Synchroniciteit? Synceroticiteit!

‘Rokjesdag maar dan in de kleuren van de herfst’, bedacht ze. Het was een hele warme dag in september. Een tegenstelling die tegelijk onwerkelijk als ook heel prettig aanvoelde. Ze liep door de winkelstraat en was zich aangenaam bewust van de blikken die haar volgden. Zonder te kijken wist ze waar men naar keek. En ze keek als het ware met hen mee. Ja, ze voelde bijna hun blikken over haar lijf glijden. Ze glimlachte.

De terrassen zaten vol en dat leek het gevoel van bekeken worden nog te versterken. Bewust bleef ze even staan voor een etalage. Ze genoot van haar eigen gedachten. Ze koesterde het gevoel van de blikken. Blikken waarvan ze zeker wist dat die nu op haar rustten. In de spiegeling van de etalageruit probeerde ze de gezichten te zien van hen die haar kant opkeken. Een warme wind streek langs haar wang.

Met één hand veegde ze een lok uit haar gezicht en met de andere hand trok ze schijnbaar achteloos aan de achterkant van haar korte rokje. Bijna in dezelfde beweging ging haar hand via haar bil omhoog. Ze voelde door de denim stof de contour van haar slip. Heel even, maar het raakte haar. Ze verbeelde zich dat het niet háár vingers waren die die gevoelssensatie teweeg brachten, maar dat één van de blikken achter haar een soort van Uri Geller-achtig effect op haar had. Zij was als het ware het lepeltje dat zou gaan buigen.

Ze slikte. In de etalage zag ze zichzelf -geprojecteerd leek het- over de mannelijke etalagepop, die -ontdaan van de zomercollectie- in afwachting was van de nieuwe herfstmode. Alsof ze geinteresseerd naar binnen keek, zag ze zichzelf staan, gespiegeld en iets voorover gebogen. Haar blouse viel wat open. Er streek een vlaag, nu wat frisse septemberwind, langs haar benen. Heel duidelijk associeerde ze dat gevoel met hetgeen haar fantasie haar zojuist had ingefluisterd. Ze voelde de blikken steeds sterker en die blikken deden iets met haar. Een tinteling.

Was het de blik van die wat oudere heer aan dat linkse tafeltje, die de kraag van haar blouse subtiel wat naar voren had getrokken? Ze keek mee met wat de man nu zou kunnen zien. Het kant van haar Marlies Dekkers BH zou hem zeker opvallen. De man zou zich afvragen of haar tangaslip van dezelfde stof en bordeauxrode kleur was. Misschien overlegde hij zelfs wel met de man aan het andere tafeltje. Ze zouden bewonderend vaststellen dat het setje perfect om haar rondingen sloot. Ze sloot even haar ogen.

Nog steeds leek de etalage haar volledige aandacht gevangen te hebben. Ze verzette een pas en in die beweging voelde ze de lingerie om haar lijf net een fractie vertraagd haar beweging volgen. Het leek een streling. Opnieuw niet onprettig. Heerlijk warm.

Hij had haar al van ver zien komen. Ze viel op in haar korte, blauwe rok, met haar lang blond, loshangend haar. ‘Zo nu en dan is in één keer een plaatje compleet’, bedacht hij. Dan klopt alles en lijkt het gelegitimeerd om die perfectie als het ware te omarmen. Van een afstand en met de ogen dan toch. Hij genoot en voelde haar aanwezigheid op zijn netvlies. Het was een warme dag in september. Bijna herfst, maar de dertig graden deden in niets vermoeden dat het zomerseizoen zo goed als ten einde was. Integendeel. Het leek wel Rokjesdag, had hij al tevreden vastgesteld, vanaf zijn vaste stek op het terras.

De blondine stond nu stil voor een etalage. De septemberwind streelde haar. Het viel hem op dat hij niet de enige was die naar haar keek. Een glimlach verscheen om zijn lippen. Hij stelde zich voor dat zij ook naar hen keek, in de etalage. Hoe zou ze dat vinden, zoveel blikken op haar gericht? Blikken die haar bijna ontkleedden, leek het wel. Hij slikte. Haar hand ging naar haar rokje. Een kort rukje gaf ze, met als enige effect dat zijn aandacht volledig gefocust was op de plek van waar haar hand eigenlijk meteen weer naar boven ging.

