Leonard Cohen

‘Sounded like the truth…’ is een regel uit de liedtekst die ik nu hoor. En ‘now it seemed to late to turn the other cheek’. De titel van het lied is ‘It seemed the better way’. Nog nooit gehoord, maar wat een prachtige tekst weer. En wat een stem. Via Spotify deze afspeellijst gekozen. ‘This is Leonard Cohen’. En daarvan nu ‘Ten new songs’. Dat verklaart misschien waarom ik deze song nog nooit heb gehoord.

Teksten van Cohen spreken vaak mijn herinneringen aan. Of prikkelen mijn fantasie tot het uiterste. ‘I want to speak to Leonard’ zingt hij nu. Een autobiografisch lied waarin hij een kritisch en reflecterend gesprek met zichzelf aangaat. Zichzelf beschrijvend als een man ‘living in a suit’. En zo nog meer mooie sfeerbeelden, die uitblinken in virtuositeit. Terwijl je er naar luistert, tekenen de woorden de scenes in je hoofd.

‘Take this waltz’… Even luisteren… ‘And i burry my soul in a scrapbook’. Je ziel, of dat wat er straks van je overblijft, ‘begraven’ in een plakboek. Of op een blogsite. Herkenbaar. Luisteren en opschrijven wat er zo in je opkomt. Ik heb dat wel vaker gedaan. Ooit met de top-2000 bij een liedje van Karin Bloemen, ‘De dag waarop je moeder sterft’ was toen inspiratiebron. Vandaag met Mees nog even bij haar graf gestaan.

Wat hij zingt klinkt als de waarheid. Een waarheid die wel uitnodigt voor eigen interpretatie. Die ook gelegenheid biedt om je mening bij te stellen. Ook al is dat soms pas achteraf en is het te laat om je andere wang nog toe te keren. Wat dan overblijft is om je ziel en zaligheid vast te leggen in een verhaal. Op een blogsite. Of in beelden te bewaren in een fotoalbum. Of voor hen die de kunst machtig zijn, te vangen in een lied. Zoals Leonard.

Vlindertaal

Een vlinder fladderde eergisteren om ons heen. We zaten aan tafel op een feestelijk versierd terras tijdens de receptie van Sanne en Eric. En gisteren landde er zelfs een op een omgekeerd glas. Dat stond op de gedekte tafel bij de verjaardagsbarbecue van Mariet. De mooie vlinder liet zich van dichtbij bekijken maar toen hij zijn vleugels openvouwde bleek een groot deel van een van zijn vleugels te ontbreken.


Eergisteren al en gisteren weer deed me het tafereel denken aan Trudy. Een paar keer eerder schreef ik over haar. In die verhalen speelde steeds een vlinder een symbolische rol. En sindsdien is elke fladderaar meestal aanleiding om even aan haar terug te denken, waar ik ook ben. Vaak is de plek waar ik de vlinder zie aanleiding tot verdere associaties. Zo ook eergisteren bij Sanne en gisteren bij Mariet.

Bij Sanne was het omdat een deel van haar familie lijfelijk aanwezig was, en ik het wel een aardige gedachte vond dat Trudy in -wie zal het zeggen- haar huidige staat van zijn ook even acte de présence kwam geven. Zich even bij al haar broers en zussen liet zien, en daarna richting het prieeltje vloog, waar Sanne en Eric die middag in de echt waren verbonden. Toch even meekijken, zou ze gedacht kunnen hebben.

En bij Mariet was de symboliek zo mogelijk nog intenser. Naast de vlinder met de hap uit zijn vleugel, landde er vrij snel een tweede van zijn soort, die in volle glorie en geheel intact zijn mooie kleuren liet bewonderen. Samen met de gehavende vlinder dartelde het tweetal nog even om ons heen, om vervolgens hun eigen vlinderwereld weer verder te gaan verkennen.


