Op de kermis…

Een gedicht op muziek van mijn buikorgel. Speciaal gemaakt ter gelegenheid van ‘Achterum is kermis’. Ik mocht daar in de tuin van Ineke Eijckmans en Kees Beurskens spelen. Zeven sets van 20 minuten. Vandaag het gedicht met muziek onder wat toepasselijke beelden gezet. Een sfeerimpressie…

Liefde later…

als groen toch ooit eens grijs wordt
en kleuren tinten zwart
als warmte koud als ijs wordt
en zachte liefde hard

als bloemen anders geuren
en dag en nacht verward
als dat ooit mocht gebeuren
zit jij nog in mijn hart

dan hoop ik op een briesje dus
en nu en dan wat zon
zodat ik warm weer even weet
van hoe het ooit begon

die allereerste liefdeskus
de kinderen die we kregen
het grijs wordt er weer groener van
en ik kan er weer tegen..

Iets anders…

Ik werd vanochtend wakker met een herinnering in mijn hoofd. Een helder beeld uit 1994. We woonden toen op de eerste verdieping, boven Zeeman en onze dochter Pip was net geboren. Daarom weet ik het jaartal nog. Ze had een eigen kamertje, want er waren veel kamers op die bovenverdieping. Vroeger woonde er de familie Slots, die beneden een kledingzaak hadden, als ik me niet vergis. Ik zag in mijn herinnering de woonkamer weer voor me. Die keek uit op de Kerkstraat en als je heel dicht bij het raam ging staan dan kon je ook sportzaak Meulendijks zien liggen.

Ik probeerde me de andere ruimtes voor de geest te halen. Dat lukte vrij aardig. In gedachten liep ik door de lange gang en opende links en rechts de deuren van vroeger. Elke kamer zag ik weer voor me. En elk beeld leidde naar een andere visuele herinnering. Zo ben ik in gedachten kamer voor kamer ingewandeld en het verbaasde me een beetje dat ik, liggend in bed met mijn ogen dicht, nog zoveel details voor me zag.

Nou weet ik dat er een gigantisch grote zolderverdieping boven al die kamers lag. Het vreemde was, dat ik mij niet meer kon herinneren hoe we daar vanuit de eerste verdieping konden komen. Dat intrigeerde me. Het zal ook een deur zijn geweest die naar een trap leidde, maar dat beeld in mijn geheugen bleef zwart. Ik heb daar verder niet al te veel aandacht aan besteed, maar ik nam we wel voor om dat hiaat in mijn geheugen, door mijn vrouw te laten completeren.

Het feit dat ik zo gedetailleerd beelden in mijn hoofd kan produceren die 27 jaar geleden in een jaar tijd zijn ontstaan, vind ik opmerkelijk. Maar de missende link naar een van die beelden, de zolder, verbaast me nog meer. Tegelijk realiseer ik me, dat juist het ontbreken van een herinnering veel meer past bij de kwaliteit van mijn geheugen. Waar vrienden moeiteloos details uit hun hele leven, met jaar en dag, namen en rugnummers kunnen reproduceren, blijft mijn geheugen in dat soort situaties altijd oorverdovend stil.

Wel losse beelden. Fragmenten uit mijn leven die zich soms als in een film in mijn hoofd afspelen. Af en toe met, maar heel vaak ook zonder geluid. Registraties van toen. Het camerastandpunt van al die beelden ben ik altijd zelf, realiseerde ik me vanochtend. Het zijn shots, vanuit mezelf gemaakt. Via de lenzen van mijn ogen. Maar zonder duidelijk script, blijkbaar.

Hoe zou dat bij anderen werken, vraag ik me af. Zouden mijn vrienden bij het maken van hun levensfilm bij elke scène ergens in hun hoofd ook een soort van storyboard hebben? Waarop tijdstip en gebeurtenis staan vermeld, zodat beelden allemaal geïndexeerd bewaard blijven? Een eigenschap die in mijn genen niet ingebakken is?

