Schatten aan herinneringen…

‘Gortmeule wifi kleine veld’. Een mededeling die spontaan op mijn scherm verschijnt, vlak voordat ik in alle rust aan mijn ‘zondagse verhaal’ wil beginnen. Het brengt me even van mijn apropos. Maar tegelijk is het ook wel toepasselijk. Kort daarvoor heb ik bij jouw plekje gezeten, maar daar was het me toch wat te druk. Wat dat betreft heb je genoeg aanloop, bedenk ik me nu, en ik denk aan de tijd dat je nog leefde, toen dat heel anders was.

Ik had me voorgenomen om weer even tegen je aan te praten. In de wetenschap -of moet ik zeggen in de hoop- dat mijn gedachten op de een of andere manier bij je aankomen. En als ze bij jou aankomen, dan komen ze wellicht ook wel aan bij onze ouders. Doe ze de groeten als dat zo is. Gisteren in de achtertuin nog een kleurige vlinder voor me uit zien vliegen. Mooi dat ik toen ook even aan je moest denken. Misschien dat ik daarom nu hier zit.

Soms vraag ik me af of die ‘gesprekken’ die ik met je heb, niet vooral gesprekken zijn met mezelf. Of, indirect, monologen met anderen, hoe vreemd dat ook klinkt. Maar omdat ik dit opschrijf en straks via internet deel, maak ik hen die dit lezen deelgenoot van mijn gedachten. Ik stel me voor dat iedereen bij gelegenheid wel eens terugdenkt aan iemand. Als mijn gedachten op ‘papier’ die herinneringen dan oproepen, dan hoop ik dat ze net zo zonnig zijn als de dag van vandaag.

Twee fietsers, een man en een vrouw, komen mijn kant op. Niet alleen dat, ze stoppen bij het bankje, waar ik zit. Wat blijkt? Onder de bank is een ‘geo-schat’ verstopt. Hun hobby is het om die schatten op te sporen. Ik heb daar wel eens van gehoord, maar ik ben er nog nooit in levende lijve mee geconfronteerd. Hij pakt de schat, pakt er een briefje uit en noteert er wat op. Dan gaat de schat weer terug onder de bank. Even met hen over deze wondere wereld gesproken. Vrij snel gaan ze weer op weg. Op zoek naar een andere schat. Te vinden over de hele wereld, vertelde hij. Het maakt me nieuwsgierig.

Als ze weg zijn, bekijk ik de schat eens nader. Ook de inhoud intrigeert me. Vanaf juli van dit jaar hebben al een groot aantal mensen de schat gevonden, zie ik op het briefje dat in het schatkokertje zit. Mijn spontane ontmoeting van zojuist heeft hun geocache-naam ook genoteerd zie ik. De vinddatum is schriftelijk geregistreerd. Maar ze gaan het ook nog digitaal doorgeven, legde hij me zojuist uit. Misschien had ik hem moeten vertellen dat hier ook ergens WiFi in de lucht hangt…

Een korte, spontane ontmoeting, op deze zonnige zondag. Op een plek waar je het niet verwacht, is een schat verborgen. Nu ik er zo over nadenk, in de rust die al weer een tijdje heerlijk voelbaar is, is het net alsof het zo moest zijn. Er zijn op de hele wereld plekken waar schatten verborgen liggen. En iedereen mag die vinden. Omdat ze ooit in het verleden zijn ‘verstopt’. Maar ook nu en in de toekomst nog een plek gaan krijgen. Schatten aan herinneringen. Je hoeft ze alleen maar te vinden. En soms komen ze, net als vlinders, vanzelf naar je toe…

Lief…

Een uurtje orgelen in Hof te Berkel. Het was even geleden, maar vrijdagmiddag is het er weer een keer van gekomen. Van drie tot vier. Deuntje uitkiezen, draaien en zo nu en dan tekst er bij zingen. Nederlandstalig, duitstalig, engelstalig, franstalig, ja zelfs italiaans repertoire draai ik uit mijn orgel. En als je het maar fonetisch uitschrijft, dan klinkt elke taal gezongen nog best autochtoon ook.

Elke keer voel ik een kleine drempel om te beginnen. Want niet elke bewoner lijkt zich bewust van het muzikale intermezzo dat hen te wachten staat. Maar mijn ervaring is ook dat de meeste bewoners mensen zijn van het moment. Dus bij de eerste klanken breekt het ijs snel. En wanneer de tekst kan worden meegezongen, blijkt muziek en zang toch een hele fijne manier om mensen even te laten genieten van het moment.

