Verbaal afval in Horst aan de Maas

Stel ik ben tegen het nieuwe afvalbeleid. Ik bedenk dat ik met een petitie wel eens andere tegenstanders kan mobiliseren. Ik noem mezelf ‘Roezebottelke’ en ik noem de petitie ‘Stop nieuw afvalbeleid Horst aan de Maas’. Vervolgens zie ik de reacties binnenkomen. In een eerste update bedank ik de op dat moment 1700 ondertekenaars. In een tweede update vraag ik of de ondertekenaars van de petitie die behalve hun handtekening ook een reactie achterlaten (van de op dat moment 2500 ondertekenaars zijn dat er een dikke 1000) of ze a.u.b. ‘beschaafd willen reageren’. In datzelfde verzoek vraag ik hen om hun reacties ‘niet op 1 man te concentreren’, maar op ‘het hele leger ambtenaren, B&W en de gemeenteraad’. Want dat zijn de ware verantwoordelijken voor het nieuwe afvalsysteem, daar ben ik tenslotte rotsvast van overtuigd. Vervolgens houd ik mijn eigen petitie goed in de gaten. Zo nu en dan haal ik zelf een reactie weg, die ik echt niet vind kunnen. Soms zie ik dat mensen hun eigen reactie zelf hebben verwijderd. Het aantal ondertekenaars loopt nog steeds op en ook het aantal reacties blijft toenemen. Ik zie dat zo nu en dan een reactie over en weer discussie oproept. Hier zijn dus twee mensen via mijn forum aan het discussiëren. Een prima zaak. Zeker wanneer dat niet met schelden en ander verbaal afval gepaard gaat.

Ik lees in reactie 960 dat ene Chris Nellen zich wel als woordvoerder wil opwerpen, wanneer ik een samenvatting maak van alle meningen. Het moeten wel onderbouwde meningen zijn, volgens Chris. Ik beaam dat in een reactie (962) en houd het aanbod in mijn achterhoofd. Ik bedank Chris en hef de helft van mijn eigen anonimiteit op door, behalve met Roezebottelke, ook met Eric te ondertekenen. Vergenoegd houd ik vervolgens de ondertekeningen verder in de gaten. Ik klik zo nu en dan op de knop ‘Statistieken’ en zie dat de liggende, halve Gauss-kromme nog steeds een stijgende lijn vertoont. Geen exponentiële stijging, en je zou bijna bang worden dat de 2500 lijn niet gehaald gaat worden, maar niettemin. Je hoopt dat de kinderziektes van het nieuwe afvalsysteem, waar je zo verschrikkelijk op tegen bent, méér mensen zal aanzetten om hun eerste ongenoegen te vertalen in een handtekening voor jouw petitie. Je stimuleert dat door alle ondertekenaars, jouw medestanders, te vragen om via allerlei manieren te proberen inwoners van Horst aan de Maas zo ver te krijgen dat ze ook gaan ondertekenen. Ondertussen zie je in de krant een foto van een weggewaaid afvalemmertje en je gniffelt. Yes, dat gaat handtekeningen opleveren.

Een andere foto van een emmertje waar de eigenaar zelf een baksteen op heeft gelegd, geeft je een beetje een dubbel gevoel. Dat zijn mensen die blijkbaar zelf hebben nagedacht en waarschijnlijk niet op je petitie hebben gereageerd. Het kan best dat die mensen ook niet meteen juichend zijn over het nieuwe systeem en liever het oude afvalophaalsysteem hadden gehouden. Maar misschien zien zij wél iets in de onderliggende motieven van de nieuwe methode. Die mensen hebben misschien ook wel kinderen, met dat verschil dat ze die niet alleen maar zien als ‘vieze luierproducenten’, maar als toekomstige inwoners van deze gemeente en van deze wereld. En al is deze andere manier van afvalscheiding misschien een druppel op een gloeiende plaat en al zijn er honderd betere manieren te bedenken, het is wel deze verandering die hen nu aan het denken heeft gezet. Mensen die daarom de nieuwe methode een kans van slagen willen geven. Omdat ze hun eigen kinderen of die van de buren niet willen opzadelen met de milieuproblemen van de toekomst. Mensen die vinden dat ze daar zelf ook iets aan moeten doen. Niet ‘een heel leger ambtenaren, B&W en de gemeenteraad’ daarvoor verantwoordelijk willen maken. Mensen die vooral vinden dat ze dan zichzelf en hun kinderen te kort doen als ze niet zelf verantwoordelijkheid nemen. Mensen die niet alleen maar zeggen dat anderen het steeds verkeerd doen. Mensen die anderen niet per definitie voor ‘achterlijk’ of ‘dom’ uitmaken als die anderen niet meteen doen wat zij zelf als het enige juist bestempelen. Mensen die niet hun ‘argumenten’ als verbaal afval -bij voorkeur anoniem- op een petitiesite dumpen. Gelukkig zijn er ook nog veel van dát soort mensen in Horst aan de Maas. En afval hou je toch…

De oplossing voor onbehagen

Onbehagen. Schrijf het woord op, zet er een kringetje omheen en associeer er op los. Ik onderdruk die aandrang en besluit die mindmap in mijn hoofd te maken. Het woordje ‘mind’ dus eer aan doen, want daar voltrekt zich toch een belangrijk deel van dat ‘onbehagen’. Woorden die ik er aan zou willen koppelen? ‘Tijd’ bijvoorbeeld. En ‘oorzaak’. Voor de handliggend wordt dan ook ‘gevolg’. Is het toeval dat die woorden in deze volgorde in mijn hoofd verschijnen? Bij ‘tijd’ zou ik verder kunnen onderverdelen in ‘verleden’, ‘nu’ en ‘toekomst’. Ik kan me voorstellen dat het onbehagen van het verleden andere oorzaken en gevolgen had, dan het onbehagen van de toekomst. En wie zegt me dat de gevolgen van het verleden niet doorlopen in de oorzaken van de toekomst? Op papier zou ik dan meteen in de knoop komen met een dergelijke mindmap. Mij bekruipt dan altijd het gevoel dat ik niet de juiste associaties heb opgeschreven. En ook in mijn hoofd geven m’n eerste associaties niet meteen richting. Ik wil het grotere verband tussen dingen zien en ik merk dat verdere detaillering me afleidt. Me een gevoel van onbehagen geeft, constateer ik nu terwijl ik dit opschrijf. Ja, waar blijf je dan… dan is het einde zoek als je weer uitkomt bij het begin.

