Verlost

Ze zat vast. Iemand uit de andere wereld had haar vastgebonden in bed! Roepen had al heel lang geen effect gehad, maar toch bleef ze het doen. Met volle kracht. Ze schreeuwde en hoorde zichzelf. Kreten die een mengeling waren van blinde paniek en uitzinnige woede. Keer op keer voelde ze hoe forse ademstoten haar stembanden passeerden. Ze kon niet anders dan volhouden. Iemand zou haar toch wel horen en haar komen bevrijden? Toch?

Misschien degene die zojuist bij het raam was gaan staan? ‘Heej!’ Als een zweepslag verliet de kreet haar mond. Ze zag alleen z’n donkere schaduw, omdat de felle zon de kamer in scheen. Geen beweging. Toen hij daarnet voorzichtig langs haar was geschuifeld was er een glimp van herkenning geweest. Was het… Of was het degene die haar had vastgebonden? Maar waarom had hij haar dan dat bakje druiven gegeven? Of was het toch… wacht eens… waren het wel druiven? Misschien was het in groen vruchtvlees verpakt gif? Of nee, met lucht gevulde bolletjes, bedoeld om haar op te pompen zodat de band om haar middel nog strakker kwam te zitten. De mensen van de andere wereld waren listig. En ze waren met veel. 

‘Heej!!’. Opnieuw riep ze naar de persoon bij het raam. Impulsief en hard. Maar ze zag nauwelijks reactie. Dus bleef ze roepen. Tevergeefs. Het werd haar in één keer duidelijk. Weg ermee! Ze wierp het bakje druiven met kracht in de richting van het raam. Het spatte uiteen tegen de plank bij het voeteneinde van haar bed De schaduw bij het raam kromp ineen! Ha! Dat verklaarde veel. Het moest wel gif zijn! Met haar voet vertrapte ze één voor één de groene bolletjes. Het was ‘t enige juiste om te doen! Daar! En daar. Nóg een. Dáár! 

In haar ooghoek zag ze de figuur bij het raam zich verplaatsen. Voetje voor voetje schoof hij langs de muur, in de richting van de deur. Hij vlucht, dacht ze, en het voelde als een overwinning. Toen hij in de deuropening stond en nog even omkeek, zag ze opnieuw zijn gezicht. Hoorde zij hem nu zachtjes ‘tot ziens’ zeggen? De vastbinder? De gifmenger? Tot ziens? Kwam hij weer terug dan? Maar wacht eens… was het niet… Klik!. De deur viel in het slot. Tegelijk vervaagde het beeld van zijn gezicht. En het was weg, nog voordat het in haar hoofd samenviel met de herinnering aan andere tijden. Het ‘tot ziens’ had wel heel bedremmeld geklonken. 

Verklaren kon ze het niet, maar een intens gevoel van droefheid overviel haar. De tranen leken de storm in haar hoofd verder aan te wakkeren. Donkere gedachten en afwisselende vlagen van herinnering en angst joegen de golven van emoties tot ongekende hoogten. Ze moest hier weg! Dit was niet de plaats waar ze nu moest zijn. De groene massa aan het voeteneind leek zich naar haar toe te bewegen. Ze voelde het onder haar voet en ze zag het al op haar kuit. Paniek maakte zich van haar meester. Ze moest hier weg! Maar ze zat vast!

Met alles wat ze in zich had, schreeuwde ze het uit. Geen woorden meer, maar langgerekte kreten van wanhoop. Uit het diepste van haar binnenste werd de lucht langs haar stembanden keer op keer ruw naar buiten geperst. Hard en schurend klonken haar kreten. Hartverscheurend. Afgewisseld met snikkende ademteugen die haar longen weer probeerden te vullen. Ademteugen die niet opgewassen waren tegen de kracht van haar rauwe vertwijfeling.

Met een laatste krachtsinspanning zette ze aan voor een alles bevrijdende kreet. Op hetzelfde moment dat haar stembanden sloten en weer open wilden gaan, kleurde de lucht in haar longen volledig rood. Op slag viel ze stil. Het was een stilte die zo gauw en nieuw de ruimte vulde dat het harder klonk dan haar roepen een paar seconden eerder. Een rauwe, ruwe en steeds roder wordende stilte die, wrang genoeg, in de plotselinge rust wel werd gehoord. 

Dat was toen.

Een roos viel bijna geruisloos van haar kist, toen die door het gangpad van de stille kerk naar buiten werd begeleid. Haar zoon raapte de rode bloem stilzwijgend op, om die  terug te steken tussen de groene bladeren van het bloemwerk. Maar hij bedacht zich. Buiten, in alle vrijheid, rook hij aan de roos. De zoete geur deed hem -vreemd genoeg en tot zijn eigen verbazing- denken aan de geur van geplette druiven. ‘Mijn moeder’, dacht hij en keek omhoog. ‘Ze heeft me gezien’.

Sporen van herinnering…

Ondertussen is het al meer dan drie jaar geleden. Mijn zus Trudy was een van de eerste gasten in Hospice Doevenbos. Ik herinner me dat we vanuit haar kamer samen naar buiten keken, naar de kastanjebomen in de tuin. Het was mei en het gras rondom de bomen was nog maar net ingezaaid. Een groene waas scheen over het donkere zand. Het regende licht die dag. Trudy zag het omdat de regen de rode stenen van het tuinpad wat feller deden opkleuren.

