Even doorbijten…

Als een pitbull houdt de tijd mijn gedachten vast en slingert ze wild van rechts naar links. Ik kan los roepen zoveel ik wil, het blijft zonder succes. Het zou heel anders moeten zijn: Mijn gedachten en dus ikzelf zouden de tijd moeten loslaten om vervolgens rustig en weloverwogen te kiezen. Voor links, voor rechts of voor vasthoudend vooruit.

Maar ja. De tijd en ik. Als twee jonge pitbull-pups. Bijtend buitelend over elkaar. Speels en onbezonnen. Twijfel over wat lijkt te kunnen. Gedreven door wat lijkt te mogen. Kijken naar anderen om jezelf te kunnen zien. En ondertussen gebeurt er niks. Schudt de pitbull nog eens zijn kop en houdt de kaken op elkaar.

Loskomen. Luisteren naar de blues. De tijd uitlaten als een jonge hond. Kopje cappuccino in het dorp. Zo, uitgelaten, even genieten van de wind door het haar. Van regendruppels die alle tranen zoeter maken. De tijd gebruiken om het leven te smaken, niet om wonden te helen. De pitbull niet door laten bijten. Los! Succes.

Beetje boos…

Twee kranten gelezen vandaag. Veel meuk voorbij zien komen. In allebei. Zowel in de Limburger als in de Volkskrant berichten over de winnende goal van Frankrijk, de uitvaart van Mohammad Ali in een blauwe uitvaartauto met het kenteken A.D. Porter en de zilveren Nipkow-schijf voor Arjan Lubach. Vervolgens schrijft de Volkskrant vooral nationaal en internationaal en blijft de Limburger zijn naam eer aan doen, door vooral regionaal en lokaal nieuws aan te bieden. En ook daar, veel meuk.

Het ligt natuurlijk aan mezelf. Wie heeft dan de goúden Nipkow-schijf, vraag ik me meteen af. En wie is A.D. Porter? Dat laatste had ik gelukkig snel gevonden. A.D. Porter & Sons is een begrafenisondernemer uit Louisville, Kentucky. Dat wist ik vanmorgen nog niet maar twee lijkenautos in twee verschillende kranten zorgden ervoor dat ik het ben gaan googlen. De A. staat voor Arthur.

Waar de D. voor staat heb ik nog niet kunnen vinden. Wat me wel opviel was dat A.D. Porter & Sons vooral zwarte mensen begraaft of cremeert. De ’orbituaries’ op hun homepage zijn daar het respectvolle bewijs van. Alleen maar necrologiën van zwarte mensen. Uit de krant lees ik dat Ali gisteren nog een keer langs zijn ouderlijk huis is gereden. Jawel, in Louisville, Kentucky. Dan is een en een toch al gauw A.D. Porter & Sons.

Het schijnt dat president Erdogan ook bij de uitvaart was, maar daar boos is weggelopen. Omdat hij volgens de Volkskrant geen speech mocht houden en omdat hij, volgens de Limburger, geen stuk doek van de Kaäba op de kist mocht leggen. Dat laatste heb ik ook weer even op moeten zoeken.

De Kaäba is een kubusvormig gebouw, 12 bij 10 meter grondoppervlak en circa. 15m hoog. Het staat in de Grote Moskee in het bedevaartsoord Mekka en is het centrale heiligdom van de islam. Als onderdeel van de ‘Hadj’ -de bedevaart naar Mekka- lopen de bedevaartsgangers zeven keer rond de Kaäba. De Kaäba wordt bekleed door de ‘Kiswah’, een zwartfluwelen doek met teksten uit de Koran. Ieder jaar na de ‘Hadj’ wordt de ‘Kiswah’ vernieuwt.

Daar had Erdogan dus een stukje van. En dat had hij willen leggen op de kist waar Muhammad Ali in lag. Misschien wel toen die al in de auto van Arthur D. Porter lag. Maar dat mocht niet. Of kon niet, vanwege de 15.000 andere aanwezigen, die wél een kaartje hadden. Ik lees verder dat Ali wordt begraven op een heuvel bij een andere grootheid van de stad Louisville. De oprichter van Kentucky Fried Chicken, Harland Sanders, alias Colonel Sanders.