Onbehagen. Bij mezelf en bij anderen. Zou een andere rubricering kunnen zijn. Bij mezelf zou ik vervolgens wel wat oorzaken en gevolgen kunnen benoemen. Bij anderen zou ik een ‘educated guess’ kunnen doen. Ik verwacht tussen die oorzaken en gevolgen weer verbindingslijntjes te kunnen zetten, maar er zullen ook wel hele typische oorzaken en gevolgen enkel op mijzelf van toepassing zijn. Zoals er ook bij anderen hele expliciete oorzaken en gevolgen alleen voor hen van toepassing zullen zijn. Denk ik, maar ik kan daar nu even geen voorbeeld van geven. Dat is dan weer het nadeel van in je hoofd mindmappen.

Onbehagen. Ja of nee. De vraag dringt zich bij me op of het gevoel van onbehagen altijd aanwezig is, al dan niet op de voorgrond of sluimerend. Ja en nee, beken ik voor mezelf. Als je dus vanaf ‘ja’ verder zou rubriceren, dan kun je daar weer verder met ‘mezelf’ en ‘anderen’. En vrij snel zijn ‘oorzaak’ en ‘gevolg’ weer terug. Kortom, het onbehagen is er wel, maar ik kan het nog even niet ‘aanpakken’. Zoals je een plastic roerstaafje op een stenen ondergrond niet zomaar op kunt rapen. Op tapijt gaat dat al beter, maar dan moet je wel op de juiste plaats drukken. Aan het begin of aan het eind van het staafje, want dan komt het aan een kant los en kun je het aan de andere kant aanpakken.

Verhip. Misschien ligt hier ook wel de oplossing van mijn mindmap-dilemma over onbehagen. Ik moet het helemaal niet van alle kanten willen benaderen. Of eigenlijk niet tegelijk van alle kanten willen aanpakken. Eerst maar eens gewoon ‘op één kant van mezelf drukken’. Dan komt de andere kant vanzelf omhoog en kan ik mezelf daar aanpakken. Ik ga aan de slag. Van één ding genieten en het onbehagen even onbehagen laten. Dat komt later wel. Drukken we dan weer ergens anders. Komt goed. Beste wensen voor 2012 allemaal.

Zanger Rinus en Romana

Waarschuwing. Klik niet op een link met als omschrijving ‘Kersthit van Zanger Rinus’. De link bevat namelijk de kersthit van Zanger Rinus.

Twee regels tekst, 117 tekens, en dus perfect passend op Twitter. Ik las het bericht vanmiddag en moest er stevig om lachen. Ik ken de kersthit van Rinus niet, maar deze in twee zinnen gevangen antireclame had alles in zich. Kort, pakkend, een fikse portie humor en enorm veel inhoud. Inhoud die niet alleen afhankelijk is van het wel of niet kennen van de kersthit. Het andere repertoire van Rinus draagt ook bij. Ik heb ooit een youtube-filmpje gezien van het lied: ‘Met Romana op de scooter’. Behalve Rinus schittert in dat filmpje ook Romana. Ze is dansend aanwezig en dat is knap omdat talent volledig áfwezig is.

En toch, het is vermaak in meer dan één betekenis. Allereerst vermaken Rinus en Romana zich zelf. Ik heb vanmiddag ook een interview bekeken van hen beiden, en met dat plezier zit het wel snor. Het vermaak gaat echter verder. Er zíjn mensen die van deze muziek houden. Rinus komt uit Drachten en daar heeft hij wel eens 1200 euro voor een optreden in een disco gekregen, vertelde hij na een kort en pijnlijk twijfelmoment openhartig aan de interviewer. Ik verwacht dat de discotheekeigenaar voor dat bedrag ook Romana er bij kreeg en dan is het dus echt een schijntje. Het aantal hits op YouTube voor Rinus en Romana loopt namelijk in de miljoenen. Echt waar! ‘Verliefd op het meisje van de oliebollenkraam’ is 1.083.432 keer bekeken, terwijl het nummer ‘Jij mag eerder rijden’ met 958.963 héél hard op weg is naar de miljoen. En bij die aantallen heb ik nog niet die twee keer meegerekend, die ik vanmiddag heb gekeken.

Alom vermaak dus en dat gaat zelfs verder dan het artistieke. Neem de commentaren op Rinus en Romana en op hun liedjes. Het lijkt wel alsof miljoenen er een hobby bij hebben. Commentaar geven via social media. De reacties variëren –en dan zeg ik het heel netjes- tussen aan de ene kant ‘afbreken tot aan de enkels’ en aan de andere kant ‘de hemel in prijzen (en dan niet letterlijk bedoeld). Wat te denken van de reactie die vanmiddag om 13.00 uur werd weggeschreven: ‘Ik krijg een bloedneus van die muziek’. Of een paar dagen geleden deze creatieve: ‘en daarom mag iemand zijn kind geen Rinus noemen’. Geniale reacties, die je uiteraard niet al te letterlijk moet nemen. Maar waar ligt de grens?

