Tussen de regels

Een beetje uit het lood. Wat losgeslagen. Onevenwichtig. Zoekende. Hij probeerde voor zichzelf het gevoel te beschrijven dat hem bezighield. Niet lekker in z’n vel. Zo was het omschreven in de opdracht die het bureau had gekregen. Hij had de opdracht zelf mee mogen schrijven. Want hij had tenslotte ook zelf aan de bel getrokken. Heel veel complimenten had hij daar voor gekregen. Hoe goed het was dat hij zo ‘zelfreflectief’ was. Zo open en eerlijk zijn problemen op tafel durfde te leggen. Hij nam die complimenten voor wat ze waren, omdat hij het zelf niet als een prestatie ervoer. Meer als een nederlaag. Zeker in het begin. Waar was die drive en dat zelfbewustzijn gebleven?

De taak was ook helder beschreven. Hij moest weer ‘in zijn kracht komen’. Het afgelopen half jaar had hij, samen met zijn coach, daar veel tijd in gestoken. Allereerst om helder te krijgen wat er nu eigenlijk gebeurd was. Hoe had het toch zo ver kunnen komen? Wat was het waardoor hij zo van zijn stuk was geraakt. Van zijn stuk. Weer zo’n omschrijving die zijn gemoedstoestand beschreef. Beetje bij beetje ontstond er een beeld. Langzaamaan werd hem duidelijk wat redenen zouden kunnen zijn voor de donkere wolken van toen. Had hij voorzichtig het wolkendek hier en daar al wat open zien trekken. Zo nu en dan leek er zelfs al weer een wat waterig zonnetje in zijn hoofd te schijnen. Men zei dat het te zien was. Hij liep weer wat meer rechtop en hij lachte weer wat vaker. Bedoeld als een compliment, maar het gaf hem op dat moment even een wat mistroostig gevoel.

Emoties waren er nog steeds. Als flarden witte zomerwolken. Allerlei vormen. Van alles kon je er in zien. Alleen was dat wat hij zag vaak niet hetgeen de ander zag. Hij ervoer dat eens te meer bij het afrondend gesprek. Een nieuw begin moest het inluiden, vond hij. Die witte zomerwolk in zijn hoofd, waarin hij af en toe al wat vaag de contouren van zijn toekomst zag. En toch kreeg hij even het gevoel dat die schaapjeswolk een wolf werd. Even maar, want al snel besefte hij dat hij nog steeds zelf de toeschouwer was. Hij bepaalde wat hij zag. Tussen al het blauw waren er nog zoveel andere witte wolken te zien. Vluchtige vormen, dat wel. Niet grijpbaar. Wat losgeslagen. Ook zoekende naar hun eigen vorm, leek het. Hoe duidelijker, hoe krachtiger.

Dat weekend droomde hij opnieuw die droom. In een onbekende, afgesloten ruimte was hij met iemand die hij hoorde te vertrouwen. Ook wílde vertrouwen. En tóch was hij op z’n hoede, terwijl hij zich tegelijk heel zeker voelde. Alsof hij die ander altijd een slag vóór zou zijn, wannéér die z’n slag ook maar zou slaan. Een geladen situatie, niettemin, in die droom. Hij werd wakker voordat er iets gebeurde. In zijn hoofd was de droom nog heel levend. Hij voelde dat er een sterke band was tussen die twee personen. Bijna alsof ze samen één waren, ja, zelfs niet zonder elkaar konden bestáán. Wáren het wel twee personen? Uit de sfeer van die gedachten ontstond een zin die hij op dat moment heel treffend vond voor wat de droom in hem had losgemaakt. In het volle besef dat de weken en maanden daaraan voorafgaand ook een rol hadden gespeeld, besloot hij die zin op te schrijven: ‘Ben ik de gevangene of de bewaker van mijn leven?’. Hij draaide zich nog een keer lekker om. Morgen, dacht hij. Morgen zal ik daar eens wat regels over op papier zetten.