‘Alsof ze zichzelf aait’, dacht hij. Een paar keer maakte hij met zijn ogen de beweging die haar hand zojuist gemaakt had. ‘Zou je door zo’n rokje de contouren van haar slip kunnen voelen’, vroeg hij zich af? ‘Had ze die überhaupt wel aan’, liet hij zijn fantasie de vrije loop en nam een slok van zijn Verboden Vrucht. Ze bukte wat voorover en tegelijk zag hij dat zijn buurman, -een gedistingeerde heer op leeftijd-, wat ging verzitten. Ze keken elkaar aan en gaven elkaar een kort begrijpend knikje.

Zijn blik tastte de rest van haar lichaam af. De wind bewoog haar blouse en deed de stof wat opwaaien. In gedachten verplaatste hij zich in de etalagepop en stelde zich voor wat hij nu zou kunnen zien. Haar BH? Bordeauxrood, net als haar slip? Het was een fraai beeld dat hij zag. Welvend mooi ging de stof strak over haar lijf. Een beeld dat hij even vasthield toen zij plotseling een pas verzette.

Hij schrok maar voelde zich vreemd genoeg niet betrapt. Hij had de stof vast mogen houden met zijn ogen, maar ook meteen losgelaten toen zij bewoog. Het was een fijn gevoel. Warm. Z’n ogen stuurden die warmte naar zijn handen. De warmte van de zomer vermengde zich met de melancholie van de herfst. Vleugjes bordeauxrood. Een heerlijke combi. Rokjesdag in september. Een kort moment sloot hij zijn ogen. Toen hij weer opkeek, was zij verder gelopen. Hij kuste zijn glas en nam nog een slokje.

WO III

Het verhaal gevisualiseerd en verteld in ‘De tijd tikt alles eindig’.

Dat het nu half drie is, is straks om drie uur niet meer zo belangrijk. De tijd doden, is de uitdrukking die bij me opkomt. De afgelopen twee uur heb ik de zaterdagkranten doorgelezen. Daarin de wereld weer voorbij zien komen in al haar heftigheid en hopeloosheid.

En toch weer netjes gestructureerd in de vaste rubrieken die de zaterdagkranten kenmerken, realiseer ik me. Want er kan gebeuren wat wil, het past áltijd binnen het tabloidformaat, in een vast aantal kolommen. En áls er wat gebeurt, dan gebeurt dat vóór de deadline want anders gebeurt het pas morgen. Zo krijgen de gebeurtenissen nog wat structuur en weet je een beetje waar je aan en af bent. Dat is prettig. Het verzacht de chaos. Het laat het gifgas weglekken naar pagina vijf, waar de G20 er iets van vindt. Of niets van vindt. Ook zij doden de tijd.

Vaste rubrieken. Buitenland. Binnenland. Cultuur. Het is het nieuws van 20.00 uur en de herhaling om middernacht. Voorspelbaarheid van de voors en tegens, in van te voren gedefinieerde rubrieken, volgens vaste protocollen. Het maakt me gelaten en het werkt wat verdovend.

Ik blader en lees wat anderen vinden. Alles lijkt bepaald volgens vaste regels waar niemand wat aan kan doen. Als de G20 het al niet eens kan worden over Syrië, wie ben ik dan om iets over gas te roepen? En als wèl of géén strafexcercitie gekoppeld wordt aan de olieprijzen, is Esso daarmee belangrijker dan Assad?

Het is al half vier. Ik heb een extra half uur van mijn tijd gedood, zie ik. Daarin nog een boterham met kaas opgegeten en mijn zoon heeft me zojuist een gebakken frikandel gebracht. Er waren er nog drie over van het barbecuen eergisteren. Die moesten op en dat zijn ze nu ook. Hij twee, ik een. Duidelijk verdeeld. Hij heeft ze gebakken. Op ons gasfornuis. Ik neem een laatste slok van mijn jus d’orange. Ook op. Niet alleen tijd is onverbiddelijk, stel ik vast. Voorraden zijn dat ook. Eindig. Net als de tijd tikt alles weg.

En ik? Ik tik de tijd weg op mijn toetsenbord. Tegelijk met zoveel anderen. Woorden, zinnen, verhalen. Elke dag weer. Kranten vol als het moet. Maar wat in het ochtendblad staat lijkt in de avondkrant al niet meer zo belangrijk. Ik tik ’s ochtends ’g – i – f – g – a – s’, zucht en haal ’s avonds gewoon nog adem.