Minder ludiek is al het hijgerige hyena- en aasgiercommentaar. Wat opvalt is dat het vaak misselijkmakende commentaar al heel snel niet meer over het liedje van Rinus lijkt te gaan. De reagluurders draaien en kronkelen binnen de kortste keren als pieren in een potje, zuur om elkáár heen en proberen aldoende elkáár te overtreffen in zowel dom- als grofheid. Dat is vermaak van een hele andere orde. Miljoenen beleven er plezier aan, dus wie ben ik dan om dat te veroordelen?

We zijn een volk van onbehagen, lees ik al maanden in de krant. Ook vandaag weer vertelt filosoof Govert Derix erover. Opvallende zin in dit verband: ‘de eigenlijke crisis van onze tijd is dat de manieren om het onbehagen onder bedwang te houden steeds minder goed functioneren’. Gebrek aan impulsbeheersing en een toename van frustratie beschrijft Derix. Zie hier het mengsel, waarmee voor een deel het succes van Rinus en Romana verklaard wordt, maar ook de negatieve reacties op zoiets onschuldigs als ‘kiele, kiele, kiele, een auto heeft vier wielen’.

Ach, ik ben in een milde bui. Vooralsnog van dit alles de humor maar inzien en vooral blijven focussen op waar het eigenlijk, in de kern, om gaat. Want hoeveel plaatsvervangende schaamte je ook voelt bij een filmpje van een buikdansende Romana, er valt ook wat te zeggen van de serieuze inzet en de puurheid van haar aanwezigheid. Het enthousiasme van Rinus. De overtuiging in zijn stem. De ritmische (jawel) knikjes van zijn hoofd op de muziek. Zijn zuivere bedoelingen. Zeker bij aanvang van zijn zangcarriëre leken die tenminste zuiver. Z’n bedoelingen hè, ik heb het niet over zijn stem…

Als ik nog een keer naar Romana op de scooter kijk (óp naar de miljoen!) dan is het er opnieuw. Weer dat plaatsvervangend gevoel van schaamte. Wat… ís… het… slecht…. Terwijl tegelijk de miljoenen medegluurders, waar ik er één van ben, geen haar beter zijn. Plaatsvervangende schaamte, die veel meer zegt van mij en al die anderen, dan van Rinus en Romana. Want een auto heeft toch gewoon vier wielen? Nou dan? En je hoeft toch niet te kijken? Het is kiele, kiele, kiele, maar het moet kunnen… Rinus rules, Romana rocks…!

Relatieve rust…

Paniek overviel me. Ja natuurlijk. Het was vorige week op het allerlaatste moment dat ik er op mijn werk bij betrokken werd. Dat had ik mijn collega’s toen ook duidelijk laten weten. Ik voelde me voor het blok gezet. We maakten niettemin afspraken. Men ging akkoord met mijn voorwaarden. Na het weekend zou ik dan toch die presentatie doen. Gepland voor maandagavond. Een presentatie zoals ik er al zoveel had gedaan. Niet anders dan anders…

Het was niet de presentatie zelf die voor de paniek zorgde. Het was maandagochtend de confrontatie met de agenda, direct na het opstarten van mijn laptop. Toen ik de afspraak in de avonduren zag staan en niet wist waar het om ging. Daar schrok ik enorm van. Van het gevoel de controle kwijt te zijn. Al een paar weken was er dat gevoel dat de vanzelfsprekendheid vervaagde. Simpele handelingen leek ik even kwijt te zijn. Het verkeerde kastdeurtje open doen om een handdoek te pakken. De afstandsbediening als een vreemd object ervaren, omdat ik de ontgrendelcode ineens niet meer blindelings kon intypen. Moest de mengkraan nu naar links of naar rechts om warm water te krijgen? Korte confronterende momenten, die een gevoel van onrust teweeg brachten. Wat zou die toenemende verstrooidheid kunnen veroorzaken vroeg ik me af. Het hield me bezig, maar nog niet meer dan dat.

Tot die maandagochtend. Het gevoel iets gemist te hebben en dus niet voorbereid te zijn, overviel me als een verstikkende beklemming. Ik kreeg het warm en koud tegelijk. Ik wist het niet meer. Wat overkwam me? Ik had iets soortgelijks op de middelbare school wel eens meegemaakt, en daar werd destijds het etiket hyperventilatie opgeplakt. Maar zo als nu had ik het nog nooit gehad. Zou dit het gevoel zijn, bedacht ik me in mijn ongerustheid, dat anderen als ‘burnout’ betitelen? Het paniekgevoel hield aan. Ik zat mezelf hopeloos in de weg. Ik moest iets doen. Wilde weg. De gang op. Iemand aanspreken en vertellen van mijn probleem? Mijn baas? Was in gesprek. Dus terug, richting mijn kamer. Een bekertje water misschien? Bij de koffiezetmachine trillend naar het juiste knopje gezocht. Op mijn kamer zag ik mijn directe collega’s in een groepje bijelkaar. Gezellig keuvelend over het weekend. Ik liep er naar toe. Ik moest wat doen. En ik heb het hen verteld… ‘Het gaat niet goed’…

Het verhaal kwam er eigenlijk heel gecontroleerd uit. Ik vertelde van de schrikreactie op mijn agenda en over de confrontatie met mezelf. Het hele verhaal van de afgelopen weken passeerde de revue en maakte zo nu en dan emotie bij me los. Wat was dit allemaal? De twijfel over hoe het verder moest, werd echter minder dreigend naargelang het verhaal vorderde. We spraken uiteindelijk af dat ik het even zou aanzien. De paniek zakte. Die avond heb ik gewoon de presentatie gedaan. Ging prima. Toch wilde ik het voorval van de ochtend niet als een incident zien. Het was een teken en we hebben het ook als zodanig opgepakt. De werkdruk geanalyseerd en in kaart gebracht. Mijn eigen functioneren en taakopvatting zelf eens aan een interne check onderworpen. Voorzichtige conclusies getrokken en eerste veranderingen doorgevoerd. Niet van harte, want je wil niet geconfronteerd worden met je eigen onmacht. Maar je moet iets.