De heetste dag van het jaar…

Een pestvlieg maakt zijn zeventiende rondje om mij heen. Even zoveel landingen op mij maken dat hij z’n naam meer dan eer aan doet. Op een gewone dag zou ik al twaalf keer zijn opgestaan om een einde te maken aan zijn pestleventje. Maar het is de heetste dag van het jaar. Dus ik doe niks. En als ik na het zetten van die punt na ‘niks’ om mij heen kijk, merk ik dat een achttiende rondje in deze temperaturen het pestbeest waarschijnlijk toch al fataal geworden is. Een zonnesteek, denk ik. Maar goed dat ik ben blijven zitten. Heel weinig doen. Korte zinnetjes maken. Woorden zoeken die passen bij het weer. Zonnesteek bijvoorbeeld. Of pestbeestje. Of wespen met een zonnesteek. Zoiets. Houtduif. Met mijn ligstoel op stand twee kan ik net in het bladerdak van de boom boven mij kijken. Daar zit hij. Een vette houtduif. Bewegingsloos. Net als ik. Slim beestje. Wat eten houtduiven eigenlijk? Pestbeestjes? En waarom hout? Tortel, oké, maar hout? Een kauw lacht op een afstandje. Klinkt als korte mitrailleursalvo’s. Tussendoor hoor ik alleen het ruisen van de warme wind door de bladeren. Geluiden uit de buurt klinken heel rustig na elkaar. Alsof ‘om de beurt’ bijdraagt aan de kalmte die op de heetste dag van het jaar vanzelfsprekend lijkt. Rustig aan. De kauw -of is het een andere?- krast al korter. Als je zwart bent vang je nog meer warmte op. Arm beestje. Ondertussen schuift de zon op. Dat ik het al warmer krijg, komt omdat mijn benen al zon vangen. Kijk maar

20120819-114923.jpg
Dat is erger dan een pestvlieg. Verzetten dus. Kan nog net voor 12.00 uur. Het wordt nog heter wil ik maar zeggen.
In de hoek van de tuin, volop schaduw en zelfs een zuchtje wind zo nu en dan, schrijf ik verder op de heetste dag van het jaar. Zon-dag. Jaja… maar zóveel. Afijn, niet al te veel doen. Korte zinnetjes. Met twee vingers typen in plaats van tien. Komt goed. Roekóékoe hoor ik. De houtduif -of een andere- is wakker. Kalm aan, beestje. De kauw is helemaal stil. Als je zwart bent heb je er nog meer last van… Niet te veel bewegen.

20120819-115714.jpg

Goud

We staan op zes. Het is zaterdag 11 augustus, een paar minuten over een. Zes keer goud hebben we nu. Tel daar de vijf keer zilver en 8 keer brons bij op en dan blijkt dat we ons nationale doel van 17 plakken al zijn voorbijgestreefd. Haal de kroonkurken maar van de fles! Een nieuw doel wordt snel gesteld: een plaats bij de beste 10 landen van het medailleklassement. De lat ligt dus alweer hoger. In dat klassement staan we nu al elfde. Wanneer de hockeymannen vanavond met een nulletje of vier de Duitsers van de mat vegen, dan kan het al gebeurd zijn. Dan staan we waar we willen staan. De lat kan dan wéér omhoog en ook de kratjes Heineken kunnen in de aanbieding.

Nog belangrijker misschien, onze oranje Calimero-eierdopjes komen weer wat steviger op onze kopjes te staan. Hiep-piep-hói, hiep-piep-hói… Vaak onopvallend en heel terloops, soms een beetje zelfingenomen en zelfs wat genant. Ongegeneerd oranje. Het Zie-je-wel-wij-zijn-beter-dan-de-rest-gevoel. Zeker beter dan die duitsers, want daar gaan we straks helemaal terecht van winnen. Dus. En over die fiets die we nog terug moeten krijgen hebben we het straks nog wel even, in het Holland Heineken House.

Omdat het niet zo gemakkelijk praat na een paar uurtjes feesten en zuipen op kosten van de sponsor, schreeuwen we het uit. Mart Smeets zit daar ook. Hij ergert zich dat er geroepen wordt, wanneer hij praat. Zijn monoloog in aanwezigheid van winnaars en supporters is namelijk de uitlaatklep van dat oranje-gevoel. Het oranje afvoerputje. Alles wat oranje is, loopt leeg in Smeets. Mag hij dat zeggen? Ja dat mag hij zeggen. Want wij kijken en luisteren massaal. Mét de oranje hoedjes als eierdopjes steeds steviger op de Heineken-hoofden.

Wat zijn we toch een lief oranje volkje. Op weg naar de beste 10 zien we niet dat Duitsland in het medailleklassement al op de zesde plaats staat. Daarmee geconfronteerd, wijten we dat voor het gemak aan de eigenschap dat zij altijd in de laatste minuut met geluk winnen. Wij niet, wij trainen er hard voor, en komen dáárom in de top 10. Weer anderen hebben het thuisvoordeel wanneer wij niet winnen. Dan zijn het foute juryleden die aan foute paarden onterecht goud geven. Het is dat Winston Churchill in de oorlog aan onze kant stond, maar anders…

Wij staan in het Holland House bij opkomst van één van onze medaillewinnaars blij beneveld en-masse minutenlang ‘hoi, hoi, hoi’ te roepen terwijl een paar straten verderop de wat Duits uitziende Sir Chris Hoy in de Engelse pub zich afvraagt, wat die dronken oranje supporter toch over zijn fiets bazelt… Omdat we blijkbaar niet meer weten waar het eigenlijk echt om gaat, is het een kwestie van tijd dat een dronken oranje supporter hem zijn fiets gaat afnemen. Teruggeven dat ding! En in het Holland Heineken House gaat de fiets dan crowdsurfend over de massa. Hoi, hoi, hoi. Met een beetje geluk komt die uiteindelijk bij Teun Mulder terecht, die de fiets na de huldiging beschaamd weer teruggeeft aan de ware eigenaar. Hij weet wél dat Chris Hoy geen duitser is.

