Er langzaam aan wennen…

Vandaag de CD van Anouk gekocht. ‘Wen d’r maar aan’ is de titel. Iets in haar stem en in haar teksten raakt me. Het is een combinatie van krachtige eerlijkheid en ontwapenende kwetsbaarheid. Met de CD in mijn jaszak ben ik weer richting huis gelopen. Lopend door de winkelstraat dacht ik terug aan een fragment, gisteren uit De Wereld Draait Door. André van Duin las een passage voor uit het nieuwe boek van Martine Bijl. Ik meende ontroering in zijn stem te horen toen hij voorlas. 

Een indrukwekkende passage was het, waarin Martine beschrijft hoe het voelt om opnieuw te leren leven na een hersenbloeding. In 2015 overkwam het haar. Het revalidatieproces was -en is waarschijnlijk nog- een lange weg. Haar drive om opnieuw te worden wie ze was heeft volgens mij geleid tot dit boek. Ik heb het vanmiddag ook gekocht. Mijn voorlopige  interpretatie van de titel ‘Rinkeldekink’: het leven ligt ineens in scherven die, áls het al zo ver komt, maar heel langzaam weer geluk brengen.

Ik ben vanmiddag begonnen aan het boek. En ik heb een paar keer naar de CD van Anouk geluisterd. ‘Wen d’r maar aan’. Een advies waar Martine Bijl mogelijk noodgedwongen de afgelopen jaren vaker aan heeft moeten toegeven. Haar taalvermogen bleef onaangetast, lees ik op de achterflap. Net als haar gevoel voor humor. Het zinnetje ‘Heel Holland zakt’, dat ze meteen na haar aneurysma tegen de ambulance broeder uitsprak, is van beide eigenschappen een bewijs.

‘Ik heb heel veel moeite mezelf te zijn’, zingt Anouk. Ze heeft het over haar gevoel en hoe anderen over haar denken. ‘Ik blijf wel staan, ja wen d’r maar aan’. Martine beschrijft hoe ze na haar hersenbloeding niet meer zichzelf is en daar heel veel moeite mee heeft. Een vreemd wezen is in haar lijf gekropen. Ik lees het in de passage die ik André van Duin gisteren heb horen voorlezen. Door wat ik lees, begrijp ik wat Martine voelt. Begrijp ik een beetje wat er omgaat in het lijf van ‘hersengeletselden’, zoals Martine zichzelf en lotgenoten noemt. Opnieuw een prachtig voorbeeld van haar taalvermogen.

‘Ik smeek u op mijn knieën’, hoor ik Anouk zingen. Het nummer heet ‘Red mij’. De muziek en haar teksten verweven zich met de woorden die ik lees in ‘Rinkeldekink’. ‘Want jij weet niet half wat ik heb doorstaan’. Anouk heeft deze zin in een totaal andere context gebruikt in haar lied met de titel ‘Het is klaar’. En toch. Twee verschillende producten van twee mensen. Een CD van Anouk. Een boek van Martine. En ik voel me daar met groeiende bewondering midden tussen in staan. Tussen de krachtige eerlijkheid en ontwapenende kwetsbaarheid. Van Anouk en van Martine. En daardoor van de hele wereld om me heen. Maar vooral van mezelf. En ik wen er maar heel langzaam aan…

Martine en Anouk

Jerry of Jenny?

1 december. Het begin van de feestmaand. Een kleine aanzet naar de feestelijkheden hebben we al gehad, toen Sinterklaas twee weken geleden in Zaanstad arriveerde. Met Pieten. Wat een feest was dat. Tegenstanders hadden hun spandoeken uit de kast gehaald om ze weer te vertonen in een aantal grote steden in het land. Terecht. Ze staan voor hun zaak en vormen samen een dappere minderheid die de stille meerderheid wil laten inzien dat het argument ‘het is altijd zo geweest’ gewoon niet vol te houden is.