Daar focus ik op. Ik leg de nadruk op hen die ik zie genieten. En ook de mevrouw die in het begin haar ogen dicht houdt, doet die toch op sommige momenten even open. Slaapt daarna ook weer verder, maar wie weet, zijn haar dromen vanaf dat moment toch een beetje muzikaal gekleurd. Zeker bij hen, waarbij het ‘nu’ misschien vooral verleden is en veel minder toekomst, lijkt zo’n moment van herkenning een welkome afwisseling.

Van het vanmiddag tot mij ‘veroordeelde’ luisterpubliek ontving ik na afloop een bedankcadeautje. Zojuist -het is nu bijna middernacht- heb ik dat presentje geopend. ‘Lieve Geert’, zo opent de kaart, die vastzit aan een mooi verpakte boekenbon van de Bruna. Ik wordt er een beetje verlegen van. ‘Lief’, denk ik meteen. ‘Had niet gehoeven’ is een tweede gedachte. ‘Maar je vindt het wél leuk’, galmt een ander stemmetje heel eerlijk door mijn hoofd. En dat is zo.

Dus, dankjewel, voor de driedubbele blijdschap. Voor de boekenbon en voor het gevoel vanmiddag welkom te zijn geweest. Maar vooral voor dat ‘lieve’ in de kaart. Ook met de ogen dicht klinkt dat fijn. Ik hoop dat die mevrouw dát vanmiddag op haar manier net zo heeft ervaren. Tot een volgende keer.

bedankkaart

 

Mét of zónder bril …

met brilMijn rijbewijs verloopt morgen. Daar kwam ik gisteren achter, dus daar heb ik toen maar meteen werk van gemaakt. De pasfoto op mijn oude rijbewijs was minstens van 10 jaar geleden. Toen keek ik nog zonder bril en had al mijn baardhaar zich geconcentreerd onder mijn neus. Ik had er dus alle begrip voor dat een nieuwe pasfoto nodig was. Een paar minuten later zat ik bij vakfotograaf Eugene op de stoel en mocht ik een groot stuk wit karton onder mijn kin houden, ter hoogte van mijn borstkas. De lichtinval was namelijk heel belangrijk voor pas- en rijbewijsfoto’s, vertelde Eugene me.

‘Ook een paar foto’s zónder bril’, zei de fotograaf, ‘want daar doen ze wel eens moeilijk over’. Met ‘ze’ bedoelde hij waarschijnlijk de gemeente, de plek waar een rijbewijs moet worden aangevraagd of, in mijn geval, verlengd. Daar kwam ik juist vanaf. Sterker nog, daar werken mijn collega’s en daar zou ik zometeen mijn nieuwe pasfoto’s aan toevertrouwen. Mét bril, nam ik me voor, want dat was hoe ik me in het openbaar vertoonde en hoe mensen mij zagen. En ik de mensen weer zag, sinds het moment dat mij de bril op de neus werd gezet. Met andere woorden, de bril hoorde sinds een paar jaar bij mij. Vond ik. Maar dat vonden mijn collega’s niet…

Aan de receptiebalie werd de eerste test uitgevoerd. Een kopie van mijn pasfoto liet zien dat mijn bril een soort van minimale witte schaduw op mijn voorhoofd wierp. Het was twijfelachtig en bijna niet zichtbaar, maar toch. ‘Witte plekken op de foto mag niet. Acht van de tien foto’s van mensen met bril worden afgekeurd’ wist mijn collega te vertellen. ‘Maar je kunt het proberen’ was haar advies. Ze gaf me een nummer en verwees me naar de grote tafel in de wachtruimte van het gemeentehuis. ‘Het scherm in de gaten houden tot je nummer daarop verschijnt en dan zie je aan welke balie je verwacht wordt’.

Het duurde nog géén minuut. Balie 1. Even gezellig gebabbelt, maar ook snel ter zake gekomen. Ik schoof de foto mét bril naar voren. ‘Die wil ik graag op mijn nieuwe rijbewijs’, zei ik. Meteen verscheen er een bedenkelijke frons op het gelaat van mijn collega. Opnieuw werd er een printje van mijn foto gemaakt. Mijn collega liep er even mee naar achteren om raad te vragen aan andere collega’s. Ondertussen schoof ik maar alvast een foto zónder bril uit het pasfoto-mapje. Mijn voorgevoel werd bevestigd. ‘Zónder bril’. De formele uitspraak was gevallen. ‘De bril is een accessoire, die kun je afzetten. Je identiteit kun je niet afzetten, dus daarom’.