Neem een andere bronzen medaille winnaar. Een vrouw deze keer. Vandaag in de Volkskrant een heel mooi portret over haar. Judoka Edith Bosch. Op de voorpagina wordt ze geciteerd: ‘Ik had altijd te hoge verwachtingen van mezelf’. In het artikel zelf vertelt ze dat winnen heel lang voor haar hét middel was tegen eenzaamheid. Zou het plaatsvervangende winnaarsgevoel van heel veel oranje-supporters ook daar op terug te voeren zijn, vraag ik me af? Op té hoge verwachtingen en eenzaamheid? En dat men daarom met duizenden tegelijk in het Holland Heineken House elke keer opnieuw een verwachting wil zien uitkomen? Het blijft bijzonder.

Edith Bosch tikt terecht verontwaardigd een dronken flessengooiende fan op zijn rug. Zij doet wat wij ook zouden willen doen, maar meestal niet meer durven. Want voor durf moet je een eenling zijn, die zich niet in de massa wenst te verstoppen. Edith Bosch is zo iemand. Zij is die enkeling die laat zien waar het over gaat. Dat doet ze niet als judoka, die brons heeft gehaald op de olympische spelen. Dat doet ze als de persoon die ze is. Los van sport en van oranje. Kleurenblind van terechte verontwaardiging. Een mooi mens, zou Mart Smeets zeggen. Mag hij dat zeggen? Ja, dat mag hij zeggen. Omdat het om mensen gáát. En al hebben die brons. Dan verdienen ze goud.

Vrijdag de dertiende

Vrijdag de dertiende. Alsof daar nog niet genoeg over geschreven is. Maar ik wilde beginnen met schrijven en dit was het eerste onderwerp dat in me opkwam. Eigenlijk een gelukje dus. Maar ook wel een beetje triest als je wel de drang maar niet het onderwerp hebt om over te schrijven. Dat is net zoiets als praten zonder iets te zeggen. Nou komt dat laatste zeer regelmatig voor, dus zo ongewoon zal het dan ook wel weer niet zijn. Niet ophouden nu. Net als de regen.

Vrijdag de dertiende. Iets meer dan halverwege de vakantie. Ook zoiets waar veel over gepraat maar heel weinig over gezegd wordt. ‘O, jullie gaan niet weg? Nou, dat kan ook heel leuk zijn hoor, als het weer goed is…’. Ja, dat is zo. Jullie zijn net terug? Veertien dagen zon? Lekker… En zo gaat dat maar door. Net als de regen.

Vrijdag de dertiende. Ik heb net de krant gelezen. Een ingezonden brief van een ongetwijfeld ongelukkige lezer blijft door mijn hoofd spoken. Zeker omdat ik het heb over geen onderwerp hebben en toch willen schrijven. De man gebruikte zeven verschillende argumenten om zijn punt te maken. Elk argument stond compleet los van het vorige. En stuk voor stuk hadden ze niks met zijn punt te maken. Geen onderwerp, wel schrijven. Nikszeggend. Gewoon doorgaan moet hij gedacht hebben. Net als de regen.

Vrijdag de dertiende. Gewoon een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Want wiskundig is het volgens mij niet zo moeilijk te bewijzen dat er op alle andere vrijdagen een grotere kans is op een ongeluk. Maar goed, het zal wel net zoiets zijn als met homeopathie. Je moet er in geloven. Of niet natuurlijk. Wel grappig dat water geheugen zou hebben. Zou die regen van vandaag weten dat ze gisteren ook al gevallen is?

Morgen is het zaterdag de veertiende. Dat komt, schat ik even voor het gemak in, net zo vaak of net zo zelden voor als vrijdag de dertiende. Zeker weten doe ik dat niet, maar met een beetje gezond verstand lijkt me dat heel aannemelijk. En toch moet je daar voorzichtig mee zijn, met gezond verstand. Want voor je het weet schrijf je ingezonden brieven naar de krant en geloof je bruinverbrande buren over de zon in het zuiden.

