Ik wil niks zeggen, maar…

Met deze vijf woorden wordt heel veel ellende over de wereld uitgestort. Ik heb er lang over nagedacht, maar daar komt het op neer. Dat verklaart waarom mijn verhaal geen logisch vervolg geworden is op de zinsnede ‘ik wil niks zeggen, maar..’. Hoewel. Niet logisch, dat is eigenlijk nog maar de vraag. Misschien is dit juist wel de énige logische aanpak van deze Kwartaalcafé-opdracht. Maar daar laat ik u graag zometeen zelf over oordelen.

Natuurlijk, ik had best een verhaal kunnen schrijven. Gewoon door achter het woordje ‘maar’  te vervolgen met het  eerste het beste wat in me op komt:

Ik wil niks zeggen, maar… die ‘Reken af!’-slogan kan de SP toch niet echt menen?

Ik wil niks zeggen, maar… ik weet zeker dat we uw goede been hebben geamputeerd.

ik wil niks zeggen, maar… steek jij je nek nu niet wat ver uit?

Elke toevoeging, na ‘maar’, had zonder twijfel tot een heel eigen verhaal geleid. En toch lukte het niet. Wekenlang gepiekerd, maanden, voordat ik er achter was, waarom ik het niet voor elkaar kreeg. Maandagavond wist ik het ineens. ‘De ellende van de wereld zit  in deze vijf woorden verpakt’, schoot het door mijn hoofd. Dáár lag het aan. Aan de woorden, een voor een, en in de combinatie ervan. Al meteen beginnend bij  ‘ik’, voegt daarna elk woord een extra negatieve dimensie toe aan het geheel. Hoe dat zit?

Laat ik de drie creatieve uitspattingen van zojuist maar gewoon gebruiken voor mijn uitleg. ‘Reken af’ draagt de SP ons op vanaf rood-witte sandwichborden rond lantaarnpalen en posters op billboards. Ik, nietsvermoedend lezer, wordt opgeroepen om ergens ‘mee af te rekenen’. Het uitroepteken laat er geen twijfel over bestaan. ‘Reken af!’  Een commando eigenlijk, dat geen ruimte laat voor een andere mening. Maar ik wil helemaal niet afrekenen! En ik krijg daar hele enge associaties bij. Want wie wil dat nou wél? Afrekenen. Ja,  IS-extremisten. Die willen afrekenen. En niet te zuinig.

Die associatie brengt me bij het woordje ‘wil’, het tweede woord van de zinssnede ‘Ik wil niks zeggen, maar…’. Het ligt ongetwijfeld aan mij, maar elke keer als ik aan zo’n ‘Reken af’-bord voorbij kom moet ik denken aan de zieke afrekencultuur van halsafsnijdende godsdienstfanatici.  Ik wil dat niet, en ik denk dat de SP het zo ook zeker niet bedoeld heeft, maar die gedachte komt wel  in mij op.

Ik heb zo’n IS-propaganda-filmpje nog nooit bekeken. Ook dát wil ik niet. Het liefst zou ik er helemaal niets van willen weten,  maar helaas, dat kan niet. Je hebt in deze niks te willen. ‘Ik wil niks’ kan namelijk niet meer in deze moderne tijd. Want er is altijd wel wat. In de combi ‘ik wil niks’  schuilt al een gespannen tegenstelling. Niet alleen niet-constructief maar zelfs dèstructief.

Waar ik naar toe wil, gaat namelijk nog verder:  Door alleen op ‘mezelf’ en op wat ik wil, gefocust te zijn, is er geen plaats voor de ander. Die andere persoon wil je dan niet zien, figuurlijk gesproken. Dat wil je niet. Ik –egocentrisch en enkel op mezelf gefocust- wil namelijk helemaal niks!  Dus zéker niet die ander! Bij IS-extremisten vertaalt zich dat zelfs  letterlijk. Vooropgesteld dat die onthoofdings-filmpjes echt zijn. Dan kan, volgens mij, iemand alleen maar tot dat halsafsnijden in staat zijn, als die persoon zichzelf -zijn eigen ik- volslagen los ziet van de ander. Afijn, genoeg hierover