Als het hiernamaals een wereld is, die in alles zijn nieuwe werkelijkheid heeft, dan zou het zomaar kunnen zijn dat die tweede vlinder samen met de gehavende een feestelijke herontmoeting met ons wilde delen. Zo doorgedacht, zou namelijk die tweede vlinder mijn vader of mijn moeder kunnen zijn, die samen met Trudy even wilden laten zien dat ze er nog steeds voor ons waren. Ik weet het. Ietwat romantisch gedacht misschien, maar waarom niet?

Het schijnt dat vlinders met gebroken of gehavende vleugels vaak voorkomen in de natuur. De vlinder op het glas had er waarschijnlijk zijn leven aan te danken. De vogel die meende in het kleurige oog op de vleugel de kop te pakken te hebben van zijn volgende prooi, bleef achter met slechts een stukje vlindervleugel in zijn snavel. De vlinder zelf leefde door en fladderde weg op haar drie resterende vleugels. Volop genietend van de rest van haar dagen, landde zij op een omgekeerd glas.

‘Kijk mam, hier zitten ze’, zei ze misschien wel in vlindertaal.

En nu ik dat zo opschrijf, zittend aan tafel, vlakbij de schaduwrijke plek waar we Trudy’s laatste wens hebben vervuld, komt er spontaan een ander woord in mijn gedachten: ‘Kindertaal’. Kindertaal. De taal van dromen en fantasieën. Van gedachten die nog mogen fladderen. Waar een vlinder met gebroken vleugel synoniem mag zijn van een gehavend leven. Maar tegelijk een leven, dat in vlindertaal misschien wel dezelfde onbegrepen kracht en pracht heeft als in kindertaal.

vlinder
met gebroken
vleugel

leef je
weer gegeven
leven

kleurrijk
en zo
magistraal

met volle kracht
in pracht
en praal

als vlindertaal
en kindertaal

zo ongehavend
allemaal

Vol verwachting…

Na anderhalve kilometer geen adem meer. Wandelen was de enige optie. De laatste deelneemster aan de 10 km jogde me in een moordend langzaam tempo voorbij. Daarachter volgde de bezemwagen. In dit geval een bekende op een mountainbike, die me vriendelijk vroeg of ze achter me aan moest blijven fietsen. Na nog 100 meter geprobeerd te hebben, heb ik haar toch ook maar voor laten gaan en ben ik zelf uit de race gestapt. Mijn zorgen werden een paar dagen later vertaald naar een diagnose bij de huisarts: mijn hart was van slag. Geen halszaak, je kon er honderd mee worden, maar wel lastig.

Weer een paar dagen lager bevestigde de cardioloog het beeld. ‘Je hart zit in een soort derde versnelling. Bij inspanning meteen in de vierde of laatste versnelling, terwijl de eerste twee versnellingen er niet meer op zitten. Op zich een onschuldige ritmeafwijking, maar lastig en niet wenselijk. Daar moeten we wel iets aan doen’. Drie scenario’s hield ze me voor: de eerste mogelijkheid was een elektrische ‘reboot’, tweede optie regulerende medicijnen en tenslotte het meest rigoureus klinkend: een ingreep aan het hart.

Nu, een dikke vier weken later, lijkt optie 1 vooralsnog succesvol. Woensdag een week geleden is onder narcose mijn hart ge-reboot. Het meest zag ik echter op tegen de narcose. Het gevoel volledig overgeleverd te zijn en de controle over mezelf te moeten verliezen, boezemde me vooral angst en twijfel in. Maar de vriendelijke assistent-narcotiseur gaf me de tip om vlak van te voren aan iets leuks te denken zodat ik daarover zou dromen. ‘Over Pip en Mees dan maar’, zei ik, omdat ik wist dat we diezelfde dag nog naar de afstudeerexpositie van Pip zouden gaan. Thea gaf me nog een kus en toen volgde de waarschuwing van de narcotiseur: ‘Daar komt de slaap. Vertel zometeen maar of de droom is uitgekomen…’