Nogmaals. Het ligt aan mij. Ik zie verbanden die er helemaal niet zijn. En ik begrijp vaak niet wat anderen blijkbaar heel belangrijk vinden. De ombudsvrouw Annieke Kranenberg uit de Volkskrant heeft vandaag de lezers proberen uit te leggen waarom er de afgelopen week bijna dagelijks zoveel pagina’s van de krant aan Ali waren gewijd. Dat, terwijl het er voor David Bowie bij elkaar eenmalig maar een tiental waren. Datzelfde aantal was aan Joost Zwagerman besteed. Voor Prince waren er zelfs slechts vier, maar die stonden dan wel in de speciale rubriek ‘Ten Eerste’. Dat dan weer wel…

Het ligt aan mij. Ik heb de pagina’s niet geteld. Er zijn mensen die dat blijkbaar wel doen. Er zijn ook mensen die nu de voetbalpagina’s minder aandacht geven, omdat er de komende weken weinig oranje in te zien zal zijn. En er zijn mensen die gisteren wél gezien hebben dat Frankrijk de winnende goal scoorde tegen Roemenië. Dimitri Payet werd de nationale held. In het geval hij ooit komt te overlijden terwijl hij bij toeval in Louisville is, kan A.D. Porter & Sons hem óók de laatste eer bewijzen. Misschien dat Erdogan zijn lapje stof dan opnieuw komt aanbieden. Zeker als Payet tijdens de finale Turkije-Frankrijk in eigen doel schiet en daarmee Turkije Europees kampioen maakt.

Een mooie dag in juni

Het is de eerste zonnige dag deze week die niet eindigt met onweer. Zondag doet deze keer zijn naam eer aan. Het is net 20.00 uur geweest. Ik denk met plezier terug aan twee orgeloptredens van afgelopen vrijdag.

Het eerste was ’s middags in Hof te Berkel. Het was fijn om te merken dat de bewoners van de groepswoning genoten van de muziek en de liedjes. Er werd zelfs een walsje gedanst. Het was warm, maar ik had een strategisch plekje bij de deur naar de gezamenlijke tuin. Af en toe waaide er een verkoelend briesje naar binnen. In de tuinstoelen buiten schoof spontaan nog wat luisterpubliek aan. Al met al een plezierige set van ongeveer een uur. De toegift (het lied ’Heimweh’ van Freddy Quinn – wie kent hem niet..) viel in goede aarde bij een mevrouw die vanwege haar Duitse roots, maar vooral door haar dementie, voornamelijk nog Duitstalig sprak.

Dergelijke optredens geven me altijd een dubbel gevoel. Wat overheerst is de tevredenheid dat ik op die momenten voor deze mensen even een muzikaal verschil mag maken. Maar zo nu en dan bekruipt me ook een gevoel van vervangende eenzaamheid en uitzichtloosheid. Een man vraagt me of ik zometeen weer terug naar Horst ga. Op mijn bevestigende antwoord vraagt hij of ik hem dan niet mee wil nemen, want hij moet daar ook zijn..

Ik probeer hem te overtuigen dat hij al in Horst is en dat hij dus niet weg hoeft. Maar de dementie is sterker. Hij voelt dat hij niet is waar hij zou willen zijn. Het wrange is dat hij waarschijnlijk ook niet meer weet waar dat wèl was. De ontheemde blik in zijn ogen, de rusteloosheid, grenzend aan hulpeloosheid. ’Nou, tot ziens’, zegt hij, en hij vertrekt door de tuindeur. Vijf minuten later is hij weer terug. Ook de tuin is een plek die alleen maar uitkomt waar je al was. Evengoed heerlijk dat de tuin er is, en dat deze mensen op een mooie plek kunnen wonen en begeleid worden op een warme en huiselijke manier. Maar toch..

