbindingen en dwarsverbanden tussen theorie en praktijk, dat ik de beelden wel zag maar niet meer hoe die zich verhielden tot de ontwikkelingstheorieën. Ik probeerde verschillende invalshoeken maar niets kwam in de buurt van wat ik eigenlijk duidelijk wilde maken in mijn scriptie. Een frustrerende tijd voor een afstuderend student…
De boom zien en het bos even niet (foto van Annie Sprat via Unsplash.com)
De ommekeer kwam, toen ik merkte dat mijn ‘struggle’ om mijn scriptie ‘verder te ontwikkelen’ vergelijkbaar was met de ‘struggle’ van peuters op het gebied van taal- en spraakontwikkeling. Ik besefte dat mijn leerproces om te komen tot het einddoel ‘scriptie’ analoog verliep aan het proces van taalverwerving van peuters. Of, in een nog breder verband, overeenkwam met de ontwikkeling van peuters in het algemeen. Dat was een eye-opener, waarvan ik vandaag de dag nog steeds de vruchten pluk.
Het kind in mij…
Beschouwend, en vanuit rust nieuwsgierig kunnen zijn. Spontaan en onbevangen het leven tegemoet treden. Ontdekken dat vanuit een speels gemak, gedragen door vertrouwen, uitdagingen kunnen worden aangegaan. Ervaren dat het in het leven herhaaldelijk tegen zit, maar dat het elke keer toch de moeite waard blijkt als die drempels overwonnen worden. Plezier en ervaring voeden het vertrouwen op een goede afloop en houden tegelijkertijd de nieuwsgierigheid levend. In de beelden van de peuters zag ik destijds heel duidelijk mezelf. Nu, 33 jaar later, zie ik het terug in de foto van het zittende ventje. Ik kijk naar de foto en ervaar het kind in mij, dat nog steeds de wereld ontdekt.
Het kind in mij… (Foto van Katherine Chase via Unsplash.com)
Levensboot Kijkend naar de wereld
Van klein naar immens groot
Zó drijvend op het leven
Steeds gaat er weer een boot
De vrijheid evenaren
Die ‘t kind in mij me bood
Dat in het nú ervaren
En léven naar de dood
Nog een kwartiertje is het zaterdagochtend. Rondje gefietst, via de 200-jarige eik -waar nog steeds het eikenprocessierupsennest dreigend boven het bankje hangt- naar de plek onder de drie bomen, op de T-splitsing Dr. Droesenweg – Schadijkerweg. Hier heeft afgelopen week nauwelijks zwerfvuilvolk gepauzeerd, constateer ik tevreden. En misschien was de Plus-aansteker toch niet leeg, want die zie ik ook niet meer.
Afijn, op dit moment dus heerlijk toeven. Rechts van me hoor ik het regelmatige geluid van de sproei-installatie, die nog wat extra water toevoegt aan het veld, na de regenbui van vannacht. De temperatuur meet een aangename 24 graden en dat is toch bijna 20 graden minder dan gisteren. Ook fijn. Maar daar wil ik het eigenlijk helemaal niet meer over hebben. Record gebroken. Klaar. Wachten op het volgende record dat er ongetwijfeld gaat komen en verder muil houden.
Excuus voor mijn taalgebruik. Misschien komt het omdat ik gisteravond Jinek nog heb gezien, waar zangeres Merol te gast was. Haar liedje ‘Hou je bek en bef me’ was onderwerp van gesprek. Interessant. Ook Johan Derksen vond dat. Hij zat aan tafel omdat hij een aantal benefietconcerten organiseert voor de Katwijkse blueszangeres Aleksandra, oftewel AJ Plug. Tevens zijn chauffeur, omdat het bluesinkomen geen vetpot is. En behoorlijk ziek. Slokdarmkanker.
