Kijken naar wat je niet wil zien

Explosies op het vliegveld in Brussel. Ik lees het bericht op Facebook, net even na achten, terwijl ik in het petit restaurant van het Viecuri-ziekenhuis een broodje gezond eet. Het is nog vroeg. Ik heb een half uur eerder mijn zus succes gewenst op de röntgenafdeling. Ze moet een PET-scan ondergaan en is daarmee twee uur lang onder de pannen. Het bericht van de explosies neemt meteen mijn aandacht in beslag. ‘Nee he…’, schiet het door mijn hoofd. ‘Nee he’.

Het Viecuri-ziekenhuis loopt langzaam vol met personeel. Ook met patiënten trouwens, hoewel ik geen idee heb of ik het verschil tussen personeel en patiënt elke keer goed zie. Hoe dan ook, als deze mensen onderweg niet hun mobiele telefoons hebben gecheckt, of de radio niet aan hebben gehad, dan weten de meesten waarschijnlijk nog niets over de explosies. Om me heen kijkend zie ik dat die onwetendheid nooit lang meer kan duren. Iedereen tuurt op z’n mobiel. Met de wetenschap van de explosies in mijn hoofd kijk ik ineens anders naar de mensen om me heen.

Een mevrouw met een hoofddoek heeft een kopje koffie en een brownie gekocht en gaat een paar tafeltjes verderop zitten. Zou zij het al weten? En zo ja, wat zal zij nu denken? Ik realiseer me dat er eigenlijk nog niet zo heel veel te weten valt. Tegelijk denk ik al wel een heleboel. Waarom kijk ik ineens vooral naar die hijab om haar hoofd en vraag ik me af wat zij van die explosies vindt? Zou zij op haar beurt ook anders naar de mensen om haar heen kijken? Anders dan een half uurtje geleden?

Ik kijk naar dingen die ik niet wil zien. Omdat niet willen geen optie meer is en zien niet meer een keus. Ik luister naar dingen die ik niet wil horen. Omdat niet horen in het gunstigste geval hooguit tijdelijke, zelfgekozen stilte is. Tijdelijk en nooit langer durend dan tot de volgende explosie. Ik zie de eerste foto’s. Ik kijk en wil ze niet zien. De reacties op de sociale media. Radio. TV. We kijken en luisteren opnieuw met z’n allen naar wat we niet zouden moeten willen zien of horen.

Anderhalf uur later haal ik mijn zus op bij de röngtenafdeling. Zij heeft van dit alles waarschijnlijk nog niks meegekregen. In haar bloed stroomt nog de radioactieve contrastvloeistof, waardoor hopelijk straks te zien is wat haar beter kan gaan maken. Ook hier wordt gekeken naar iets wat men liever niet ziet. Een ziekmakende hoeveelheid explosief groeiende cellen is in een eerdere operatie succesvol verwijderd. Bij haar wel. Voorlopig is het stil. 

In Brussel vloeien tranen en de wereld huilt mee. Contrastvloeistof. Onderweg naar huis laat ik de radio nog even uit. Ik wil even niet horen wat ik zie.

Menselijk is wenselijk

Iemand klaagt en schreeuwt en brult
en vult met haat de bange harten
geeft aan iedereen de schuld
die het waagt zijn grens te tarten
worden honderdveertig tekens zuur
‘gelaikt’ door drie miljoen augurken
en staat de rest, met de rug tegen de muur
argeloos een flesje te ontkurken

Wie zorgt voor klaarheid
wie bepaalt wat er opmerkelijk is
hoe banaal -digitaal- het gescheld
over wie, waarom, welk verhaal heeft verteld,
en is het niet de waarheid, die onwerkelijk is
dan is het wel de leugen die net even sneller is

op de bank en voor de buis
zit men zuur azijn te pissen
anoniem en veilig thuis
digitale rotte vissen,
en de wereld die draait door
autocue, hapklare brokken
overzichtelijk comfort
voor softe helden thuis op sokken

Wie zorgt voor klaarheid
wie bepaalt dat iets ergerlijk is
hoe banaal –a-sociaal- slecht gesteld
het verhaal, door die, daarom verteld,
is dát waarheid, die er werkelijk is
of een leugen die opnieuw sneller is

Of het waar is of gelogen
hoeveel voor- of tegenstanders je ook kent
kijk jezelf eens in de ogen
en stel je voor dat jij die vreemde bent
in een bootje, aan het strand
op de vlucht, vast aan de grens
met je zoon en dochter aan de hand
met net als jij maar slechts één wens