Haar gezondheid ging in een paar dagen snel achteruit. Haar verblijf in het Hospice duurde maar twee dagen. Twee dagen waarin ze zich liefdevol verzorgd wist en waar ze uiteindelijk, in het bijzijn van een broer en een zus, in alle rust is ingeslapen. We hebben haar afscheidsdienst verzorgd op de manier die ze zelf had aangegeven. Ongeveer een jaar later hebben we haar as uitgestrooid op een plek die ze ook nog zelf had uitgezocht. Tussen kastanjebomen en dichtbij een bospad. Vlakbij een houten picknicktafel  en een grote waterpartij. Ik kom daar sindsdien met zekere regelmaat. 

Vorige week nog was ik er, om inspiratie op te doen voor het verhaal dat ik u nu aan het vertellen ben. Het was de eerste plek waar ik aan dacht, toen ik van de themawoorden ‘bomen’, ‘bladeren’ en ‘loslaten’ hoorde. Zeker in deze tijd van het jaar, waarin de herfst prachtige kleuren geeft aan bomen en aan losgelaten bladeren. Het is de tijd van korter wordende dagen in een zo nu en dan mistige sfeer van verval en troosteloosheid. Maar het is zeker ook de tijd van een onmisbare voorbereiding op nieuw leven. In elk vallend blad schuilt een nieuwe belofte.

En ze liggen overal. De gevallen bladeren. In alle herfstkleuren die de natuur in petto heeft. Bruin, rood, geel. En vaak nog met een waas van zomergroen. Soms waait een blad wat verder weg om even verderop neer te komen in het donkere zand. Op de uitstrooiplek van Trudy hetzelfde beeld. Gevallen bladeren, waar je ook maar keek. Samen legden ze een deken over de donkere aarde, die in drie jaar tijd ongetwijfeld één was geworden met de as die we toen hadden uitgestrooid.

Mijn oog viel op een groepje van drie paddestoelen tussen de bladeren. Een teken van nieuw leven, bedacht ik me, gevoed door eerder gevallen bladeren in een symbiose met de aarde daaronder. Even verderop stonden er nog meer. Ze groeiden in groepjes en soms stond er een alleen. Grote, kleine, rechtop, schuin. Er was er één, die zo ver achterover gebogen stond, dat je de mooie regelmatige onderkant kon zien. De sporen waren te tellen. En op dat moment voelde ik de verbinding met waar ik voor naar deze plek gekomen was. De sporen van de paddestoel waren in één keer ook de sporen van een levende herinnering aan Trudy. Een mooi moment. 

Drie jaar geleden moesten we afscheid van haar nemen, maar in die ene tel leek het alsof ze even gedag zei… via de sporen van de paddestoel. Ik weet, het was misschien vooral mijn eigen interpretatie van dat moment, maar toch was daardoor de herinnering aan haar even heel levend. Het voelde fijn om in de sporen van de paddestoel ook sporen van haar terug te zien. Levende sporen van herinnering. Groeiend in de kleuren van de herfst.

Ik wens u allen toe dat u op uw eigen manier de kleurrijke sporen van de herinnering aan uw dierbaren vindt, in de tijd die gaat komen. In het begin zijn die herinneringen mogelijk door het droevige afscheid nog wat troosteloos grijs, maar hopelijk worden ze al snel mooier van kleur. En of het dan herfst, lente, zomer of winter is, in gedachten kan, op die manier bekeken, een afscheid op elk moment, een kleurrijk weerzien zijn.

1819…

100819. Ik tik de datum in, als naam voor het document waaraan ik nu begin te schrijven. Als ik de cijfers zie, en ik denk de nullen even weg, dan zie ik het telefoonnummer 1819 dat we vroeger op de Lindweg hadden. Al even geleden, maar het is zo’n getal dat voor altijd geassocieerd is met die zwarte bakelieten hangtelefoon in de hal van mijn ouderlijk huis.

Dat getal 1819 valt me wel vaker op. Op digitale klokken bijvoorbeeld. Net op het moment dat je kijkt, staat het voor je neus. Had je een minuut later gekeken, was het je waarschijnlijk niet opgevallen. Maar vroeg op de avond, precies om negentien minuten over zes kijk je, en dan verschijnen er stante pede in mijn geheugen de beelden van vroeger. Ik verwacht dat wel meer mensen dat hebben, met getallen die hen zijn bijgebleven.

Waarom is dat, vraag ik me af, dat herinneringen zo nu en dan getriggerd worden door situaties uit het heden. Het heeft uiteraard met leeftijd te maken. Hoe ouder je wordt, hoe meer herinneringen er zijn om gekieteld te worden. Maar zou het ook andersom kunnen werken, bedenk ik me nu. Dat herinneringen op hun beurt gebeurtenissen in het nu oproepen?

Ik heb eens ergens gelezen dat wanneer je over je toekomst nadenkt, je dat moet doen in termen van gebeurtenissen die je je later zou willen herinneren. Ik tik wat woorden voor de gein in Google en vind een dichtregel die over toekomst, herinneringen, heden en verleden gaat. Bedacht door dichter Kahlil Gibran. Hij schrijft: ‘En laat het heden het verleden vol herinneringen omhelzen en de toekomst vol verlangen’.