Een andere minderheid -de voorstanders onder aanvoering van Jenny Douwes- zorgden een jaar eerder voor een file op een plek waar op een zaterdag nog nooit een file had gestaan. Zij werden daar onlangs door de rechter voor veroordeeld. Terecht. Hij stond ook voor zijn zaak, maar wel op basis van andere argumenten dan de beschuldigden hadden voorzien. Verkeersveiligheid was in het geding geweest. En het recht van demonstratie. Maar vooral maakte de rechter zich ongerust. Ook terecht. Daarom gaf hij het advies om toch vooral met elkaar in gesprek te blijven. Met elkaar te blijven praten. Dat gebeurde helaas niet. Jenny ging in hoger beroep om bij een andere rechter haar gelijk te halen. Praten met tegenstanders, daar moest je bij de voorstanders niet mee aankomen.

Voetbalonbenullen mengden zich in het gesprek met rotte eieren en tomaten. Zij vonden dat heel terecht. Want het maakte niet uit of hun club gewonnen had of verloren, de bal was rond en tomaten en eieren waren dat ook. Dus. Meer argumenten hadden zij niet nodig. Of ja, deze misschien. Omdat hun voetballende idolen niks hadden geraakt, zouden zij wel eens laten zien hoe je wel iets kon raken. Zoiets. En zo’n spandoek tussen twee palen, tja, dat lijkt toch op een goal. Hoe dan ook, zoals altijd, was de tegenstander de boosdoener, en was het terecht dat je ze dan mocht uitschelden en bekogelen. Want dat gebeurde andersom toch ook? Altijd zo geweest. Dus.

Vanmorgen zie ik op de voorpagina van de Volkskrant de foto van Jerry Afriyie, de man achter ‘Kick out zwarte piet’. Zijn strategie wordt verwoord in de bijlage onder de kop: Praten, praten, praten. En als dat niet werkt, nog meer praten, lees ik in het artikel. Ik ben het daar mee eens. Praten. Gesprekken voeren. Steeds opnieuw. Over de essentie. Over waar het in de kern om gaat. Over elementaire zaken. Waar ik me ongerust over maak zijn de woorden die nodig zijn om zo’n gesprek te voeren. En dan vooral over de woorden die zo’n gesprek bij voorbaat eigenlijk onmogelijk maken.

Woorden. We vormen ze uit 26 letters van het alfabet. Meer elementen hebben we niet. Hoeft ook niet want we kunnen er ontelbaar veel woorden mee maken. Méér woorden dan ieder van ons ooit zal gebruiken. Dat is niet erg. Wel erg wordt het als we bewust alleen maar kiezen voor de woorden die ons het beste uitkomen. Of als we alleen maar de woorden gebruiken, om de simpele reden dat die altijd al gebruikt zijn en daar verder niet over willen nadenken. Met die woorden dan zinnen maken maar vervolgens geen enkel begrip kunnen opbrengen voor de uitdrukking ‘zoveel mensen, zoveel zinnen’.

Op die manier koppelen zowel voor- als tegenstanders woorden aan elkaar zoals ‘voetbalhooligan’, ‘blokkeerfries’, ‘roetveegpiet’, ‘leunstoeldemonstrant’, ‘zwartepietterrorist’ of ‘nepnieuwsmedia’. En allemaal zowel in positieve als ook in negatieve zin. Voor of tegen maakt eigenlijk geen verschil. We komen er samen niet meer uit, verliezen ons in de verkeerde woorden, vermijden het gesprek erover en proberen dan maar ons gelijk te halen via rechtbank of rotte eieren. Ik blijf me verbazen hoe groot de verschillen zijn geworden, terwijl er in de kern slechts één letter verschil is tussen de namen Jerry en Jenny…

jerry en jenny

 

Van harte!

Morgen is het 28 november. 21 jaar geleden de geboortedag van Mees. Morgen dus zijn verjaardag. Hiep piep piep… hoera! Bij voorbaat, een kleine vier uur voordat het daadwerkelijk zover is, en schriftelijk, omdat ik hem morgen niet ‘fysiek’ kan feliciteren.