Nu, een paar weken verder, is er sprake van relatieve rust. Ik vind het plezier niet zo vanzelfsprekend meer als voorheen. Dat mis ik. Ook voel ik zo nu en dan dat ik meer cynisch ben dan dat ik eigenlijk wil zijn. Niet prettig. Ik ervaar dat steeds meer mensen op de hoogte zijn van mijn ‘dip’. Ik merk dat ik hun on- en uitgesproken medeleven niet altijd plezierig vind. Ik worstel een beetje met mijn inschatting dat men zich inspant om mij minder te belasten, waardoor mijn kwetsbaarheid juist wordt onderstreept? Enfin. Het is niet anders. Een paniekaanval heb ik sindsdien niet meer gehad, maar ik ben me bewust van het wankele evenwicht. Het heeft tijd nodig en ik wil er nog verder mee aan de slag. Groeien van de ervaring. Kijken wat het doet, als ik blijf doen wat ik deed. En dan zien dat het toch iets met me doet als ik niet meer kan doen wat ik deed. Er over vertellen bijvoorbeeld. Totdat ik weer doe wat ik wil doen, doet dat goed…

Zinnen die raken

Je zorgen maken is de verkeerde kant op fantaseren. Het is een zin die ik tegenkom in mijn iPhone-notities. Ik zie dat ik die zin hondervierenzestig dagen geleden genoteerd heb. Op 11 mei 2011 om precies te zijn. Ik noteer dingen die me boeien en die me even aan het denken zetten. Dit was zo’n zin. Vier dagen na mijn 51e verjaardag. Ik weet niet meer of ik me toen zorgen maakte. Zou kunnen, maar heel groot kan dat niet geweest zijn. Kadaffi kwam toen nog gewoon op televisie en een heel land was bang voor hem. Nu lijkt dat land bevrijd van angst maar druipt er bloed uit de media. Ook zo’n zin om even bij stil te staan. Wim de Bie schreef het op in een van zijn twitterberichten. ‘Het bloed druipt uit de media. Hadden we maar videobeelden van de moord op Julius Caesar (15 maart, 44 v. Christus) – 23 dolksteken!’. Einde twitterbericht.

Je zorgen maken is de verkeerde kant op fantaseren. In de Volkskrant van vandaag haal ik een andere zin uit de column van Remco Campert. Of eigenlijk een paar zinnen die me raken, en ik citeer: ‘Ik wankel van interview naar interview en hoor mezelf over mezelf praten. Ik schijn er meningen op na te houden. Dat is tamelijk verontrustend voor iemand die doorgaans vrij meningloos door het leven gaat en alles maar op zich af laat komen en daarna, al schrijvende, er chocola van probeert te maken.’ Einde citaat. Mooi. Titel van zijn column: ‘Het oor drinkt’. Ook mooi. Dichterlijk bijna. En je kunt je voorstellen hoe het oor dat doet. Dorstig naar wat er allemaal te horen valt. Ook al is lang niet alles even drinkbaar. 97% van al het water op aarde is zout water en dus niet drinkbaar. Maar desondanks, het oor drinkt. Zelfs bloed, als er niets anders is. Of fantaseer ik nu weer de verkeerde kant op?

Maar wat is dan de goede kant? Is dat weg van de fantasie en terug naar de realiteit? De realiteit, waar de doodsprenten van Kadaffi vandaag in de krant het levend bewijs menen te moeten geven van zijn dood. Zijn dood, live… Het deed me wat, die eerste beelden. Een mening heb ik er niet echt over, maar ik hoor mensen over zichzelf en zijn dood praten. Experts, slachtoffers, opgeluchte landgenoten, tegenstanders. En alle oren drinken. Ieders oog eet. Hongerig of niet en al dan niet dorstig. Er is teveel en te weinig tegelijk. Dat is zorgwekkend. Voor mij althans. Dan maak ik me zorgen en dan ga ik al snel de verkeerde kant op fantaseren…

Toch maar weer een poging om de goede kant te zien. Die 3% zoet water, zal ik maar zeggen… Het zoete van het rolschaatsende kind of van het jong verliefde paartje dat samen in bad gaat. Zoet water, ook daar. Ach, het is er wel. Zo nu en dan moet je gewoon even de goede kant op fantaseren. Je een paar momenten geen zorgen maken en genieten van het goede. En terwijl ik dit allemaal opschrijf, komt er een andere zin in mijn geheugen. Een zin, die ik las bij een overlijdensadvertentie in de Volkskrant en die ik toen ook heb bewaard. Ik zoek het op en zie dat die zin honderdachtenzestig dagen geleden is opgeschreven. Vier dagen vóór de zin over de zorgen. Toen was er ook iemand dood. Stond het ook in de krant, maar verder was het onvergelijkbaar. En toch…met dank aan de krant van het volk… deze zin tot slot:

Laten we elkanders ogen ontginnen, omzien in zoet en het zout overwinnen.