Tijdens het invullen van het formulier liet ik die motivatie verder op me inwerken. Formulier plus foto ging naar Enschede, werd me verteld en daar werd de foto opnieuw -volgens ‘Fotomatrix Model 2007’- aan een onderzoek onderworpen. Is de mond goed gesloten, staan beide oren er op, etc. Wie ooit een pas of een rijbewijs heeft aangevraagd, herkent waarschijnlijk de criteria waaraan je moet voldoen om ‘gewoon’ te zijn wie je bent. De foto van mijn identiteit -die ik niet kon afzetten- werd letterlijk strak ingekaderd en op het speciaal daarvoor geprepareerde formulier geplakt. Ik zag twee blokjes links en rechts van het kader, ter hoogte waarvan mijn oren moesten komen. Gelukkig stonden die er allebei op. En op gelijke hoogte…

Het schijnt dat je als inwoner van een gemeente gemiddeld één keer in de drie jaar in een gemeentehuis komt. Als je er werkt is dat vaker. En als je er full-time werkt is dat elke dag. Net als ik. Maar soms is het goed om te ervaren en vervolgens vooral te beseffen wat de impact is van wat we met z’n allen aan regeltjes en gebruiken hebben bedacht. Terwijl mijn collega de handelingen verrichtte die nodig waren, dacht ik na over mijn identiteit die ik niét, en over mijn bril die ik wél kon afzetten. Dat ik dan niks meer zou zien en die hele identiteit voor mij één vage blur zou zijn, deed helemaal niet ter zake, bedacht ik me. Niet lachen, mond dicht en twee oren tussen twee blokjes. Zo was het nu eenmaal en dus kwam je zó op je rijbewijs. Als je voldoet aan wat moet. 38 euro 95. En dat allemaal heel vriendelijk. Niets dan lof voor mijn collega’s. En dat meen ik.

Volgende week vrijdag is mijn nieuwe rijbewijs klaar en moet ik mijn oude rijbewijs meenemen om het nieuwe te krijgen. Na zondag mag ik niet meer rijden, tenzij ik met mijn verzekering iets regel. Dan zijn er blijkbaar wel mogelijkheden, maar ik ga niks regelen. Het was gewoon mijn eigen schuld dat ik m’n rijbewijs zo laat heb verlengd. Ik ga gewoon met de fiets. Dat deed ik toch al. Elke dag opnieuw. Naar dezelfde werkgever, die ook mijn collega’s in dienst heeft. Goeie collega’s, die net als ik in overheidsdienst werken en vanaf hun flexibele werkplek dátgene uitvoeren wat met z’n allen in dit land is bedacht. In Den Haag, in Enschede en ook in Horst aan de Maas.

Mét of zónder bril, dat blijft een heel interessant gegeven. Metaforisch bijna. Mét bril is alles misschien wel beter te zien, maar soms moet je bril ook even af om iets beter te begrijpen. Bijvoorbeeld begrip voor al die mensen die maar één keer in de drie jaar bij de overheid aankloppen en vervolgens op feestjes heel hard kunnen lachen om ambtenarengrappen. Met open mond lachen en tranen in de ogen. Begrip dat op zulke momenten misschien wel de ware identiteit onthuld wordt. De identiteit die je niet op rijbewijzen of op paspoorten ziet. De identiteit van de ‘echte’ wereld, waar de overheid vaak heel ver vanaf lijkt te staan. Begrip voor iedereen die zich daar elke vier jaar tóch weer voor wil inzetten. En ook begrip voor hen die dat niet doen. Met of zonder bril.

Vrijdag mag ik weer rijden. Mét bril. Met een nieuw rijbewijs. Zónder bril. Veilig, maar onherkenbaar. Welke Nederlandse filosoof was dat ook alweer, die zei: ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’?

Verhaal horen? Klik hieronder. Eerst muziek: ‘Without me’ van Eminem (tot 4:51). Dan het verhaal (tot 11:28). En tenslotte ‘It’s not my name’ van The Ting Ting’s.

Getekend…

Twee tattoo’s gekocht, net na de middag op de kindermarkt. 25 eurocent per stuk. Ze werden vakkundig met een nat washandje aangebracht. De inzet en zorgvuldigheid waarmee dat gebeurde was bewonderenswaardig en vertederend. Een creatief idee van een viertal kids. Actief de boer op en de bezoekers aan de kindermarkt -toch weer duizenden in getal- iets aanbieden waardoor ze verrast, vertederd en vervolgens overtuigd werden om tot koop over te gaan.