Hij studeert Biologie in Wageningen en ik werk morgen ‘gebiologeerd’ in Horst. Allebei hebben we afspraken die ook doorlopen in de avonduren. Naargelang iemand meer verjaardagen meemaakt, lijkt de aandacht ervoor steeds meer te moeten wijken voor de toenemende drukte in agenda’s.

Toch, aan de vooravond van zijn verjaardag, wil ik hem toch alvast op deze manier feliciteren. Gewoon, omdat het een fijne vent is. Dat wil ik bij deze zwart op wit neerzetten. Bevooroordeeld misschien, als zijn vader, maar niet minder gemeend. ‘Awkward…’ denkt hij misschien straks als hij dit leest.

Dat is dan maar zo. Ik heb het grootste vertrouwen in zijn gevoel voor humor en zijn nuchtere relativeringsvermogen. Dus ook om die reden is er wat mij betreft geen beperking om bij deze te noteren dat ik heel erg trots op hem ben. Om allerlei redenen, die ik hier nu niet allemaal zal noemen.

Maar toch. 21 jaar. En elk jaar gegroeid in zijn eigenheid en zijn vermogen om zijn leven naar eigen inzicht vorm te geven. Bewust en doelgericht, met aandacht voor zijn omgeving. Een omgeving die de laatste jaren steeds vaker horeca-kenmerken vertoont, maar dat terzijde… Ook dat is een biotoop.

Evenwichtig. Gefocust. Slim. Avontuurlijk. Reislustig. Maar nu ben ik toch aan het opsommen. En doe ik mogelijk een te groot beroep op zijn gevoel voor humor en relativeringsvermogen. Dus laat ik het maar hierbij. In gedachten zet ik een laatste kaarsje op deze woordentaart en steek ze alle 21 aan. Blaas…, doe een wens, en hoop van harte dat die voor je uitkomt!

birthday-cake-candles-cake-birthday-cake-with-candles-and-flickr-birthday-cake-candles

Herfstdip?

Vroeg donker. Grijs weer. Kou en regen. Niet bepaald de juiste ingrediënten voor een opgewekt gemoed. Het valt ook niet mee, om altijd maar blij en gelukkig te zijn. Daar zijn duizend-en-één redenen voor te bedenken. Tegelijk valt het eigenlijk ook lang niet altijd tegen. Alleen, dat valt in het donker vaak niet zo op. Bovendien, als we op de een of andere manier het idee hebben dat het leven niet ‘zonnig’ is, dan wijten we dat niet aan het weer of aan het seizoen, maar aan onszelf…

Eigenlijk is dat vreemd. Maar ik herken het wel. Eén van die duizend-en-één redenen overvalt me de laatste tijd wel eens. De soms wat deprimerende vraag: Doe ik wel, wat ik wil doen? Een simpele vraag lijkt het. En toch kan ik het antwoord, als ik in zo’n bui zit,  maar niet vinden. En dan helpt het niet als je ‘s morgens in het koude schemerdonker naar het werk fietst om vervolgens laat op de middag in het miezerige avonddonker weer naar huis te peddelen.

Vroege ochtend. Late middag. Allebei in het donker. Het zijn momenten die in deze tijd van het jaar ‘licht-technisch’ wat zwaar kunnen doorwegen op je stemming. Kunnen leiden tot donkere gedachten. Is er überhaupt nog wel wat te juichen, vraag je je af. Alle media lijken al net zo donker binnen te komen als het weer. De ene donkere gedachte kleurt de andere gedachte nog wat grijzer in… Wat te doen?

Van Pip, mijn dochter, kreeg ik onlangs een mooi klein boekje. Titel: ‘Soms denk ik wel eens bij mezelf…’. Daarin staan 100 gedachten van Wim Kan en anderen. Het is een uitgave ter gelegenheid van de Boekenweek in 1983. Ik was toen 23.  Eén jaar jonger dan Pip nu. Met drie van die honderd gedachten wil ik deze bijdrage ‘Herfsdip’ bij deze omdopen tot ‘Herfsttip’. Want grijs omzetten naar wat kleur zit vaak in hele kleine en onverwachte dingen. Dus, dankjewel Pip! Door jou werd en wordt de ‘dip’ een ‘tip’. Dat rijmt. Ook op Pip. Xx.