Wat slechts tien seconden leek, bleek ongeveer een kwartier. In het wakker worden had ik de namen van Pip en Mees weer als eerste genoemd, vertelde Thea me. Of ik er over gedroomd heb, kan ik me niet meer herinneren, maar het lag blijkbaar nog wel op mijn lippen. De reboot had meteen bij de eerste klap succes gehad. Dat was op 21 juni. Nu, op 1 juli, beoordeel ik mijn eigen pols nog steeds als regelmatig en lijk ik ook weer te beschikken over mijn eerste twee versnellingen. Meer energie en minder opgeslokt door negatieve gedachten over mijn eigen gezondheid.

Ik ben daar niet goed in, in ziek zijn. Sinds vorige week realiseer ik me dat eens te meer. En besef ik dat je daar helaas totaal niets over te zeggen hebt. Natuurlijk, je kunt zo bewust mogelijk leven, maar dat is geen garantie voor gezondheid. En iedereen kent wel ergens een opa van negentig die elke dag van zijn lekkere lange leven gezopen en gerookt heeft. Het leven komt zoals het komt, en het gaat zoals het gaat. Je hebt daar niks over te zeggen, houd ik mezelf voor en dat is -hoe graag ik het ook anders zou willen- eigenlijk maar goed ook.

En toch… Een paar dagen geleden fietste ik door het buitengebied van Horst en werd geraakt door de intensiteit van de beelden die bij me binnenkwamen. Voor de handliggende zaken zoals een schoorsteen op een dak, een laaghangende tak over een beek of een lapjeskat tussen rijen bonenstruiken, hadden ineens een nooit eerder opgemerkte schoonheid. Dat maakte indruk. Na een uurtje heb ik mezelf op een terras een cappuccino gegund, die bijzonder lekker smaakte. Ik zat nog maar net of Joep schoof gezellig aan. Even later Ron, die zichzelf op een ijsje had getrakteerd. Er ontspon zich een gesprek, dat woord voor woord tijd totaal onbelangrijk maakte.

Luisterend naar de interessante, maar voor mij soms moeilijk te volgen dialoog tussen Joep en Ron moest ik terugdenken aan de afgelopen weken en aan een passage die ik ooit ergens gelezen had. Ik heb die passage later teruggezocht. Het was een gedachte van de schrijfster Vonne van der Meer. Ze zei letterlijk: ‘Misschien duurt het hiernamaals maar tien seconden. Een ogenblik waarin je alles begrijpt en een ervaring van eeuwigheid hebt’.

Aan tafel bij Joep en Ron heb ik die gedachte bij gebrek aan geheugen samengevat in een one-liner: ‘Misschien is de eeuwigheid slechts tien seconden van totaal begrip’. De zon was al maan geworden, toen we afscheid namen. Nagenoeg niks wijzer, maar nog een eeuwigheid voor de boeg. Je hebt er niks over te zeggen, en toch… Weer liggen die namen op mijn lippen, maar alleen de gedachte is eigenlijk al voldoende. Of de plekjes in mijn hart. En soms een verhaal om dat gevoel vast te leggen. Hen wens ik de eeuwigheid toe in elke tien seconden. Vol verwachting…

Eendagsvlinders

Kastanjeboom
Uitzicht vanuit het raam van de kamer van hospice D’n Doevenbos
Een half jaar geleden stond ik hier, op precies dezelfde plek. Het was de eerste herdenking die Hospice D’n Doevenbos organiseerde. 1 december 2016 om precies te zijn. Een half jaar daarvoor was mijn zus één van de eerste gasten in het hospice. Lang heeft ze helaas niet van de gastvrijheid kunnen genieten. Tussen het vriendelijke en zorgzame welkom dat zij en wij mochten ervaren en haar definitieve afscheid op 13 mei  zaten  twee dagen.