‘Stay hungry. Stay foolish’

En nou moet het er dan maar gewoon van komen. Het is kwart voor twaalf. Ik heb de zaterdagkranten uitgelezen. Voor inspirerende onderwerpen, terwijl die er eigenlijk afgelopen weken en dagen al volop waren. Steve Jobs met zijn credo ‘Stay hungry, stay foolish’. Woorden uit zijn Stanford-speech die ik afgelopen woensdag, in de middagpauze, thuis op mijn iPhone via YouTube heb gezien en beluisterd. Indrukwekkende woorden, als conclusie op drie richtinggevende gebeurtenissen uit zijn leven. Mocht je de speech nog niet bekeken hebben, dan is het een aanrader. Mag ook gewoon op een Windows-computer, trouwens…

Woensdag dus al geïnspireerd geraakt. Door de woorden van een man die ze zelf na woensdag nooit meer in levende lijve zal uitspreken. President Obama herdacht Jobs als een van de eersten. Jobs maakte de informatie-revolutie niet alleen toegankelijk, maar ook nog intuïtief en leuk, aldus de president. Niet geheel onbedoeld denk ik, vertolkte de president, of één van zijn tekstschrijvers, daarmee het ‘stay hungry, stay foolish’-gevoel uit de Stanford speech van Steve Jobs. ‘Jobs was moedig genoeg om anders te denken, onverschrokken genoeg om te geloven dat hij de wereld kon veranderen en getalenteerd genoeg om dat ook te doen’. Als de president van America dat van je vertelt, wanneer je net dood bent, dan kunnen heel veel mensen daar nog iets aan hebben. Dus nog een keer en dan internationaal: ‘Brave enough to think differently, bold enough to believe he could change the world, and talented enough to do it’…

Het inspireert enorm. Kernachtige uitspraken die je iets meegeven. Die je even stil laten zijn van besef en van herkenning. Waar je ook best even op mag kauwen, om de ware impact ervan te doorgronden voor jezelf. Een week eerder overkwam me dat. ‘Fun, fight and focus’ waren de kernwoorden in de verhalen van twee vrienden. De een, ploegleider van de Rabobank Wielerploeg en de ander Echte warme bakker in Horst. Ze zaten naast elkaar op barkrukken en ik mocht hen wat vragen stellen. Frans Maassen en Marc Derix. Fun, fight en focus waren door hen beiden op geheel eigen wijze vertaald. Plezier houden, er voor gaan en gericht blijven op wat je wil bereiken. Met doorzettingsvermogen, gedrevenheid en passie. En of je dan een wereldkampioen in Engeland aflevert, of een prijswinnend broodje bakt, maakt vervolgens totaal niks uit.
Zó mooi.

Weer een andere situatie en nog langer geleden. Mijn afsluitend jaar van de logopedie-opleiding in Eindhoven. Het jaar van de verplichte scriptie terwijl ik daar maar steeds geen goed onderzoeksonderwerp voor kon vinden. Alsmaar knaagde het gevoel dat ik de kern van wat ik wilde beschrijven niet kon bereiken. Ondertussen was ik onderzoeksmatig al wel bezig met het filmen van de interactie van spelende peuters. Sommige met taalproblemen, andere niet. Ik voelde dat het materiaal dat ik zo verzamelde de kern bevatte van wat er in mijn scriptie moest komen. Pas na een gesprek met mijn scriptiebegeleidster van destijds, Dieneke Gärtner-Grijpma (hoe zou het met haar zijn…), zag ik die kern in één keer heel scherp.

Er was al fun, bijvoorbeeld bij het opnemen van een pianospelende peuter. Het manneke speelde zichzelf even letterlijk van deze wereld omdat hij zó in zijn muzikale spel opging dat hij mij en mijn videocamera totaal niet meer zag staan. Het ventje deed me het ‘gevecht’ met mijn scriptie even helemaal vergeten. En na het gesprek met mijn begeleidster was er plotseling de focus. In een keer was het plezier waarmee peuters speelden en leerden ook mijn plezier en leerproces in het maken van een videofilm. Mijn leerproces om tot een scriptie te komen bleek zo vergelijkbaar met en ook net zo afhankelijk van dezelfde basisvoorwaarden als het leerproces van peuters. De faciliteiten en ervaringen die ik een periodelang had om mijn doel te bereiken waren zo uitwisselbaar met de mogelijkheden en belevenissen van peuters. Figuurlijk sowieso maar zelfs soms letterlijk,  in de praktijksituatie van wat we destijds het ‘Peuterpracticum’ noemden.
Hoe? De kern lag in het plezier en de speelse aandacht voor de praktijk. De kracht van het dagelijkse doen lag in de nieuwsgierigheid en in de ervaringen zelf. Zoals een kind dat niet anders kan dan spelenderwijs ‘onderzoeken’ en leren, zo kon ik mijn verhaal in een keer vorm geven. Mijn scriptie kreeg een inhoud die paste bij het gebruik. Door samenspel. Van vorm, inhoud en gebruik. Door dat samen te doen. ‘Joint action, joint attention’ oftewel gezamenlijke actie en gezamenlijke aandacht. Ook zo’n oneliner die me sindsdien niet meer heeft losgelaten. Jerome Bruner sprak die uit, als elementaire samenvatting van zijn leer- en ontwikkelingstheorie. Zó herkenbaar waar.

Tot zover de geschiedenis. Mijn geschiedenis. Terug naar de dag van vandaag. Naar het moment van nu. En de ogen richten naar de toekomst. Geïnspireerd blijven door anderen. Gretig blijven naar kennis. Stay hungry. Plezier houden in wat je doet en, gek genoeg, genieten van je ervaringen. Stay foolish. Weten dat niet altijd alles zonder slag of stoot zal verlopen en dan toch je koers proberen vast te houden. Met plezier.  Fun, fight and focus. Samen met anderen. Joint action. Joint attention.

Dan kan de regen van vanochtend nog zo indrukwekkend de herfst onderstrepen, ondertussen laat de zon heel even zien dat die herfst niet méér is dan een onduidelijke voorbode van de lente. Heerlijk. Het is kwart voor twee.