  • ‘Ik zie nog maar één mogelijkheid om aan onze autoverkeersmanieren een eind te maken: uitstappen, elkaar omhelzen en gaan wandelen.’
  • ‘Ik heb mijn hele leven last gehad van gemengde gevoelens.’
  • ‘Tot ziens allemaal en leef ze!’ 

    (Uit ‘Soms denk ik wel eens bij mezelf…’’, Wim Kan, 1983)

Pip en boekje

Sterrenstof

In de krant las ik dat de eerste vlucht van een Amerikaanse ruimtesonde langs de zon goed is verlopen. Hij doorstond de extreme hitte en de straling, toen hij maandag 5 november op 24 miljoen kilometer afstand met grote snelheid, historisch dicht langs onze grootste ster scheerde. De sonde doet onderzoek naar de zonnewind, las ik. Onderzoek naar de constante stroom van deeltjes die de zon afvuurt.

Het woord ‘zonnewind’ sprak me aan. Net zoiets als ‘sterrenstof’, maar dan overdag. Zo klein, dat je het niet ziet. Maar toch zó belangrijk, dat er ruimtesondes voor worden gebouwd om het te ontdekken. Waarschijnlijk om wetenschappelijke redenen, maar ik vind het symbolisch belang ervan minstens zo interessant. Ik ben niet erg bijbelvast en ik schrik een beetje van mijn geheugen, maar ik moet ineens denken aan de zin ‘van stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’. Google vertelt mij dat het uit het oude testament komt. Uit Genesis 3:19.

Sterrenstof. Zonnewind. Op de een of andere manier zijn het hele mooie woorden, die troost in zich herbergen. Stof tot nadenken. Bij het afscheid van een dierbare geeft licht ons troost. We hoorden het  Lucie net vertellen. In de vlam van een kaars schuilt warmte. Ze geeft licht, net als de sterren en de zon. En het is daarom niet vreemd dat het licht van de sterren en de warmte van de zon ook troost geven. Onze dierbaren, hoe ver weg ook, hebben die ruimtesonde misschien wel glimlachend voorbij zien scheren.

Sterrenstof. Zonnewind. Misschien moet je je fantasie gebruiken om te geloven dat het er is. Of eigenlijk, om te geloven wat het met je kan doen. Met ons, zoals we hier nu zitten. Maar ook met hen, die we hier nu gedenken. In mijn fantasie zie ik het kleine elfje bij Peter Pan, dat met sterrenstof strooit om de zwaartekracht te overwinnen. Zou sterrenstof mijn dierbaren, mijn vader en moeder, mijn zus, ook lichter hebben gemaakt, zodat ze vervolgens met de zonnewind mee konden waaien, naar plekken, miljoenen kilometers hier vandaan?

Lichtjaren verwijderd en tegelijk zo dichtbij. Zonnewind en sterrenstof. Soms, als de zomerzon op stille zaterdag-ochtenden door de kieren van de gordijnen schijnt, dan zie je het zweven. Sterrenstof, dwarrelend op de zonnewind. Als op een doordeweekse winteravond de volle maan miljoenen sterren bijlicht, dan lijken die te zweven, als stof door de lucht. Is het misschien daarom dat we, kijkend naar de sterren, vaak aan onze dierbaren denken? Omdat de zonnewind van overdag  ons ook ‘s avonds in het sterrenstof laat zweven. Ook al zien we het niet.