De tuin
Het gras moest nog groeien, rond het rode stenen pad
Het gras moest nog groeien, een jaar geleden, maar de kastanjebomen kleurden al onmiskenbaar groen. Het regende licht, die dag. Mijn zus zag het. De regendruppels op het rode stenen pad, dat aangelegd was door het gazon in wording. Ze heeft dat pad helaas niet meer bewandeld. Ook het gazon heeft ze niet meer groener zien worden dan het al was. De rust van de ruisende kastanjebomen was voelbaar. En in die rust zweefde ze ook weg, twee dagen later.

Het was haar wens dat we haar as uit zouden strooien in een bos waar zij binding bij voelde. Een jaar verder, twee weken geleden op vrijdag 13 mei, hebben we aan haar verzoek voldaan. We hebben haar as uitgestrooid in een bos, op een frisgroene plek, onder jonge kastanjebomen. Niet bewust, maar achteraf eigenlijk bijna vanzelfsprekend. Even tevoren had er kort een witte vlinder voor ons uit gevlogen, over het bospad, dat grensde aan het jonge groen.

foto2Haar as hebben we in cirkels om de kastanjebomen gestrooid. Eerst voorzichtig en zuinig maar later ruimer en vol overtuiging. De cirkels raakten elkaar en verbonden wat er over was met alles wat nog moest komen. Haar as legde op plaatsen een dun wit laagje over groene bladeren. Op andere plekken dwarrelde haar as tussen de bladeren door en raakte zacht de grond. De wind nam af en toe een klein wolkje van haar mee en liet het als minuscule witte vlindertjes door elkaar heen dwarrelen. Elk vlindertje kwam tenslotte neer op een plek waar het nog nooit was geweest maar voor altijd wilde blijven.

Nog even stonden we er stil. Op die mooie plek in het bos die door haar voor ons nog mooier was geworden. Een plek waar we voortaan steeds weer aan haar zouden denken. Een plek waar de natuur en zij één zouden gaan worden. Waar zij zou meegroeien met de kastanjebomen en de bloemen. Bloemen waarop witte vlinders zouden kunnen neerstrijken. Vlinders die haar zouden proeven in de nectar en haar vervolgens smaakvol zouden meevoeren op hun reis. Misschien ook maar twee dagen lang, maar wel telkens weer.

Die ene witte vlinder die ons voorging was misschien wel de voorbode van dat alles. Die de plek kende waar rupsen vlinders worden, en andersom. De plek waar mensen op een dag in een wereld komen waar ze woorden kunnen wisselen met vlinders en bloemen.  Op ‘n dag… waarop een eendagsvlinder ons meeneemt naar de eeuwigheid en naar iedereen die ons lief is.

Even doorbijten…

Als een pitbull houdt de tijd mijn gedachten vast en slingert ze wild van rechts naar links. Ik kan los roepen zoveel ik wil, het blijft zonder succes. Het zou heel anders moeten zijn: Mijn gedachten en dus ikzelf zouden de tijd moeten loslaten om vervolgens rustig en weloverwogen te kiezen. Voor links, voor rechts of voor vasthoudend vooruit.

Maar ja. De tijd en ik. Als twee jonge pitbull-pups. Bijtend buitelend over elkaar. Speels en onbezonnen. Twijfel over wat lijkt te kunnen. Gedreven door wat lijkt te mogen. Kijken naar anderen om jezelf te kunnen zien. En ondertussen gebeurt er niks. Schudt de pitbull nog eens zijn kop en houdt de kaken op elkaar.

Loskomen. Luisteren naar de blues. De tijd uitlaten als een jonge hond. Kopje cappuccino in het dorp. Zo, uitgelaten, even genieten van de wind door het haar. Van regendruppels die alle tranen zoeter maken. De tijd gebruiken om het leven te smaken, niet om wonden te helen. De pitbull niet door laten bijten. Los! Succes.