‘Zeggen’ dan, het vierde woord. Hoe draagt dat in deze constructie bij aan negativiteit? Laat ik daar het tweede voorbeeld voor nemen. Het afgezette been. René Gude is dan mijn spontane associatie. Onze ‘denker des vaderlands’ is onlangs helaas veel te vroeg overleden aan kanker. Eerder zorgde zijn ziekte ervoor dat zijn been moest worden afgezet. Met veel humor zei hij daar zelf over dat dat wel ironisch was voor een  stand-up filosoof. René Gude was het tegenovergestelde van ‘ik wil niks zeggen’. Hij wilde niet alleen juist véél zeggen, hij hád ook heel veel en hele zinnige dingen te zeggen. Hoe vreselijk zou het zijn geweest als René Gude de stelregel ‘ik wil niks zeggen’ had aangehangen…

Gelukkig was dat niet zo. Nog in de laatste maanden van zijn leven heb ik zoveel mooie dingen van hem gehoord. Onder andere over emoties. ‘Angst en boosheid’,  zei Rene in een documentaire van de EO, ‘zijn niet de goeie emoties, als je een doodstijding wil verwerken. Angst maakt dat je wil vluchten en boosheid zorgt dat je wil vechten. Dat levert voor jezelf en voor anderen niks op. Verdriet, daarentegen, is een mooie emotie, want daar kun je bij verwijlen. Alleen, maar juist ook met familie of vrienden. Want het leven gaat dóór. Niet mijn leven. Hét leven. Dat geeft troost en is verdrietig tegelijk.’ Een prachtige scene uit de documentaire ‘De Kist’. Een scene, die zowel René, alsook de interviewer tot tranen toe beroerde. Zoveel echtheid. Niet omdat zij niets wilden zeggen. Integendeel. Zo puur omdat  zij samen ‘verwijlden in verdriet’.

‘Ik wil niks zeggen, maar’  zou in die sfeer van verwijlen totaal misplaatst zijn geweest. Ook dat is voor mij een toegevoegd bewijs dat de zinssnede eigenlijk in geen enkele situatie hout snijdt. Ik denk dus dat dat komt omdat het slechte van de wereld er in verstopt zit. ‘Ik wil niks zeggen’ –zonder ‘maar’-  is al problematisch, maar het is de combi met ‘maar’ die er ogenblikkelijk een tegenstrijdige uitspraak van maakt. Een leugen zelfs. Want als je écht niks wil zeggen, dan is het gebruik van het woordje ‘maar’ meteen al  het bewijs dat je liegt. Wat je daarna ook vertelt. Gelogen. Want je wilde niks zeggen en je deed het toch.

Je staat er niet bij stil. Maar ook hier is het gebruik van ‘Ik wil niks zeggen, maar’  een totale miskenning van degene waarmee je op dat moment in gesprek bent. De luisteraar wordt erdoor  gediskwalificeerd en doet er verder niet meer toe. Hij of zij staat daarmee gelijk aan niks. En zo ontstaat er een analogie met de situatie dat iemand,  -een ziekelijk egocentrische ‘ik’- een ander de mond snoert. In de meest extreme vorm door meteen maar het hele hoofd af te snijden.

Mijn derde voorbeeld:  ‘Ik wil niks zeggen, maar ik vind wel dat je je nek uitsteekt’ krijgt in dat licht bezien wel een hele wrange bijklank. Zie je nu dat in die vijf woorden het slechte van de wereld besloten ligt? Is er iemand die daar nu nog aan twijfelt? Iemand die het wel wat overdreven vindt? Ik wil niks zeggen, maar dat kan ik me heel goed voorstellen.

Ik ben heel benieuwd hoe jullie verhalen rondom het thema ‘Ik wil niks zeggen, maar…’ gestalte hebben gekregen. Tien tegen één dat de verhaalkarakters, die in deze verhalen de gewraakte zinsnede gebruiken, niet helemaal zuiver op de graat zijn. Het zit opgesloten in het gebruik er van. Ik wil niks zeggen, maar zo is het wel. Dáár zou ik mee willen afrekenen.