Vrijdag de dertiende. Ik las dat er ook buien voorspeld zijn voor de rest van het weekend. Heeft te maken met één grote depressie. Tja. Onverdunde waarheid. Hoewel het buiten nu is gestopt met regenen. Gelukkig…

Het is de opstelling…

Een dag na de uitschakeling op het EK, op maandag, schrijf ik dit stuk. Associaties met voetbal zijn bij het woord ‘opstelling’ voor de hand liggend. Dit verhaal gaat er niet over, maar ik kan het niet nalaten er wel iets over te zeggen. De opstelling van Van Marwijk heeft namelijk drie keer verloren, terwijl de opstelling van Van Marwijk –daar ga ik tenminste van uit- nooit is geweest, dat hij drie keer wilde verliezen. Toch heeft zijn opstelling er toe geleid. Een lastig dilemma. Voor hem en voor zijn opstelling.

Nog een. De opstelling van 17 miljoen bondscoaches kende 398.358 varianten, terwijl de opstelling van diezelfde groep bondscoaches na elke wedstrijd weliswaar een tikje valer oranje werd, maar toch nog vrij eenduidig was. Men vond over het algemeen dat oranje had moeten winnen. Alleen, de werkelijkheid werd niet alleen steeds minder oranje, maar bleek zelfs nog veel minder rooskleurig. Op de radio werd maandagochtend gesproken over nationaal verdriet en er waren psychologen die repten van rouwverwerking.

Tegelijk, TV-beelden van Schiphol waar die-hard oranje-fans onverzorgd en apatisch de gateways uit kwamen wandelen. Bijna onopvallend liepen ze daar en zonder het te beseffen leek het wel, nog volledig in het oranje gekleed. Onbewust maakten ze zo opnieuw een heel krachtig statement: ‘Wij zijn wel oranje, maar het maakt ons niets meer uit’. Dat is ook een opstelling.

En dan deze: de oranjestrop van de supermarkten. Het barre drama van de oranje tompoezenbakkers verbleekt er volledig bij. De gijpbeestjes, geluksvogeltjes, oranjebuddies, juichbandjes, oranje hoeden en dito sjaals. Het moet allemaal uit de schappen worden gehaald. Oranje stop? Oranjestrop. Hoewel. Het doel ervan is al bereikt. Sinds Pinksteren hebben de acties de supermarkten al 18 miljoen meer omzet opgeleverd dan een vergelijkbare periode vorig jaar. Als je je zo opstelt, dan hep elk nadeel wel een voordeel. Ja, de associaties met voetballen liggen voor de hand.

Maar daar gaat dit stukje niet over. Want ondanks alle ellende, leek er maandagochtend vooral ook een druk van het land gehaald. De oranje depressie werd ‘s ochtends eerst overtuigend ingeruild voor een hele donkergrijze onweersbui. Prachtig. De treinen bij Utrecht stonden weliswaar meteen weer uren stil, maar daarna was het onmiskenbaar. Er was een gelukzalige gelatenheid over het land neergedaald. Heerlijk. ’s Middags, zo leek het wel, begon om diezelfde reden zelfs de zon te schijnen, om even te laten zien hoe mooi het allemaal was en hoe de zomer er ook alweer uit kon zien. En ik kan het niet bewijzen, maar ik meen zeker dat ik in de gezichten van de mensen die ik maandag tegenkwam toch een iets andere opstelling zag. Minder gekweld. Verlost bijna.

Maar dan. Dinsdagochtend kopt de krant over de ‘verhuisdoos’ van 2012. Wat blijkt? Er wordt nu al ‘gelekt’ over de ware toedracht van het verlies van oranje. De blamage moet namelijk een oorzaak hebben, zoals er ook in 1990 bij het WK oorzaken waren. Dat waren toen arrogantie, vanuit Milaan ingevlogen ‘kamermeisjes’ en overgewicht bij spelers. Dat verklaarde destijds het verlies. Wij konden met z’n allen opgelucht ademhalen. Het waren de vedetten zelf die schuldig waren. Niet wij. Die geheimen kwamen in 1990 voor en na als uit een doos van Pandorra uit ‘verhuisdoos 13’ van toenmalig coach Leo Beenhakker.

In 2012 is zo’n verhuisdoos voor de oranje-psychologen helemaal niet meer nodig. De verklaringen van Van Marwijk, de twitterberichten van spelers, de antwoorden op vragen van interviewers, de beelden van bellende spitsen, het spreekt nu allemaal boekdelen. Als je de krant mag geloven, tenminste. Of de voetbalprogramma’s op TV. En waarom zou je niet? Want het ligt allemaal zo voor de hand als je de uitspraken van de huidige voetbalcoryfeeën niet gewoon letterlijk neemt maar met een ziekelijke oranje logica anders uitlegt. Anders, omdat letterlijk veel té logisch is en zeker geen verklaring oplevert voor de blamage van 2012. Want wij, journalisten en lezers van de krant, tv-makers en kijkers, hebben het wel door hoor. De oorzaak van het verlies ligt weer niet bij ons, maar opnieuw bij hen… Zij vormden geen eenheid. Wij wel. Zij stelden individueel belang boven teambelang. Wij niet. Zij vormden eilandjes. Wij niet. Zij toonden geen inzet. Wij wel.