Terwijl de tijd wegsterft is de onmacht die ons doet zwijgen veelzeggend. Tegelijkertijd is de macht die ons het zwijgen oplegt nietszeggend. Dat is in heel veel landen wel anders. In Syrië bijvoorbeeld. Het is hier nu vier uur maar dáár doodt niet alleen de tijd…

Een toekomst lang

Het leven gaat voorbij terwijl je plannen maakt voor de toekomst. Een uitspraak van een dergelijke strekking kwam een tijd geleden voorbij via internet. Facebook, Twitter of LinkedIn, dat weet ik niet meer. Evenmin herinner ik me de context waarin, of de bedoeling waarmee mijn Facebookvriend, Twittervolger of zakelijke LinkedIn-contact deze wijsheid met mij heeft willen delen. Maakt ook niet zoveel uit. Wat me nu bezighoudt is de diepere betekenis van de uitspraak.

Er zit iets fatalistisch in. Het kan ook zijn dat ik er iets onontkoombaars in lees. Terwijl Martin Luther King 50 jaar geleden -ik was toen 3- blijkbaar heel bevlogen ‘I have a dream’ riep, leef ik nu in een tijd waarin mijn omgeving zich opmaakt voor een gas-oorlog (schalie- of gif-, u mag kiezen) en tegelijkertijd massaal een mening heeft over een schelddiscussie. U weet wel, die tussen Geer en Goor aan de ene kant en een intelligent Playboy-model aan de andere. Humberto Tan zat ertussen (of ernaast, u mag het zeggen) en het ging over privacy (huh?). Zomaar wat indrukken van gisteren en vandaag die aan mijn leven voorbij trokken. Terwijl ik plannen maakte.

Nou ja, plannen. Ik dacht wat na en werkte. Aan de toekomst van mijzelf en van onze gemeente. En dan met name aan de voorbereiding van veranderingen wanneer er in 2015 taken over gaan van de rijksoverheid naar de gemeente. Een complexe kanteling. Ondermeer omdat we heel anders tegen zorg en verantwoordelijkheid aan moeten gaan kijken. Ook hier worden mooie, gedreven visies afgewisseld -en soms kansloos afgeserveerd- door ongenuanceerde botheden en plattitudes. De arrogantie van ambtenaren die menen in zes dagen de rol van jeugdpsychiater te kunnen spelen en het schandelijke onrecht van het niet verwisselen van luiers op latere leeftijd. Misselijkmakend.

Als dat inderdaad de toekomst is, dan is eigenlijk het leven nu al voorbij. Laat staan dat je er uberhaubt nog plannen voor zou willen maken. En dat weiger ik nou juist te geloven. Ik wil me niet neerleggen bij de negativiteit, die er onmiskenbaar is. Ik wil niet meegezogen worden met het doemdenken dat steeds vaker de kop op steekt. In plaats van de beschuldigende vingers, priemend wijzend naar de ander, probeer ik tegenwicht te vinden door mijn eigen duim omhoog te steken. Telkens weer. Daar waar het maar kan. De rest van mijn leven. Een toekomst lang. Om in balans te blijven. Yin en Yang. Geer en Goor. Whatever.

‘…de mooiste woorde is voorbij’

Een regel tekst uit een liedje van Gert Vlok Nel, een singer-songwriter uit Zuid Afrika. Ook de mooiste jare is voorbij zingt hij. Evenals de mooiste liefde. En ook de mooiste drome is voorbij. Het liedje heet Epitaph en komt van de cd ‘Beaufort-Wes se Beautiful Woorde’. Epitaph betekent ‘grafschrift’. Toch ook vaak mooie, laatste woorden. Het liedje ademt een melancholische sfeer, zoals eigenlijk alle liedjes op de cd. Tot zover de muzikale informatie.

Niet alle tekst kan ik verstaan maar dat maakt op de een of andere manier de regels die ik wel begrijp zoveel krachtiger. Misschien door het steeds weer lekker wringende enkelvoud-meervoud verschil met onze taal. Het is voor mijn gevoel een vereenvoudiging die het zuid-afrikaans dichter brengt bij waar taal vooral voor bedoeld is: uiting geven aan gevoel en creeren van wederzijds begrip.