Bette Midler

Volgens YouTube was het in 1977. Ik weet nog dat ik voor onze tv zat en gepakt werd door het moment. Ik stond op het punt om te gaan stappen, maar raakte zo gefascineerd door een onderdeel van de show van Bette Midler, dat ik gebiologeerd bleef luisteren. Het was haar inleiding op een lied dat toen zo’n indruk maakte. ‘Hello in there’ heette het en het is later heel bekend geworden. Maar die inleiding, die is me altijd bijgebleven. En opnieuw, als ik er naar kijk, overvalt me een droefheid en een herkenning die ik daarna zelden meer heb gevoeld. Ja, nog één keer. In 2002. Toen ik in Venray op de laatste dag de kunstmanifestatie ‘De Waan’ bezocht.

Bette Midler leidt het lied in met iets dat ze heeft meegemaakt. In het echt of misschien wel verzonnen, maar dan toch zó gebracht dat het bij mij destijds enorm geloofwaardig binnenkwam. Toen. En nu, als ik er opnieuw naar kijk, zie ik mezelf weer zitten als zeventienjarige. Tot in het diepst van mijn wezen geraakt door wat ze verteld. En door de herkennning die ze bij me teweeg brengt. Ze vertelt over een stevige vrouw op ’42-street’, die haar tegemoet komt. Op het eerste gezicht niks vreemds aan, maar naarmate ze dichterbij komt, ziet ze dat deze vrouw een gebakken ei op haar voorhoofd heeft. En dat is raar. Het publiek lacht.

Wat haar inleiding voor mij toen zo indrukwekkend maakte, was dat haar sketch niet doorging op het lachwekkende van de situatie, maar dat ze serieus en geëmotioneerd inging op haar diepe angst, om -god beware-  óók ooit wakker te worden met een gebakken ei op het voorhoofd. En mocht het dan ooit tóch gebeuren, zo vervolgt ze, mocht het tóch gebeuren, laat het de mensen dan niet opvallen. En als het onverhoopt toch opvalt en de mensen er dan over zouden praten, dan smeekt ze god opnieuw om haar die gesprekken alsjeblieft niet te laten horen. Want iedereen, besluit ze uiteindelijk, iedereen heeft wel zo’n gebakken ei. Sommige dragen het aan de buitenkant. Sommigen dragen het aan de binnenkant. Ik wist precies wat ze bedoelde.

Mijn moeder droeg haar ‘gebakken ei’ in die tijd zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant. Ze was opnieuw opgenomen in St. Anna om een psychose de baas te worden. In die tijd bezocht ik haar daar vaker en de emoties die daarmee gepaard gingen, heb ik in andere verhalen al vaker beschreven. Wat Bette Midler op dat moment met mij deed, was verwoorden wat ik toen niet kon zeggen. Mijn schaamte, mijn angst, mijn schuchtere wandelingen van school naar St. Anna. Bette gaf daar gevoel en woorden aan. Ze wees me op mijn ‘gebakken ei’ aan de binnenkant. Iets dat ik toen pas herkende. En dat gaf me zo’n gevoel van enorme opluchting, dat het me tot tranen toe beroerde. Ik voel het nog, als ik naar haar kijk en luister.

Nog regelmatig denk ik er aan terug. Zo nu en dan zie ik gebakken eieren bij anderen. En ben ik me bewust van dat broze evenwicht tussen het gebakken ei aan de binnen- en aan de buitenkant. Sommige mensen zijn zich er zelf ook bewust van. Anderen houden het angstvallig geheim of hebben gewoonweg niet in de gaten dat het te zien is. Voor sommigen is dat misschien ook wel het beste. Maar de meesten gun ik dat ze begrijpen waar het in de kern om gaat. Niet om het voor de hand liggende, o zo gemakkelijke, komische effect. Nee. Integendeel. Om met Bette te spreken: ‘You can call it a fried egg… you can call it anything you like… but we all got one…’. In dat licht bezien krijgt ook ‘Hello in there’ voor mij een extra diepgang. Daarom, ter afsluiting, Bette nogmaals. Omdat het zo mooi is.