Want ook als je het niet ziet, is het er altijd. Net als onze dierbaren. Soms zichtbaar, in het sterrenstof dat is meegenomen door de zonnewind. Dan weer onzichtbaar maar vanaf de dag dat we ze moesten missen, altijd aanwezig. In onze gedachten. In zonnewind en in sterrenstof. Altijd om ons heen. Meegedragen op de wind van de zon, even rustend op de maan en dan via de sterren neerdwarrelend op aarde, op een ieder van ons. En in elk sterrenstofje ligt een herinnering verborgen. Een herinnering aan hen die er niet meer zijn. Maar tegelijk overal aanwezig. Hier bij ons, op de plek waar we zijn. En misschien wel in een ruimtesonde, op 24 miljoen kilometer afstand van de zon.

zon

parkersolarprobe

Het zoete van zout…

Vanmiddag ben ik begonnen aan een gedicht. Ik wilde een onbestemd gevoel in woorden vangen. Maar ja, onbestemd hè… Dan begin je eigenlijk al heel lastig. Wat ik voelde? Een mix van voortschrijdende tijd en machteloosheid. Berusting en tevredenheid. Maar ook twijfel. Het eigenlijk voortdurend ook niet precies weten waarom en daar maar zo nu en dan echt mee zitten, lijkt het. En toch…

Terugkerende vragen over wat er om me heen en in de wereld gebeurt, houden me wel bezig. Bewondering en verwondering over wat ik lees, zie en hoor. Wat is mijn rol in dat alles, vraag ik me af. Wat wil ik precies en wat doe ik daar voor. Of wat moet ik er misschien wel voor laten? Ik probeer als een soort objectieve toeschouwer naar mezelf te kijken om te ontdekken waar mijn gedachten over gaan. Als die toeschouwer ze onder woorden kan brengen, beschrijven ze dan dat onbestemde gevoel? En als ik ze opschrijf, voor wie doe ik dat dan? Voor die toeschouwer die ik zelf ben?

Toch deel ik het op mijn blog. Waarom? Ik kies er voor mijn twijfel om te zetten in een besluit. Ik schrijf het in eerste instantie voor mezelf, maar geef toe aan de drang om het daarna te delen. Ik wil niet de enige toeschouwer zijn. Wie weet, staat er iets in, waar anderen ook een onbestemd gevoel over hebben. En wie weet, hebben ze iets aan de gevonden woorden.

Deze avond heb ik mijn hoofd gebroken over de inleiding hierboven. Het gedicht had dat nodig, vond ik. Dus opnieuw besloten om te doen wat ik dacht. En stiekem heb ik hier en daar het gedicht zonet ook nog wat opgepoetst. Maar daar zie je niks meer van…

Het zoete zout

De dingen die je denkt,
in woorden tracht te vangen,
is aandacht die je schenkt
aan onvervuld verlangen.

Het lot, dat huilt en wenkt,
van jong naar langzaam oud.
Wat nooit gebracht is, brengt
het lief naar langzaam stout.

Dat lot dat lachend zwenkt,
van fier rechtop naar hangen.
Dat trots zijn tranen plengt,
in dag-en-nacht gezangen.

Die moed, heel laf gekrenkt,
door altijd van dat bange.
De koude angst verzengt,
het niet vervuld verlangen.

Toch, welke woorden je ook kiest,
doet goed, die aandacht vangen.
Wanneer je macht of moed verliest:
Proef zoet het zout op wangen!

edi-libedinsky-700023-unsplash

Foto: Edi Libedinsky

Handtekening…

Bedachtzaam kijk ik naar buiten. Een column voor de maandelijkse radiorubriek Wört. Waar moet die over gaan. Als altijd laat ik het op de dag zelf aankomen. De krant van zaterdag en soms datgene wat me van de dagen daarvoor nog is bij gebleven. En dan denk ik bijvoorbeeld aan Tim Hofman, die met zijn YouTube-documentaire ‘Terug naar je eige land’ nogal wat los lijkt te maken. Ook de Limburger vanochtend heeft er een artikel over met de kop: Kind met camera geeft ongemak’. De Volkskrant kopt ‘Den Haag voelt de kracht van een jongen als Nemr’.

Vanmiddag heb ik de docu van Tim Hofman bekeken. Die duurt iets meer dan een uur en is zeker de moeite van het kijken waard. Nog even afgezien van de inhoud maar vooral om te beseffen dat we met z’n allen de weg een beetje kwijt zijn. En dat verdwaald zijn is misschien nog tot dáár aan toe, maar we lijken ook gestopt met het zoeken naar de juiste route. Terwijl ik naar buiten kijk, denk ik daar wat verder over na. Komt het misschien, vraag ik me af, omdat we juist met teveel tegelijk weten wat de juiste route is en brengen we elkaar juist dáárdoor in een soort voortdurende staat van verwarring en berusting.