Ach ja, alleen beelden is ook heel mooi. En gevoelens trouwens. Ook die herinner ik me vaak heel goed. Maar die deur naar de zolder…

Zojuist mijn vrouw gevraagd. Wat denk je? Zij kon zich alles herinneren. Alles, behalve… die deur naar de zolder!
Nu is er nog maar één hoop. Dat nazaten van de familie Slots mij laten weten waar die deur zit. Of wacht, we bellen er een keer aan en vragen het de huidige bewoners. Vinden ze misschien wel leuk en ontstaat er een leuk gesprek. ‘n Keer wat anders dan corona…

Hun afscheid…

ik zit hier voor de kerk van toen
kijk wat er is gebleven
het glas in lood
in prachtig rood
met tekst er in geschreven

die tekst die heb ik niet gezien
die dag dat wij ze misten
wel zon die scheen
door ramen heen
het gangpad en de kisten

vierkante vlakken voor de kerk
tegels van mos vergeven
hier stonden wij
bij allebei
hun afscheid van het leven

Negen en één…

Eergisteren zou mijn moeder 91 jaar zijn geworden. Toen ik daar die ochtend bij stil stond, realiseerde ik me dat ze op een paar jaar na bijna net zo lang dood is als dat ze heeft geleefd. Mei 1978 is ze overleden, ongeveer een maand voor haar 49e verjaardag. Ik was toen net 18 geworden. 42 Jaar geleden, afgelopen donderdag 9 juli.

Op diezelfde dag, in de vroege avond, hebben Dion Stoop en ik bij het houten beeld ‘Infinity’ een gedicht geplaatst, uitgestanst in staal. Het beeld is gemaakt door Roel van Wylick, die (zieke) bomen omtovert tot ware kunstwerken. Het beeld ‘Infinity’ staat bij de ingang van hospice Doevenbos. Een zieke eik leende daar zijn stam voor een tweede leven.

Bij dat beeld is dus nu mijn gedicht geplaatst. Speciaal gemaakt voor het Hospice en passend bij het beeld van het oneindigheidsteken. Maar toevallig nu net geplaatst op de verjaardag van mijn moeder. Ik hou wel van de symboliek en de samenloop van omstandigheden. Er zijn weinig jaren voorbij gegaan dat ik op haar verjaardag niet even aan haar gedacht heb. Maar nog nooit zijn mijn woorden op die dag in staal gevangen en bij de oneindigheid geplaatst.

‘Er is één lettertje niet helemaal gelukt’, vertelde Dion. Hij bedoelde dat de smalle dwarsverbindingen naar de binnenrondjes van gesloten letters overal heel verfijnd waren aangebracht. Op één lettertje na. Een ‘g’ miste z’n binnenrondje. Geen probleem. Met wat fantasie zou je er zelfs een 9 in kunnen zien. Één negen, tussen al die woorden. Van één en negen kun je ook het getal 91 maken. Ja, ik hou wel van de symboliek en van de samenloop van omstandigheden. Omdat ze jarig had kunnen zijn en 91 zou zijn geworden… het gedicht ook voor haar

de eindigheid voorbij
waar tranen
kunnen drogen

daar vliegt een duif
van jou naar mij
tot achter regenbogen

daar waar de zon
de regen raakt
zal ik nog naar je kijken

oneindig ver
maar toch dichtbij
tot waar mijn ogen reiken

van her naar der
van jou naar mij
oneindig ver
en nooit voorbij

Sharon…

Ik zie haar nog voor me als de jongste van drie mooie zussen. Sharon. Verscholen achter de benen van haar moeder. Van daaruit keek ze ons met grote ogen aan. Soms knipoogden we dan naar haar en dan glimlachte ze. Haar vader was eigenaar van een café en wij zaten daar als opgeschoten pubers vaak aan de tap. Boven het café woonden ze. Zijn vrouw en hun drie dochters waren meestal boven. Babs, Sharon, Jessica en Natascha. Zo nu en dan kwamen ze naar beneden, om vervolgens naar buiten te gaan. De dingen doen die jonge meiden doen. Naar vriendinnen, spelen, sportclub. Dat was toen. En nu? Nu is alles anders.