In het kader van out of the box…

golden-circle-sinekWaarom. Hoe. En wat. Simon Sinek noemt het de ‘gouden cirkel’ voor succes van organisaties. Het ‘waarom’ beschrijft je doel, je drive. Met ‘hoe’ wordt het proces bepaald, terwijl het ‘wat’ gaat over het resultaat dat je bereikt en de middelen die je daarvoor inzet. Sinek’s theorie is dat je altijd begint met je af te vragen ‘waarom’ je iets wil doen. Daarna bepaal je ‘hoe’ je dat gaat doen en van daaruit bedenk je met ‘wat’ je je doel wil gaan bereiken. Waarom, hoe en wat. In die volgorde dus. De laatste tijd ben ik die gouden cirkel herhaaldelijk tegen gekomen. In verschillende overlegsituaties En steeds werd deze volgorde als een onweerlegbare bewijslast ingezet.

Gisteren kwam het opnieuw ter sprake en ik betrapte mezelf erop dat ik wat moeite had met de niet tegen te spreken waarheid van die theorie. Was die volgorde wel zo logisch, vroeg ik me een beetje eigenwijs af. Zou je ook vanuit intuïtie kunnen beginnen met het hele concrete ‘wat’. Vanuit je gevoel en diepe besef dat het middel dat je zou willen inzetten, voldoet aan het (nog) onuitgesproken ‘waarom’. Met andere woorden. Zou het middel niet de toegang kunnen opleveren naar een proces, van waaruit het ‘waarom’ als vanzelfsprekend naar voren komt? Daar wil ik toch eens wat dieper op ingaan. Even buiten de lijntjes kleuren…

Waarom? Omdat ik, als beelddenker, merk dat ik bij de ‘waarom’-vraag vaak meteen beelden krijg. En dat is niet altijd handig. Het ‘waarom’ wordt namelijk nog vooral bepaald door woorden. We horen het eerst over de visie en de missie te hebben. Die moet beschreven worden. Verstandelijk beredeneerd. Het is een fase waarin het ‘not done’ is om al aan het ‘wat’ (lees ‘middelen’) te denken. Sterker nog. Dat kan sowieso toch pas ná het proces, na het ‘hoe’? Dat is namelijk de fase waarin je de strategie laat bepalen ‘wat’ het plan wordt. Jammer genoeg is die ‘hoe’- fase er ook een waarin de balans vaak doorslaat naar talige beschrijvingen. Intuïtie of buikgevoel passen daar niet in. Het ‘wat’ -de visualisatie die je glashelder voor je ziet- kan echt pas op het laatst…

En daar sta je dan. Voor de zoveelste keer met meteen een beeld in je hoofd. Met een gevoel dat zich concreet wenst te vertalen in een beeld. Niet om meteen met een oplossing te komen, maar omdat de visualisatie de toegang is naar een verder uit te werken aanpak. Het is het tastbare bewijs van een intuïtieve strategie. Een boodschapper van een visie die je al eerder of zelfs bijna tegelijkertijd tot in het diepst van je vezels hebt gevoeld. Zo nu en dan ook wel hebt uitgesproken. Alleen bleek dat meestal niet op het juiste moment. Of vond men de volgorde verkeerd. Waarom wist ik dan vaak (nog) niet te verwoorden. Hoe kon ik ook niet meteen uitleggen. Maar ik wist wel wat! En dat voelde vaak goed.

Als je goed luistert, dan hoor je het ook. Dan valt je op dat het woord ‘visie’ al in ‘visualisatie’ zit. Intuïtie, buikgevoel, verrassing, nieuwsgierigheid. In the box toch buiten de kaders denken. Wat, hoe en waarom. Gewoon even in die volgorde. Misschien dat Simon Sinek er van gruwelt. Maar ik heb er vandaag Ricardo Semler bij VPRO-Tegenlicht hele interessante dingen over horen zeggen. Heel beeldend. Nieuwsgierig? Klik hier

Ontmoeting en afscheid

Vier jaar geleden geschreven, in een rubriek die ‘de draai van Geert’ heette. Een verhaal om even bij stil te staan. De titel is nieuw. De rest van alle tijden…