Op het eind van deze vrijdagmiddag mijn tweede optreden. Op muziek van mijn orgeltje een tekst voorgedragen op een gouden bruiloftsfeest. De dochter van het jubileumpaar had me een paar dagen eerder hun levensloop in min of meer chronologische volgorde toegezonden. Een leuke uitdaging om dat verhaal op te knippen en op rijm te zetten. Uiteindelijk werden het negentien vier-regelige coupletjes. De muziek van ’Macky Messer’ voegde op de juiste momenten nog net wat extra accenten toe. Ik had het idee dat de muzikale boodschap goed binnenkwam bij de gasten van de gouden bruiloft. Het gouden paar leek zelfs wat ontroerd. En zonder twijfel was dat het geval bij een van de kleindochters, die vervolgens op een aandoenlijke manier getroost werd door oma.

Kortom, ook hier overheerste het goede gevoel. De emoties van zo’n vrijdagmiddag zijn voelbaar en zichtbaar. Het komt binnen en maakt wat los. Bij een zoekende man in Hof te Berkel. Bij een kleindochter van een jubilerend paar. Bij hun twee dochters. Bij een spontaan aanschuivend publiek in een gezamenlijke tuin of op een idyllische plek in de Kasteelse bossen. Bij een Duitssprekende mevrouw die voorheen blijkbaar enkel Nederlands sprak. En bij mij komen die emoties binnen. Omdat ik midden tussen al deze mooie mensen in mag staan. Met woorden en met muziek. Op speciale plekken. Genieten van het moment. En (daarom) nu nog even naar Cambrinus. Het is 21.09 uur.

In de rust van Weverslo…

Tekst voordragen op orgelmuziek, in de serene rust van natuurbegraafplaats Weverslo. Een mooie ervaring om dat te mogen doen. En ook een mooie ervaring om ter plekke de sfeer te kunnen opsnuiven. Rusten in vrede krijgt daar een hele letterlijke betekenis. Wat een prachtige plek en wat een mooi initiatief van de familie Peterink.

Met dank aan Math, die de opnames hieronder heeft gemaakt en Ron voor de uitnodiging om er te mogen optreden.

Voor wie nieuwsgierig is, hieronder de beelden van vier verschillende voordrachten.

Trudy

Het is al meer dan tien jaar geleden. Trudy had een, wat wij broers en zussen, ‘mindere periode’ noemden. Ze zag dan de dingen anders dan dat wij die zagen. En daar was ze op die momenten bijna niet van af te brengen.

drie kaartjesDrie kaartjes had ze stevig in haar hand, toen ik haar thuis bezocht. ‘Daar draait het allemaal om’, zei ze en ze gaf me één van de kaartjes. Ze had er zelf iets op geschreven. Een citaat van Maria Montessori. Ik las het en herinner me, dat terwijl ik het las, ik in mijn hoofd bezig was hoe ik haar zelfbedachte ‘drie-eenheid’ weer naar ‘onze wereld’ terug kon redeneren.

Maar toen ik opkeek van het kaartje, zag ik de tranen in haar ogen. Tranen die ik al jaren niet meer had gezien. Haar wereld raakte ineens met enorme kracht mijn wereld. Haar moeder was ook mijn moeder. Trudy en ik waren kinderen met dezelfde geschiedenis. Tegelijk deelde zij verleden en  toekomst met haar eigen kind. Haar pijn werd even ook mijn pijn. Diep en snijdend. Moeilijk onder woorden te brengen.

Op dat moment pastte alleen maar huilen. Onze tranen weerspiegelden hetzelfde leed. Niet lang, want al snel was het weer alleen haar pijn. En bleef ik zitten met een diep gevoel van herkenning.

Ik was er door van slag. Zonder woorden had ik slechts een fractie van haar pijn ervaren. En dat raakte me zó diep. Hoe krachtig moet een mens zijn om de volle omvang van die pijn te verdragen, vroeg ik me af. Trudy bezat die kracht. Telkens weer. Haar moeder -onze moeder- ook. Ik wil geloven dat ook zij die kracht had. Zo sterk zelfs dat haar lichaamskracht er uiteindelijk niet tegenop kon, toen ze een longbloeding kreeg, terwijl ze geestelijk aan het opknappen was.