Vanmorgen de column van Johan van de Beek in de Limburger gelezen. Hij haalt hoogleraar Tom Nichols aan, die in zijn boek ‘The Death of Expertise’ een belangrijke verschuiving constateert. Vroeger, zo schrijft Nichols, zag je dat meningen van mensen met expertise op een bepaald vakgebied meer gewicht in de schaal legden dan meningen van mensen die die kennis niet hadden. Tegenwoordig is dat niet meer zo. Een bewering van een expert wordt vandaag de dag vaak uitgelegd als, ik citeer: ‘een poging om een dialoog te verstoren die nodig is in een ‘echte’ democratie’.

De dialoog in dit geval is begonnen met een door de camera vastgelegde YouTube-docu. De nu negenjarige Nemr hanteert op enig moment de microfoon en zet, samen met Tim Hofman, politici in de Tweede kamer voor het blok. De democratie reageert vervolgens massaal. De teller van de petitie tegen het huidige kinderpardon loopt nog steeds op. Toen ik een uur geleden zelf tekende, waren het er 171.244. Nu, een klein uur later, zijn het er al 1500 meer: 172.755.

Ik heb wel even geaarzeld om te tekenen. Vooral om datgene wat Johan van de Beek in zijn column beschrijft over democratie. Hij schrijft wat democratie betekent; gelijke rechten voor allen. Het betekent niet: alle meningen zijn gelijk. Zonder experts is iedereen expert, lees ik in zijn column. En dat is nu juist het gevoel dat me een moment weerhield om de petitie te tekenen. Weet ik voldoende van het onderwerp, vroeg ik me af, om het eens te zijn met die 170.000 anderen. Zijn onze meningen met het zetten van de handtekening daarmee allemaal gelijk? Willen we allemaal die 400 kinderen in Nederland houden, met alle consequenties van dien? En hoe verhoudt zich dat bijvoorbeeld tot de onwil die je plaatselijk aantreft als het gaat om huisvesting van asielzoekers in je eigen dorp of straat?

Of zetten we de handtekening uit onvrede over hele andere zaken en alleen maar om op afstand nu een keer ‘onze eigen stem’ in de Tweede Kamer te laten horen, middels dat burgerinitiatief. Reageert de emotie dan niet teveel over het verstand? Zijn we daarmee ineens allemaal experts op het gebied van vluchtelingenbeleid en kinderpardon? Ik heb in dat opzicht best veel moeite met het meeroepen met de massa. Hoewel 170.000 op meer dan 17 miljoen inwoners misschien niet eens de massa is. Maar goed, met dat argument zou je ook kunnen zeggen dat 400 op 17 miljoen heel weinig uitmaakt, dus waarom mogen ze niet blijven?

Ik heb mijn handtekening uiteindelijk wel gezet. Ik hoop dat Nemr in Nederland mag blijven en dat de drie kinderen en hun twee ouders, die al eerder naar de Oekraïne waren uitgezet, ook weer terug naar ons land mogen komen. Maar ik heb vooral getekend omdat ik hoop dat échte experts nog eens heel goed gaan nadenken, wat de beste oplossing is. En dat ze daarbij veel verder kijken dan de 400 kinderen waar het nu over gaat. Met dank aan Tim Hofman wens ik hen daarbij, uit de grond van mijn hart, heel veel wijsheid toe. Ze zullen het nodig hebben. En wij ook.

Documentairemaker-Tim-Hofman-in-gesprek-met-de-9-jarige-Nemr-uit-Emmen-foto-Terug-naar-je-Eige-Land
Documentairemaker Tim Hofman in gesprek met de 9 jarige Nemr uit Emmen.