Ze zaten naast elkaar, op barkrukken aan een tafeltje. Een mooi stel om te zien. Eigenwijs kleurige kleding. Veel rood. Druk in gesprek verwikkeld en af en toe nippend van een lekker glas bier. Een tafereel met een warme uitstraling. Het was op een donderdagavond. Het kleine cafeetje in het centrum van Horst was gezellig vol. Een grote groep volleybalrecreanten had deze avond uitgekozen voor hun nieuwjaarsborrel. Ik was er daar één van. Meteen bij binnenkomst zag ik ze. Niet voor het eerst trouwens. Ik kende hen en hun vaak wat frivole, uitbundige uitstraling was me al vaker opgevallen. Alleen vanavond was daar iets vreemds mee aan de hand. Twee dagen eerder was zijn oudste broer voor de trein gesprongen.

Ik ben bijna meteen naar hen toegelopen en heb ze gecondoleerd. Als je het over ‘een draai geven aan’ hebt, dan was dit zo’n situatie. Want ik heb even getwijfeld of ik hen moest ‘storen’ met mijn medeleven. Even schoot het door me heen dat zij misschien juist samen de situatie in gepaste eigenheid wilden beleven. Het contrast gaf echter de doorslag. Zij met z’n tweeën en wij met de groep. Op nog geen twee meter van elkaar. De onwerkelijkheid stond als het ware zo dicht bij de realiteit van alledag dat ik eigenlijk niet anders kon of anders wilde.

Hij gaf een stevige hand. Ook warm. Heel veel woorden hebben we niet gewisseld. Dat was ook niet nodig. Heel kort raakte het nieuwe jaar de afgelopen twee dagen. En dat was goed. Die avond hebben zij aan dat tafeltje nog een tijd met elkaar gesproken en hebben wij onze nieuwjaarsborrel verder afgenoten. Met een paar keer een schaal bittergarnituur die van hand tot hand ging. Gebroken fricandellen en ringen calamaris. Een vreemde combinatie, maar de kroegbaas was eigenlijk vergeten dat wij kwamen. Ook hij had er dus een draai aan moeten geven. Wonderwel gelukt overigens. Een stukje fricandel blijkt precies in het oog van een calamaris-ring te passen en dan kun je het ineens op heel veel manieren eten. Het toeval leidt soms tot aparte ervaringen.

Ik heb hen die avond niet zien vertrekken maar twee dagen later zag ik ze weer. Bij de begrafenismis. Hij vertelde over zijn broer. Het rode jasje kleurde mooi bij de glas-in-lood-ramen. Zijn verhaal was indrukwekkend. Woorden van warmte, waar af en toe een traan doorheen klonk, als de herinnering te dicht bij de onwerkelijke realiteit kwam. Momenten dat hij bij vlagen pijnlijk intens voelde dat het waar was. Ook het lot leidt soms tot aparte ervaringen. In de kerk een traan op je wang voelen omdat het allemaal zo verschrikkelijk waar is. En toch twee dagen eerder gewoon fricandel met calamaris…

Provinciale verkiezingen, 4 jaar geleden

Zo nu en dan is terugkijken goed om weer vooruit te kunnen kijken. Op 2 maart 2011 waren de laatste PS-verkiezingen. Op 18 maart dit jaar mogen we weer. Gisteren kwam ik via Facebook Ger Driessen tegen. Ooit prominent GS-lid en straks, ook op 18 maart, in de race voor een bestuursfunctie binnen het Waterschap Peel en Maasvallei. Tijden veranderen. In 2011 schreef ik er het volgende over.