 

Jaren later, 2015, lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Het beeld van enorme kracht wordt opnieuw bevestigd. In dat jaar wordt Trudy namelijk ook lichamelijk op de proef gesteld. Ze doorstaat het met verve. Met driekwart long neemt ze de fatale diagnose in 2016 met een stoicijnse berusting: ‘Mensen gaan dood aan kanker. Ik waarschijnlijk ook, maar daar ben ik niet bang voor. Dan zie ik mijn vader en moeder weer’, zegt ze op de terugweg van het ziekenhuis naar Horst.

Op haar ziekbed, ongeveer een maand geleden, vraagt ze me om het fotolijstje van haar dochter open te maken, om te controleren of het kaartje er nog inzit.

drie kaartjes2Hetzelfde kaartje van tien jaar geleden komt inderdaad tevoorschijn. ‘Oké’, zegt ze, alsof die wetenschap haar gerust stelt. Een paar weken verder gaat haar toestand in een paar dagen snel achteruit. Mijn zus Mariet en ik zitten wakend aan haar bed in het pas geopende hospice ‘D’n Doevenbos’.

Terwijl Trudy slaapt, vertel ik Mariet over het kaartje achter de foto. Ik pak het er uit en reik over Trudy heen om het Mariet te geven. Terwijl die naar het kaartje kijkt, gebeurt dat wat onvermijdelijk is. Trudy stopt met ademen terwijl Mariet het kaartje in haar hand houdt.

Het is alsof op datzelfde moment het kind in Trudy zich verheft. Het begrijpt ineens de waarheid, die voor ons allemaal nog duister is. Wie groot wil zijn in het koninkrijk der hemelen, die worde gelijk aan de kinderen. Trudy heeft die tekst van Maria Montessori jarenlang bewaard. Ik vanaf nu ook.

drie kaartjes3

Loslaten…

‘Loslaten’ staat opvallend groot op de cover van het maandblad ‘Filosofie’. Niet alleen qua lettertype groot en opvallend. Ook omdat het meteen de kern raakt van de situatie waarin ik me bevind. Waarin we ons met een aantal mensen bevinden. Waarin we ons, nu ik er zo over nadenk, eigenlijk allemaal bevinden. Het maakt dat ik het woord met meer dan toevallige interesse in me op neem.

De mei-uitgave zit nog in de plastic. Een paar uur geleden op de deurmat gevallen. ‘Loslaten’ zie ik staan. En in kleinere letters daarboven de toevoeging ‘de kunst van het’. Iets daarboven in een ander lettertype en kleur het zinnetje ‘weg met to-do-lijstjes en zelfhulpboeken’. Ik weet niet of het een met het ander te maken heeft -dat zal ik straks wel lezen- maar de toon is gezet.

‘Loslaten’ dus. Iets dat ik de laatste tijd heel bewust doe, in de letterlijke zin. Als ik merk dat gespannenheid in mijn lichaam ontspannenheid in de weg zit, is het vooral op momenten loslaten van spierspanning en meteen daarna bewust genieten van de ontspanning die dat tot gevolg heeft. Kortstondig, want juist in het dicht op elkaar zittende contrast schuilt de voldoening, is mijn ervaring.

Dat lichamelijke ‘loslaten’ is overzichtelijk. Complexer wordt het wanneer het over gevoelens gaat. Verdriet over een op handen zijnd afscheid. De confrontatie met de groeiende onmacht. De moeilijk benoembare angst voor de pijn. Vage vrees voor het onbekende. Het onvermijdelijke ervan. De onzekere pogingen dat tegen beter weten in zo goed mogelijk te willen begrijpen om er naar eer en geweten naar te handelen.