Maar misschien schuilt de kracht van ‘…de mooiste woorde is voorbij’ wel in de vrije interpretatie die de woorden oproept. Ik denk terug aan het moment dat ik gisteren de krant terzijde schoof. Na het lezen van een artikel waarin de woorden ‘gifgas’, ‘schuld’ en ‘onschuld’ over elkaar heen buitelden en hard vochten om een plek op mijn netvlies. De foto van de dode kinderen verhinderde dat.

Dat beeld -als het waar is- is ‘de woorde’ voorbij. Zelfs als het niet waar is, is het de woorden voorbij. Voor hen die de waarheid kennen is ook de liefde voorbij. Dat kan niet anders. De mooiste dromen, de mooiste jaren, de mooiste liefde. Is dan voorbij. Allemaal. En toch werd er ’s avonds over gepraat bij Knevel en Van den Brink. De mooiste woorde… zonder gevoel en ik begreep ze niet.

‘Word-painting’

Ik luister naar liedjes van de playlists van Cynthia. Ik heb ze net gedownload vanuit Spotify. Je kunt daar ‘vrienden’ kiezen, volgens mij afkomstig vanuit Facebook. Sommige van die vrienden blijken ook Spotify te gebruiken. Tenminste, dat denk ik, want achter hun namen zie ik ‘playlists’ staan. Zorgvuldig samengestelde muzieklijsten die ze hebben ‘gedeeld’ zodat anderen er ook gebruik van kunnen maken. Cynthia had er zo ook een aantal achter haar naam staan.

Van haar heb ik een viertal playlists bewaard. Een is vooral klassiek, twee andere lijken selecties van voorgaande jaren en één lijst heeft ze ‘tophits’ genoemd. Terwijl ik dit schrijf luister ik naar de muziek uit die lijst. Ik ben benieuwd naar haar muzikale voorkeuren. Waarom juist naar die van haar? Omdat Cynthia een nicht van mij is. De dochter van mijn zus Trudy. Ik heb nog wel meer nichten en neven, maar zij is speciaal.

Zonder de hele geschiedenis te willen toelichten -als ik dat al zou kunnen- wil ik heel kort uitleggen waarom Cynthia dat speciale plekje in mijn hart heeft. Mijn zus is jaren geleden namelijk gescheiden. Cynthia was toen nog in de peuter/kleuter-leeftijd. In eerste instantie kreeg Trudy de voogdij over Cynthia, maar omdat mijn zus bij herhaling gezondheidsproblemen van geestelijke aard het hoofd moest bieden, is uiteindelijk de voogdij overgegaan naar haar ex-man.

In de periode daarna heeft de nieuwe partner van Trudy’s ex jarenlang via een bezoekregeling het contact tussen Cynthia en mijn zus in stand gehouden. Niet altijd even gemakkelijk vanwege de wisselende gemoedstoestand van Trudy. Ook Cynthia zal wisselende indrukken van die tijd in haar herinnering hebben. Het heeft haar waarschijnlijk mede doen besluiten, toen ze meerderjarig werd, om het contact met haar biologische moeder te verminderen en uiteindelijk geheel te verbreken. Het is duidelijk dat wat ik hier in twee alinea’s zakelijk beschrijf, een wereld van emoties in zich herbergt.

Hoe graag zou ik de pijn en het verdriet van alles wat er gebeurd is willen kunnen wegnemen. Of invloed kunnen uitoefenen op wat er nu en in de toekomst nog staat te gebeuren. Maar dat kan ik niet. Zo goed en zo kwaad als het gaat begeleiden mijn broers en andere zussen in mindere tijden Trudy. Zo nu en dan heb ik via mail of facebook contact met Cynthia. In betere tijden, want die zijn er gelukkig ook, deel ik sommige gegevens met Trudy. Af en toe pluk ik een foto van Cynthia’s kat van het web en ja, ook Cynthia zelf heb ik zo al eens in een lijstje aan Trudy gegeven. Het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan.

En nu dus haar muziek. Ik ben ondertussen een tweetal uurtjes verder en heb al een paar mooie titels voorbij horen komen. Ook flarden van teksten die ik heel vrij interpreteer naar de situatie die ik hierboven kort beschreven heb. Op het gevaar af dat het sentimenteel wordt, of emotioneel, wil ik toch een aantal van die passages opschrijven. Komen ze.