Audiobestand van column. Voorafgegaan door ‘Who are you now’ (Jodymoon) en afgesloten met ‘It’s not my name’ (TingTings)

 

Nacht van de nacht-performance

Het geluidsbestand dat je hier kunt horen is een weergave van mijn muzikale voordracht tijdens de Nacht van de Nacht-wandeling op zaterdag 27 oktober jongstleden. Een nachtwandeling met op vier onverwachte plaatsen, in ‘the middle of nowhere’ een korte stop, waar de wandelaars werden verrast. Ik was één van die ‘verrassingen’…

Om 10 minuten over zeven zou ik de eerste wandelgroep kunnen verwachten, was me verteld. Dus om half zeven ’s avonds bereidde ik me voor op de plek, die me was aangewezen door Ton Wismans, lid van de organiserende Groengroep uit Sevenum. Het schemerde al en het zou snel donker worden. Ik zette mijn buikorgel op de juiste plek en richtte me verder in op de plek, die ik ’s middags met de fiets al verkend had.

Er was nog net genoeg licht om een 360 graden opname te maken met mijn iPhone. Voor later, dacht ik, want wie weet, kon ik met de ervaring van vanavond nog wel wat meer doen. Voor wie het interessant vindt: ik bevond me tien meter van de plek waar de Kattenstaartseloop uitmondt in de Molenbeek. Als je goed luisterde, dan hoorde je het watervalletje ruisen.

nachtfoto
Nachtfoto met rechtsonder de Kattenstaartseloop die een paar meter verderop uitmondt in de Molenbeek in Sevenum.

Ik sloot de microfoon aan op mijn soundcube en positioneerde de microfoonstandaard zodanig, dat ik kon spreken en tegelijk tekst kon aflezen van een blad op mijn muziekstandaard. Want ik had speciaal voor de gelegenheid een gedicht gemaakt, dat ik wilde voordragen op de muziek van één van mijn orgelnummers. Toen even voor zeven de begeleider vanuit de Groengroep mij gezelschap kwam houden, stond alles klaar.

Lang verhaal kort, die nacht vier keer een groep mogen begroeten. In het donker weliswaar vooral de contouren van die wandelaars gezien, maar toch dankbaar het applaus vier keer in ontvangst mogen nemen. Behalve het gedicht over de Nacht van de nacht, heb ik ook nog een walsje laten klinken uit mijn orgel. Ik wist van te voren bijna zeker dat niemand van de wandelaars ooit al in het donker had ‘gesjoenkeld’, hier op de kruising van de Kattenstaartseloop en de Molenbeek. Voor de zekerheid heb ik dat wel bij elke groep even nagevraagd maar ik bleek gelijk te hebben…

Ná zaterdagavond 27 oktober 2018 zijn er zo’n 120 personen in de wereld, die dat genoegen wél hebben gehad en die unieke ‘sjoenkel-ervaring’ op die plek samen hebben beleeft. Dat gegeven alléén al is vermeldenswaardig. Dus bij deze. Met dank aan de Groengroep Sevenum voor de organisatie.

Zinnen verzetten…

Ach. Na acht maanden zonneschijn begint de ochtend vanmorgen bewolkt. Toch even wennen, dat grijs. Ik praat in gedachten wat op mezelf in. Herfst vind je toch ook een mooi seizoen en dat soort zwak overtuigende zinsnedes. Opbeurende peptalk, die de winterblues op het verkeerde been probeert te zetten.

Maar toch.. Ach… Heel diep van binnen lijkt de kleur grijs bij tijd en wijle dichter bij mijn gemoedstoestand te liggen, dan ik zelf misschien wil toegeven. Ik kijk om me heen en probeer andere kleuren in me op te nemen. Maar ze lijken ver weg en nietszeggend en totaal niet in staat om het grijs op te fleuren.

Voortdurende gedachtenwolken kleuren mijn denkhemel. Weerspreuken als ‘achter de wolken schijnt de zon’ en ‘na regen komt zonneschijn’ schieten door mijn hoofd. Ik verbaas me over de gemaakte volgordelijkheid die volledig uit de lucht gegrepen lijkt. Want de opbeurend bedoelde en chronologische kracht ervan bestaat enkel bij de gratie van wolken en regen.