Mooi gebaar van bluesliefhebber Johan Derksen. Het concert op 10 augustus is in de Bonte Wever en op 22 augustus in Katwijk. Veel muziekcoryfeeen hebben hun medewerking toegezegd. Merol mocht ook komen, bood Johan spontaan aan. ‘Als je geen vieze liedjes zingt’, voegde hij er met een ondeugende blik aan toe. Jinek zelf bleef wat moeite houden om de titel van Merol’s liedje uit te spreken, omdat ze, zoals ze zei, ‘ook ouders thuis had zitten’.
Dubbel afijn. De kerklok van Meterik slaat half een. Talkshowhostpresentatrice is ook maar gewoon een beroep en zwerfvuil is er wel op meer plaatsen. Een associatie die in mijn hoofd opkomt en die ik daarom hier opschrijf. Waar die associatie vandaan komt, is me zelf niet helemaal duidelijk. Misschien omdat het allemaal wat veel is, wat je ongevraagd over je heen krijgt? Maar je hoeft toch niet te kijken? En je hoeft het toch ook niet op te schrijven?
Driedubbel afijn. Soms heb je van die buien. In de Volkskrant vanochtend ging het over The NewTantra. Vijf oud-cursisten komen aan het woord. Ze schreven zich in voor de workshop, verwachtten seksuele bevrijding en persoonlijk groei, maar het voelde uiteindelijk allemaal anders. Al met al ben ik nu eigenlijk benieuwd wat tantrameester Alex Vartman van het liedje van Merol vindt. En valt het grapje van Johan Derksen aan Jinek’s tafel over zijn ex-vrouw ook onder de noemer machtsmisbruik?
Gelukkig is het niet meer zo warm. Het is zaterdagmiddag een uur. Ik hou m’n bek en ga fietsen!
Compliment. Groot compliment aan de mensen van Openbare Werken van de gemeente Horst aan de Maas die de ‘zooi’ van de vorige keer hebben opgeruimd. In mijn herinnering (en ik heb de foto’s nog)
…indruk van de vorige keer
zie ik nog de stapel ellende die mensen hadden achtergelaten. Nu zit ik weer op hetzelfde plekje en is duidelijk dat er opgeruimd is. Bewonderenswaardig. En daarom bij deze de welgemeende complimenten voor de mensen die dat doen!
Dat het beroepsmatig is, dat ze dat doen, zegt veel over over hoe wij met z’n allen in elkaar steken. Mijn vorige verhaal over ‘zooi’ werd opgepikt door de afvalcoach van de gemeente Horst aan de Maas. In een reactie gaf ze aan dat ik het zwerfvuil ook kon melden. Dat heb ik toen gedaan via de gemeentelijke meldapp en jawel, op dezelfde dag ontving ik een mail dat er werk van was gemaakt.
Om precies te zijn: afgelopen donderdag om 12:01 kreeg ik een mailtje dat mijn melding geregistreerd was. Het bleek melding 3830 te zijn, maar daarover zometeen meer. Precies een uur later weer een mailtje. Ik citeer: ‘Deze melding is door onze collega’s van Openbare Werken afgehandeld’. Binnen een uur! Dus complimenten en respect.
Het is nu zaterdag, twee dagen later. Ik was benieuwd hoe ‘afgehandeld’ er in de praktijk uit zou zien en ben dus weer op dezelfde plek aan het schrijven als de vorige keer. De rotzooi van toen is weg. In de tussentijd heeft iemand, of meerdere iemanden, toch weer kans gezien om een beginnetje te maken aan een nieuw vuilnisbeltje, maar dat doet aan de prestatie van Openbare Werken niks af.
Het was melding 3830… Ik weet niet wat melding nr. 1 was en wanneer die gedaan is, maar bijna vierduizend meldingen zegt iets over ons. Als al die meldingen op een net zo snelle manier zijn afgehandeld als mijn melding, dan zegt dat vooral ook iets over de mensen van Openbare Werken. Dus nogmaals, niets dan lof voor deze club.