Ik zoek verder op zijn naam en vind nog veel meer quotes. En een heleboel info. Geboren in Libanon in 1883, op zijn twaalfde met zijn moeder naar America verhuist en via allerlei Europese omzwervingen uiteindelijk in 1931, op 48 jarige leeftijd in New York overleden. Hij was, behalve dichter, ook schilder en schrijver. In 1923 schreef hij blijkbaar zijn bekendste werk: ‘De Profeet’.

Allemaal zaken die ik een uur geleden nog niet wist, en die ik me waarschijnlijk in de nabije toekomst ook niet meer zal herinneren. Maar goed, het staat genoteerd nu, dus wie weet. Dan kijk ik nog een keer naar de eeuwen waarin hij is geboren en gestorven en dan zie ik toch weer 1819. Ook zijn leeftijd triggerde me. Ik moest meteen aan mijn eigen moeder denken, maar bij nader inzien, en wat hoofdrekenwerk, blijkt zij toch een jaar ouder te zijn geworden.

Herinneringen in het heden. Ik omhels ze en kan niet anders dan vertrouwen hebben in de toekomst. Verlangen naar nog meer gebeurtenissen en getallen die mijn geheugen kietelen. Reken maar.

Spelenderwijs…

Een foto van een jongetje, zittend op de grond tussen volwassenen in, met z’n hoofd rustend op één hand. Op een bepaalde manier voel ik me betrokken bij dat beeld. Hij is in gedachten verzonken. Zijn aandacht is gevangen door iets dat alleen hij ziet. In alle rust nieuwsgierig, zo zou ik zijn gemoedstoestand willen omschrijven. Een foto is aanleiding voor onderstaande beschouwing.

‘Spelenderwijs’ door het leven gaan. Een eigenschap, die bij mij wat op de achtergrond lijkt te raken. Met de vakantie in het vooruitzicht toch goed om die eigenschap weer wat op te poetsen. Gebruikmakend van een herinnering van 33 jaar geleden.

Geert-01-b650 cristina Gottardi
Gelaten nieuwsgierig naar de wereld kijken (foto van Cristina Gottardi via Unsplash.com)

In 1986 schreef ik mijn scriptie: ‘Peuters op de video’ met als ondertitel ‘Spelenderwijs’. De ondertitel suggereert een gemakkelijk verlopen proces, maar dat was zeker niet het geval. Pas toen ik in alle rust mijn nieuwsgierigheid kon focussen, mede dankzij een goede begeleiding, kwam het eindproduct tot stand. Een resultaat, waarvan de examencommissie uiteindelijk zeer gecharmeerd was. Een onorthodoxe aanpak had ik gehanteerd, vertelde men mij, en ik kreeg, behalve een dikke voldoende, ook het advies om die manier van werken voor de toekomst te bewaren. Bij het zien van de foto moet ik daar aan terugdenken.

Bespiegeling

Beschouwend. En nieuwsgierig. Ik zie de peuter op de foto en denk terug aan de tijd van toen. Het was in het voorlaatste jaar van de opleiding Logopedie. Ik liep stage in het ‘Peuterpracticum’. Dat was een peuterdagopvang, binnen de muren van de logopedische opleiding in Eindhoven. Kinderen met een ‘normale’ ontwikkeling en kinderen met een (risico op een) afwijkende spraak- en taalontwikkeling werden er opgevangen. Wij, een viertal derdejaars studenten Logopedie, begeleidden de peuters en hun ouders. Tegelijkertijd konden we de praktijk ervaren van ‘echte’ taal- en spraakontwikkeling. Een duidelijke win-win-situatie.

Theorie en praktijk

Het jaar daarop was mijn scriptiejaar. Met de stage van een jaar eerder nog vers in het geheugen, had ik bedacht dat ik het leerproces van peuters in beeld wilde brengen. Ik wilde live situaties uit het Peuterpracticum vastleggen op video, en die beelden voor het (logopedische) nageslacht bewaren. Voorzien van ingesproken commentaar, dat gebaseerd was op een gedegen theoretische onderbouwing. Ik had tenslotte niet voor niets al drie jaar logopedische theorie achter de rug en meende daardoor wel zo’n beetje te weten hoe het allemaal zat. Al die theorie moest toch in de praktijk te vangen zijn, vond ik. Voortvarend ging ik alvast van start.

Ontdekkingen

Prachtige beelden kon ik zo vastleggen. Juist door de spontaniteit van de peuters en hun onbevangenheid werden het stuk voor stuk prachtige scenes. De peuters voelden zich op hun gemak en leken dagelijks nieuwe ontdekkingen te doen. Ik was onder de indruk van wat ik achteraf terugzag op de videobeelden. Ik zag interactie, vaak zonder woorden, omdat die woorden veelal nog ontbraken of niet begrepen werden. Ik zag – ondanks talige beperkingen – hele creatieve oplossingen in interactieve en speelse situaties. Acties die keer op keer herhaald werden, maar goed beschouwd elke keer waardevol bleken, omdat ze telkens met zoveel plezier gepaard gingen. En door hele kleine variaties vaak nieuwe ervaringen met zich mee brachten.