Een zin die de hele tijd al is blijven hangen komt uit het nummer Cleanin’out My Closet van Eminem. ‘…i’m sorry mama, i never meant to hurt you, i never meant to make you cry, but tonight i cleaning out my closet…’. Sinnead O’Connor: Nothing Compares To You en dan dit horen: ‘…tell me baby, were did I go wrong…’ of ‘…i know that living with you, baby, was sometimes hard…’. En het volgende nummer klinkt al -ik heb de shuffle-mode aanstaan- Me And Misses Jones: ‘…we got a thing going on… we both know that it’s wrong but it’s much to strong to let it go now… it hurts so much inside … she goes her way and i go mine…’. Pff. Ik weet het, zeer vrije interpretaties, maar toch. Muziek kan veel vertellen.

Run DMC: ‘…walk this way…’. Jennifer Rush: The Power of Love. ‘… whenever you reach for me, i’m gonna do all what i can…’ en ‘…cause i’m always by your side…’. ‘…sometimes i’m frightened but i’m ready to learn…’. Ik doe er nog een, want Jennifer is bijna klaar. En dat is Vangelis: Conquest Of Paradise. ‘…Mmm hmm hmm mmm…’. Een koor zingt ook tekst, maar die kan ik niet verstaan. Even googlen. ‘…In noreni per ipe; In noreni cora; Tira mine per ito; Ne domina…’. Tja. De uitleg? ‘These lyrics are an “invented” musical language, it’s called: “wordpainting” [pseudo Latin]’.

Een mooi, door toeval ontstaan, toepasselijk einde aan dit verhaal. Want je zou mijn verhaal ook een soort ‘word-painting’ kunnen noemen. En voor een deel zelfs ‘invented’, maar wel met een serieuze ondertoon. Opgedragen aan Cynthia. En aan Trudy. Niet om iets te veranderen, want dat kan ik niet. Maar wel om wie er iets in herkent een hart onder de riem te steken. Muziek en muziektekst kan heel troostend en veelzeggend zijn. Of je het wil horen is een tweede. ‘…One way or another…’ hoor ik Blondie zingen. Luister er zelf ook maar eens naar. Benieuwd wat jij er nog meer in hoort. Bedankt voor het lezen en Cynthia, bedankt voor je muziek!

Speciaal voor jou een afsluitend gedichtje, dat ik -serieus- heb geschreven ten tijde van de scheiding. Lang geleden dus al, maar ik heb altijd in mijn hoofd gehad dat ik het jou ooit nog een keer zou laten lezen. Bij deze.

Scheiden

Twee mensen houden van elkaar
twee mensen trouwen met elkaar
je streeft dan even naar een leven
je leeft dan zeven jaar dat leven
maar als dat jou niet ‘dat’ kan geven
is dat het eind dan van dat leven?

Twee mensen hielden van elkaar
twee mensen scheiden van elkaar
heel vaak, zie je, na zeven jaar
gaan dan drie mensen uit elkaar

Die derde mens, ontstaan uit twee
verbindt hetgeen gescheiden is
die derde mens bewijst daarmee
dat zeven jaar geen lijden is!

Familieband

De rek is eruit. Heel langzaam ontstaan maar het is onmiskenbaar. Wat door momenten in een gezamenlijk leven van broers en zussen tot een onbreekbare band lijkt te zijn gesmeed, wordt door diezelfde tijd stukje bij beetje aangevreten. Het begint met hele kleine scheurtjes. Goed te overzien en nauwelijks van invloed op de gehechtheid aan elkaar. Toch?

Zo lijkt het. Maar als het er meer worden of de scheurtjes worden groter, dan lopen ze soms ongemerkt in elkaar over. Ze worden breder en onoverzichtelijker. Waar kwam dat ene scheurtje ook alweer vandaan en waardoor is de afstand nu ineens zo groot geworden? Als die zometeen gaat raken aan die barst daar, dan… Ach, dat zal toch niet? Zo’n ijzersterk verbond, ooit onuitgesproken en vaak zelfs hardop benoemd, daar zal toch niet de klad in komen?