Maar ja, wie heeft de waarheid
wie bepaalt of het wel wenselijk is
amicaal, heel lokaal opgesteld,
is dit mijn verhaal, muzikaal, doorverteld
het is mijn klaarheid, dat het menselijk is
om vooral zelf te doen wat wenselijk is

En al maak ook ik míjn waarheid lang niet altijd waar:
toch méén ik dat vooral ménselijk wenselijk is

Tijdelijke twijfel

Tijdelijk. Dat is het woord dat in me opkomt, terwijl ik de ovenklok hoor tikken. Ik lig al een tijdje, half zittend, op de bank en laat voor de zoveelste keer mijn gedachten de vrije loop. Dat wil zeggen, voor een deel gevoed door wat Facebook-berichten waar ik swipend doorheen ga. En vanmorgen door een WordPressblog die mijn aandacht trok en die ik ge-liked heb. Even een korte actie in verder passief vermaak. Dus wat is vrij. Gedachten worden al snel gekleurd.

Daar tussendoor de gewone zondagochtend-dingen. Iets later op. Mees nog net naar z’n werk horen gaan. Boterhammetje met kaas en ham. Een met wat water verdunde jus d’orange erbij. Hapje. iPhone. Swipen. Blogje lezen. Filmpje kijken. Slokje. Berichtje Winterzon. Filmpje Temptation Island. Nieuwsgierig voyeursgevoel, gemixt met een vreemde drang om niks te willen missen. En toch allemaal maar tijdelijk.

Wat woorden leggen bij verschillende Wordfeud-vrienden. ’Anusjes’ voor meer dan honderd punten. Leuk. Voor even. Zien dat de Berden Voorjaarsloop vandaag wordt gehouden en dat Kitty met haar theatergroep in Middelbeers optreedt. Als een toeschouwer op afstand neem ik in me op waar ik allemaal niet in levende lijve bij ben vandaag. Virtueel en in gedachten misschien heel even. Maar ook dat slechts tijdelijk.

Zo nu en dan heb ik dat. De twijfel over de tijd en wat daar allemaal in voorbij gaat. Zoveel dingen die gebeuren. En slechts fracties waar ik zelf onderdeel van uit maak. Van kan of van wil uitmaken. Het dilemma van beperkte invloed op de overvloed die er is. En ondertussen rommelen in de marge. Mezelf keer op keer vertellend dat in het kleine ook het grote ligt. Mijn eigen cirkeltje alsmaar rond maken.

Zo. Genoeg gedacht. Kopje koffie maken. Abrikozenpunt eten. Bewust proberen te genieten van het nu en al het andere even laten voor wat het is. Even. Omdat in het nú de ultieme tijdelijkheid ligt verscholen. Die tel tussen verleden en toekomst, waarin alles gebeurt en niets blijft. Slechts herinneringen en toekomstplannen, zolang als het mag duren. Telkens weer. En altijd tijdelijk.

De ander en ik

‘We are all in this together’. Senator Bernie Sanders, presidentskandidaat in America, geeft antwoord op de vraag waarin hij gelooft, wat hem motiveert. Via Facebook wordt ik attent gemaakt op dit filmpje en het is de moeite van het kijken waard. Zijn argumenten triggeren me. ‘It is beyond intellect, it is a spiritual, emotional thing’. Indrukwekkend en hoopvol, zijn woorden. Luister en kijk zelf wat je er van vindt.

Zijn woorden brachten herinneringen bij me terug. Als kind heb ik me op enig moment wel eens afgevraagd hoe iemand anders zich in zijn of haar lijf zou voelen. Ik vond het wonderbaarlijk dat ik alleen maar mijn eigen gedachten kon denken en mijn eigen gevoel kon voelen. Die ander moest dat toch ook op zijn of haar manier ervaren, bedacht ik, maar hoe zou dat bij hem of haar zijn? En hoe zouden die gedachten en gevoelens van mijzelf en van de ander elkaar raken?

Hele korte momenten probeerde ik mezelf dan te verplaatsen in die ander, door mijn eigen gevoel van ‘in de ruimte’ zijn als een soort van blauwdruk te kopiëren naar die ander. Ik heb dat heel vaak geprobeerd en hoewel het eigenlijk vooral een vraag is gebleven, vind ik de poging nog steeds heel waardevol. Want nog steeds vraag ik me af wat andere mensen bezig houdt. Wat hen bezielt. De woorden van Bernie Sanders wakkeren dat gevoel opnieuw aan. Ik kijk om me heen en zie Thea, Pip en Mees naast me zitten.