Bomen en bos

Het leek allemaal zo voor de hand liggend en vanzelfsprekend, de ontwikkeling die ik zag. Maar juist daardoor liep ik vast in mijn scriptie. Want bij de beelden hoorde toch echt een theoretische onderbouwing. Er waren echter zoveel aspecten te beschrijven, er was zoveel theorie, met zoveel verbindingen en dwarsverbanden tussen theorie en praktijk, dat ik de beelden wel zag maar niet meer hoe die zich verhielden tot de ontwikkelingstheorieën. Ik probeerde verschillende invalshoeken maar niets kwam in de buurt van wat ik eigenlijk duidelijk wilde maken in mijn scriptie. Een frustrerende tijd voor een afstuderend student…

Geert-02-b650 Annie Sprat
De boom zien en het bos even niet (foto van Annie Sprat via Unsplash.com)

De ommekeer kwam, toen ik merkte dat mijn ‘struggle’ om mijn scriptie ‘verder te ontwikkelen’ vergelijkbaar was met de ‘struggle’ van peuters op het gebied van taal- en spraakontwikkeling. Ik besefte dat mijn leerproces om te komen tot het einddoel ‘scriptie’ analoog verliep aan het proces van taalverwerving van peuters. Of, in een nog breder verband, overeenkwam met de ontwikkeling van peuters in het algemeen. Dat was een eye-opener, waarvan ik vandaag de dag nog steeds de vruchten pluk.

Het kind in mij…

Beschouwend, en vanuit rust nieuwsgierig kunnen zijn. Spontaan en onbevangen het leven tegemoet treden. Ontdekken dat vanuit een speels gemak, gedragen door vertrouwen, uitdagingen kunnen worden aangegaan. Ervaren dat het in het leven herhaaldelijk tegen zit, maar dat het elke keer toch de moeite waard blijkt als die drempels overwonnen worden.  Plezier en ervaring voeden het vertrouwen op een goede afloop en houden tegelijkertijd de nieuwsgierigheid levend. In de beelden van de peuters zag ik destijds heel duidelijk mezelf. Nu, 33 jaar later, zie ik het terug in de foto van het zittende ventje. Ik kijk naar de foto en ervaar het kind in mij, dat nog steeds de wereld ontdekt.

Geert-03-b650 Katherine Chase
Het kind in mij… (Foto van Katherine Chase via Unsplash.com)

Levensboot
Kijkend naar de wereld
Van klein naar immens groot
Zó drijvend op het leven
Steeds gaat er weer een boot
De vrijheid evenaren
Die ‘t kind in mij me bood
Dat in het nú ervaren
En léven naar de dood

Voorbij…

ze wandelen voorbij
niet wetend wie jij was
en dat het groen
dat ik voor me zie
ontstaan is uit jouw as

de wind die het beweegt
het strelend zonnelicht
in het groene bed
van zon en wind
herken ik je gezicht

je woorden zijn de bladeren
de bomen je verhaal
en alles
wat ik om me hoor
dat ben jij allemaal

heel even die momenten
alleen voor jou en mij
gedeeld met wind
en zon en groen
ze wandelen voorbij…

Zachte aai…

Eerste kerstdag. Het jaar 2018. Het is mijn 58e kerst. Best al een aanzienlijk aantal kerstdagen meegemaakt, realiseer ik me. Het overvalt me een beetje, hoe weinig ik me eigenlijk zo op het eerste oog nog herinner van al die verschillende momenten. Gravend in mijn geheugen verschijnen er wel beelden uit mijn kindertijd. Ik zie de hoek van de woonkamer voor me, waar bij ons altijd de kerstboom stond. Een stevige boom, waaronder heel natuurgetrouw met rotspapier een grot was nagebootst.

De grot leek uitgehakt uit een stenen berg, van waaruit de kerstboom bijna natuurlijk opsteeg, tot aan het plafond, nog net plaats overlatend voor een blinkende piek. In de boom gekleurde lampjes, bedekt met engelenhaar, waardoor er wat mystieks van uitging. Geheimzinnige spiegelingen in glanzende kerstballen en zilverkleurige druppels. Hier en daar een teer, zilveren vogeltje, dat elk moment leek weg te kunnen vliegen, ware het niet dat het was vastgeklemd aan een dennetak. Nog voel ik hoe koud en zacht hun staarten over mijn hand gleden.

Achter in de grot was een gaatje gemaakt, waar doorheen één lampje het tafereel in de grot bescheen. De beelden die elk jaar hun eigen plaats kregen, voelden zwaar en stevig in mijn kinderhanden. In de loop van de jaren meen ik mij te herinneren dat sommige beelden extra voorzichtig uit de doos moesten worden gehaald, omdat ze een jaar eerder waren gelijmd. Vooral de gipsen schaapjes bleken kwetsbaar. De drie wijzen verplaatsten zich naarmate de kerst dichterbij kwam. Iemand bij ons thuis -ik vermoed mijn moeder- volgde daarmee de logica van het kerstverhaal. Op 1e kerstdag stonden ze alledrie vlakbij de kribbe. Misschien heeft juist die trektocht menig schaapje geschaad…

Dit tafereel heeft in mijn herinnering een hele vaste plek verworven. Waarschijnlijk omdat het jaar na jaar volgens datzelfde protocol verlopen is. Heel vaag kan ik me herinneren dat we ‘s avonds thuis kwamen en dat er een kersttafellaken over de tafel lag die feestelijk gedekt was. Maar vanwege de vaagheid van die herinnering is dat zeker niet iets dat elk jaar onderdeel uitmaakte van de ceremonie. Daarvoor was onze familiesituatie in mijn kinderjaren te instabiel. Misschien wel een verklaring voor mijn selectieve geheugen.