Jawel. Want de rek gaat eruit. De elasticiteit, die ons steeds opnieuw naar elkaar toe trekt, wordt minder. Wat uiteindelijk overblijft is enkel touw. Stug en schurend. Dus ook daar komen rafels aan. Het verbindt ons nog maar dat is van een andere orde. De vanzelfsprekendheid ontbreekt. Als het laatste eindje uit de handen glipt, of min of meer bewust wordt losgelaten, dan is zelfs naar elkaar toetrekken geen optie meer.

Hoe het komt dat de rek verdwijnt? Waarom dat laatste eindje touw -wat ons nu nog bindt- uit de handen glipt? Ik weet het niet. Ontwikkelingen. Keuzes. Tegengestelde krachten. Een combinatie van factoren? Dingen gaan zoals ze gaan? Het kan allemaal zomaar zijn.

Maar is het onherroepelijk, vraag ik me nu vooral af. Of is er een mogelijkheid van ‘nieuwe elastiek’? Een vernieuwde band? Durven we dan wèl te erkennen dat rek van twee kanten komt? En dat daar waar de één trekt, de ander misschien eerst even wat moet laten vieren, voordat definitief wordt losgelaten? Dat het zelfs pijn kan doen als dat in één keer eenzijdig gebeurt…

Hoe dan ook, de rek is er nu uit. Te vaak en te veel gespannen. Te weinig gevierd of te veel laten vieren. Door overmacht. Door onmacht. Wat dan ook. Misschien knopen we straks nog wel wat eindjes aan elkaar. Of leggen we hier en daar een noodverband. Maar de familieband van toen? Nee, die band is weg. Kort nadat het elastiek mijn handen striemde, vroeg ik me af hoe die eigenlijk ook alweer was…

Zondag

In de tuin vliegt een hommel van een geranium naar een andere bloem. Met tussenpozen klinkt het gezoem. In de lindeboom klapt een houtduif één keer met zijn vleugels en verplaatst zich naar een andere tak. Verder weg krast een kauw en fluiten vogels in andermans tuinen. Het is zondag en het is nog vroeg.

Een tortelduif koert en tegelijk tikken de klokjes in de Kerkstraat twee kwartieren weg. De grote klok van de Lambertuskerk bevestigt dat met één lage slag. Het is half. Acht? Half negen? Het maakt niet zoveel uit. Het is zondag en het is nog vroeg.

Een van de buren trekt zijn garagedeur open. Een ander verplaatst zijn auto. ‘Goeiemorgen’ zeggen ze tegen elkaar. Ook mensen maken geluid. Op deze zomerse zondagochtend minder dan de vogels, maar toch. De klokjes van de Kerkstraat tikken drie kwartier weg. De grote klok bijft stil. Het is nog te vroeg.

Nog een kwartier. Dan is zij weer aan de beurt. Om te vertellen of het half acht of half negen was. Voor iedereen die dat wel of niet wilde weten. Of voor iedereen die wil weten of het acht of negen uur is. Kwestie van meetellen. Of niet. Op deze vroege zondagmorgen mag je kiezen of je meetelt, denk ik dubbelzinnig.

1…2…3…4…5…6…7…8…9!
10! Shit. Het was half tien. De houtduif in de boom verspringt spontaan een tak en de hond van de buren verderop blaft. ‘Stil’ bijt het baasje het beestje toe. Vogels fluiten elkaar uit. Even. Dan komt de rust terug. Maar anders. Waar tijd zojuist onbelangrijk was, is die nu bepaald. En daarmee ook bepalend. Komt van het meetellen, realiseer ik me. Als je mee wil tellen is alles anders… op deze iets minder vroege zondagochtend.

Parlez moi d’amour

Het is 16.30 uur. Over twee uur zit ik bij Radio Reindonk, bij het programma Weekendproat. Als u nu naar mij aan het luisteren bent, dan is het twee uur geleden dat ik aan dit verhaal begonnen ben. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat de bijdrage van vandaag nog heel vers is. Nog warm, zogezegd.
Afijn, het begin staat. Nu nog een onderwerp…

Waarom zo laat begonnen aan je verhaal, zult u misschien zeggen? Tja, dat heb je soms. Geen tijd gehad van te voren zou een reden kunnen zijn, maar dat vind ik altijd wat goedkoop. Mijn moeder zei vroeger al steeds op dat soort momenten: dan moet je tijd máken! En gelijk had ze. Geen tijd gemáákt zou dus een juistere omschrijving zijn van de reden waarom ik zo laat begonnen ben met mijn verhaal.
Maar goed, het is niet anders. En net zo goed heb ik nu al mijn tweede alinea.