Op mijn verhaal van de vorige keer reageerde iemand die schreef dat ik een groter statement zou hebben gemaakt, als ik de rommel toen zelf had opgeruimd. Over die opmerking heb ik wel een paar dagen nagedacht. Was dat zo? Maar ik ben er uit. Nee, dat is niet zo. Want daar ging het niet om. Het ging om rotzooi die andere mensen zomaar achterlaten. En niet om rotzooi die wordt opgeruimd. Daar gaat dìt verhaal over.
Nog een kleine plus op het eind. Mocht er op deze pauzeplek in de toekomst een afvalbak worden geplaatst, dan beloof ik bij deze, als ik hier dan weer ga schrijven, dat ik een paar blikken, een weggegooide aansteker en een paar flessen -nu het begin van mogelijk weer groter afvalleed straks- wèl op zal ruimen.
Het blijft een fijne plek. Vooral door de mensen van Openbare Werken. En ik laat het aan hun deskundigheid en inzicht om af te wegen of een afvalbak een oplossing is. Mogelijk wel sneller opgeruimd, maar dan vergeet ik misschien die 3829 andere meldingen…
PS Ik heb niet gecontroleerd of de aansteker het nog doet, maar ik vermoed dat die leeg is.
Een buitenverhaal. Op een plek die elke keer als ik er weer zit, méér vervuild is dan de keer daarvoor. Hoe langer ik er naar kijk, hoe meer mij het gevoel bekruipt dat we met z’n allen niet meer te redden zijn. Als er op een rustige zitplek, net buiten Meterik, al zo gemakkelijk zoveel rotzooi wordt achtergelaten, hoe moeilijk wordt het dan om het afvalprobleem van de wereld op te lossen.
Afijn. Op een zondagmiddag heb ik weleens vaker van die confronterende, moedeloos makende wereldverbeterende gedachten. Het is het eerste dat bij me opkomt, terwijl ik ga zitten en om me heen kijk. Achter een boom ligt de meeste troep. Gebruikte servetten. Snoeppapiertjes en lege aluminium bakjes. Veel lege blikken en hier en daar een leeg pakje sigaretten. Als ik het van dichterbij bekijk, dan zie ik binnen- en buitenlandse merken, zowel op de blikken als op de sigarettenpakjes.
Terwijl ik me afvraag waar het aan ligt dat mensen zo gemakkelijk hun troep achterlaten, valt mijn oog op een achtergelaten folder. ‘Meer kopen, meer korting’ staat er prominent links boven in de hoek. Misschien is het dat wel, bedenk ik me. We hebben gewoon te veel en dan nog worden we voortdurend aangezet tot meer. Zeker als er korting wordt gegeven.
Wrang dat die folder nu gewoon tussen de andere troep ligt. Maar misschien ook wel heel goed en tekenend voor de situatie. Voor elke rustzoekende toerist, fietser of wandelaar die hier plaats neemt tussen de rommel is het mogelijk een bewustwordingsmoment. Na de eerste ergernis over de rotzooi is het in tweede instantie misschien wel een stimulans om eens na te gaan hoe het eigen koop- en opruimgedrag is.
Ik zag dat het kermis was in Meterik, toen ik hier naar toe fietste. Vertier rondom de kerk. Veel fietsers die hier voorbij komen om te genieten van de feestelijkheden. De meesten weten waarschijnlijk niet aan welke rommel ze voorbij komen. Hoewel ze langs hun route met grote waarschijnlijkheid ook al het een en ander in de berm hebben zien liggen. Wie weet, misschien zelf wel iets hebben weggegooid.
We doen het zelf. Het wel of niet weggooien en -gelukkig- zo nu en dan ook het opruimen. Of er over schrijven. Ik laat het voor nu bij het laatste. Maak nog wat foto’s ter illustratie en besluit het verhaal te delen. Ik troost me met de gedachte dat er op deze plek toch nog steeds méér groen is dan zwerfvuil. Met een opgeruimd gemoed (zucht) fiets ik weer naar Horst. Richting terras. Iets te drinken kopen…