Tijdelijke twijfel

Tijdelijk. Dat is het woord dat in me opkomt, terwijl ik de ovenklok hoor tikken. Ik lig al een tijdje, half zittend, op de bank en laat voor de zoveelste keer mijn gedachten de vrije loop. Dat wil zeggen, voor een deel gevoed door wat Facebook-berichten waar ik swipend doorheen ga. En vanmorgen door een WordPressblog die mijn aandacht trok en die ik ge-liked heb. Even een korte actie in verder passief vermaak. Dus wat is vrij. Gedachten worden al snel gekleurd.

Daar tussendoor de gewone zondagochtend-dingen. Iets later op. Mees nog net naar z’n werk horen gaan. Boterhammetje met kaas en ham. Een met wat water verdunde jus d’orange erbij. Hapje. iPhone. Swipen. Blogje lezen. Filmpje kijken. Slokje. Berichtje Winterzon. Filmpje Temptation Island. Nieuwsgierig voyeursgevoel, gemixt met een vreemde drang om niks te willen missen. En toch allemaal maar tijdelijk.

Wat woorden leggen bij verschillende Wordfeud-vrienden. ’Anusjes’ voor meer dan honderd punten. Leuk. Voor even. Zien dat de Berden Voorjaarsloop vandaag wordt gehouden en dat Kitty met haar theatergroep in Middelbeers optreedt. Als een toeschouwer op afstand neem ik in me op waar ik allemaal niet in levende lijve bij ben vandaag. Virtueel en in gedachten misschien heel even. Maar ook dat slechts tijdelijk.

Zo nu en dan heb ik dat. De twijfel over de tijd en wat daar allemaal in voorbij gaat. Zoveel dingen die gebeuren. En slechts fracties waar ik zelf onderdeel van uit maak. Van kan of van wil uitmaken. Het dilemma van beperkte invloed op de overvloed die er is. En ondertussen rommelen in de marge. Mezelf keer op keer vertellend dat in het kleine ook het grote ligt. Mijn eigen cirkeltje alsmaar rond maken.

Zo. Genoeg gedacht. Kopje koffie maken. Abrikozenpunt eten. Bewust proberen te genieten van het nu en al het andere even laten voor wat het is. Even. Omdat in het nú de ultieme tijdelijkheid ligt verscholen. Die tel tussen verleden en toekomst, waarin alles gebeurt en niets blijft. Slechts herinneringen en toekomstplannen, zolang als het mag duren. Telkens weer. En altijd tijdelijk.

In gedachten: Hans en Jan

Met Hans liep ik over een achterpad, dat overal uitkwam en nergens. Hij kende die paadjes, want hij woonde al zolang als hij leefde in deze buurt. Het waren de achterpaadjes van de lange rijen huizen van de mensen die er ook woonden. Het waren de, voor buitenstaanders, onzichtbare verbindingen tussen de Jan van Eechoudstraat, de Wittenhorststraat, de Prinses Beatrixstraat, de Julianastraat, de Prins Bernhardstraat enzovoorts. Dat was Hans zijn domein en daar liepen we. Acht, negen jaar, denk ik, en de wereld was van ons. Of eigenlijk van Hans, als we bij zijn thuis waren.

Hans is onlangs gestorven. Twee weken eerder had ik de felicitaties voor zijn verjaardag nog op Facebook voorbij zien komen. Die berichten gingen gepaard met sterktewensen en opbeurende gedachten dat het hopelijk snel goed zou komen. Helaas mocht dat niet zo zijn. In de overlijdensadvertentie stond in drie korte zinnen hoe het was: ‘Tot mijn grote spijt moet ik jullie mededelen dat ik ben overleden. Ik was graag nog even gebleven. ’t Gaat jullie goed!’

Tijdens een indrukwekkende herdenkingsbijeenkomst hebben veel mensen afscheid genomen van Hans. In de blauwe buitenlucht, onder een stralende zon. Een witte streep verbond langzaam een paar wolken. Niet veel later van de andere kant nog een witte streep. Alsof er ook in de lucht een kruis getekend moest worden. Ik keek er naar, in gedachten, en luisterde tegelijk naar de woorden over Hans.