Waar gáát het verhaal over, is de vraag. Normaal neem ik een actuele gebeurtenis uit de ochtendkrant. Daardoor laat ik me inspireren en dan schrijf ik zo een eindje weg. Maar ja, vanochtend heb ik geen krant gezien. Ja op de deurmat en ik heb `m zelfs opgeraapt. Maar toen moest ik weg, dus ik heb er nog geen letter van kunnen lezen. Geen onderwerp uit die hoek dus. Maar waarover dan wel?

Ach kijk, mijn derde alinea staat er al. Het begint warempel al op een verhaal te lijken. Hmm, het zal toch niet gebeuren dat ik zometeen nog tijd over heb? Misschien toch maar snel een onderwerp bedenken, want anders gaat het zometeen nérgens over. Waarom kon ik eigenlijk geen tijd maken voor mijn verhaal? Wat heb ik dan allemaal gedaan in plaats van het schrijven ervan? Ja, daar ligt misschien wel een potentieel onderwerp.

Georgeld. Vrijdagavond in Haelen, tijdens de Midzomernachtswandeling. En zaterdagmiddag bij de Twinkeling, een dagverblijf voor kinderen en jongeren met een beperking. Of moet ik tegenwoordig nog steeds zeggen `met mogelijkheden`? Wat dan ook, mijn onderwerp staat. Net als de vijfde alinea, maar dat even terzijde.

Muziek maken op mijn buikorgel. Gisteren in het bos kwamen groepen wandelaars voorbij. Bij elke groep heb ik hen een getal laten opnoemen onder de 216. Mijn buikorgel werkt namelijk niet met papierrollen, maar via een electronische aansturing waardoor ik 216 liedjes zó voor het uitkiezen heb. Ik moet vervolgens wel draaien om lucht door mijn draaiorgel te sturen en de liedjes te laten klinken.

Afijn, het willekeurig laten kiezen van een nummer levert vaak verrassende resultaten op. Zo had het gekund dat ik op de langste dag van het jaar zomaar een kerstliedje de Leudalse bossen had ingejaagd. Maar het toeval bleek correct selectief. Toepasselijke deuntjes, die gisteravond zelfs mensen verleiden tot een walsje op het bospad. Een beetje aangemoedigd zo nu en dan, maar toch. Mooi om te zien en voldoening schenkend. Aan mij en ik hoop ook aan hen.

Zaterdagmiddag bij de Twinkeling een andere doelgroep. Veel kinderen in een rolstoel, begeleid door familie en bekenden, maar ook kinderen zonder rolstoel. Evengoed -soms zelf nog wel intensiever- begeleid door familie en bekenden. Het eerste uur heb ik bij de ingang van de Twinkeling gestaan om de gasten muzikaal welkom te heten op de open dag. Er was veel te doen. Niet alle kinderen konden meteen een keuze maken.

Een nummer onder de 216 was daar dus niet aan de orde. Ik heb zelf gekozen en om me heen gekeken of mijn muziekkeuze de juiste was. En gelukkig was dat meestal het geval. Blije gezichten, die zaterdagmiddag. Geschminkt soms, of heerlijk likkend aan een ijsje van de plaatselijke ijsspecialist. Kinderen die net nog een konijntje hadden geaaid in het op de parkeerplaats opgebouwde kinderboerderijtje of een ritje hadden gemaakt met de huifkar. In de brandweerwagen hadden gezeten en de sirene hadden mogen aanzetten. Binnen naar de BoomBoxBand hadden geluisterd en daar ook ranja en cake hadden gegeten. Of van de goochelaar hadden genoten, die in een aparte ruimte van de Twinkeling de kinderen betoverde. De peelkabouter Wijsneus die hen zojuist een handje had gegeven kwamen ze ook weer tegen bij de bus, waar kadootjes werden uitgedeeld. Binnen werden de kinderen professioneel gekiekt door de huisfotograaf van de Peelkabouters. En zo opsommend moet ik niet het personeel en de vrijwilligers van de Twinkeling vergeten die er ook rondliepen om `hun kinderen` te begroeten en te knuffelen. Kortom, veel menselijke warmte op een winderige zaterdagmiddag. En zo is mijn onderwerp eigenlijk wel bepaald in deze negende alinea. De langste alinea van allemaal. Omdat het belangrijkste juist dáárin verteld is.