Dat laat me niet los. Maar kan dat eigenlijk wel? Hoe kun je iets loslaten, als het je zo tot op het bot raakt en je tot in je vezels bezig houdt? En dan ben ik nog maar een relatieve ‘buitenstaander’. Die er probeert te zijn, samen met anderen, voor iemand waarvoor het woord ‘loslaten’ binnen niet al te lange tijd haar meest extreme betekenis gaat krijgen. Het loslaten van het leven.

Hoe eenvoudig is het om een ongemakkelijk liggende hand onder mijn hoofd vandaan te halen, om die vervolgens ontspannen naast mijn hoofdkussen neer te leggen, en te genieten van dat korte moment. De eenvoud van ‘loslaten’? Nu ik daar zo over nadenk: er zit een vreemd soort van troost in de gedachte dat op het moment dat je het leven los moet laten, je ook de dood kunt laten varen. Dat gevoel van troost langer vast houden is misschien wel het devies. En er ondertussen -gelukkig, of zo gelukkig mogelijk- voor haar (en voor elkaar) te zijn.

Zou dat ‘de kunst van het’ zijn? Ik zal de plastic er eens vanaf halen.

Beste bedoelingen

Eén op de drie landgenoten vond het referendum de moeite waard en heeft dat vertaald in een keuze. Twee derde van alle nederlanders dus niet en een van hen ben ik. De voornaamste reden is dat mijn hoofd er niet naar stond om een driehonderd pagina’s tellend verdrag door te lezen, om daar vervolgens ‘voor’ tegen te zeggen. Of tegen ‘voor’ te zijn. Of zoiets. Het ‘nee’- en ‘ja’-kamp ten spijt -goed gewerkt jongens- maar nee, bedankt. Er waren andere dingen.

Kan Maurice de Hondt nog wel even nagaan hoeveel van die 427.939 referendum-wensers ook daadwerkelijk heeft gestemd? Als daar het gemiddelde ook 1 op de 3 is -iets dat je gezien de wet van de grote aantallen best zou mogen vermoeden- dan had het hele referendum per saldo helemaal niet de drempel van 300.000 verzoeken gehaald.

Maar zo mag je niet denken. Onze democratisch tot stand gekomen Wet Raadgevend Referendum (1 juli 2015) heeft minder dan één jaar later al tot een ‘overwinning van de democratie’ geleid. Zo hebben we het met z’n allen gewild: die 40 miljoen euro is goed besteed. We hebben tenminste éindelijk een keer mogen zeggen wat we er van vonden.

En dat deden we dan ook massaal. Op 6 april in de stemhokjes weliswaar nog niet met zo heel velen, maar vooral vóór die tijd al, massaal op alle daarvoor geschikte media. En na gisteren gaan we al helemaal los. We raken er niet over uitgesproken. Het ‘nee’-kamp ziet zich glorieus bevestigd en het ‘ja’-kamp voelt zich volslagen ontkend. Winnaars en verliezers, net als vóór 6 april.

Er wordt gefluisterd dat er al heel veel verzoeken binnen druppelen bij de Kiesraad om op korte termijn een tweede referendum te houden. Vooral om de stille meerderheid van de nederlandse bevolking alsnog een stem te geven: Was u voor of tegen het referendum van 6 april jongsleden? Het aantal verzoeken voor dat referendum loopt al aardig op. Terecht.

Het zou me zelfs niet verbazen als dat tweede referendum de grens van 300.000 nog eerder gaat halen dan het referendum dat ook al heel aardig op scheut is: bent u voor of tegen de inzet van statushouders bij het uitzetten van asielzoekers? We komen er wel met z’n allen. Stijlloos, dat wel. Bedenkelijk peil ook, maar heej.. burgers van Nederland, we hebben er recht op! En we hebben er genoeg van. Ik ook. Precies de reden dat ik 6 april niet ben gaan stemmen. Met 300 pagina’s vol van de beste bedoelingen overigens, maar dat had u al wel begrepen. Toch?

T.