Het beeld uit mijn herinnering is bijna veertig jaar oud. Sinds hun vader en moeder destijds stopten met het café en hun geluk elders in de wereld zochten, ben ik de zussen uit het oog verloren. Zij vlogen uit, terwijl hun ouders uiteindelijk toch weer in Horst terecht kwamen. De laatste jaren kwam ik hun vader regelmatig tegen, als ik door Horst wandelde en hij toevallig net ook een ommetje maakte. Hun moeder zag ik zo nu en dan, op de fiets of in de winkel. Ze waren niet meer bij elkaar, maar al die tijd wel verbonden door hun drie meiden.

Eergisteren, donderdag 2 april, kwam ik hem weer tegen. Hij stond buiten de Hema te wachten en op anderhalve meter afstand spraken we elkaar kort. Het ging niet goed, vertelde hij. Sharon lag in het hospice… ‘De hele familie is hier’, vervolgde hij. ‘Maar door de corona kunnen we niet eens bij haar zijn’. Even was het stil. Het was een kwestie van dagen, vertelde hij verder, en misschien was dat ook maar beter. Zijn ogen stonden dof en de pijn klonk door in zijn stem. ‘We kunnen de kinderen niet eens knuffelen om ze te troosten’… De anderhalve meter was ineens zowel harde werkelijkheid als totaal misplaatst. Te ver voor een hand op de schouder. Ik heb hem, ondanks die anderhalve meter, veel kracht toegewenst. Met een ‘we zien elkaar’ gingen we uiteen.

Gisteren, vrijdag 3 april, is Sharon gestorven. Sinds gisteren zie ik steeds het beeld voor me van dat meisje dat ons met grote ogen aankeek. Ze zal toen drie of vier jaar oud zijn geweest, misschien vijf. Af en toe vroeg ze aan haar vader of ze naar buiten mocht om te spelen. Meestal mocht dat wel, na het maken van duidelijke afspraken. En Jessica of Natascha moesten dan op haar letten. Vader sprak de meiden streng toe, maar knipoogde dan, zonder dat zijn dochters het zagen, naar ons aan de tap.

En nu, bijna veertig jaar verder…onwerkelijk. Vorige zomer hebben Jack en ik een paar keer op een terras in het centrum gezeten. Ik herinner me die keer dat we op het terras van het café zaten waar hij in de vorige eeuw eigenaar van was. Zijn dochter Jessica was er toen bij. Even overgekomen van Mallorca, voor bezoek. Aan haar ouders en haar zussen. Nu, nog geen jaar later, is ze er weer. Net als Natascha, die volgens mij in Amsterdam woont. Ze zijn er weer, zoals ze er veertig jaar eerder ook altijd waren om op Sharon te letten als die naar buiten ging.

De komende tijd is alles anders. Anderhalve meter lijken kilometers als je een arm om een schouder wil  leggen. Anderhalve meter is onoverbrugbaar ver om een knuffel te geven. Sinds gisteren is Sharon weer buiten. De afstand van de aarde naar de zon overbrugt ze nu in de tijd van een knipoog. Die anderhalve meter zijn voor haar sinds gisteren een lachertje. Vanaf waar ze nu is let zij voortaan op haar zussen. Let ze op iedereen die in de voorbije jaren in haar leven kwam. Let ze op Richard, op haar zoons. Op haar vader en moeder. Sharon is buiten. En op alle momenten in de toekomst vooral steeds heel dichtbij. Als je het nodig hebt, geeft ze je een knipoog…

Voor Jack, Babs, Natascha en Jessica, 
Voor Richard, de kinderen en iedereen die Sharon heeft gekend

ik zie je in een mooi wit licht
geheeld, vol kracht, je zweeft

ik zie je met m’n ogen dicht
je speelt, je lacht, je leeft

ik blijf het zien
je mooi gezicht

je knipoog zie ik
met m’n ogen dicht

dus…
geen afscheid…
dag!

kus…
een knipoog…
lach!