De tiende tot slot. Een afsluiting van een verhaal dat zichzelf schrijft. Omdat het voortkomt uit wat mensen drijft. Gezamenlijke inzet die verbindend werkt. Daar iets over vertellen kost geen moeite. ’Vanzelfsprekend’ is het woord dat bij me opkomt. Een nummer onder de 216? Als we elkaar eens tegenkomen en ik heb mijn orgel bij me, vraag dan maar naar nummer 123. Een frans nummer: “Parlez moi d’amour”. Vertel me van de liefde. In tien alinea’s zojuist gedaan. Vooral in de negende. En net op tijd voor de radio-uitzending…

Zout

Hoe zou ’t zijn als zout niet alleen die witte kristallen zijn, maar ook als betekenisloos woord te zien zou zijn? Zou ’t kunnen? Dat zou ’t wel wat makkelijker maken om iets over zout te zeggen. En dat niet alleen. Het zou namelijk flauw zijn om zout alleen als smaakversterker te zien. Want dan zou ’t verhaal van mij met grote waarschijnlijkheid veel lijken op het zout-verhaal van een ander. Zou te eentonig worden. Een zouteloos aftreksel van wat we normaalgesproken elkaar te bieden hebben. Dan zou ’t zelfs allemaal wat smakeloos kunnen worden, en dat is toch het laatste wat je over zout zou willen zeggen. Zout smaakt, maar zou ’t ook lekker zijn om zout, als zout over een eitje, uit te strooien in een verhaal over zout? Dat zou ik wel eens willen proberen. En zou ’t dan niet leuk zijn als jullie meetellen hoe vaak het woord zout gebruikt is? Ik zou ’t  eerlijkgezegd niet meer weten. Alleen een zout-zoekopdracht in Word kan uitsluitsel bieden, maar jullie hebben nu geen Word tot je beschikking. Dat zou ’t ook weer te gemakkelijk maken. Te flauw voor woorden eigenlijk. Ik zou ’t daarom ook niet langer willen rekken dan nodig. Zout oké, maar goed is goed. Opzouten!

(Themawoord ‘Zout’ bij het Kwartaalcafé van 6 juni 2013 — 12x zout—)

‘Der Weg’

‘Wir haben den Regen gebogen’ zingt Herbert Grönemeyer. Een zin die iets in mij knakt. Want ik heb gelezen dat hij het nummer ‘Der Weg’, waar deze zin in voorkomt, opgedragen heeft aan zijn overleden vrouw Anna. Haar ziekte, het onvermijdelijke einde, hun gezamenlijke tijd toen en zijn lijden en ‘wederopstanding’ daarna, het zit er allemaal in. Zo mooi.

Ik vraag me af hoe het kan dat ik zijn emotie tot in mijn botten kan voelen. Stemming? Regenachtige vakantieweer buiten? Herkenning? Gedeelde ervaringen van afscheid? Het zal allemaal wel meespelen. Doet er ook niet zoveel toe. Waar het even om gaat is de zin zelf.

‘Wir haben den regen gebogen’.. Het ontroert me. Omdat er in die vijf woorden zoveel kracht zit. Zoveel verdriet ook. En onmacht. Maar ook verrassing. En hoop. Wrang misschien maar daarom ook zo waar. Het een dat niet zonder het andere kan. Zon en regen worden waar door de regenboog.

‘Du hast jeden Raum mit Sonne geflutet’ bevestigt wat ik voel. Vloeibare zon en verbogen regen. Wat niet kan maar toch moet. Hallo afscheid en dag welkom. Omdat er eigenlijk geen woorden voor zijn en tegelijk zo veel, word ik er stil van.

Het leven komt inderdaad van voren. Je moet het aankijken om het te zien. Achter de regen, die nu tegen het raam tikt, voor de zon. Pas dan kun je de regen buigen. Met dank aan Herbert Grönemeyer.

(Op 16 juli 2012 gepubliceerd op de niet meer actieve website schrijfbloq.nl. Onlangs -getriggerd door een tweet van Marlies- weer teruggehaald)