Stilletjes door de porseleinkast…

Ik kende het niet, ‘Olifantenpaadjes’, maar er rinkelde meteen een belletje toen ik het woord voor het eerst hoorde. Geen belletje in de spreekwoordelijke zin, van herkenning, maar een alarmbelletje. Geen groot alarm, hoor, schuilkelders waren niet aan de orde. Het was méér een diffuus gevoel van achterdocht. Ik heb me afgevraagd waar dat vandaan kwam. Eén reden die ik kon bedenken was dat het woord zo enorm fantasierijk is. Je kunt er zoveel kanten mee op, dat je gaat twijfelen wat de juiste richting is. Ik ben iemand die graag wil weten waar ik aan en af ben, dus geen richting hebben is geen plezierige omstandigheid.

Een andere, misschien nog wel belangrijkere reden voor mijn terughoudendheid was de tegenstelling die het woord bij me opriep. Die samenstelling, ‘olifanten —paadjes’, dat pastte niet bij elkaar. Want olifanten maken geen paadjes, dacht ik meteen. Olifanten maken paden. Groot en breed, zoals dat bij de grootste landdieren op onze aardbol hoort. Het klopte niet, maar het woord intrigeerde me wel. Nog méér toen ik over de theorie erachter las. Olifanten kiezen blijkbaar altijd de kortste weg, gaan overal dwars doorheen, ja, zelfs als het moet –mochten die op hun pad komen- dwars door porseleinkasten. Al met al een sterk visueel beeld dat bijna vanzelf het bewijs leek te leveren voor de waarheid van het woord.

En toch, dat alarmbelletje. Wat overduidelijk wáár leek bevatte tegelijk dat wringende contrast. Voor mij altijd stof tot nadenken, dat soort contrasten. Wat zou er gebeuren, vroeg ik me af, als je het woord ‘Olifantenpaadjes’ niet letterlijk, maar figuurlijk benaderd. Meer vanuit de beeldspraak. Ik wil jullie vragen om daar allemaal aan mee te doen. Dus ban even alle beelden uit je hoofd van uitgesleten afkortingen, platgetreden plantsoenpaadjes en rondgelopen boomweggetjes. Concentreer je eens in alle stilte op wat ik jullie nu ga vragen. Loop eens heel stilletjes met me mee door de porseleinkast van je eigen gedachten… mee, op zoek naar de ‘olifantenpaadjes’ in je hoofd.

Vraag je eens af waar bij jou de ingesleten gewoontes liggen, die zijn ontstaan door steeds weer optredende denkpatronen en rondgeredeneerde -kort door de bocht- meningen. Maak je wel eens gebruik van minder voor de hand liggende denkafkortingen of afwijkende route-redeneringen? Loop je ook wel eens over een zorgvuldig door anderen aangelegd of net mooi aangeharkt gedachten-plantsoentje? Ben je je er dan bewust van dat het eigenlijk niet mag of juist onbewust van dat het eventueel wel mag? Negeer je, net als ik ook, bij regelmaat vaak goed doordachte en zinvolle ‘pas ingezaaid, niet betreden’- argumenten? Bemoei je je ook vaak impulsief met die onderwerpen waarvan het ‘gangbare denken’ niet in je straatje past?

Laat ik het maar meteen verklappen. Ik herken al die dingen wel bij mezelf. Die ‘olifantenpaadjes’ in mijn hoofd. Dwars door alles heen, en over hele dunne lijntjes. In het begin heel gemakkelijk, maar later ook wel eens erg lastig. Vooral wanneer zo’n afkorting door té veelvuldig gebruik opnieuw een omweg blijkt op te leveren. Dan zijn er wéér momenten van twijfel. Want die ‘kort door de bocht’-gedachtenkronkel was toch juist altijd heel gemakkelijk? En dan ineens blijkt die gedachte platgetreden. Op dat moment ontdek je dat die snelle kronkel je niet meer verder brengt. Sterker nog, de denkafkorting zet je zelfs op achterstand. Het kon blijkbaar toch niet zomaar, klein denken over zoiets groots.

Op die  momenten moet je weer even op zoek naar de originele route. Een pas op de plaats is nodig en misschien moet je zelfs wel terug naar de juiste weg. Terugkeren op je schreden, heet dat in paadjestermen. Terug naar de omslachtigheid van de omweg. Want dat is dan de enige manier om op een later moment toch weer kortere routes te kunnen bewandelen. Nieuwe paden banen blijkt alleen te kunnen via gebaande paden. Dat inzicht brengt een interessant punt naar voren. Mentale ‘olifantenpaadjes’ hebben zowél te maken met gewoonte, alsook met verandering. Rechtlijnig denkgeweld, uit gewoonte dwars door alles heen, is niet zaligmakend. Verandering biedt weliswaar nieuwe mogelijkheden maar ‘olifantenpaadjes’ kunnen toch slechts bestaan bij de gratie van de officiële wegen. Zonder de gangbare gedachten geen uitzonderlijke ideeën.

Tja, en nou?  Zijn we daar nu verder mee gekomen? Overtuigen deze figuurlijke ‘olifantenpaadjes’ me en nemen ze de twijfel weg over het bestaan van de letterlijke? Ja. Zondermeer. Alleen over het nut en de noodzaak heb ik nog soms mijn bedenkingen. Maar daar gaan we het vanavond nog uitgebreid over hebben. Vooralsnog denk ik nog even na over mijn eigen theorie en blijf ik ondertussen heel voorzichtig mijn mening vormen. Olifantenpaadjes of niet, ik loop voorlopig in gedachten heel stilletjes door de porseleinkast.