Menigeen is zo vanmiddag ‘getekend’ voor het leven. In ieder geval toch voor de duur van deze zondag. Een zondag waarop ik me ook had voorgenomen om te schrijven. Over de afgelopen dagen en misschien wel over afgelopen woensdag. Zodoende ben ik later in de middag met iPad en zitkussen achter op de fiets vertrokken, naar een inspirerende plek in Horst. Eerste gedachte was om bij Trudy te gaan zitten, maar die plek was bezet door twee mensen. Toen ik daarna langs het water van de Kasteelse bossen fietste, wist ik het zeker dat ik over woensdag wilde schrijven. Over het afscheid van Maartje…

Het was druk op het strand. Er lagen mensen te zonnen. Maar het was lang niet zo druk als woensdagmiddag, toen de herdenkingsdienst van Maartje Truijen er werd gehouden. Ik kon daar zelf niet lijfelijk bij zijn maar een aantal indrukwekkende momenten heb ik op foto’s mogen zien. Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat er zo’n 750 personen aanwezig waren. Maartjes kist stond op de grens van water en zand.

Tijdens de dienst zwommen er zo nu en dan nietsvermoedend kinderen voorbij, vertelde mijn betrouwbare bron me. Spelend en plezier makend. Onverwacht toch helemaal passend bij de gelegenheid. En zeker passend bij Maartje, als ik de honderden en honderden reacties en condoleances op social media goed heb geinterpreteerd. Reacties, onder andere van haar collega’s van Spring Kinderopvang, waar ze werkte. Maar ook van heel veel ouders die al jarenlang hun eigen kinderen aan Maartjes goede zorgen toevertrouwden.

Als jonge mensen plotseling afscheid moeten nemen van het leven, dan ijlt het ongeloof nog heel lang na. Ongeloof over wat op een zwarte dag in één keer pijnlijk waar is geworden. Op het ene moment nog een gewaardeerde en waardevolle plek in dit leven, en dan -abrupt en zonder overgang- op het andere moment ‘elders’. Met niets daartussen, lijkt het. Net als zand en water op het strand. Voortdurend meebewegend met elkaar. Het zand laat het water niet los en omgekeerd.

Op de grens tussen zand en water. Het was de plek waar Maartje afscheid nam. Van iedereen daar op het strand. En zonder dat ze het zich bewust waren, ook van de spelende kinderen achter haar in het water. Van de mensen die links van haar op het strand van de zon genoten. Of tekeningen maakten in het zand. Net als vandaag. Ze nam afscheid door voortaan juist daar te zijn waar iedereen is. Zelfs bij hen die het niet weten. En zeker bij hen die haar nooit zullen vergeten. Elke dag opnieuw. Neemt ze afscheid en begroet ze. Tussen zand en water. Beweegt ze mee en laat ze niemand los. Verdrietig getekend voor het leven maar ook… verrast, vertederd en in eerbied daarvan overtuigd…

Voor Erwin, Job, Elle en Anne
en voor iedereen om Maartje heen

Tegenwind…

Vanochtend is Leon gecremeerd en vanmiddag ga ik naar de crematie van Tiny. Twee mensen die elkaar waarschijnlijk helemaal niet kenden, maar de cirkels van mensen om hen heen raken elkaar al snel. Op het snijpunt van twee van die cirkels bevind ik me. Bij de crematie van Leon was ik in gedachten aanwezig, vanmorgen tijdens het hardlopen. Ik moest er aan denken toen ik letterlijk de wind van voren voelde terwijl de zon op mijn rug scheen. Leon en Tiny. Een gedachte aan hen beiden die ik graag wil delen.

Leon ken ik van onze vriendenvolleybalclub waar hij jaren geleden ook lid van was. Tiny is de moeder van een collega van me. Tiny’s ziekteproces was er een van ups en downs. Leon is op zijn vakantieadres in elkaar gezakt en overleden. Hij dus heel plotseling, zonder enige aanleiding vooraf. En zij met een soort van gracieuze geleidelijkheid. Ik herinner me dat ik Tiny en haar man Mart vorig jaar nog heb mogen toezingen, op hun vijftig jarig huwelijksfeest. Dat was op 25 mei 2016. Toen 50 jaar getrouwd. Nu, zo’n anderhalf jaar later, al bijna 52 jaar.

In de Hallo staan de rouwadvertenties van Tiny en Leon naast elkaar. Ik zie dat Leon 52 is geworden. Het aantal jaren dat Mart en Tiny’s huwelijk bijna heeft geduurd. Wat een droevige dag moet het voor beide families zijn vandaag. Voor de ene familie een afsluiting van een ziekteproces, waarbij ze allemaal heel intensief betrokken waren. En voor de andere familie een begin van een periode waarop waarschijnlijk nog niemand zich ook maar enigszins op heeft kunnen voorbereiden. Onwaarschijnlijk. Onvermijdelijk.