Vier mensen, vlak bij elkaar en met elkaar verbonden. ‘If a child is hurt’, zegt Bernie Sanders, ‘then I hurt. If your children hurt, then I hurt. And you’. Hij wijst naar de mensen in het publiek. Bernie bedoelt met grote waarschijnlijkheid de mensheid, waar ik me prettig noodgedwongen even beperk tot mijn eigen familieleden, maar ik herken heel sterk wat hij zegt. Enkel jezelf zien en niets met de ander te maken willen hebben, is een eigenschap die weliswaar steeds vaker lijkt voor te komen, maar of dat ons mensen tot mens maakt? Ik betwijfel het. Bernie volgens mij ook.

Voor zover ik me in hem kan verplaatsen, natuurlijk. Maar mooi vind ik zijn gedachtengang wel. En hoopvol. ‘We are all in this together’. We zitten er allemaal samen in. En dat kunnen we ons, volgens mij, niet vaak genoeg realiseren. Steeds blijven doen dus, neem ik me voor, me verplaatsen in de ander. En in dié ander. En dié. In alle anderen. Omdat ik niet zonder ze kan. En ik denk dat dat voor ons allemaal geldt. Want we kunnen niet zonder de ander. Als was het maar omdat we zelf ook anderen zijn.

Gestolde gedachte

Nog niet zo heel lang geleden schreef ik een gedachte in mijn telefoon. Om te bewaren.

Het waren de eerste uurtjes van een nieuwe dag. Op de fiets naar huis, na opnieuw een enerverende discussie, speelde ik er al mee. Hoe zou ik dat gevoel willen omschrijven, vroeg ik me af. Flarden van vanalles gingen er door mijn hoofd, bijna op het ritme van de vierde versnelling.

Ik schakelde over naar de acht. Minder trappen, harder fietsen en er tegelijkertijd nog een flard van een nietszeggende gedachte bij. Met geen enkele bijdrage aan mijn poging om al fietsend mijn gevoel van zojuist te beschrijven. Er zit net zo weining vanzelfsprekendheid in van vier naar acht, als van voelen naar willen opschrijven. En toch wilde ik het.

Want op een later moment wilde ik die bewaarde gedachte gebruiken. Daarom moest die in woorden worden gevangen. Ik wist dat mijn gevoel me niet bedroog. Wat ik voelde over de zojuist opgedane ervaring, was waarheid. Voor mij in ieder geval en dat wilde ik vastleggen. De gedachte zou me zeker nog een keer van pas komen.

Van waar ik was tot thuis is maar tien minuten fietsen, dus veel tijd was er niet. En mijn versnelling werkte niet in mijn voordeel. Dus terugschakelen. Letterlijk en figuurlijk. Ik haalde flarden terug en pakte ze bij elkaar. En vlak voordat ik thuis was, had ik ‘m. Een dag later las ik mijn, in woorden gestolde, gedachte weer terug:

“Ik voel me in discussies soms als de inboorling die niet wénst te veranderen, terwijl de missionaris alle argumenten blíjft aandragen om dat wél te doen.”

De accenten van deze gedachte lagen bewust op ‘wenst’, ‘blijft’ en ‘wel’. Dat was voordat ik ging slapen. ’s Ochtends was ik niet meer zo zeker van die accenten. En een dag later, toen ik in een opwelling de gestolde gedachte wilde delen, heb ik hem toch voor mezelf gehouden. Nog even over nadenken.

Wat is het tegenovergestelde van ‘stollen’? Als ik de vloeibare fase oversla, is dat sublimeren, herinner ik me van de natuurkundelessen van vroeger. Zou dat op den duur ook zo kunnen werken voor mijn gedachten? Stollen op een sublieme manier? Tot die tijd nog maar even zo.

Carnaval is afgelopen

Luisteren is leuker maar voor de lezers onder u, de tekst staat hieronder.

 

De carnaval is afgelopen,
het was een heel mooi feest.
Dat feest is, mag ik toch wel hopen,
voor u ook leuk geweest?
Of bent u niet gaan vieren?
Want boeit het u geen ruk?
Dan mist u toch wel heel veel plezier,
en ook carnavalsgeluk!

Geluk, dat zit in heel kleine dingen,
die je, als je ze zoekt, ook vindt.
’t Ligt in de liedjes die ze dan zingen,
’t Glimt in de lach van een kind.
Het past in ieders leven,
als roffels in de maat.
Het is een gevoel en al is het maar even,
dat nooit meer over gaat!