Een theorietje…

Ik heb een theorie in mijn hoofd die even aan de oppervlakte van mijn denken komt, maar meteen ook weer wegduikt, als ik wat dichterbij wil komen. Heel even aanwezig is en dan weer weg. Moeilijk grijpbaar dus, maar toch duikt ze de laatste tijd steeds vaker op uit de mist van mijn gedachtenstroom. Dan lijkt ze heel even zo vastomlijnd. Dan wekt ze de geruststellende indruk de antwoorden te hebben op heel veel vragen. Straalt uit om oplossingen te kunnen geven. Maar daar blijft het bij. Ze geeft die oplossingen niet, zoals je van een goede theorie zou verwachten. Integendeel. Ze laat me twijfelen. Ze houdt me onzeker over de zekerheden die in haar verborgen lijken te liggen. Soms zó overtuigend, dat ik me zelfs afvraag of dát misschien niet juist de kracht van de theorie is. De kracht van de onzekere waarheid. Een overheersende kracht, dictatoriaal bijna, maar gelukkig met een energie die te sturen is. Nou ja, sturen. Energie die alle kanten op gaat is nou niet bepaald een richtinggevende kracht. Dus echt sturen, nee. Daarvoor houdt mijn theorie zich nog te veel verborgen. Hecht ze, zo lijkt het, teveel aan twijfel. Maar wat ze wel soms doet, mijn theorie, is dat ze overkoepelt. Wanneer twijfel en zekerheid weer eens met elkaar wedijveren, voel ik dat mijn theorie een harmonieus antwoord klaar heeft liggen om die strijd te beslechten. Zonder te weten wat dat antwoord is, overheerst daardoor het gevoel van zekerheid en is de twijfel ondergeschikt. Dat is op zich wel prettig. Maar omdat ik het gevoel niet kan verklaren is het wéten zonder het onder woorden te kunnen brengen. Blijft het geruststelling vóór de angst. Berusting vóór het onvermijdelijke. Zekerheid vóór de twijfel. De nadruk ligt weliswaar op het positieve, maar het negatieve blijft daar doorheen schijnen. Ik verwacht dat mijn theorie straks, als ik tijd van leven heb, volledig getoetst is aan de praktijk. Dan zal ze mij het bewijs leveren dat het positieve gevoel, dat nu nog soms onverklaarbaar is, geheel logisch was.

Tot die tijd modder ik nog wat aan met mijn theorietje en mijmer ik er nog wat over.

Een theorie met kansen zullen we maar zeggen?

Mhm…

Daar heb je wat aan, aan zo’n theorie…

Waar heb je het over?

Een jaar lang ‘Wört’. Woorden. Met een aantal schrijvers van het Kwartaalcafé hebben we wekelijks wat zendtijd van de lokale omroep Reindonk mogen vullen met onze bijdragen. Steevast worden we in de radiorubriek ‘Wört’ dan aangekondigd als ‘woordkunstenaars, die taalbedenksels, gedichten, verhalen en columns live ten gehore brengen.’ Zelf kies ik vaak voor de column, waarbij ik probeer de actualiteit een eigen woordelijke draai te geven. Meestal komt dat neer op iets dat ik recentelijk heb meegemaakt of gelezen heb. Soms baseer ik mijn vertelling op een gedachte in mijn hoofd. Onderwerpen te over dus. Meestal.

Maar zo nu en dan staakt de creativiteit. Zeker wanneer er een veelheid aan onderwerpen is en er alleen al vanwege die hoeveelheid moeilijk te kiezen valt. Ik doe maar een greep: Plaatselijk, in de Schaakse bossen in Meterik, hebben we bijvoorbeeld het Western Weekend van Davy Crockett. Ook de Harmoniefeesten van de koninklijke harmonie zijn dit weekend. Of neem ik de hoosbui van afgelopen donderdag, waardoor onze pastoor-deken tijdens het leiden van een kerkdienst blijkbaar natte voeten kreeg. Of iets verder kijkend, naar onze zuiderburen: Diezelfde hoosbui, maar dan een paar treden erger, die in twintig minuten tijd van het Pukkelpopfeest een drama maakte. Daarmee in contrast het popfestival Lowlands, waar 60.000 muziek- en cultuurliefhebbers vandaag in een heerlijk zonnetje genieten. Of moet de column gaan over Spanje, waar onze Paus voor 50 miljoen euro aanwezig is bij de wereldjongerendag. 50 miljoen voor één man, terwijl een week eerder een heel land bleef steken bij 6 miljoen voor een hongerend Afrika. Welk onderwerp neem je dan?

Vertellen over als cowboys en indianen verkleedde volwassenen in een bos, die elkaar een heel weekend lang spelenderwijs beduelleren? Of  schrijven over het zoveelste jaar Harmoniefeesten, waar het gisteren voor de netzoveelste keer markt was, vandaag voor de tigste keer open podium en morgen voor de tigtigstekeer kindermarkt? Of worden het de natte voeten van onze deken? Voor de handliggende associaties dringen zich op: hemelwater, wijwater en het relatieve van wateroverlast. Dat besef je pas goed als je aan de jarenlange droogte in Afrika denkt. Dat misselijkmakende verschil tussen de hoorn des overvloeds en De Hoorn van Afrika brengt me toch weer bij het onderwerp hongerend Afrika, en de 16 miljoen – 6 miljoen verhouding.

Voor 50 miljoen euro spreekt één man wel gigantisch veel jongeren toe, probeer ik voor mezelf een rechtvaardiging te bedenken. In 2008 in Duitsland waren dat er een half miljoen en een paar jaar daarvoor in Polen zelfs anderhalf miljoen. Wereldjongeren hebben we het dan over, die elkaar ontmoeten en naar de Paus komen luisteren. Daar moet de wereld toch een keer de vruchten van gaan plukken, zou je denken, van die wereldjongeren, die volgens het spreekwoord toch de toekomst hebben.

