De Paes

een forse bries
blaast in mijn nek

laat eiken
stevig zuchten

de kraag
rechtop

rust in
mijn kop

kijk, en geniet
van luchten

terwijl ik zit
te wachten

wordt wat ik vind
verwaaid door wind

blust bruisend
mijn gedachten

en als ik uitkijk
over land

waait alles weg
niks aan de hand

Avond…

heel even niks

geen woorden
en geen zinnen

geen plussen
en geen minnen

heel even
niks beginnen

geen covid, nee
en geen 5g

er valt toch niks
te winnen

nee,
even niks

heel even
geen gezeik

niemand
heeft ongelijk

‘t wordt avond
bij de eik…

Sporen van herinnering…

Ondertussen is het al meer dan drie jaar geleden. Mijn zus Trudy was een van de eerste gasten in Hospice Doevenbos. Ik herinner me dat we vanuit haar kamer samen naar buiten keken, naar de kastanjebomen in de tuin. Het was mei en het gras rondom de bomen was nog maar net ingezaaid. Een groene waas scheen over het donkere zand. Het regende licht die dag. Trudy zag het omdat de regen de rode stenen van het tuinpad wat feller deden opkleuren.

Haar gezondheid ging in een paar dagen snel achteruit. Haar verblijf in het Hospice duurde maar twee dagen. Twee dagen waarin ze zich liefdevol verzorgd wist en waar ze uiteindelijk, in het bijzijn van een broer en een zus, in alle rust is ingeslapen. We hebben haar afscheidsdienst verzorgd op de manier die ze zelf had aangegeven. Ongeveer een jaar later hebben we haar as uitgestrooid op een plek die ze ook nog zelf had uitgezocht. Tussen kastanjebomen en dichtbij een bospad. Vlakbij een houten picknicktafel  en een grote waterpartij. Ik kom daar sindsdien met zekere regelmaat. 

Vorige week nog was ik er, om inspiratie op te doen voor het verhaal dat ik u nu aan het vertellen ben. Het was de eerste plek waar ik aan dacht, toen ik van de themawoorden ‘bomen’, ‘bladeren’ en ‘loslaten’ hoorde. Zeker in deze tijd van het jaar, waarin de herfst prachtige kleuren geeft aan bomen en aan losgelaten bladeren. Het is de tijd van korter wordende dagen in een zo nu en dan mistige sfeer van verval en troosteloosheid. Maar het is zeker ook de tijd van een onmisbare voorbereiding op nieuw leven. In elk vallend blad schuilt een nieuwe belofte.

En ze liggen overal. De gevallen bladeren. In alle herfstkleuren die de natuur in petto heeft. Bruin, rood, geel. En vaak nog met een waas van zomergroen. Soms waait een blad wat verder weg om even verderop neer te komen in het donkere zand. Op de uitstrooiplek van Trudy hetzelfde beeld. Gevallen bladeren, waar je ook maar keek. Samen legden ze een deken over de donkere aarde, die in drie jaar tijd ongetwijfeld één was geworden met de as die we toen hadden uitgestrooid.

Mijn oog viel op een groepje van drie paddestoelen tussen de bladeren. Een teken van nieuw leven, bedacht ik me, gevoed door eerder gevallen bladeren in een symbiose met de aarde daaronder. Even verderop stonden er nog meer. Ze groeiden in groepjes en soms stond er een alleen. Grote, kleine, rechtop, schuin. Er was er één, die zo ver achterover gebogen stond, dat je de mooie regelmatige onderkant kon zien. De sporen waren te tellen. En op dat moment voelde ik de verbinding met waar ik voor naar deze plek gekomen was. De sporen van de paddestoel waren in één keer ook de sporen van een levende herinnering aan Trudy. Een mooi moment. 