Vanmiddag tonen we onze betrokkenheid bij het verdriet. Met mijn collega’s bezoek ik de crematie van Tiny. Meer mensen zullen daar zijn, want Tiny was een mensen-mens. De cirkels van alle mensen om haar heen zullen elkaar ongetwijfeld op meerdere punten raken. We zullen elkaar zien en in stilte de wederzijdse verbondenheid voelen. En ook vanmiddag zal de wind waaien. De zon zal schijnen, al dan niet achter de wolken.

Voor iedereen, maar vandaag speciaal voor Mart, Suzie en Veronique. En voor Monique, Rick en Melissa. Voor de familie, alle vrienden en bekenden. Voor iedereen. Even de wind van voor en de zon op de rug. Maar straks, als de wereld verder gaat en jullie de wind weer mee hebben, dan zul je zien, zal ook de zon haar warmte weer op ieders gezicht laten landen. En wie weet, hebben Tiny en Leon daar voortaan allebei wel hun aandeel in. 

Eikels…

In een rechte lijn ben ik naar de plek gefietst waar ik dit verhaal wil opschrijven. Nog geen besef van het onderwerp, maar wel van de plek waar het moet gaan ontstaan. Als ik voor me uit kijk zie ik dit:


En achter me een eikenboom die er waarschijnlijk al honderden jaren staat. 

De omvang van de boom wordt pas echt duidelijk wanneer je die in verhouding ziet met een alledaags gebruiksvoorwerp: een fiets. Vier van die fietsen zou je tegen die boom aan kunnen zetten en dan zouden ze elkaar volgens mij niet raken. Ik heb maar één fiets bij me, dus ik kan dat niet proefondervinderlijk onderbouwen. Maar evengoed..

Ik heb hier vaker gezeten en me verbaasd over de rust en -vooral door die boom- over de relativiteit van tijd. Net vandaag wandelen er twee dames voorbij. Ik hoor ze van links aankomen en pratend passeren ze de houten bank waarop ik zit. Bij één van hen bungelt een pasje aan haar broeksriem. Zo een waarmee we ook op mijn werk deuren, die electronisch gesloten zijn, kunnen openen. Ik vraag me af waar hier in de buurt dergelijke deuren te vinden zijn en realiseer me tegelijk dat de eeuwigheid van deze plek waarschijnlijk dichter bij de tijdelijkheid ligt dan me op dit moment lief is.

Dit moment. Op de bank lagen eikels toen ik er wilde gaan zitten. 

En in de korte tijd dat ik er zit, valt er zo nu en dan nog een uit de boom. In de verte krast een kraai. Opnieuw komt er een wandelaar over het pad dichterbij. Ook hij draagt zo’n pasje, valt me op als hij groetend voorbij loopt. Het is vrijdag, net middag. Een tijdstip waarop ook op mijn werk veel collega’s besluiten tot een middagwandelingetje. De (bijna) afgelopen drie weken van mijn vakantie heb ik ze vaak zien lopen, in groepjes of alleen. Vanaf mijn ‘vakantieplek’ op het terras een herkenbare, maar even nog een wat-verder-van-mij-liggende wereld.

Ik hoor een eikel in de boom op een tak vallen. In zijn weg naar beneden raakt hij nog een tak, wat bladeren en daarna de grond. Vier keer een tik, die elke keer net even wat anders klinkt. Het doet me denken aan een wiskundeproef van vroeger. Een schuin rechtopstaande bak, op regelmatige afstand volgetimmerd met spijkers, werd van bovenaf volgegoten met honderden knikkers. De kans dat één van die knikkers, stuiterend op de spijkers, uiterst links of uiterst rechts in de bak landt is kleiner dan de kans dat knikkers in het midden terechtkomen. Uiteindelijk zag je zo een Gauss-kromme ontstaan. Ik denk daarom niet dat ik een eikel op mijn hoofd krijg…

Wel een rupsje op mijn been, zie ik. Een half uur maak ik nu zelfgekozen deel uit van dit idyllische plekje en dat wordt door sommige ‘autochtonen’ blijkbaar als opvallend en onderzoekswaardig ervaren. Een wesp komt even een kijkje nemen. De wind waait door de struiken achter me en laag over het weilandgras voor me scheren zwaluwen kris kras voorbij. Heen en weer, steeds opnieuw. Rechts van me hoor ik ganzen snateren. Van die kant ook spelende kindergeluiden. Waarschijnlijk gasten van camping Landgoed de Gortmeule.