De herinneringen aan kerst van de laatste jaren zijn echter ook vluchtig. Eten bij en met de broers en zussen, waarbij later ieders kinderen ook aansloten. Het aantal deelnemers aan die gezamenlijke maaltijd nam in de loop van de tijd door verschillende redenen af. Je zou het een natuurlijk verloop kunnen noemen. Vragen stellen daarover kan, maar antwoorden blijken lastig te vinden. Het zij zo. De kerstboom, die in mijn kindertijd altijd echt en groen was, heeft bij ons in huis nu plaatsgemaakt voor een andere indrukwekkende en creatieve variant. Mogelijk nog echter, maar totaal anders wat betreft kleur en vorm. De kerstballen en zilveren druppels zijn nog steeds wel de stilzwijgend blinkende getuigen van vroegere tijden. Mooi en verstild.

Nog steeds hangt er op twee plekken een zilveren vogeltje. Ik heb net even uitgeprobeerd of het gevoel van de staart over de rug van mijn hand nog hetzelfde is. Want hoeveel er door de jaren heen ook verandert in de beleving rondom kerst, het gevoel van die zachte aai over mijn hand blijft heel sterk. En ja, hoewel niet helemaal hetzelfde, voelt het nog steeds heel apart. Mijn huid lijkt nu wat ruwer dan toen, maar toch ontroert het gevoel me. Mijn 58e kerst verbindt zich even met allerlei momenten uit het verleden. Ik slik een traan weg, hoewel die waarschijnlijk net zo zou glanzen als de zilveren druppels in de boom. Ik zie dat de vogel naar de pieken kijkt. Ongevraagd een goede raad.

Vluchtig en luchtig…

Even de tijd nemen om op te schrijven wat ik kwijt wil. Maar wat wil ik kwijt? Misschien dat ik me zaterdag opnieuw van een karaktertrek bewust ben geworden, die ik als kind vaker bij mijn vader heb gezien. Wanneer er een finale gespeeld was en de emoties van winnaar of verliezer werden in beeld gebracht, dan pinkte mijn vader steevast een traantje weg. Zaterdag won Simone Halep haar eerste grandslamfinale van de Amerikaanse Sloan Stephens. Blijdschap en teleurstelling waren te zien en te horen tijdens het interview meteen na de wedstrijd. Ik voelde hun emotie, mijn eigen ontroering en herinnerde me die van hem jaren geleden.

Of wil ik wat kwijt over de jongste zus van mijn vader die onlangs in een verzorgingstehuis is komen te wonen. Jarenlange zelfstandigheid verliest het uiteindelijk van lichaam en tijd. Zaterdagochtend fietste ik langs haar nieuwe verblijf aan de Gebroeders van Doornelaan. Ik nam me voor om daar binnenkort eens op bezoek te gaan. Misschien dat ik er op gezette tijden een uurtje muziek kan gaan maken, voor haar en haar medebewoners. Onlangs nog een uurtje gespeeld en gezongen op een van de gesloten verzorgingsappartementen van Hof te Berkel. Een van de bewoners aldaar kende ik nog van zijn tijd in het Melderslose vrijwilligersleven. ‘Het gaat goed met me, maar ik heb geen idee hoe ik hier gekomen ben..’.

Hij zat op een gemakkelijk ogende drie-zitsbank. Naast hem zat een medebewoonster, ietwat onderuitgezakt, te slapen. Het antwoord op mijn vraag hoe het met hem ging, klonk allervriendelijkst. We praatten nog wat. Hij bleef vriendelijk en toch meende ik iets van wanhoop in zijn ogen te zien. Een blik die ik vaker zie wanneer ik bij bewoners in soortgelijke omstandigheden ben. Een uurtje muziek leidt hen hopelijk even af van het kille gegeven dat je je voortdurend moet afvragen waar je eigenlijk bent. Ik kan die gedachte maar moeilijk van me afzetten. En tegelijk wil ik er ook niet te lang bij stilstaan. Respect en bewondering voor de verpleging en vrijwilligers die deze mensen begeleiden in hun dagelijkse verloren zijn.

Misschien is het juist dat wat ik kwijt wil. Dat het deze emoties, deze gedachten zijn, die me zo nu en dan wat somber stemmen. In die stemming is een etentje met je medebestuursleden van de stichting ‘Vrienden van hospice Doevenbos’ maar een hele kleine pleister op de wonde. Zeker wanneer je daar te horen krijgt met welke ellende anderen weer geconfronteerd worden. Ziekte, aftakeling, pijnlijke herinneringen en daarmee gepaard gaande emoties. ‘Het gaat goed met me, maar ik heb geen idee hoe het allemaal gekomen is’… Zoiets.