Harde wind slaat met vlagen grijze regendruppels tegen het raam. Een onbestemd gevoel van binnen wordt nog eens aangewakkerd door de trieste, natte kou van buiten. Donker ingekleurd door onzekerheid.

Donkere wolken. Buiten en in mijn hoofd. Bezorgdheid over wat je te wachten staat. Gedachtenvlagen lijken tranenregen te voorspellen. Onwetend over wat er komen gaat, maar bewust van de dreiging.

Grijs en zwart overschaduwen brutaal het te voorzichtige blauw. Twijfel waait koud om het hart. Soms heb je van die dagen. Ongetwijfeld is morgen het weer anders…

Kijken naar wat je niet wil zien

Explosies op het vliegveld in Brussel. Ik lees het bericht op Facebook, net even na achten, terwijl ik in het petit restaurant van het Viecuri-ziekenhuis een broodje gezond eet. Het is nog vroeg. Ik heb een half uur eerder mijn zus succes gewenst op de röntgenafdeling. Ze moet een PET-scan ondergaan en is daarmee twee uur lang onder de pannen. Het bericht van de explosies neemt meteen mijn aandacht in beslag. ‘Nee he…’, schiet het door mijn hoofd. ‘Nee he’.

Het Viecuri-ziekenhuis loopt langzaam vol met personeel. Ook met patiënten trouwens, hoewel ik geen idee heb of ik het verschil tussen personeel en patiënt elke keer goed zie. Hoe dan ook, als deze mensen onderweg niet hun mobiele telefoons hebben gecheckt, of de radio niet aan hebben gehad, dan weten de meesten waarschijnlijk nog niets over de explosies. Om me heen kijkend zie ik dat die onwetendheid nooit lang meer kan duren. Iedereen tuurt op z’n mobiel. Met de wetenschap van de explosies in mijn hoofd kijk ik ineens anders naar de mensen om me heen.

Een mevrouw met een hoofddoek heeft een kopje koffie en een brownie gekocht en gaat een paar tafeltjes verderop zitten. Zou zij het al weten? En zo ja, wat zal zij nu denken? Ik realiseer me dat er eigenlijk nog niet zo heel veel te weten valt. Tegelijk denk ik al wel een heleboel. Waarom kijk ik ineens vooral naar die hijab om haar hoofd en vraag ik me af wat zij van die explosies vindt? Zou zij op haar beurt ook anders naar de mensen om haar heen kijken? Anders dan een half uurtje geleden?

Ik kijk naar dingen die ik niet wil zien. Omdat niet willen geen optie meer is en zien niet meer een keus. Ik luister naar dingen die ik niet wil horen. Omdat niet horen in het gunstigste geval hooguit tijdelijke, zelfgekozen stilte is. Tijdelijk en nooit langer durend dan tot de volgende explosie. Ik zie de eerste foto’s. Ik kijk en wil ze niet zien. De reacties op de sociale media. Radio. TV. We kijken en luisteren opnieuw met z’n allen naar wat we niet zouden moeten willen zien of horen.

Anderhalf uur later haal ik mijn zus op bij de röngtenafdeling. Zij heeft van dit alles waarschijnlijk nog niks meegekregen. In haar bloed stroomt nog de radioactieve contrastvloeistof, waardoor hopelijk straks te zien is wat haar beter kan gaan maken. Ook hier wordt gekeken naar iets wat men liever niet ziet. Een ziekmakende hoeveelheid explosief groeiende cellen is in een eerdere operatie succesvol verwijderd. Bij haar wel. Voorlopig is het stil. 

In Brussel vloeien tranen en de wereld huilt mee. Contrastvloeistof. Onderweg naar huis laat ik de radio nog even uit. Ik wil even niet horen wat ik zie.

Een jas van een euro… onbetaalbaar!

Ik heb ze bijna allemaal, vanaf 1993. De prinselijke huisordes die ik jaar na jaar dankbaar in ontvangst mocht nemen. Ik weet bijna zeker dat ik die kreeg als dank voor mijn bijdragen in de Klos, de Horster carnavalskrant. Omdat ik niet alle Klossen meer heb, kan ik dat echter niet controleren. Maar dat is ook niet zo belangrijk. Ik noem het omdat ik er twee mis. De huisorde van 1994 en die van 2010, die heb ik niet.