Gisteren hebben we ook hier in Horst aan de Maas gestemd voor de Limburgse Provinciale Staten. Omdat er op de kieslijsten personen stonden uit mijn mooie dorp, was ik extra benieuwd naar de uitslagen. Met name naar het resultaat van één dorpsgenoot, de huidige gedeputeerde Ger Driessen. Een gedreven CDA-politicus, die graag aan zijn vierde (!) periode binnen Gedeputeerde Staten wilde beginnen. Zijn ‘eigen’ provinciale CDA echter, had hem in de aanloop naar de verkiezingen in eerste instantie helemaal niet verkiesbaar gemaakt. Na protesten (voor een belangrijk deel van zijn eigen lokale Horst aan de Maas-aanhang) werd hij alsnog op een ‘onmogelijke’ vijftiende plek neergezet. De mensen die de (provinciale) politiek een beetje gevolgd hebben, kennen de naam Ger Driessen misschien van diens eigenzinnige promotiefilmpjes, die er daarna ontstonden. Landelijke aandacht haalde hij ermee. Hij kwam zelfs bij ‘De wereld draait door’ en bij Pauw en Witteman. Menigeen vroeg zich af of de goede man wel wist waar hij mee bezig was. Vandaag blijkt dat hij met voorkeursstemmen gekozen is. Het lijkt erop dat hij op één CDA-collega na (waarschijnlijk lijsttrekker Martijn van Helvert) de meeste Limburgse CDA-stemmers op zijn hand heeft gekregen. Wie het laatst lacht… Ik heb net de uitzending op de EO gezien (Uitgesproken EO). Men heeft Ger Driessen gisteren, en vanochtend, gevolgd met een camera. De korte documentaire gaf een heel aardig beeld te zien van Ger. Vond ik.

Ik heb geen CDA gestemd, maar ik put toch voldoening uit deze geslaagde Don Quichote-actie. Mooi hoe zijn eigenzinnige aanpak leidt tot het succes dat hij voor ogen had. Interessant ook hoe alle ‘deskundigen’, die voorspelden dat de filmpjes een verdere ‘diskwalificatie van de politicus’ teweeg zouden brengen, vandaag ongelijk hebben gekregen. In ieder geval wat Ger betreft. Het CDA heeft natuurlijk ongenadig verloren. Met name in Limburg. De provincie waar de macht sinds gisteren is overgedragen aan de PVV. Daar waren geen promotie-filmpjes voor nodig. De PVV-kiezers hebben gekeken naar eigen beelden van de dagelijkse werkelijkheid. Eigen beelden, want het zijn vaak films die ze zelf hebben uitgekozen. Als je alleen maar ziet wat je wil zien, dan is wat je niet ziet bijna automatisch ook datgene wat je niet wil. Daar hoef je niet zo lang over na te denken.

Maar we zullen het zien. Tijd zal leren of het ‘vertrouwen’ in de PVV, uitgesproken door bijna één miljoen Nederlanders, terecht is. In de Provinciale Staten van Limburg is de PVV in één keer, met 10 zetels, net zo groot geworden als het CDA. Of net zo klein, het is maar hoe je het bekijkt. Men moet nu samen gaan ‘regeren’ en dat is -ook in Limburg- toch vooruitzien. Ik heb vandaag tweets voorbij zien komen, waarin mensen aangeven vanaf vandaag ‘moeite te hebben om in Limburg te moeten vertoeven’. Ook heb ik al ergens gelezen dat het ‘jammer is dat zelfs België Limburg niet wil hebben’. Dat laatste kan overigens niet want zelfs onze premier roept dat hij ‘Nederland aan de Nederlanders terug wil geven’ en dus niet aan de Belgen. Al eerder schoffeerde hij ons buurland door in een ander verband te spreken over ‘Belgische toestanden’ die ‘hij niet zou willen’. (Lees in dit verband maar eens het artikel van Yves Desmet  ‘Hollandse toestanden: Nederland is vulgair scheldland’).

Het zijn, hoop ik, ludiek bedoelde tweets, maar ik kan er niks aan doen. De over-één-kam-geschoren-afwijzing, die bij de PVV terecht veroordeeld wordt, wordt door twitteraars (én premiers) met tweets en uitspraken als hierboven onbedoeld zelf ook gebezigd. Ludiek hopelijk, nogmaals, maar alleen voor hen die de humor ook doorzien er er verder niks bij denken. Polarisatie ligt echter zo verdomd snel op de loer. Zeker bij zulke gevoelige zieltjes als ikzelf. Hoe graag had ik vandaag ook kunnen tweeten dat er ‘bij ons gelukkig maar 7% PVV gestemd heeft’. Maar er blijkt zo verdomd veel verschil tussen ‘ons’ hier en ‘zij’ daar. En laat dát nou net de situatie zijn die ik juist niet wil en waarover ik me ongerust maak. Ik heb overigens PvdA gestemd. Omdat ik Roy ken. Maar hij komt er waarschijnlijk niet in. In GS bedoel ik. Jammer. Hetzelfde onverdiende lot als veel vluchtelingen straks? Zoals gezegd, we zullen het zien.