Soms weegt het allemaal net even te zwaar en moet je zoeken naar positieve tegenhangers om de balans te herstellen. Bijvoorbeeld door die zaken even van je af te schrijven. Op ‘papier’ zetten, ook al is dat slechts digitaal. En dus vluchtig, net als het leven zelf. Maar evengoed ook luchtig, omdat je weer even kunt doorademen. Toch wel een essentiële bezigheid. Dat wil ik vooral even kwijt, denk ik. Adem in. Adem uit. Yoga met toetsenbord en vingers. En opgedragen aan iedereen die zich hierdoor ook maar enigszins aangesproken of gesteund voelt.

 

 

 

Lou

‘Hoe is het nog met jou?’ Ik zat al even bij zijn bed, samen met Marij en het was duidelijk dat hij veel van zijn kracht had ingeboet. ‘Z’n gangetje’ was mijn weinig zeggende antwoord. ‘Ik wist het wel’, vervolgde Lou. ‘Ik zou naar de kamer hiernaast toe gaan. Hier is niks te beleven’. In de kamer die hij bedoelde vierde zijn kleindochter haar verjaardag. Als het gekund had, had hij daar ook gezeten. Maar het kon niet. Hij was te ziek. Dat was drie weken geleden. Op de verjaardag van zijn kleindochter. En nu, drie weken later, nu is hij dood.

Ik was er drie weken geleden op goed geluk naar toe gewandeld. Van Horst naar Melderslo. Op de bonnefooi, zoals we ons hele leven lang op de bonnefooi naar Lou en Marij waren gegaan. En ook al zaten er soms jaren tussen, het welkom sleet nooit. Er waren tijden dat we er elk weekend kind aan huis waren. Nooit afgesproken, maar altijd welkom. Ik wist dat Lou ernstig ziek was. Toen ik binnenkwam, kwam zijn zojuist vierjarige kleindochter verwachtingsvol de keuken ingelopen. Ze had de buitendeur open horen gaan. En zij was tenslotte jarig.

‘Het moet allemaal gewoon doorgaan’. Woorden van die strekking sprak Marij, toen ik haar vragend aankeek. ‘Komt het uit?’ vroeg ik haar. ‘Kom binnen. Natuurlijk. We gaan nét de taart aansnijden. Koffie?’ Het was niet het moment om over Lou te beginnen. Grote kinderogen keken me aan en leken enigszins verbaasd omdat ik voor haar vooral groot en vreemd was. Wat verlegen nam ze mijn felicitatie in ontvangst, maar vertrok daarna snel weer naar de kamer. Daar lagen nog meer kadootjes, die ze mocht uitpakken. Want ze was tenslotte jarig.

Ik heb er in de woonkamer even bijgezeten. Er kwam steeds meer bezoek binnen met kadootjes om haar verjaardag te vieren. Tegelijk werd bij mij het gevoel steeds sterker dat ik daar plaats voor moest maken. Het vieren moest doorgaan, dat stond buiten kijf. Maar daar was ik niet voor gekomen. Terwijl steeds meer familie duidelijk wel met die bedoeling naar binnenkwam, ben ik opgestaan en weer de keuken ingelopen. Marij was daar bezig met de voorbereidingen om de gasten van drank en spijs te kunnen voorzien.

Terwijl ik de jas aantrok en haar vertelde dat ik een andere keer wel terug zou komen voor Lou, vroeg ze me of ik toch nog even naar hem toe wilde. Ik was blij dat ze dat vroeg, want daar was ik voor gekomen. Marij ging me voor naar wat voorheen de computerkamer was die -net als de woonkamer- grensde aan de keuken. Daar lag hij op bed. Een schim van wie hij ooit was en toch zo indringend gewoon zichzelf.

Heel veel hebben we niet gesproken. Hij leek daar ook niet echt meer de energie voor te hebben. ‘De accupunctuur kan daar de oorzaak van zijn’, vertelde Marij. ‘Het lichaam is volop bezig, met alles wat het in zich heeft, om de kwaadaardige cellen te bestrijden’. Lou knikte alleen maar. ‘Ik wist het wel’, zei hij weer. Hij knikte in de richting van de woonkamer. ‘Daar is het veel leuker’. Kort probeerde ik wat onbeholpen het woord ‘leuk’ van een definitie te voorzien, die in de buurt kwam van het contrast dat zich op dat moment in hun huis voltrok.

En nu, drie weken later, is hij dood. Lou, het toonbeeld van zelfredzaamheid. De man die ooit laptops tot op de nanochip uit elkaar haalde, om vervolgens elke volgende defecte laptop met een jaloersmakende logica te kunnen herstellen. De man die nooit een naaimachine had bediend, maar enkel met de wens voor een leren motorjas zich elk kunstje van een kleermaker eigen maakte om daarna een leren jas te maken die op alle fronten met kop en schouders uitstak boven wat in de reguliere markt te krijgen was. Slechts twee voorbeelden.

Lou. Een bijzondere vent. Hij maakte zich dingen eigen en maakte vervolgens zijn eigen dingen. En altijd beter dan het origineel. ‘Hoe is het nog met jou’ vroeg hij. Nu, drie weken later, vraag ik me af of hij toen al besefte hoe het met hem zelf ging. Want hoewel hij zichzelf wel beter wilde maken, liet ‘het origineel’ hem beetje bij beetje steeds meer in de steek. Alles geprobeerd. Met Marij. Met Lizzy en Jesse. Niet te repareren deze keer. Niet te maken.