De vreugde van een carnavalswalsje,
duurt jammergenoeg nooit lang.
Maar toch, fijn en nog fijner, als je
dochter je dan kust op je wang.
Een heel klein, heel lief zoentje,
in een korte drietelsmaat,
is meer waard, dan zo menig miljoentje
en dat is waar dit over gaat.

Eén dag na aswoensdag, het zonnetje schijnt.
Dat is fijn voor het gemoed.
De carnavalsblues, die langzaam verdwijnt,
de verbeelding, die maakt veel goed.
Maakt plaats voor nieuwe dingen.
Geeft kleur aan wat er al was.
Houdt evenwicht, door een liedje te zingen,
je levens-luchtbel waterpas!

Verbeeld het als een heel mooie luchtbel,
die opstijgt uit de zee,
En eenmaal boven -met een zucht wel-
mag die met de lucht weer mee!
Zo gaat het hele leven,
het komt zoals het gaat.
Maar als we elkaar de kansen maar geven,
komt tijd en goede raad!

Daar wil ik dan ook dit vers mee besluiten,
met een gelukwens voor elkaar.
Straks gaan we weer, van binnen naar buiten,
en daar is het soms toch wat naar.
Toch is het met verbeelding,
en soms die kus op je wang,
dan duurt, of ik het nu weinig of veel zing,
het kleine geluk super lang!

Een jas van een euro… onbetaalbaar!

Ik heb ze bijna allemaal, vanaf 1993. De prinselijke huisordes die ik jaar na jaar dankbaar in ontvangst mocht nemen. Ik weet bijna zeker dat ik die kreeg als dank voor mijn bijdragen in de Klos, de Horster carnavalskrant. Omdat ik niet alle Klossen meer heb, kan ik dat echter niet controleren. Maar dat is ook niet zo belangrijk. Ik noem het omdat ik er twee mis. De huisorde van 1994 en die van 2010, die heb ik niet.

Al die andere ordes heeft Pip afgelopen week op mijn nieuwe carnavalsjas genaaid. Die jas, die ik voor een euro bij de kringloop in Sevenum heb gekocht, is nu door al die onderscheidingen onbetaalbaar geworden. Gisteren heeft die jas z’n vuurdoop gehad. Carnavalsvrijdag zit er weer op. Een mooi begin van wat nog gaat komen. En niemand die gisteren in de gaten had, dat ik twee huisordes miste.

In 1994 was Ber Cox prins, lees ik in een nieuwere Klos, die ik nog wel heb. En op de Klos van 2010 prijkt een mooie foto van Sjaak Jeurissen, die toen prins was. Nu ik de foto zie, kan ik me bijna herinneren dat hij me toen wel de huisorde heeft omgehangen, maar afijn. Hij zit er niet meer bij. Het is niet anders. Maakt ook niet zoveel uit.

In 1994 is ook onze Pip geboren. Zou dat verklaren waarom ik van dat jaar geen huisorde heb? Volgens Thea heb ik toen wel gewoon carnaval gevierd, omdat zij zich nog kon herinneren dat ze met Pip in de buik naar de Horster optocht heeft gekeken. Op 2 maart is Pip toen geboren. Toch voor de aardigheid eens opzoeken, wanneer het in dat jaar carnaval was.

Maar goed, diezelfde Pip heeft al die andere huisordes zeer bekwaam, en bijna 22 jaar later, een nieuwe plek gegeven op mijn jas. Zoals gezegd, onbetaalbaar. Onze Pip, maar ook die jas nu. Onbetaalbaar, vanwege de vele herinneringen die besloten liggen in al die stukjes mooi vormgegeven metaal. Zeker wanneer je dan de bijbehorende Klossen doorbladert van afgelopen jaren.

In de Klos van 1989 zie ik een collagefoto van de toenmalige ‘Wazelvotte’. Geen toeval dat daar mijn oog op valt, besef ik, omdat vanmorgen de herdenkingsdienst van Cor Kuipers in het Gasthoes was. Thijs Kleeven overleed vorig jaar en in de Klos van 2007 lees ik mijn ‘in memoriam‘ voor Toon te Baerts weer terug. Momenten in de tijd. Waardevol, maar vluchtig, als een jas van een euro, die onbetaalbaar wordt door alle herinneringen en nieuwe mogelijkheden voor de toekomst.