Pip, van harte!

Vandaag is Pip jarig en vanavond gaan we er vlaai eten. Gisteren belde ze nog, vlak voordat ik voor haar en voor mij chinees zou halen. Dat hadden we eerder die middag telefonisch al afgesproken. ‘Neem je alsjeblieft ook twee eieren mee? Dan kan ik arretjescake maken, voor morgen’.

Het kan zijn dat we vanavond, tijdens het verjaardagsbezoek, arretjescake eten inplaats van vlaai. Aardige bijkomstigheid: Tot gisteravond had ik nog nooit bij de chinees binnen gezeten, met twee rauwe eieren in een tas. Zo zie je maar dat je in het leven iedere dag nieuwe dingen kunt meemaken.

Maar vandaag is ze dus jarig. Onze dochter Pip. Vanmorgen heb ik een grote ronde gewandeld en een aantal keren gedacht aan haar en haar zoveelste verjaardag. Aan de appjes die we vannacht, een paar minuten over twaalf, naar haar stuurden. Thea vanuit Den Bosch en ik vanuit Horst. Ik probeerde terug te denken aan al die andere verjaardagen in haar leven, maar merkte dat ik daar weinig actieve herinneringen aan had. En ik dacht na over een cadeautje, dat ik vanavond zou kunnen meenemen. Want ze was tenslotte jarig. Maar ook daar liet mijn fantasie me een beetje in de steek. En dan is wandelen wel prettig. Want toen ik bijna thuis was, wist ik het. Ik geef haar een verhaaltje. Of een gedichtje, naar aanleiding van het verhaaltje. Of allebei. Ze is het waard. Bij deze.

Verjaardagen. Elk jaar weer. Voor de één een unieke gelegenheid voor een wervelend feest, voor de ander een moment van bezinning. Weer een jaar erbij. Vaak een moment om tegelijk terug- en vooruit te kijken. Hoe wáren de jaren en hoe zullen ze worden vanaf nu? Dat laatste zal de toekomst uitwijzen. Maar het eerste deel van de vraag -hoe wáren de jaren?- daar is vanuit de herinnering mogelijk wel het een en ander over te zeggen.

Het fijne is dat wanneer je behept bent met een waardeloos geheugen, er fotoboeken zijn die je herinnering kunnen opfrissen. Dus die heb ik vanmiddag doorgebladerd, met in mijn achterhoofd het idee dat ik Pip wat herinneringen ga geven. Herinneringen aan verjaardagen van jaren geleden en van een aantal mooie momenten daar tussen in. Dat is vanavond. Nu al het gedichtje.

Proficiat, lieve Pip.

een getal op een kroon
kleurrijk
ongewoon
steeds een jaartje erbij

taarten, slingers
slagroom
aan de vingers
weer een kaarsje erbij

dus steeds blijven blazen
en je alsmaar verbazen
dat juist als vlammetjes doven
je in wonderen mag geloven

wens zes-en-twintig
of wens honderdelf:
als vlammetjes doven
zoek het vuur
in je zelf…

Blijven blazen… blijven wensen!

Verlost

Ze zat vast. Iemand uit de andere wereld had haar vastgebonden in bed! Roepen had al heel lang geen effect gehad, maar toch bleef ze het doen. Met volle kracht. Ze schreeuwde en hoorde zichzelf. Kreten die een mengeling waren van blinde paniek en uitzinnige woede. Keer op keer voelde ze hoe forse ademstoten haar stembanden passeerden. Ze kon niet anders dan volhouden. Iemand zou haar toch wel horen en haar komen bevrijden? Toch?