Het is lekker weer op mijn laatste vakantiedag. Blauwe lucht, witte en grijze wolken door elkaar heen. Bewogen door de wind die ook beneden af en toe zijn invloed laat gelden. Een eikel landt met een doffe tik vlak naast mijn schoen. Iets verderop ook twee. Oef… waar is Gauss als je hem nodig hebt.

Ik besluit het noodlot niet verder te tarten en verlaat deze mooie plek. Met een knik naar het kruis dat door honderdjarige takken wordt beschermd, ben ik klaar voor alles wat komen gaat. Ik kan niet anders. Want krijg ik ooit een eikel op mijn hoofd,  dan kan ik er maar beter van genieten…


Vakantievlucht…

Twee derde van de vakantie zit er op. Dit jaar ‘rundumhausen’. Prachtig weer tot nu toe en daarom regelmatig de terrassen op het mooie Wilhelminaplein bezocht. Daar tref je zo nu en dan je eigen dorpsgenoten, maar nog vaker toeristen die Horst aan de Maas als vakantieadres hebben uitgekozen. Goeie keus denk ik dan, nippend aan mijn cappuccino, of -als dat stadium al gepasseerd is- aan mijn Pauwel Kwak of halve liter Paulaner.

Met al die vakantiegangers om mij heen, is het eigenlijk best wel een contrast als een sporadische dorpsgenoot die ik op het terras tref, mij steevast de vraag stelt, of ik ‘al weg ben geweest’. Zelf is de persoon in kwestie net terug, of vertelt in geuren en kleuren naar welk ver oord hij zijn komende vakantie gaat doorbrengen. Het feit dat wij ‘niet weg gaan’ leidt in 99 van de honderd gevallen na een hele korte stilte tot de opmerking ‘dat dat ook eigenlijk helemaal niet hoeft’.

Ik beluister evenwel vaak een ietwat overdreven stelligheid als die opmerking gemaakt wordt. Soms is het de timing en de net wat teveel nadruk krijgende vanzelfsprekendheid in de klank van de stem, waardoor ik ga twijfelen. Niet zozeer aan onze zelfgekozen vakantie ‘rundumhausen’, maar meer aan de vakantieverhalen uit verre oorden. Zeker wanneer het argument ‘dat het er bijna niets kostte’ om de hoek komt kijken..

Was dan thuis gebleven, denk ik dan, dan had je nog meer bespaard. Onterecht, want ook een Pauwel Kwak of een Paulaner op het terras in Horst-Centrum krijg ik niet voor niks, maar toch. Over je vakantie vertellen en dan vooral enthousiast worden omdat je er voor tien euro met twee personen hebt gegeten en gedronken, ik krijg daar altijd een dubbel gevoel bij.

Dan heb je die mensen daar dus ook heel weinig laten verdienen, denk ik dan. Ook onterecht, want onze euro’s zijn in allerlei vakantielanden blijkbaar zeer gewild. Ook al zijn het er maar tien voor een twee-persoons warme maaltijd met drinken erbij. En geen gewone pilsjes! Nee, halve liters! En ijskoud! Dat is meestal het moment dat ik zelf weer een slok neem van mijn eigen koude Paulaner..

Ach, waar hebben we het eigenlijk over, denk ik dan ook wel eens. Onmachtig om met elkaar de echte problemen van de wereld op te lossen, houden we ons vooral bezig met onze eigen kleine ergernissen. Moet kunnen. Sterker nog, we doen het allemaal. Niks menselijks is ons vreemd. Maar toch is het zo nu en dan ook wel eens goed om jezelf niet als maat der dingen te nemen.

rania mustafa aliEn als je dan heel eerlijk bent, en op Facebook de korte documentaire van een vluchtende jonge vrouw uit de kapotgeschoten Syrische stad Kobane hebt gezien, dan moet je ook op twee derde van je vakantie concluderen dat al het menselijke ons misschien juist wel heel erg vreemd is geworden. Want evengoed is 10 euro voor een complete warme maaltijd niet duur en drinkt een Paulaner heerlijk weg. ‘Ga je nog weg?’, was de vraag? Nee, ik niet, dit jaar. Rania Mustafa Ali wel. En meer dan 3,5 miljoen mensen keken er naar en werden het opnieuw niet eens.