Drie jaar geleden moesten we afscheid van haar nemen, maar in die ene tel leek het alsof ze even gedag zei… via de sporen van de paddestoel. Ik weet, het was misschien vooral mijn eigen interpretatie van dat moment, maar toch was daardoor de herinnering aan haar even heel levend. Het voelde fijn om in de sporen van de paddestoel ook sporen van haar terug te zien. Levende sporen van herinnering. Groeiend in de kleuren van de herfst.

Ik wens u allen toe dat u op uw eigen manier de kleurrijke sporen van de herinnering aan uw dierbaren vindt, in de tijd die gaat komen. In het begin zijn die herinneringen mogelijk door het droevige afscheid nog wat troosteloos grijs, maar hopelijk worden ze al snel mooier van kleur. En of het dan herfst, lente, zomer of winter is, in gedachten kan, op die manier bekeken, een afscheid op elk moment, een kleurrijk weerzien zijn.

Voorbij…

ze wandelen voorbij
niet wetend wie jij was
en dat het groen
dat ik voor me zie
ontstaan is uit jouw as

de wind die het beweegt
het strelend zonnelicht
in het groene bed
van zon en wind
herken ik je gezicht

je woorden zijn de bladeren
de bomen je verhaal
en alles
wat ik om me hoor
dat ben jij allemaal

heel even die momenten
alleen voor jou en mij
gedeeld met wind
en zon en groen
ze wandelen voorbij…

Geschreven scherven…

Schrijven. Gedachten vastleggen, die anders nietszeggend zijn. Als één boom in een bos. Nadenken. Woorden vinden voor wat anders nietszeggend is. Als een bos zonder bomen.

Ik denk na over wat ik zojuist heb geschreven. Gevonden metafoor met een dubbele laag. Door de bomen het bos niet meer zien. Of, als je het bos ziet, geen oog meer hebben voor de bomen. Te véél bezig met details of juist te weinig?

Ik zit aan de schaduwkant van ons huis en kijk om me heen. De beukenhaag moet binnenkort worden gesnoeid. Tussen de stenen groeit hier en daar wat onkruid. Aan de overkant van de straat start de buurman zijn motor. Het stationaire geronk laat vogelgeluid verstommen. Dan rijdt hij weg. Ik hoor de kerkklok weer.

Vlakbij me een pot waarvan de inhoud de scherven zouden kunnen zijn van zichzelf. Ze waren met z’n tweeen. Sinds er een kapot viel, ‘vult’ die de ander. Ze staan voor twee afgezaagde boomstammetjes, waarvan de één zijn schors al verloren heeft, terwijl de ander daarmee bezig is.

De pot en de stammen lijken bij elkaar te worden gehouden door een stronk, die begroeid is met lichtgroen mos.

Details. Stuk voor stuk gedachten oproepend. Samen een stilleven. Zowel in de voortuin als in mijn hoofd. De zon kruipt milimeter voor milimeter dichterbij. Straks is dit niet meer de schaduwkant. De beukenhaag staat al in de zon. Net als de boom aan de overkant van de straat. Eén boom. Geen bos.

Gedachten. Als scherven van een stil leven op de vroege zondagochtend. Vastgelegd in woorden. Geschreven scherven.

Troostwoorden…

Een verhaal schrijven over een afscheidsdienst waar ik bij aanwezig ben. Dat doe ik zo nu en dan. Zeker wanneer het overlijdensbericht me raakt en ik de overledene of een van de nabestaanden ken. Waar vaak vooraf en tijdens zo’n dienst condoleances worden uitgesproken, merk ik dat ik de indrukken graag achteraf pas, in alle rust en vol respect, op papier wil zetten. Als een verhaal van troost voor de nabestaanden. Maar ook een verhaal voor mezelf. Woorden van medeleven, omdat ik het afscheid mocht mee-beleven.

Het verdriet tijdens zo’n dienst raakt de aanwezigen en raakt mij. De emoties zijn hoorbaar, zichtbaar en voelbaar. De gesproken woorden, heel persoonlijk gericht aan de dierbare overledene, belichten tegelijk een universele kant van ieders bestaan. Er is herkenning. Echtheid. Ontroering. Het verdriet dat in een ieder van ons verborgen ligt, wordt er even door aangeraakt en komt aan de oppervlakte. Het uit zich in vloeibare erkenning van de eindigheid. Even. En dan gaan we weer door.