Daar moest ik gisteravond zo nu en dan aan denken, trommelend op de muziek en meedeinend met de rest. Tussen al die mensen, die ieder voor zich soortgelijke herinneringen zullen hebben. Net als die duizenden mensen die vanmiddag in een diffuus winterzonnetje op het Wilhelminaplein hun Parade vierden. Warme herinneringen. En droevige.

Voor al die mensen heb ik vanmiddag een gedichtje gedeeld via Facebook. Uit de Klos van 2007. Met dat gedichtje wil ik hier graag afsluiten. In dialekt, dus als je dat moeilijk lezen vindt, dan kun je hier onder ook kiezen om me het verhaal te laten voorlezen. Je krijgt er van te voren de winnende carnavalsschlager bij (tot 3.11) en achteraf een mooi nummer van Mark Lotterman (vanaf 6.51): ‘It ain’t only sorrow’.

Vur iederiën
deen ni mier is
ma aaltied
oonder ôs…
Vur iederiën
din in iën kier
inens ma
zoonder môs…

Vur iederiën
deen is gegoan
vur iederiën
di bleef bestoan:

Wet daat geej
mit iedere troan
Waat op oow wange schrieft:
Naat stripke zalt
‘ik halt vaan oow’
Daat is waat aaltied blieft…

En troan die zoë
na oonder sluit,
zörgt daat dur wer
waat moëis opbluit!

Een dooie mus…

Buiten hangt een pimpelmeesje aan een omgekeerd koffiekopje. Even later nog een. Misschien wel dezelfde? Af en aan vliegen ze. Vooral naar dat zaadbolletje, dat in het op z’n kop hangende koffiekopje verwerkt is. Het is het enige plekje waar de lompe kauwen niet bij kunnen. En dus passen de meesjes zich aan. Slim. Maar ook noodgedwongen.

Ik kijk er naar en betrap mezelf op een vergelijking waarvan ik niet helemaal kan overzien of die terecht is. Zo’n voedertak, met al zijn overdaad aan zaadjes en vetbollen, is een plek waar hongerige vogels zich te goed komen doen. Daar is die ook voor bedoeld. Zeker bij strenge winters blijkt zo’n uitwijkmogelijkheid een zeer gewaardeerd en soms zelfs vogellevensreddend initiatief. En dus komen ze graag. Mezen en kauwen. En andere vogels.

Nou valt hier de winter dit jaar wel mee, maar er zijn plekken op de wereld waar het koud is. Heel koud. Plekken waar je dood kunt vriezen, als je er niet weg kan. Bij dat hangende meesje en die brutale kauw moest ik denken aan de vluchtelingencrisis en hoe zich die in Europa manifesteert. Als een volgehangen voedertak met mezen en kauwen, bedacht ik me. En andere vogels. Vreemde associatie?

De kauwen zijn er steeds als de kippen bij en de meesjes laten zich gedwee verjagen. Ze moeten wel. Tegen dat brutale geweld kunnen ze namelijk niet op. Dus gaan ze weer. Op zoek naar andere plaatsen waar ze zich welkom voelen. Waar ze kunnen schuilen, al is het maar onder een omgekeerd koffiekopje. Ze blijven zoeken naar plekken waar geen kauwen zijn die alleen maar aan zichzelf denken. Ze hopen op andere vogels, bij wie ze wel welkom zijn.

De echte winter moet nog komen. Ik kijk naar buiten en maak me zorgen. Omdat er zoveel mezen en kauwen zijn. En massa’s andere vogels. Maar vooral omdat er nog veel meer vetbollen en zaadzakken zijn, die zich niet druk maken om een dooie mus. Terwijl juist dat zou moeten.

Een beetje voor papa

Pip komt thuis en vertelt dat er een lange rij mensen voor de ingang van de Mèrthal staat. Ik trek m’n jas aan en wandel er naar toe. Méér mensen doen dat, zie ik. Over een kwartier nemen we met z’n allen afscheid van Dré van den Bosch. Hoe onwerkelijk is dat.

Op 1 januari liep hij nog achteraan het ‘treintje Van Den Bosch’ het koude zwemwater van de Kasteelse Bossen in. Maar niet voordat hij zo’n beetje alle tweeduizend toeschouwers was langsgewandeld om hen te vertellen dat hij op zoek was naar de ster van Bethlehem. Net als zijn vrouw Astrid, hun kinderen Cas en Loeka en zijn broer Pieter. En voor de zoveelste keer tjoekte het treintje eensgezind het water in.