Tenzij… tenzij hij ook dat gegeven tot op de cel heeft uitgezocht en uiteindelijk tot iets gekomen is, dat beter is dan het origineel. Het zou wel bij hem passen. In die zin troost ik me. En hoop ik dat Marij, Lizzy en Jesse zich ook getroost weten. Als hij gelijk heeft, dan komen we elkaar ooit weer tegen. Dan is het opnieuw een welkom zoals vanouds. En tot die tijd vieren we elke verjaardag. Met kadootjes. En als het moet in de andere kamer. Omdat die er ook bij hoort…

Alles wat ooit al was bedacht
daar dacht jij toch het jouwe van
en dat wat niemand had verwacht
kwam toch nog gauw, die ene nacht…

Je had het zelf zo niet gemaakt
je zou het anders bouwen dan
en was je tijd niet opgeraakt
dan had je dat ook waargemaakt…

Uit diep respect voor alle kracht
die toont wat met vertrouwen kan
als kiezelsteen naar diamant gebracht
maar toch… te gauw, die ene nacht…

Regenboog

Aan het eind ervan staat die. Aan het eind van de regenboog. De pot met het goud. Volgens Ierse overlevering daar bewaard op een voor mensen onbereikbare plek. Ooit zag ik een foto die was gemaakt op de dag van de begrafenis van een dierbare. Op de foto was de regenboog goed te zien. Alle kleuren, van rood tot het bijna onzichtbare ultraviolet. De fotograaf was een van de nabestaanden die duidelijk troost vond in het natuurverschijnsel. Alsof het zo moest zijn op die speciale dag.

Mooie gedachte vond ik dat. Om meer dan een reden. Vaak is het de aanwezigheid van de zon die op speciale dagen toegeschreven wordt aan hogere machten. Maar een regenboog als weerverschijnsel markeert ook mooie momenten. En feitelijk kunnen ze niet zonder elkaar, de regenboog en de zon. Die symboliek, dat vind ik mooi. Een regenboog is er, bij de gratie van zon en regen. Het verband ligt voor de hand.

Tik op Google regenboog in, en je vindt er duizenden. De een nog indrukwekkender dan de andere. De allermooiste vind ik die, die een begin en een eind hebben. Het schijnt dat de regenbogen het grootst zijn wanneer de zon het laagst staat. In de late middaguren dus, bij zon en regen, dan heb je de meeste kans op zo’n regenboog. Ik vermoed dat de foto die ik ooit zag ook in de late middag is gemaakt. Een prachtig plaatje, maar ik kan het niet meer terug vinden.

De foto van de uitvaart van Harry Mulish, in 2010, die laat Google me wel zien. Een mooi voorbeeld hoe indrukwekkend de combinatie regenboog en uitvaart is. Het moet de nabestaanden zeer hebben aangesproken dat in zekere zin die dag een kleurrijk pad naar de hemel werd getoond. Een pad naar een plek, op het eind van die regenboog, die onbereikbaar is voor ons mensen. In gedachten is de overledene daar waar de pot met goud staat. Je zou zelfs zijn of haar leven in symbolische zin als de pot met goud kunnen zien. Dat geeft troost. En meer dan dat.

Een regenboog met een begin en een eind, heeft in feite twee plekken waar de pot met goud kan staan. Je zou kunnen zeggen dat het er maar net aan ligt waar de uitvaartdienst gehouden wordt. Volgens overlevering ligt de onbereikbare plek weliswaar altijd aan de andere kant van waar jij staat, maar tegelijk kan het zomaar zijn dat aan dat einde een andere droevige familie haar overledene de laatste eer bewijst. Voor hen is waar jij staat het einde van de regenboog. In de wereld waar onze overledenen hopelijk vertoeven, is tijd en afstand geen item meer. Daar is hier. En hier is daar.

Het einde is tegelijk weer een begin. De regenboog laat de weg zien. De gouden herinnering aan hen die er niet meer zijn ligt niet op een voor ons mensen onbereikbare plek. Integendeel, de pot met goud staat daar waar wij staan. Het goud ligt voor het oprapen. Daarvoor moet het wel eerst even regenen. Maar altijd komt dan ook weer ooit de zon. En als een regenboog zon en regen aan elkaar knoopt, is daar de bevestiging dat het kleurrijke leven doorleeft op alle plekken waar zon en regen elkaar ontmoeten. En het mooie is dat ook zonder zon en regen de kleuren altijd blijven. Zelfs de kleuren die nagenoeg onzichtbaar zijn. En dat is goud waard. Potten vol.

Column live voorgelezen op zaterdag 4 november 2017 in het radioprogramma Wiekentpraot. Muziek vooraf van Ellen ten Damme (‘Het regende zon’) en na de column van Mark Lotterman (‘It ain’t only sorrow that makes one cry’). Column begint op 3:20.