Al die andere ordes heeft Pip afgelopen week op mijn nieuwe carnavalsjas genaaid. Die jas, die ik voor een euro bij de kringloop in Sevenum heb gekocht, is nu door al die onderscheidingen onbetaalbaar geworden. Gisteren heeft die jas z’n vuurdoop gehad. Carnavalsvrijdag zit er weer op. Een mooi begin van wat nog gaat komen. En niemand die gisteren in de gaten had, dat ik twee huisordes miste.

In 1994 was Ber Cox prins, lees ik in een nieuwere Klos, die ik nog wel heb. En op de Klos van 2010 prijkt een mooie foto van Sjaak Jeurissen, die toen prins was. Nu ik de foto zie, kan ik me bijna herinneren dat hij me toen wel de huisorde heeft omgehangen, maar afijn. Hij zit er niet meer bij. Het is niet anders. Maakt ook niet zoveel uit.

In 1994 is ook onze Pip geboren. Zou dat verklaren waarom ik van dat jaar geen huisorde heb? Volgens Thea heb ik toen wel gewoon carnaval gevierd, omdat zij zich nog kon herinneren dat ze met Pip in de buik naar de Horster optocht heeft gekeken. Op 2 maart is Pip toen geboren. Toch voor de aardigheid eens opzoeken, wanneer het in dat jaar carnaval was.

Maar goed, diezelfde Pip heeft al die andere huisordes zeer bekwaam, en bijna 22 jaar later, een nieuwe plek gegeven op mijn jas. Zoals gezegd, onbetaalbaar. Onze Pip, maar ook die jas nu. Onbetaalbaar, vanwege de vele herinneringen die besloten liggen in al die stukjes mooi vormgegeven metaal. Zeker wanneer je dan de bijbehorende Klossen doorbladert van afgelopen jaren.

In de Klos van 1989 zie ik een collagefoto van de toenmalige ‘Wazelvotte’. Geen toeval dat daar mijn oog op valt, besef ik, omdat vanmorgen de herdenkingsdienst van Cor Kuipers in het Gasthoes was. Thijs Kleeven overleed vorig jaar en in de Klos van 2007 lees ik mijn ‘in memoriam‘ voor Toon te Baerts weer terug. Momenten in de tijd. Waardevol, maar vluchtig, als een jas van een euro, die onbetaalbaar wordt door alle herinneringen en nieuwe mogelijkheden voor de toekomst.

Daar moest ik gisteravond zo nu en dan aan denken, trommelend op de muziek en meedeinend met de rest. Tussen al die mensen, die ieder voor zich soortgelijke herinneringen zullen hebben. Net als die duizenden mensen die vanmiddag in een diffuus winterzonnetje op het Wilhelminaplein hun Parade vierden. Warme herinneringen. En droevige.

Voor al die mensen heb ik vanmiddag een gedichtje gedeeld via Facebook. Uit de Klos van 2007. Met dat gedichtje wil ik hier graag afsluiten. In dialekt, dus als je dat moeilijk lezen vindt, dan kun je hier onder ook kiezen om me het verhaal te laten voorlezen. Je krijgt er van te voren de winnende carnavalsschlager bij (tot 3.11) en achteraf een mooi nummer van Mark Lotterman (vanaf 6.51): ‘It ain’t only sorrow’.

Vur iederiën
deen ni mier is
ma aaltied
oonder ôs…
Vur iederiën
din in iën kier
inens ma
zoonder môs…

Vur iederiën
deen is gegoan
vur iederiën
di bleef bestoan:

Wet daat geej
mit iedere troan
Waat op oow wange schrieft:
Naat stripke zalt
‘ik halt vaan oow’
Daat is waat aaltied blieft…

En troan die zoë
na oonder sluit,
zörgt daat dur wer
waat moëis opbluit!