Hans kende de smalle paadjes achter de huizen. Daar liepen we. Acht jaar, misschien negen. Ik liep voorop omdat Hans achter me aan liep. In één keer sloeg er vanuit een van de achtertuintjes een grote hond aan, juist op het moment dat ik voorbij het tuinhekje liep. Hans zag me enorm schrikken en dat maakte in dezelfde seconde zo’n indrukwekkende reactie bij hèm los, dat weer slechts een paar milliseconden later de hond jankend afdroop. Net als ik was de hond enorm geschrokken. Maar Hans stond gelukkig aan mijn kant. Oprecht verontwaardigd over wat dat beest mij had aangedaan. En dat werkte. Het voorval, en vooral Hans z’n vastberadenheid, is nooit meer uit mijn herinnering gegaan.

Het zal misschien in diezelfde zomermaanden zijn geweest. Een andere herinnering die me altijd is bijgebleven. Ik mocht met Hans en zijn ouders, Toos en Jan, mee op vakantie. Ik denk dat Erik, Hans broertje er ook bij was, misschien ook wel met een vriendje, maar dat weet ik niet zeker. Volgens mij waren we op de Schatberg, maar voor mij voelde het toen als een wereldreis. Mijn wereld speelde zich in die tijd vooral af in mijn hoofd, door de gespannen situatie bij ons thuis. Later heeft Jan me ooit verteld dat hij en Toos dat wisten en dat ik ook om die reden mee mocht met hen.

Mijn herinnering gaat terug naar een plek aan de zijlijn van een voetbalveld. Rondom het veld stond publiek en op het veld werd fanatiek gevoetbald. Ik vermoed dat ik met Hans, op onze knieen in het gras, naar die wedstrijd keek, en dat de ouders van Hans vlak bij ons stonden. Ik weet dat niet zeker, want op dat moment in gedachten verzonken, ontging me de hele wedstrijd.

In mijn geheugen gegrift staan echter de volgende beelden, die, ook hier, elkaar in millisecondes opvolgden: ik zie mezelf, starend in het groene niets; ik zie een vuist van achter mij verschijnen, die stopt vlak voor mijn neus, en ik zie en hoor tegelijk een levensgrote voetbal op die vuist met een knal terechtkomen en evenzo hard terugspatten, het veld in. Nog hoor ik het diepe ‘oooooh’-geluid dat er meteen op volgde, van alle toeschouwers. Ik keek om, in de ogen van Jan, zag een glimlach op zijn gezicht, en hoorde hem zeggen: ‘doa haadde geluk wah menke…’. En zo was het.

Nu is Jan een paar dagen geleden ook gestorven. Een week na Hans. Voor Toos en Erik en de familie een keiharde, en bijna niet te bevatten realiteit. Gisteren was er op de Wevert opnieuw een herdenkingsbijeenkomst. Daar kon ik niet lijfelijk bij aanwezig zijn, maar ik was er in gedachten. Ook vandaag weer even.

Ik stel me voor dat Hans daarboven Jan rondleidt over de witte paadjes achter de wolken. Diezelfde paadjes die een week eerder al werden aangelegd in de lucht, op de vrijdag dat Hans afscheid nam. Ik keek er toen naar maar zie nu pas waarom. In gedachten. Net als een week eerder. Ik zie ze vastberaden samen op pad. Ons bedroefd achterlatend, maar met de zekerheid van de mooie herinneringen.

‘…de mooiste woorde is voorbij’

Een regel tekst uit een liedje van Gert Vlok Nel, een singer-songwriter uit Zuid Afrika. Ook de mooiste jare is voorbij zingt hij. Evenals de mooiste liefde. En ook de mooiste drome is voorbij. Het liedje heet Epitaph en komt van de cd ‘Beaufort-Wes se Beautiful Woorde’. Epitaph betekent ‘grafschrift’. Toch ook vaak mooie, laatste woorden. Het liedje ademt een melancholische sfeer, zoals eigenlijk alle liedjes op de cd. Tot zover de muzikale informatie.