Het wordt toch weer gewoon lente.

Wat overblijft…

‘Verhalen zijn nodig als wapen tegen de chaos’. Een uitspraak van Christien Brinkgreve, hoogleraar sociale wetenschappen in Utrecht. Waarom ik haar citaat heb bewaard, weet ik niet meer. Zo nu en dan doe ik dat, omdat een uitspraak of een deel van een artikel me aanspreekt. Deze was van 22 juni 2014. Dat wil zeggen, op die dag heb ik er een notitie van gemaakt. Om 11.36 uur staat er bij.

Nu, een half jaar later, blader ik door die notities. ‘Verhalen zijn nodig als wapen tegen de chaos’, lees ik ineens en het raakt me opnieuw. Maar wel anders dan toen. Een paar weken na de aanslag op Charlie Hebdo roept de combinatie van de woorden ‘verhalen’, ‘wapen’ en ‘chaos’ toch een ander gevoel bij me op. De aanslag begon ook omstreeks half twaalf…

Vanmiddag heb ik de reacties verzameld die inwoners van Horst aan de Maas hebben achtergelaten in het register van medeleven. Handtekeningen, korte zinnen van troost, maar ook van onbegrip en boosheid. En zo nu en dan een kort verhaal. Persoonlijke woorden, die het noodzakelijke tegenwicht vormen voor de chaos die mensen met wapens hebben veroorzaakt.

Woorden blijven altijd klinken. Overtreffen in veelvoud de salvo’s uit geweren. Woorden geven zin aan twaalf mensen die ze – hoe wrang- niet meer kunnen uitspreken. Dus daarom woorden voor de rest van de wereld om over hen te blijven vertellen. Verhalen. Over Frédéric Boisseau, Franck Brinsolaro, Jean Cabut, Elsa Cayat, Stéphane Charbonnier, Philippe Honoré, Bernard Maris, Ahmed Merabet, Moustapha Ourrad, Michel Renaud, Bernard Verlhac en Georges Wolinski . Voor hen en tégen de chaos.

Live…

Urenlang stille, bewegende ’live’ beelden van een drukkerij in Frankrijk. Het lijken koude vakantiekiekjes, maar als je goed kijkt, zie je politieauto’s met zwaailichten en mensen op daken van huizen in de buurt. Het is net alsof een webcam die er gelukkig al hing tijdelijk is ingeschakeld. Onderaan de beelden komt een tekstregel voorbij dat het beelden zijn ’zonder commentaar’. Daarna een regel dat de politie zich voorbereidt op een bestorming. Zouden ze tv hebben in die drukkerij, vraag ik me af.

Vroeger begon er op enig moment een oorlog. Er gebeurden vreselijke dingen waar slechts weinigen getuige van waren of het konden navertellen. Ooit hield het dan weer op. Tegenwoordig halen we de terroristen live de huiskamer in en worden die beelden afgewisseld met analyses van terreurdeskundigen en ooggetuigenverslagen van de broer van de oom van de achterbuurman van de magazijnbediende van een concurrerende supermarkt. We zijn tenslotte live. Op de reclame na dan, waarin vlak voor een ingelast journaal toch nog even twee spotjes voorbij komen. Van het Kruidvat en de Plus.