Want juist dat verdriet gaat vaak gepaard met een ode aan het leven in al zijn facetten. Dan wordt het een allesomvattende mix van emoties, die louterend werkt. Die kracht geeft om door te gaan. Die na storm en regen weer zon en warme wind laat voelen. Die ook laat zien dat het allemaal tijdgebonden is, waardoor vreugde en verdriet elkaar voortdurend zullen blijven afwisselen. Meestal onverwacht en zonder enige regelmaat, maar met de zekerheid van het moment.

Die momenten in een dienst zijn daarom zo waardevol. Leven staat nergens dichter bij de dood dan daar, bij het afscheid. Waar de een gaat, daar komen de anderen. Ze laven zich aan de herinneringen en zetten daarmee het leven voort. Het afscheid is onherroepelijk ook een welkom aan alles wat daarna komt. En daar woorden aan mogen geven, voelt als een eerbetoon aan het leven. Aan het leven van degene die er niet meer is. Een leven, dat vanaf dat moment onderdeel wordt van het leven van hen die er nog wel zijn.

Telkens weer. Steeds opnieuw. Woord voor woord.

Gedeelde beleving die zinnen verzet
Middels woorden die raken, in tranen gebed

Leven en dood in een vreedzaam ballet
Laten zout zoeter smaken, in een innig duet

Verbindt zo akkoorden, tot refrein en couplet
En dan vind je de woorden, in tranen gebed

Zachte aai…

Eerste kerstdag. Het jaar 2018. Het is mijn 58e kerst. Best al een aanzienlijk aantal kerstdagen meegemaakt, realiseer ik me. Het overvalt me een beetje, hoe weinig ik me eigenlijk zo op het eerste oog nog herinner van al die verschillende momenten. Gravend in mijn geheugen verschijnen er wel beelden uit mijn kindertijd. Ik zie de hoek van de woonkamer voor me, waar bij ons altijd de kerstboom stond. Een stevige boom, waaronder heel natuurgetrouw met rotspapier een grot was nagebootst.

De grot leek uitgehakt uit een stenen berg, van waaruit de kerstboom bijna natuurlijk opsteeg, tot aan het plafond, nog net plaats overlatend voor een blinkende piek. In de boom gekleurde lampjes, bedekt met engelenhaar, waardoor er wat mystieks van uitging. Geheimzinnige spiegelingen in glanzende kerstballen en zilverkleurige druppels. Hier en daar een teer, zilveren vogeltje, dat elk moment leek weg te kunnen vliegen, ware het niet dat het was vastgeklemd aan een dennetak. Nog voel ik hoe koud en zacht hun staarten over mijn hand gleden.

Achter in de grot was een gaatje gemaakt, waar doorheen één lampje het tafereel in de grot bescheen. De beelden die elk jaar hun eigen plaats kregen, voelden zwaar en stevig in mijn kinderhanden. In de loop van de jaren meen ik mij te herinneren dat sommige beelden extra voorzichtig uit de doos moesten worden gehaald, omdat ze een jaar eerder waren gelijmd. Vooral de gipsen schaapjes bleken kwetsbaar. De drie wijzen verplaatsten zich naarmate de kerst dichterbij kwam. Iemand bij ons thuis -ik vermoed mijn moeder- volgde daarmee de logica van het kerstverhaal. Op 1e kerstdag stonden ze alledrie vlakbij de kribbe. Misschien heeft juist die trektocht menig schaapje geschaad…

Dit tafereel heeft in mijn herinnering een hele vaste plek verworven. Waarschijnlijk omdat het jaar na jaar volgens datzelfde protocol verlopen is. Heel vaag kan ik me herinneren dat we ‘s avonds thuis kwamen en dat er een kersttafellaken over de tafel lag die feestelijk gedekt was. Maar vanwege de vaagheid van die herinnering is dat zeker niet iets dat elk jaar onderdeel uitmaakte van de ceremonie. Daarvoor was onze familiesituatie in mijn kinderjaren te instabiel. Misschien wel een verklaring voor mijn selectieve geheugen.