Bovenstaande column live voorgedragen in het radioprogramma Wört (Omroep Reindonk). Zoals altijd voorafgegaan en afgesloten door muziek. ‘Food in the belley’ van Xavier Rudd bij aanvang en ‘All is waiting’ van Jodymoon na afloop. Voor de liefhebber: klik hieronder.

 

Geen wedstrijd…

Ik weet het niet. Niet wat ik er over zou willen schrijven en niet wat ik er over zou willen zeggen. Die laatste situatie komt met regelmaat voor als er gesproken wordt over wat er zich in de wereld afspeelt. Obamacare al dan niet, Trump al dan niet, Poetin al dan niet, Van der Staay al dan niet, ISIS-terugkeerders al dan niet, een Nederlandse regering al dan niet. Vrouwen, mannen en voetbal al dan niet. Vrouwen en mannen überhaupt al dan niet. En zo zijn er nogal wat topics.

Gooi al deze zaken in een potje, schud er goed mee en laat alles er maar weer uitlopen. Je zult zien dat er een heleboel nieuwe combinaties uitkomen, uit dat potje nat. Van der Staay als fundamentalist, al dan niet (column van Leon Verdonschot), Nederlanderschap voor ISIS-spijtoptanten, al dan niet (vlog #19 van Ebru Umar). Trump er dankzij Poetin wel of niet (tegenstrijdige berichten in diverse media). Vrijwillige levensbeëindiging bij ondraaglijk lijden al dan niet. Is dementie ondraaglijk? Is Trump dement? Allemaal nieuwe combinaties waarvan ik ook dan nog steeds niet goed weet wat ik er over zou willen of kunnen zeggen.

Er over schrijven gaat meestal beter. Want dan heb je even de tijd om na te denken over je mening. Of niet. Want is het wel zo vanzelfsprekend om steeds iets te ‘vinden’? Soms lijkt het in deze meer en meer gepolariseerde wereld dat je moét kiezen. Een mening moét hebben. Over mannen. Over vrouwen. Over voetbal. Over politiek of internationale handelsverdragen. Bio-industrie. Eigenlijk over alles wordt je geacht wat te vinden. Want als jij er geen mening over hebt, dan vinden al die anderen er wel wat van. En dan sta jij, voor dat je het weet, met 1-0 achter en heb je het toch weer over voetbal.

Zoveel meningen. Zoveel tegenstellingen. Telkens weer vooral pijnlijk confronterend hoe elk onderwerp tot strijd wordt verheven. In discussieprogramma’s op tv, op Facebook en andere social media. In de krant. Argumenten worden soms zóver omgebogen dat wat waarheid leek, ineens leugen is. En andersom. ‘Fake-news’ als het je niet bevalt en ‘the truth’ als het jezelf aanstaat. Geen plek voor ‘agree to disagree’. Want bij 1-1 is er geen winnaar. Dus…

Je zou kunnen zeggen dat ik op dit moment een wat cynische toon aansla. Maar ach, mijn eerste week van de vakantie zit er bijna op en ik heb wat meer tijd besteed aan de kranten en aan social media. Ik heb wat reacties gelezen en soms reacties op reacties opengeklikt. Op de column van Leon Verdonschot bijvoorbeeld. Of de vlog van Ebru Umar. Nuance is vaak ver te zoeken zeg ik even eufemistisch. En dan lopen de scores snel op, kan ik vertellen. Van zoveel onbegrip, haat en onnozelheid valt niet te winnen. Misschien wel omdat begrip, liefde en wijsheid geen wedstrijd is.

Leonard Cohen

‘Sounded like the truth…’ is een regel uit de liedtekst die ik nu hoor. En ‘now it seemed to late to turn the other cheek’. De titel van het lied is ‘It seemed the better way’. Nog nooit gehoord, maar wat een prachtige tekst weer. En wat een stem. Via Spotify deze afspeellijst gekozen. ‘This is Leonard Cohen’. En daarvan nu ‘Ten new songs’. Dat verklaart misschien waarom ik deze song nog nooit heb gehoord.

Teksten van Cohen spreken vaak mijn herinneringen aan. Of prikkelen mijn fantasie tot het uiterste. ‘I want to speak to Leonard’ zingt hij nu. Een autobiografisch lied waarin hij een kritisch en reflecterend gesprek met zichzelf aangaat. Zichzelf beschrijvend als een man ‘living in a suit’. En zo nog meer mooie sfeerbeelden, die uitblinken in virtuositeit. Terwijl je er naar luistert, tekenen de woorden de scenes in je hoofd.