101 jaar…

Op een vrijdagavond werd ik gebeld. ‘Op verzoek van de dochter van de overleden mevrouw Nelly Mooren-Benders’, zei de uitvaartbegeleidster die ik aan de telefoon had. Nelly Mooren-Benders was een dag daarvoor overleden. Op 101-jarige leeftijd! Na die introductie vroeg ze of ik tijdens de afscheidsdienst van Nelly een verhaal en een gedicht wilde voorlezen. Als ik dat wilde doen, dan moest ik maar een appje sturen. De uitvaartbegeleidster zou me dan het telefoonnummer van de dochter terug-appen zodat ik met de dochter verder zou kunnen overleggen. Een beetje beduusd was ik van het verzoek. Beduusd, maar tegelijk vereerd en eigenlijk vooral nieuwsgierig.

101 jaar. Mijn hemel. Ik besloot meteen te googelen op de naam van Nelly en haar leeftijd. Vrij snel kwam ik een bericht tegen van een honderdjarige mevrouw Mooren die vorig jaar aan het dorp Grubbenvorst een zeldzame driekleurige beuk had geschonken. Even verder zoekend kwam ik uit bij het filmpje dat Reindonk er van had gemaakt. Mooie beelden waar Nelly, heerlijk ingepakt in dekens en met een constante serene glimlach op haar gezicht, getuige was van het officiële moment dat de boom aan de gemeenschap van Grubbenvorst werd overgedragen. Nelly markeerde dat moment en de burgemeester hielp haar daarbij.

Dezelfde burgemeester had de eeuweling eerder al gefeliciteerd. Ook daar kwam ik foto’s van tegen op internet. Weer met een vriendelijk glimlachende Nelly. Opmerkelijk vond ik een ander bericht dat er jaren eerder postzegels aan Nelly waren overhandigd. In voormalig kamp Amersfoort werden op die manier jaarlijks mensen geëerd, die in de oorlog voor de gevangenen van grote betekenis waren geweest. Nelly onderging die huldiging met een voorzichtige glimlach, zag ik op de foto. In het artikel las ik tussen de regels over haar onverzettelijkheid maar tegelijk ook over haar bescheidenheid. Eerbetoon voor haar verzetsdaden wuifde ze meestal weg, met de reden dat anderen die loftuitingen nog meer verdienden.

Diezelfde avond al besloot ik aan het telefonische verzoek tegemoet te komen. Alleen al het lezen over deze bescheiden vrouw en het zien van haar foto’s werkte inspirerend. Ik kon het niet verklaren en ik wist ook nog niet goed wat haar dochter zich voorstelde van mijn bijdrage. Maar toen ik een dag later haar telefoonnummer kreeg en met haar over haar moeder sprak was er voor mij geen enkele twijfel meer. Een verhaal en een bijbehorend gedicht van mijn hand had de dochter aangezet om mij te vragen. Het was nagenoeg van A tot Z van toepassing op Nelly, vertelde ze me. En terloops vroeg ze of ik daarnaast ook een tweede moment in de dienst wilde invullen. Hoe, mocht ik zelf weten.

Ik heb over die tweede bijdrage een paar dagen nagedacht en in de tussentijd over en weer verschillende mails gedeeld met de dochter. Ze stuurde me de grafrede toe die ze voor haar moeder had geschreven. Zo indrukwekkend om die te lezen en te zien hoeveel liefde erin beschreven was. Tegelijk ook ervaren hoevéél mensen voor elkaar kunnen betekenen. Een universeel gevoel bijna. Haar broer zou het In Memoriam schrijven, vertelde de dochter. Dat zou ik ook toegestuurd krijgen, zodat ik uit zijn herinneringen eveneens zou kunnen putten voor mijn tweede bijdrage. Het voelde bijna natuurlijk om dit alles te delen met elkaar. Ik heb dat gevoel omgezet in een tweede gedicht en dat heb ik hen diezelfde avond gemaild.

dienst
Bij het binnenkomen van de kapel

Op twee momenten in de afscheidsdienst heb ik vandaag mijn woorden mogen delen met allen die haar nabij waren. Bij het afscheid van een vrouw die méér dan een eeuw haar stempel had gedrukt op de levens van heel veel anderen. Ik ‘kende’ haar nog maar een week en toch voelde het alsof ze met haar bescheidenheid en kracht ook mij had geraakt. Het was heel speciaal om even een onderdeel te mogen zijn van datgene dat zij in méér dan een eeuw had bewerkstelligd. Ze deed dat, omdat ze niet anders kon. En ze kon het, omdat ze niet anders deed dan dat ze was. Glimlachend. Met de wijsheid van een eeuw. Dat, en nog een beetje meer…

Voor Elke en Geert, familie en bekenden.

Een eeuw was jij op aarde
En nog een beetje meer
Dat heeft zo’n grote waarde
En nog een beetje meer
Je gaf de mensen hoop en
nog een beetje meer
Je leerde kinderen lopen
en nog een beetje meer…

Het lot dat jij aanvaardde
en dat ook telkens weer
Respect dat jij vergaarde
en nog een beetje meer
Je liep er nooit zo mee te koop en
toch aan jou de eer
Je hart stond steeds wijd open
en nog een beetje meer…

Jouw boom heeft nu drie kleuren
en nog een beetje meer
Niets kan jou nog gebeuren
Je bent in hoger sfeer
Jouw beuk die zal ons wenken
Elk jaar weer  keer op keer
We blijven aan je denken
en nog een beetje meer…