Twee keer twintig seconden later opnieuw live én gelijktijdig aanwezig bij de bestorming van een drukkerij en een joodse supermarkt. Kwestie van zappen. Dat kunnen we zelf maar we laten ons op afstand ook gretig bedienen. Voortdurend kijken naar wat steeds dichterbij komt. De wereld kijkt mee. Of je wil of niet. Het kan ook niet meer anders. We zijn permanent in oorlog én daar al die tijd getuige van. Steeds opnieuw en overal. Weer. En wéér. Meer. Nóg meer. Geen afstand tussen vriend en vijand. Telelenzen tussen terrorist en slachtoffer. Zappend tussen ziel en zaligheid. Dichtbij en toch zó hemelsbreed ver uit elkaar. Met een afstandsbediening. Plus het kruidvat dichtbij… Uit!

Overzicht van 2014…

WordPress bood mij via de mail een blog-overzicht aan over het jaar 2014. Voor wie het interessant vindt…

Hieronder een fragment, dat geheel voor rekening komt van de WordPress-crew:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2014 ongeveer 10.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 4 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Terug

Dit jaar is Kerstavond anders dan anders. Op 24 december landt er omstreeks 19.00 uur in Düsseldorf een vliegtuig dat onze Mees weer thuis brengt. Met twee andere Dendron-leerlingen en twee leerkrachten is hij dan terug van twee weken India. Voor de stichting Helpende Handen hebben ze verschillende projecten, locaties en instellingen bezocht. Mees heeft ter plekke gezien en gevoeld hoe het is om in een land te leven dat totaal, maar dan ook totáál, anders is dan Nederland. Zonder twijfel is hij onder de indruk van alle ervaringen. Onze Kerst staat in het teken van zijn belevenissen. En daar verheug ik me op.

"Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt."
“Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt.”

Twee weken geleden werd Mees z’n avontuur werkelijkheid. Ons contact verliep vanaf dat moment via korte whatsapp-berichtjes. ‘Ik vertel wel in detail over wat ik meemaak, als ik thuis ben’, schreef hij in één van zijn eerste berichtjes. En na twee dagen was de zin ‘ik heb al zestien kantjes volgeschreven’ ook heel veelzeggend. Af en toe verscheen er een foto op zijn Facebook-pagina. Bijvoorbeeld van een kleine, ik schat twee- of driejarige Indiër, die een grote gele zonnebril omgekeerd op z’n neus zette. Onderschrift: ‘Kleine Indiër weet niet hoe bril werkt’. Het was een speelse foto, met dat vrolijke ventje in het middelpunt van de belangstelling.

Achter het kereltje een kast, waarin een tiental plastic bakken te zien was. Gevuld met snoep leek het. ’Begrijpelijk dat het jongetje vrolijk gekkigheid uithaalt met die gele zonnebril van onze Mees’, dacht ik. Toen ik wat beter keek zag ik wat er in grote letters op de bakken stond. ‘Amytryn’ kon ik lezen. En daarnaast ‘Atenolol’ en ‘Fluoxetine’. Het waren medicijnen, leerde Google me. Amytryn tegen ‘neuropatische pijnen’. Fluoxetine was een anti-depressivum en Atenolol een bètablokker. Bloeddrukverlagend en hartslagvertragend. Ineens kreeg de vrolijke foto een wat serieuzere uitstraling.

De ruimte maakte kennelijk onderdeel uit van een verzorgingsinstelling. Ik wist dat ze dit soort plekken gingen bezoeken. Je kunt geen betere indruk krijgen van wat ‘helpende handen’ betekenen, dan het aan den lijve ondervinden en ter plekke ervaren. Zien wat er allemaal bij komt kijken, bij de opvang , verzorging en het onderwijs van weeskinderen bijvoorbeeld. Of bejaarden en zieken. Hier en daar zelf een helpende hand bieden. En vooral zien hoeveel andere mensen dat daar ook doen. Uit het hart en vanzelfsprekend.

In dat teken stond zijn reis naar India en in dat teken staat daarom onze Kerst dit jaar. De stichting Helpende Handen en het Dendroncollege boden Mees deze kans, die hij met beide handen heeft aangegrepen. Maar hóe aangegrepen zal hij zelf zijn? Hoeveel kantjes na die zestien heeft hij nog geschreven? Heeft hij z’n gele zonnebril nog? Daar ben ik benieuwd naar. Straks komt hij door de gate. Op Kerstavond. Terug. Gelukkig… Kerstfeest!