‘Take this waltz’… Even luisteren… ‘And i burry my soul in a scrapbook’. Je ziel, of dat wat er straks van je overblijft, ‘begraven’ in een plakboek. Of op een blogsite. Herkenbaar. Luisteren en opschrijven wat er zo in je opkomt. Ik heb dat wel vaker gedaan. Ooit met de top-2000 bij een liedje van Karin Bloemen, ‘De dag waarop je moeder sterft’ was toen inspiratiebron. Vandaag met Mees nog even bij haar graf gestaan.

Wat hij zingt klinkt als de waarheid. Een waarheid die wel uitnodigt voor eigen interpretatie. Die ook gelegenheid biedt om je mening bij te stellen. Ook al is dat soms pas achteraf en is het te laat om je andere wang nog toe te keren. Wat dan overblijft is om je ziel en zaligheid vast te leggen in een verhaal. Op een blogsite. Of in beelden te bewaren in een fotoalbum. Of voor hen die de kunst machtig zijn, te vangen in een lied. Zoals Leonard.

Vlindertaal

Een vlinder fladderde eergisteren om ons heen. We zaten aan tafel op een feestelijk versierd terras tijdens de receptie van Sanne en Eric. En gisteren landde er zelfs een op een omgekeerd glas. Dat stond op de gedekte tafel bij de verjaardagsbarbecue van Mariet. De mooie vlinder liet zich van dichtbij bekijken maar toen hij zijn vleugels openvouwde bleek een groot deel van een van zijn vleugels te ontbreken.


Eergisteren al en gisteren weer deed me het tafereel denken aan Trudy. Een paar keer eerder schreef ik over haar. In die verhalen speelde steeds een vlinder een symbolische rol. En sindsdien is elke fladderaar meestal aanleiding om even aan haar terug te denken, waar ik ook ben. Vaak is de plek waar ik de vlinder zie aanleiding tot verdere associaties. Zo ook eergisteren bij Sanne en gisteren bij Mariet.

Bij Sanne was het omdat een deel van haar familie lijfelijk aanwezig was, en ik het wel een aardige gedachte vond dat Trudy in -wie zal het zeggen- haar huidige staat van zijn ook even acte de présence kwam geven. Zich even bij al haar broers en zussen liet zien, en daarna richting het prieeltje vloog, waar Sanne en Eric die middag in de echt waren verbonden. Toch even meekijken, zou ze gedacht kunnen hebben.

En bij Mariet was de symboliek zo mogelijk nog intenser. Naast de vlinder met de hap uit zijn vleugel, landde er vrij snel een tweede van zijn soort, die in volle glorie en geheel intact zijn mooie kleuren liet bewonderen. Samen met de gehavende vlinder dartelde het tweetal nog even om ons heen, om vervolgens hun eigen vlinderwereld weer verder te gaan verkennen.


Als het hiernamaals een wereld is, die in alles zijn nieuwe werkelijkheid heeft, dan zou het zomaar kunnen zijn dat die tweede vlinder samen met de gehavende een feestelijke herontmoeting met ons wilde delen. Zo doorgedacht, zou namelijk die tweede vlinder mijn vader of mijn moeder kunnen zijn, die samen met Trudy even wilden laten zien dat ze er nog steeds voor ons waren. Ik weet het. Ietwat romantisch gedacht misschien, maar waarom niet?

Het schijnt dat vlinders met gebroken of gehavende vleugels vaak voorkomen in de natuur. De vlinder op het glas had er waarschijnlijk zijn leven aan te danken. De vogel die meende in het kleurige oog op de vleugel de kop te pakken te hebben van zijn volgende prooi, bleef achter met slechts een stukje vlindervleugel in zijn snavel. De vlinder zelf leefde door en fladderde weg op haar drie resterende vleugels. Volop genietend van de rest van haar dagen, landde zij op een omgekeerd glas.

‘Kijk mam, hier zitten ze’, zei ze misschien wel in vlindertaal.

En nu ik dat zo opschrijf, zittend aan tafel, vlakbij de schaduwrijke plek waar we Trudy’s laatste wens hebben vervuld, komt er spontaan een ander woord in mijn gedachten: ‘Kindertaal’. Kindertaal. De taal van dromen en fantasieën. Van gedachten die nog mogen fladderen. Waar een vlinder met gebroken vleugel synoniem mag zijn van een gehavend leven. Maar tegelijk een leven, dat in vlindertaal misschien wel dezelfde onbegrepen kracht en pracht heeft als in kindertaal.

vlinder
met gebroken
vleugel

leef je
weer gegeven
leven

kleurrijk
en zo
magistraal

met volle kracht
in pracht
en praal

als vlindertaal
en kindertaal

zo ongehavend
allemaal