Dit stukje gaat niet over voetbal.

Zeiken en zieken, zo omschreef iemand een tijd geleden de opstelling van het merendeel van de mensen in onze huidige op eigenbelang ingestelde, westerse wereld. Tevredenheid over zichzelf lijkt daarin onmogelijk zonder ontevredenheid over de ander. En dat houden we het liefst niet voor onszelf, maar delen we te pas en te onpas en op alle mogelijke manier met anderen. En ook die anderen zijn pas tevreden als hun ontevredenheid wordt gedeeld. Zieken en zeiken. Dat is de huidige opstelling. En daarom kunnen we niet winnen. Zij niet, gewoon, vanwege het voetbal. En wij niet, vanwege die opstelling. Daar ligt de oorzaak van ons verlies. Niet hun verlies. Ons verlies.

Want dit stukje gaat niet over voetbal.

En dat nog een jaar of twintig…

Wat een eikels, die voetbaldeskundigen. En wat een eikel ben ik dat ik daar toch elke keer weer intrap. Gisteren een aardige tweet voorbij zien komen. Iets in de trant van: ’Als na de voorbeschouwing de winnaar nog niet bekend is, dan moet door twee keer drie kwartier voetbal de beslissing worden geforceerd.’ Dat vat het wel mooi samen. Het lijkt er op dat het ge-eikel vóór en na de wedstrijd veel belangrijker is dan de wedstrijd zelf.

’Wat denk jij, Jan?’
’Ja, kijk, als we zien dat de linies tussen de voorhoede en het middenveld niet mee opschuiven, tja, dan vallen er gaten.’
’En jij, Johan?’
’Nee, dat denk ik niet, ik krijg steeds meer de indruk dat jij nooit gevoetbald hebt zeg! Heb jij ooit wel eens eens gat proberen te verschuiven, hahahaha’.
’Ik hoor in mijn oortje (oh?) dat Jack de bondscoach bij zich heeft zitten. Jack, kom er maar in!’

’Bert, wat ging er mis?’
’…..’
’Hoe is de sfeer in de groep? Hoe kon dit gebeuren?’
’Nou, als de tegenstander wél scoort en ….’
’Is dát het, dat wij niet tot scoren komen?’
’Tja, als je ziet dat zij maar twee kansen nodig hebb….’
’Volgens de beeldregie hebben we hetzelfde aantal schoten op doel gehad. Allebei acht..’
’Ooh…? Nou ik weet niet waar jij naar gekeken hebt maar ik denk dat iedere leek gezien heeft dat wij veel meer kansen he…’
’Kansen misschien wel, maar wat betekent dit nu voor de volgende wedstrijd?’
’Ik weiger bij voorbaat om nu al op te geven, als je dat misschien denkt. Het wordt niet gemakkelijk, maar we zullen er zeker voor gaan. Want in zo’n toernooi moet j.. ’
’Hoe voelt Robin zich?’
Beeldwissel…
’Kijk, we zien hem hier in zijn eentje staan. Hij is aan het bellen, geloof ik…’
’Tja… Hij is natuurlijk oo…’
’Wacht even… Bert, ik hoor dat we terug moeten naar de studio. Tom?’
Beeldwissel.
’Ja, Jack, we moeten er eventjes uit voor de boodschappen maar we zijn zo weer bij u terug. Tot zo.’
Tune…

Soortgelijke dialogen en discussies van experts tussen alle reclame door. Man, man,man. Wie bij Mc Donalds (?) heeft die ’1-0 reclame’ in het voordeel van Oranje trouwens bedacht, die meteen na het interview met Van Marwijk op de buis kwam? Of, misschien wezenlijker nog, was er niemand in Hilversum die het benul had van ’nu even niet’? Afijn, het zegt alles over waar het eigenlijk om gaat. Nergens om. In ieder geval niet om voetbal. Heb je ook gezien dat de ’Orange Mega Big Mac’ uit vijf lagen bestaat? Ik weet het niet zeker maar ik geloof dat dat mogelijk is gemaakt door de ING. Zou je niet denken hé? Zou er trouwens ook iets van die 100 miljard naar het Spaanse elftal gaan? Kan bijna niet anders.