Het lijkt een keuze. Zie je de wolken en de regen of kijk je naar de zon en de blauwe lucht? Of, in het geval van het een, stel je je tevreden met het wachten op het ander? Maar moet je eigenlijk wel kiezen? Kun je niet met beide heel symbiotisch samenleven? Genieten van de regen én de zon.

Mwah.. Theorie klinkt aardig. Maar de praktijk voelt helaas niet altijd zo. Is het dan zaak om dat dan maar gewoon te nemen zoals het komt? Grijs, grijs laten, als dat toevallig net zo is en blauw, blauw? Hoort het er gewoon bij? Of moet je, als grijs toch niet goed voelt, actief op zoek gaan naar blauw? Is dat wat er bedoeld wordt met ‘het verzetten van de zinnen’?

Ga ik dat eens proberen. Croissantje kopen bij de Appie…

Doei.
kaley-dykstra-328993-unsplash
Kaley Dykstra

Ingezonden…

Ik las de zin nog een keer, om te zien of het er echt stond. Maar het stond er: ‘Je snapt niet dat een taalkundige dit wil’. De briefschrijfster had een plek verworven in de rubriek ‘Ingezonden brieven’. Ze trok van leer tegen een artikel eerder in de krant, waarin blijkbaar had gestaan dat er op de peuterspeelzaal dialect gesproken zou moeten worden. De briefschrijfster had daarover een andere mening. ‘Kinderen moeten op deze leeftijd juist het ABN goed leren spreken’.

Het gaat er mij niet om wie er nu gelijk heeft, de taalkundige of de briefschrijfster. Wat me vooral trof was die ene zin: ‘Je snapt niet dat een taalkundige dit wil’. Er zijn twee mogelijkheden. Eén, de briefschrijfster is zelf taalkundige en weet daarom wat deze beroepsgroep normaal gesproken wil. In dat geval zou het uit te leggen zijn, dat ze niet snapt dat een beroepsgenoot iets wil. Tegelijk zou je kunnen denken dat je beroepsmatig dan geïnteresseerd zou zijn in de argumenten van je collega. Maar dat terzijde.

Tweede mogelijkheid is dat de briefschrijfster geen taalkundige is, maar wel een hele duidelijke mening heeft over ABN versus dialect. De argumentatie voor die mening: ‘Het is toch van de gekke dat er op de peuterspeelzaal dialect gesproken moet worden’. Het plan van de taalkundige is ‘onzalig’, omdat het ‘alleen maar verwarring veroorzaakt’. Duidelijke taal. Geschreven vanuit de emotie. In de eerste zin van haar brief staat dat ook: ‘… uit het hart gegrepen’.

Een relatief onschuldige discussie. ABN versus dialect. Er zijn kwesties in de wereld die urgenter zijn. Maar toch. Iets vanuit de emotie ‘niet snappen’ en dat onbegrip dan één op één vertalen in een diskwalificatie van de ander. Het is een fenomeen dat je steeds vaker terugziet in ons intermenselijk contact. Voor een deel verklaarbaar, omdat er tegenwoordig zóveel manieren zijn om emoties en argumenten uit te wisselen. Uit te wisselen, maar helaas vooral vaak ook: te ver-wisselen…

 

‘Uit het hart gegrepen’. ‘Van de gekke’.’Onzalig plan’. ‘Verwarring veroorzakend’. Het zijn geen argumenten. Het zijn (emotionele) meningen die als argument gebruikt worden. Wat ik vooral zou willen weten is het ‘waarom’ achter deze meningen of emoties. Waarom ‘van de gekke’? Waarom ‘onzalig’? Wat er dan zou kunnen gebeuren, is dat ik met die waarom-vraag opnieuw onbegrip oproep. ‘Je snapt toch wel waarom?’. Nee. Dat snap ik niet. Steeds minder ook. Maar volgens mij ben ik in goed gezelschap. En juist dat is zorgelijk.

Vind ik.

NB: ik had dit stukje ook in het dialect kunnen schrijven.

ongelijk erkennen