Niet alle tekst kan ik verstaan maar dat maakt op de een of andere manier de regels die ik wel begrijp zoveel krachtiger. Misschien door het steeds weer lekker wringende enkelvoud-meervoud verschil met onze taal. Het is voor mijn gevoel een vereenvoudiging die het zuid-afrikaans dichter brengt bij waar taal vooral voor bedoeld is: uiting geven aan gevoel en creeren van wederzijds begrip.

Maar misschien schuilt de kracht van ‘…de mooiste woorde is voorbij’ wel in de vrije interpretatie die de woorden oproept. Ik denk terug aan het moment dat ik gisteren de krant terzijde schoof. Na het lezen van een artikel waarin de woorden ‘gifgas’, ‘schuld’ en ‘onschuld’ over elkaar heen buitelden en hard vochten om een plek op mijn netvlies. De foto van de dode kinderen verhinderde dat.

Dat beeld -als het waar is- is ‘de woorde’ voorbij. Zelfs als het niet waar is, is het de woorden voorbij. Voor hen die de waarheid kennen is ook de liefde voorbij. Dat kan niet anders. De mooiste dromen, de mooiste jaren, de mooiste liefde. Is dan voorbij. Allemaal. En toch werd er ’s avonds over gepraat bij Knevel en Van den Brink. De mooiste woorde… zonder gevoel en ik begreep ze niet.

Een theorietje…

Ik heb een theorie in mijn hoofd die even aan de oppervlakte van mijn denken komt, maar meteen ook weer wegduikt, als ik wat dichterbij wil komen. Heel even aanwezig is en dan weer weg. Moeilijk grijpbaar dus, maar toch duikt ze de laatste tijd steeds vaker op uit de mist van mijn gedachtenstroom. Dan lijkt ze heel even zo vastomlijnd. Dan wekt ze de geruststellende indruk de antwoorden te hebben op heel veel vragen. Straalt uit om oplossingen te kunnen geven. Maar daar blijft het bij. Ze geeft die oplossingen niet, zoals je van een goede theorie zou verwachten. Integendeel. Ze laat me twijfelen. Ze houdt me onzeker over de zekerheden die in haar verborgen lijken te liggen. Soms zó overtuigend, dat ik me zelfs afvraag of dát misschien niet juist de kracht van de theorie is. De kracht van de onzekere waarheid. Een overheersende kracht, dictatoriaal bijna, maar gelukkig met een energie die te sturen is. Nou ja, sturen. Energie die alle kanten op gaat is nou niet bepaald een richtinggevende kracht. Dus echt sturen, nee. Daarvoor houdt mijn theorie zich nog te veel verborgen. Hecht ze, zo lijkt het, teveel aan twijfel. Maar wat ze wel soms doet, mijn theorie, is dat ze overkoepelt. Wanneer twijfel en zekerheid weer eens met elkaar wedijveren, voel ik dat mijn theorie een harmonieus antwoord klaar heeft liggen om die strijd te beslechten. Zonder te weten wat dat antwoord is, overheerst daardoor het gevoel van zekerheid en is de twijfel ondergeschikt. Dat is op zich wel prettig. Maar omdat ik het gevoel niet kan verklaren is het wéten zonder het onder woorden te kunnen brengen. Blijft het geruststelling vóór de angst. Berusting vóór het onvermijdelijke. Zekerheid vóór de twijfel. De nadruk ligt weliswaar op het positieve, maar het negatieve blijft daar doorheen schijnen. Ik verwacht dat mijn theorie straks, als ik tijd van leven heb, volledig getoetst is aan de praktijk. Dan zal ze mij het bewijs leveren dat het positieve gevoel, dat nu nog soms onverklaarbaar is, geheel logisch was.

Tot die tijd modder ik nog wat aan met mijn theorietje en mijmer ik er nog wat over.

Een theorie met kansen zullen we maar zeggen?

Mhm…

Daar heb je wat aan, aan zo’n theorie…