In de Hoorn van Afrika worden zo’n 10 miljoen mensen –ook en misschien wel voorál jongeren- acuut bedreigd door de honger. Ik denk dat de Paus daar wel wat over gaat zeggen in Madrid. En anders onze Deken wel, want de wateroverlast viel eigenlijk wel heel erg mee, stond in de plaatselijke krant. Wat zou een consumptiemuntje kosten, tijdens de Harmoniefeesten dit jaar? En heeft er al iemand van het Davy Crockett-bestuur, bij wijze van jubileumjaar, nagedacht over de mogelijkheid om het WildWest-weekend een keer op de stuivende woestijngronden van Ethiopië te organiseren? Ik denk dat de de tipi- en tentenbouwers hun vingers zouden aflikken bij zoveel waarheidsgetrouwe re-enactment mogelijkheden.

Tegen de Somalisch-Ethiopische woestijn steekt de Zandberg in de Schaak toch wel heel magertjes af. Maar goed, op de Schaak is waterleiding, dat dan weer wel. Die ligt er in Ethiopië namelijk lang niet overal. En dan wordt een heel weekend duelleren toch wel lastig. Zonder water. Een paar jaar zonder water is helemaal niet te doen. Hoewel op elkaar schieten zelfs dan blijkt te kunnen, alleen noemen ze het geen re-enactment, maar gewoon burgeroorlog.  Goed, alleen al vanwege de dróógte zou je daar toch soms wel een hoosbui willen. Dáár hè, niet hier. Want hier kan dat vreselijk uitpakken. Bij Pukkelpop bijvoorbeeld. Verschrikkelijk wanneer de schuldigen voor de slachtoffers van het slechte weer meteen na de ramp gezocht worden bij de organisatie van het festival. Niet doen, mensen. Er is geen sprake van schuld. Het heeft gewoon ontzettend hard geregend, gewaaid en geonweert. In Hasselt. Niet in Horst. Daar liep alleen de crypte van de kerk een beetje onder water.

Als je dat verschil niet begrijpt en toch in termen van schuld meent te moeten spreken, dan zij dat zo. Dan wens ik je een prettige wedstrijd. Cowboys tegen de indianen. Weet iemand trouwens of ik morgen ook een kind kan kopen op de kindermarkt? In Ethiopie kan dat volgens mij namelijk wel. Zou je dat dan ook een wereldjongere mogen noemen? En als er heel lang geen hemelwater op uitgedroogde weilanden in Ethiopië valt, is er dan sprake van een tekort aan wijwater? Als dat zo is, wil ik bij deze de Paus vragen om te bidden voor 50 miljoen liter, maar dan op de goede plaats.

Afscheid

Jaren geleden zag ze nog. Hoorde ze nog de stemmen van haar kinderen en kleinkinderen. Toen liep ze nog genietend door haar tuin, die elke zomer vol stond met bloemen. Het was haar lievelingsplekje. Daar leefde ze. Met liefde geteeld. In liefde gedeeld. Daar kleurde ze als het ware met de bloemen mee en ademde hun geuren in. En alles wat groeide en bloeide voelde zich liefdevol door haar gestreeld.Toen…

92 is ze geworden. De laatste zestien jaar in het donker omdat ze destijds in korte tijd nagenoeg blind werd. Een paar jaar geleden kwam daar de stilte bij, omdat haar gehoor steeds minder werd. En voor zover dat te zien of te merken was, leken ook haar herinneringen te vervagen. Op den duur herkende ze zelfs haar kinderen niet meer. Haar spraak werd meer en meer onverstaanbaar en er was uiteindelijk nauwelijks contact mogelijk. Zacht aaien of knuffelen ging nog wel, maar alleen als ze het toeliet. Van het definitieve afscheid lijkt ze nagenoeg niets te hebben gemerkt. Ze stopte op zaterdag met eten, dronk niet meer en hield op dinsdag rustig op met zijn. Moeder stierf. Haar negen kinderen waren er bij en gunden haar die rust. Het was goed zo. Maar toch…

Verstandelijk is er vrede met de situatie maar emotie laat zich daar niet door leiden. Vanzelfsprekend is er de kou van het loslaten. Maar gelukkig bij vlagen ook de warmte van het vasthouden. Ieder ondergaat het afscheid en het einde van het kind-zijn op z’n eigen manier. En dan mogen de zoute tranen van de één even in een schril contrast zijn met de zoete herinnering van de ander. Zo sterk als ze zestien jaar met z’n allen zijn geweest, zo kwetsbaar zijn ze nu individueel. Met z’n negenen zo op zichzelf aangewezen. Hun moeder –’ôs Moek’-  is dood. Geen ouders meer. Niet in deze wereld, althans.

Ze ligt opgebaard bij één van de kinderen thuis. Buiten in de tuin staat de houten deksel van haar kist. Aan de binnenkant ervan schrijven we lieve woorden. Tekenen we bloemen. Voor haar. Maar ook voor elkaar. Als morgen de kist dicht gaat wordt het licht niet donker. Integendeel. Want al snel zal ze het zien. Wéér zien, wellicht, omdat ze het waarschijnlijk gisteren al gezien heeft. Toen het werd opgeschreven. En gehoord, toen het werd gezegd. Omdat alles wat groeit en bloeit zich nu alweer liefdevol door haar gestreeld weet…

 

Het regende in juli.
De zon was dagen zoek.
Dat jij besloot op reis te gaan,
dat deed je goed, ôs Moek

Lang ongezien en ongehoord.
Te stil en te veel zwart.
Loop jij nu weer door tuinen en
strooit bloemen in ons hart

Het licht is geen beperking meer.
Geluid nooit meer te zacht.
Je hoort nu zelf, dichtbij de zon,
en kijkt naar ons, je lacht…