Ik ga woensdag toch gewoon weer kijken. En misschien zaterdag nog…

Gevangen in bruine ogen…

Haar blik komt intens bij me binnen. Ze kijkt me aan, terwijl ze bijna bewegingsloos en verkrampt in de stoel ligt. Al zolang ze leeft, vermoed ik, ligt ze zo. Haar spasme heeft haar verlamd. Haar hoofd luistert maar zelden naar haar. Ontstaat er even iets van een glimlach, dan wordt die bijna net zo snel weer verwrongen tot een grimas. Met haar hand probeert ze haar mond weer in een glimlach te duwen. Maar ook haar handen blijken van iemand anders. Als haar vingers al bij haar mond komen, dan wendt ze zonder het te willen haar hoofd af. Alleen haar ogen. Die zijn van haar en daar verlies ik me in.

’Fijn dat je er bent’, zie ik in het donkerbruin. En ik draai nog een deuntje op mijn draaiorgel. Speciaal voor haar. Op dat moment. Want er zijn nog andere kinderen in het woonhuis. En maar twee begeleiders. Twee jonge meiden koppelen de ene poetsactie aan de andere drinktaak. De kinderen die het appeltje alleen kunnen eten, krijgen vanaf een afstand een complimentje over hoe goed ze dat doen. Vanaf een afstandje, omdat je met z’n tweeëen nu eenmaal niet acht meervoudig gehandicapte kinderen kunt verzorgen. En ik ben er te gast, omdat dat zo is afgesproken door iemand van de verzorgingsstichting ‘Octopus’. Met de stichting Erato, die muzikale contacten regelt.

De meiden wisten dat niet. Nog geen kans gezien om de agenda, waarin het genoteerd stond, te bekijken. Ik vermoed omdat je in de tijd van het lezen ook iemand uit de snoezelruimte kunt halen of uit bed kunt tillen. Of in de rolstoel kunt dragen, iets te drinken kunt geven of medicijnen voor kunt klaarmaken. En ondertussen speel ik nog een deuntje, omdat dat zo is afgesproken. In de minimale mimiek en de karige bewegingen die dat hier en daar oproept word ik door een van de meiden gewezen op de stand van een mond. Ik hoor zo nu en dan een geluid dat voor mij vertaald wordt als een tevreden zucht. ’Ze vinden het leuk’, verzekert men mij. Ik weet het niet, maar ik ga af op hun ervaring. En bij sommigen meen ik het ook wel te kunnen zien. Aan een wapperende hand of een wiegend meebewegen van een arm.

Drie keer raken achterelkaar twee handen elkaar en het eerste ’applaus’ wordt verwelkomt als een ovatie. Opnieuw kijk ik in die bruine ogen. Ontwapenend mooie bruine ogen. Is het ’t contrast tussen de totale machteloosheid en willekeur van haar lichaam dat die ogen zoveel berustende kracht uitstralen? Zóveel kracht dat ik even vooral mijn eigen beperkingen voel? Ja, het is mijn eigen onmacht die ik zie in die ogen van haar… Tranen prikken, maar dat hoeft niet. Want haar ogen lachen en haar blik laat min of meer de mijne als vanzelf los. Er zit macht in gedeelde onmacht. Ik draai nog een liedje en loop rond. Ga zitten bij een kind dat alleen maar ligt. Ik draai en draai en draai. Omdat ik de keuze heb, kies ik uit. Voor hen die geen keuze hebben, heb ik gekozen. Blijkbaar. Machteloos. Met de kracht van gedeelde onmacht. Gevangen in bruine ogen…

‘Zonne goeie… hebbe we… nag ni gehad’ perst ze er uit als ik mijn orgel inpak. Haar bruine ogen lachen en haar gezicht lijkt zich even niet weg te laten duwen door haar verkrampte handen.

Even.

Vader op Moederdag…

Voor het eerst een verhaal dat ontstaan is op de iPad. Dat wil zeggen, getikt op het schermtoetsenbord. Het klik-geluid doet me terugdenken aan 1973, toen ik oefende voor mijn Scheidegger-10-vinger-blind-diploma op de analoge typemachine. Dat wisten we toen nog niet, dat die machine analoog was. Tenminste, daar werd in de cursus niets over verteld. Wat we wel hadden was de Typomat. Een kast, zo groot als een tegenwoordige café-gokkast, die in een regelmatige cadans lampjes liet oplichten achter letters, die wij dan moesten aanslaan op onze geleende Scheidegger typemachines. Dat ging dan steeds sneller. Dat leek wel digitaal alleen wisten wij dat toen ook nog niet.

Alle letters op de toetsen waren verborgen onder gekleurde kapjes. Die mochten er pas af als je je type-examen had gehaald. Met 190 aanslagen per minuut was dat een tijd later het geval en mocht ik -o, hemel op aarde- het typemachien kopen van mijn ouders. Ik herinner me nog het fluweelzachte gevoel van de voor het eerst onthulde toetsen. Het voelde toen als de iPad nu…

Kortom, een eerste weergave van mijn gedachten op de iPad, met het geluid van 1973. Voelt en klinkt lekker. Ik weet dat ik het geluid kan uitzetten, maar ik laat het nog even zo. Maar waar ik het eigenlijk over wilde hebben. Er kwam net een tweet voorbij waarin stond dat Moederdag toch vooral een commercieel feest was en dat welbeschouwd alleen Vaderdag nog om echte liefde ging. Getwitterd door een man, dat wel.