Misschien degene die zojuist bij het raam was gaan staan? ‘Heej!’ Als een zweepslag verliet de kreet haar mond. Ze zag alleen z’n donkere schaduw, omdat de felle zon de kamer in scheen. Geen beweging. Toen hij daarnet voorzichtig langs haar was geschuifeld was er een glimp van herkenning geweest. Was het… Of was het degene die haar had vastgebonden? Maar waarom had hij haar dan dat bakje druiven gegeven? Of was het toch… wacht eens… waren het wel druiven? Misschien was het in groen vruchtvlees verpakt gif? Of nee, met lucht gevulde bolletjes, bedoeld om haar op te pompen zodat de band om haar middel nog strakker kwam te zitten. De mensen van de andere wereld waren listig. En ze waren met veel. 

‘Heej!!’. Opnieuw riep ze naar de persoon bij het raam. Impulsief en hard. Maar ze zag nauwelijks reactie. Dus bleef ze roepen. Tevergeefs. Het werd haar in één keer duidelijk. Weg ermee! Ze wierp het bakje druiven met kracht in de richting van het raam. Het spatte uiteen tegen de plank bij het voeteneinde van haar bed De schaduw bij het raam kromp ineen! Ha! Dat verklaarde veel. Het moest wel gif zijn! Met haar voet vertrapte ze één voor één de groene bolletjes. Het was ‘t enige juiste om te doen! Daar! En daar. Nóg een. Dáár! 

In haar ooghoek zag ze de figuur bij het raam zich verplaatsen. Voetje voor voetje schoof hij langs de muur, in de richting van de deur. Hij vlucht, dacht ze, en het voelde als een overwinning. Toen hij in de deuropening stond en nog even omkeek, zag ze opnieuw zijn gezicht. Hoorde zij hem nu zachtjes ‘tot ziens’ zeggen? De vastbinder? De gifmenger? Tot ziens? Kwam hij weer terug dan? Maar wacht eens… was het niet… Klik!. De deur viel in het slot. Tegelijk vervaagde het beeld van zijn gezicht. En het was weg, nog voordat het in haar hoofd samenviel met de herinnering aan andere tijden. Het ‘tot ziens’ had wel heel bedremmeld geklonken. 

Verklaren kon ze het niet, maar een intens gevoel van droefheid overviel haar. De tranen leken de storm in haar hoofd verder aan te wakkeren. Donkere gedachten en afwisselende vlagen van herinnering en angst joegen de golven van emoties tot ongekende hoogten. Ze moest hier weg! Dit was niet de plaats waar ze nu moest zijn. De groene massa aan het voeteneind leek zich naar haar toe te bewegen. Ze voelde het onder haar voet en ze zag het al op haar kuit. Paniek maakte zich van haar meester. Ze moest hier weg! Maar ze zat vast!

Met alles wat ze in zich had, schreeuwde ze het uit. Geen woorden meer, maar langgerekte kreten van wanhoop. Uit het diepste van haar binnenste werd de lucht langs haar stembanden keer op keer ruw naar buiten geperst. Hard en schurend klonken haar kreten. Hartverscheurend. Afgewisseld met snikkende ademteugen die haar longen weer probeerden te vullen. Ademteugen die niet opgewassen waren tegen de kracht van haar rauwe vertwijfeling.

Met een laatste krachtsinspanning zette ze aan voor een alles bevrijdende kreet. Op hetzelfde moment dat haar stembanden sloten en weer open wilden gaan, kleurde de lucht in haar longen volledig rood. Op slag viel ze stil. Het was een stilte die zo gauw en nieuw de ruimte vulde dat het harder klonk dan haar roepen een paar seconden eerder. Een rauwe, ruwe en steeds roder wordende stilte die, wrang genoeg, in de plotselinge rust wel werd gehoord. 

Dat was toen.

Een roos viel bijna geruisloos van haar kist, toen die door het gangpad van de stille kerk naar buiten werd begeleid. Haar zoon raapte de rode bloem stilzwijgend op, om die  terug te steken tussen de groene bladeren van het bloemwerk. Maar hij bedacht zich. Buiten, in alle vrijheid, rook hij aan de roos. De zoete geur deed hem -vreemd genoeg en tot zijn eigen verbazing- denken aan de geur van geplette druiven. ‘Mijn moeder’, dacht hij en keek omhoog. ‘Ze heeft me gezien’.