Van alle kanten zie ik mensen naar de Mèrthal lopen. Een grote zwarte auto rijdt me langzaam voorbij. Een klein zwart vlaggetje wappert in de frisse wind. In de auto daarna zie ik Loeka, die vanuit de bijrijdersstoel -bijna verbaasd lijkt het wel- de drukte in zich opneemt. De stoet parkeert bij de Mèrthal terwijl ik aansluit in de rij, die inderdaad indrukwekkend lang is.

Op 1 januari dook Loeka voor de tweede keer het koude water in. Met het treintje was al leuk, maar voor de echte bikkels is een tweede keer toch écht een must. Voor de camera van Wim Wijnhoven vertelde ze daarna dat ze dat al deed vanaf groep 4. ‘Lekker’, was haar korte, maar veelzeggende conclusie. Ze wrong het water uit haar bloemenhoed en ze lachte vriendelijk de camera in.

De rij schuift maar langzaam op. Ik sta op een plek waar ook de zwarte auto is gestopt. De deur wordt voor Astrid open gemaakt. Ze stapt uit en de rest van de familie verzamelt zich om haar heen. Ik zie Loeka. Cas. De nichtjes Ankie en Floor. De kist wordt uit de auto getild en door de familie op de baar geschoven. De mensen om me heen zijn stil. Kleurige handen versieren het blanke hout van de kist.

Ik heb Dré op Nieuwjaarsdag niet twee keer zien duiken, maar het zou me niet verbazen als dat wel het geval was. Andere jaren was dat in ieder geval zo. Als je het over echte bikkels hebt… Op het compilatiefilmpje van de duik komt hij regelmatig voorbij. Eigenzinnig. Zijn eigen ding doend. Ik vermoed dat het confettivuurwerk op de achtergrond bij de warming-up zijn verdienste is. Zijn eigen warming-up.

In de Mèrthal is geen plek onbezet. Vierkant vol en dat wil wat zeggen. Persoonlijke verhalen wisselen zorgvuldig geselecteerde beelden af. Van waar ik sta kan ik de beelden niet zien, maar ik kan me ze des te beter voor de geest halen, terwijl ik luister naar de verhalen en naar de mooie muziek. Ik hoor Cas en Loeka verdrietig sterk zijn, samen met hun neven en nichten. Herinneringen worden gedeeld, waar eigenlijk nog gewoon toekomst had moeten zijn.

Elk moment is indrukwekkend. Van het live gezongen lied van Loeka en Ankie (of Floor, na zoveel jaren kan ik die tweeling nog steeds niet uit elkaar houden..) tot aan het door Ron Bosmans mooi ingeleidde, maar tot op het bot gaande ‘Killing in the name’ van Rage against the Machine. Nog nooit zag ik zoveel mensen vervolgens zo eensgezind, intens en ingetogen langs de kist wandelen, om persoonlijk afscheid te nemen. Veel handen werden op de gekleurde handen gelegd.

Weer buiten zie ik groepjes mensen bij elkaar staan. Twee weken geleden stonden ze misschien ook wel bij het zwemwater van de Kasteelse Bossen. Toen Dré nog op zoek was naar de ster van Bethlehem. Daar is die misschien nu wel een stapje dichter bij in de buurt gekomen, bedenk ik me. Maar nog meer denk ik aan Loeka, die tussen twee snikken door, vastberaden de hele Mèrthal opriep om de komende carnaval ’ook een beetje voor papa te vieren’. Ik weet het nu zeker. Mijn trom gaat weer mee. Op Dré!

Voor Astrid, Loeka en Cas
Zijn lach in een krul

Buikorgel en eigen tekst

Op donderdag 17 december vorig jaar tijdens het Eindejaarsfestival twee keer een sessie mogen geven. Eigen teksten voorgedragen op muziek van mijn buikorgel. In een prachtig ingerichte ruimte in het Gasthoês (dank aan Thijs Houwen) mocht ik twee keer zo’n dertig collega’s ontvangen. Videograaf Wim Wijnhoven heeft het vastgelegd en bij deze doe ik hetzelfde, maar dan op mijn blogsite. Het eerste gedicht is gemaakt naar aanleiding van een ontmoeting bij een ziekenhuis met iemand die was opgegeven. Het tweede gedicht gaat over Aylan, die in september 2015 aanspoelde op een strand in Bodrum. Het derde gedicht is getiteld ‘Moeie alde meense blieve aaltied joong’ (Voor hen die het Horster dialekt niet machtig zijn: Mooie oude mensen blijven altijd jong.