20120513-132820.jpg

Dat was het eigenlijk, voor de eerste keer. Met een bloemetje. Omdat het zo’n dag is. Voor alle moeders dus. Maar vaders mogen er ook naar kijken.

Draai kwijt…

Al een paar maanden bezig om mijn draai weer te vinden. Niet echt kwijt, dus het zoeken valt wel mee, maar toch. Wat me vooral bezighoudt is de gedachte om mijn draai kwijt te raken. Het laat me vraagtekens zetten bij momenten die normaalgesproken een uitroepteken krijgen. En als het al geen uitroepteken is, dan is het toch op z’n minst een punt. Woordspelingen! Gekunsteld en daarmee een voorbeeld van die draai die ik aan het verliezen ben…

Even kijken. De gedachte helpt dat als je iets echt kwijt bent, op den duur het zoeken ook wel ophoudt. Toch? Andere dingen komen er hopelijk voor in de plaats. Maar tot die tijd kijk ik nog even. Je weet maar nooit. Waar ik al gekeken heb? Op m’n werk bijvoorbeeld. Daar zoek ik nog even verder. Wanneer er tijd voor is. Dat wil namelijk nog wel eens een probleem zijn. Door het werken blijft er weinig tijd over om je draai daar te vinden. Hmm.

Ik heb ook gekeken naar mijn thuissituatie. Waar het allemaal om draait, zeg maar. Dáár je draai niet kunnen vinden, is minstens net zo erg als op je werk. En hoewel er meer tijd is om te zoeken, blijkt het lastig om me daar aan over te geven. Geen tijd op het werk om mijn draai te vinden en teveel tijd thuis, die ik niet aan het zoeken besteed. Tja. En nou?

Wat je niet vindt, ligt op een plek waar je nog niet gekeken hebt. Dus waar zou ik mijn draai nog meer kunnen terugvinden? Behalve thuis en op mijn werk bedoel ik. Heeft het überhaubt zin om ergens anders te zoeken, vraag ik me af, terwijl ik ‘werk’ en ‘thuis’ opschrijf. En wat gebeurt er als ik mijn draai ‘ergens anders’ vind? Wat zegt dan van mijn werk? Van thuis? Of is een andere draai juist de ommekeer? Woordspeling! Oeioei…

Want, woordspelingen lijken zo af te leiden van datgene waar het in de kern om gaat. Als je de draak steekt met je eigen zoektocht, wil je dan wel vinden wat je zoekt? Van de andere kant:  een beetje humor kan ook weer geen kwaad. Ik weet het niet. Helpt de gestructureerdheid van taal me op het pad naar wat ik zoek? Het is in ieder geval een poging waard. Dus daarom laat ik dit gewoon allemaal lekker staan. In verhullende zinnen, die als een hooiberg verstoppen wat steekt. Morgen zal hopelijk blijken dat het slechts een speldenprik is. Morgen. Maar hoe draai ik me door vandaag?

Vijftig liter potgrond in Oeganda

Vijf euro voor een zak potgrond van Jong Nederland Horst. Als ik er drie had gekocht, dan had het me slechts 13 euro gekost. Geen geld. Tenminste, in symbolische zin. En in die stemming was ik vanmiddag, toen de bel ging en er een welp van Jong Nederland zijn ingestudeerde verhaaltje afstak. Heet dat trouwens welp, vraag ik me af, terwijl ik het opschrijf? Afijn. Hij stelde zich voor als iemand van Jong Nederland, terwijl ik, over hem heen kijkend iemand van de Jong Nederland-leiding zag aanbellen bij de buren. In de tijd dat de welp voor mij één zak ging ophalen, hoorde ik de buurvrouw zeggen dat ze geen zak nodig had. Ze werd vriendelijk bedankt en toen kwam de welp al terug om mijn zak te brengen. 50 liter potgrond. Die heb ik op dezelfde plek laten neerzetten, waar ik door een andere welp vorig jaar ook een zak potgrond heb laten neerzetten: tegen de schutting van onze fietsenstalling. Vorig jaar stond die zak er zo lang, dat menigeen maandenlang gedacht moet hebben dat we de zak vergeten waren. Met andere woorden, het leek alsof we er niks mee konden en 50 liter potgrond voor nop hadden ingekocht. Ook vandaag schoot dat beeld even door mijn hoofd, toen ik vijf euro in de handen stopte van die welp van Jong Nederland. Ik stelde me mijn hoofdschuddende vrouw al voor, die opnieuw bevestigd zou worden in haar vermoeden dat ik dit soort plaatselijke initiatieven aan de deur maar heel moeilijk kan weigeren. Het zij zo. Want wat is vijf euro, als de waarde ervan, opnieuw symbolisch gezien, vele malen hoger is. Hoe zo, vraagt u zich af?