De herinneringen aan kerst van de laatste jaren zijn echter ook vluchtig. Eten bij en met de broers en zussen, waarbij later ieders kinderen ook aansloten. Het aantal deelnemers aan die gezamenlijke maaltijd nam in de loop van de tijd door verschillende redenen af. Je zou het een natuurlijk verloop kunnen noemen. Vragen stellen daarover kan, maar antwoorden blijken lastig te vinden. Het zij zo. De kerstboom, die in mijn kindertijd altijd echt en groen was, heeft bij ons in huis nu plaatsgemaakt voor een andere indrukwekkende en creatieve variant. Mogelijk nog echter, maar totaal anders wat betreft kleur en vorm. De kerstballen en zilveren druppels zijn nog steeds wel de stilzwijgend blinkende getuigen van vroegere tijden. Mooi en verstild.

Nog steeds hangt er op twee plekken een zilveren vogeltje. Ik heb net even uitgeprobeerd of het gevoel van de staart over de rug van mijn hand nog hetzelfde is. Want hoeveel er door de jaren heen ook verandert in de beleving rondom kerst, het gevoel van die zachte aai over mijn hand blijft heel sterk. En ja, hoewel niet helemaal hetzelfde, voelt het nog steeds heel apart. Mijn huid lijkt nu wat ruwer dan toen, maar toch ontroert het gevoel me. Mijn 58e kerst verbindt zich even met allerlei momenten uit het verleden. Ik slik een traan weg, hoewel die waarschijnlijk net zo zou glanzen als de zilveren druppels in de boom. Ik zie dat de vogel naar de pieken kijkt. Ongevraagd een goede raad.

Tienduizend meningen…

Op deze zonnige zomerse zondag blaast binnen de ventilator een koel briesje mijn kant op. Net na de middag op deze eerste juli begin ik aan een korte column. Vanochtend heb ik al vroeg mijn 10-km gelopen. Toen blies de wind stevig maar koel, terwijl de zon al indrukwekkend fel scheen. Een combinatie die niet zo vaak voorkomt, bedacht ik me. En tegelijk een constatering die verder geen enkele inhoudelijke waarde leek te hebben. Ook dat realiseerde ik me tijdens het lopen. Koele bries. Warme zon. Soit… En toch..

Gisteren de juli-augustus editie van het Filosofiemagazine in de bus gekregen. Hoofdthema deze keer: We zijn te braaf geworden. In een zevental essays valt te lezen dat we wel wat ijdeler, hebzuchtiger, wellustiger, jaloerser, onmatiger, bozer en trager mogen zijn. Waar deze zeven zonden normaalgesproken worden veroordeeld als ongewenst, draaien een zevental jonge filosofen het om en leggen uit wat voor hen de meerwaarde ervan is. Of deze combinatie van ‘ongewenst – gewenst’ voor mij inhoudelijke waarde gaat hebben, moet ik nog uitvinden. Ik heb gisteren nog maar twee essays gelezen.

Nog even afgezien van de verdere inhoud, vind ik het wel een prettige gedachte dat je jezelf toestaat om 180 graden anders tegen zaken aan te kijken. Wat voor de hand liggend lijkt even loslaten om vervolgens ook de andere kant op eventuele waarheden te onderzoeken. Dat schept nieuwe mogelijkheden en kansen voor wederzijds begrip. De achterkant van het gelijk meenemen in je mening. Niet altijd even makkelijk en meestal ook niet gebruikelijk als het over controversiële onderwerpen gaat.