Ik zal het proberen uit te leggen. Mijn stemming tijdens de koop was een beetje gekleurd door een actie van mijn zoon van veertien, gisteravond laat. Hij had via YouTube de Kony 2012 film bekeken. De oproep daarin om de boodschap te verspreiden had hij ter harte genomen, en om een paar minuten voor middernacht kreeg ik een mail van hem met een link naar de film. ‘Neem aub de tijd’, schreef hij in zijn mail, ‘om deze film te bekijken’. De film was bedoeld om uiteindelijk de tiran Joseph Kony op te laten pakken, die al twintig jaar ongestraft zijn gang kon gaan in Oeganda. Vanmorgen heb ik samen met hem die film van een half uur bekeken. Indrukwekkende beelden. De visualisatie van twee partijen in een geanimeerd logo van een olifant en een ezel, die in elkaar geschoven, samen het beeld vormden van een vredesduif. Een mooie boodschap. Versterkt door de strak geregisseerde beelden van de film, waar de filmmaker ook zijn eigen jonge zoon onderdeel van had gemaakt. Het was een indrukwekkend half uurtje, samen met mijn eigen zoon.

En dan vallen, zoals zo vaak, dingen samen. In de Limburger een artikel over de actie rondom Kony, waarin Oegandezen hun twijfels uitspreken over de internet-aandacht. In de Volkskrant een ander artikel waar juist de impact van de wereldwijde actie wordt onderstreept. In een week tijd meer dan 60 miljoen kijkers, dat is niet niks. Volgens het artikel een voorbeeld hoe de wereld, in het digitale tijdperk, aan het veranderen is. Later op de middag wat tweets, onder andere van Jelle Corstius. Hij twittert naar aanleiding van een artikel in de Newyork Times: ‘probleem met anti-Kony campagne is dat het conflict al voorbij is, er geen kindsoldaten meer zijn en dat Kony niet meer in Oeganda is’. Hij citeert verder een Oegandese journalist die de film ziet “als de zoveelste  poging van een buitenstaander die probeert een held te zijn door het redden van Afrikaanse kinderen”.

Tja, opnieuw twee kanten aan één medaille. Waar kies je voor? Waar gaat het om? Wie heeft gelijk? Vragen, waarvan ik u het antwoord schuldig blijf, maar die nodig zijn om u even mee te nemen in mijn stemming ten tijde van de koop van 50 liter potgrond. Weet u nog? Daar was het om begonnen…

U kunt het geloven of niet, maar achteraf heb ik de koop gerechtvaardigd met de symboliek van zaaien en oogsten. Als je niet zaait, kun je ook niet oogsten. En andersom, als je niet wil oogsten –en dat mag uiteraard- dan hoef je ook niet te zaaien. Door 5 euro te zaaien, kan Jong Nederland blijven oogsten. Hele platte symboliek, ik geef het toe, maar het kan ook dieper. Goede grond hebben om iets goed te kunnen laten groeien. Die symboliek zit al in 1 liter potgrond, laat staan in vijftig! Een boodschap overbrengen die in een week tijd 60 miljoen mensen bereikt, dat is, om maar in stijl te blijven, geen zaad op de rotsen. En net zo goed hou je dan nog miljarden mensen over, waar het zaadje niet zal ontkiemen. Betekent dat, dat je dus niet moet zaaien? Nee. Integendeel. Iets groeit ook als je er geen weet van hebt. En het groeit goed, als er een goede voedingsbodem is. Wat er vervolgens met de oogst gebeurd, is vraag twee. Onze zak potgrond zal wel weer maanden blijven staan tegen de schutting. 50 liter overbodigheid. Maar wel met potentie. Er zit groeikracht in, ook als we er niks mee doen.

De mail gisteravond van mijn zoon naar mij, is tegelijkertijd naar een vijftigtal anderen uit zijn contactpersonenlijst gegaan. Als er daarvan maar tien de boodschap doorsturen, dan groeit het verhaal verder. Met heel veel kracht naar één stem: een stem die zegt dat we met z’n allen één zijn, als we dat willen. Als we de wil hebben om het te laten zien. Door een mail door te sturen, door zelf actie te ondernemen, door een zaadje te planten. In symbolische zin, in cyberspace, maar ook in real life. Als het moet in 50 liter potgrond. Maar groeien zál het!