Europa bijvoorbeeld en hoe om te gaan met de vluchtelingen. De grenzen dichtgooien, als een kille bries, tegenover het delen van wat er is, als een warme zon. Als je enkel de ene kant ziet, blijft het koud. Sta je vast aan de andere kant, verbrand je in de zon. In beweging blijven dus en op zoek gaan naar ‘the best of both worlds’?

Zo maar wat gedachten die in me opkomen, terwijl ik vroeg op een zonnige zomerse zondag, de meters onder mijn voeten voorbij voel trekken. Tienduizend meters. Vijfduizend links en vijfduizend rechts. Naast elkaar. Niks zondigs aan. Of misschien wel te braaf?

Terrassen op maandag

Onder een parasol, die zelf onder een grote eik staat. Met de rug naar het water van de Kasteelse bossen. Een zojuist spontaan ontstane situatie, omdat het tafeltje waar ik net zat niet beschermd was tegen een regenbuitje. Hier onder de parasol gaat dat prima. Een roodborstje landt vlakbij op de leuning van een stoel rechts van mij. Voorzichtig wil ik er een foto van maken, maar dan vliegt het vogeltje naar een plek links van mij. Als ik daar een foto van wil maken lijkt het net alsof ik de twee jonge dames, die links van me onder de parasol zijn gaan zitten, wil fotograferen. Dat is niet zo, maar ik weet zeker dat zij het roodborstje niet hebben gezien. En ik voorzie dat zij zich behoorlijk ongemakkelijk zouden gaan voelen bij mijn goed bedoelde fotopoging. Niet doen dus en ondertussen is het vogeltje trouwens ook al gevlogen…

Een wat langere intro dan bedoeld. Een fietstochtje op maandag – mijn ‘schrijversdag’- kent een stopplaats op het terras van Boscafe het Maasdal. De ‘locals’ hadden dat misschien al afgeleid van de foto’s. De dames links van mij hebben het over hun ervaringen in de zorg. Ouderenzorg en misschien zelfs nog wel in opleiding, leid ik af uit de ongewild in mijn linkeroor binnenkomende gespreksstof. Ik schat in dat ze beiden werkzaam zijn op een geriatrische afdeling. Van een zorginstelling of ziekenhuis. Ze hebben misschien hier afgesproken om in een prettige ambiance een ‘ bilateraal’ te houden. Er zijn vervelendere plekken. Het roodborstje trippelt weer eigenwijs voorbij. Misschien heb ik straks nog een mogelijkheid om het beestje te fotograferen. Of nu..

Op de stoel in het midden…

Het regent al even niet meer. Een paar wandelaars vinden een rustplek op het terras. Een groepje van vier kiest ook een buitenplek om te eten. Een vader haalt streng zijn twee zoontjes naar binnen. Een daarvan heeft nog een fopspeen in de mond en loopfietst op een plastic vierwielertje. Zijn broertje is iets ouder maar niet veel. Terecht dat ze naar binnen worden gehaald. Er is wel heel veel water in de buurt om deze koters onbewaakt buiten te laten spelen. Toch zie ik even later de fopspeen weer naar buiten wandelen. Hij staat stil, kijkt rond en loopt via een tweede ingang weer naar binnen. Uit de eerste ingang verschijnt zijn vader. Een kat-en-muis-spel dat toch wel wat herinneringen oproept.

De bediening heeft het nog rustig. Straks zal dat wel anders zijn, want de tapas van het restaurant trekt volgens mij normaalgesproken best veel klandizie. Ik ga daar niet op wachten. Als ik even naar rechts kijk, zie ik het roodborstje weer heel dichtbij zitten. Een nieuwe poging voor een close-foto, maar weer zonder succes. En dat terwijl ik heel slim de iPhone of ‘reverse-fotograferen’ heb gezet om het beestje niet de indruk te geven dat ik het wil vereeuwigen. Maar het roodborstje is slimmer en opnieuw vertrokken. Ga ik ook doen. Even binnen mijn drankje betalen en mijn fietstocht vervolgen. Genoeg letters voor een maandag.

En dan ineens…

Daar is ie toch!