Vier mei stilte en vijf mei feest?

Ook in aanloop naar 4 en 5 mei. Uit 2013…

Geert van den Munckhof's avatarGeert van den Munckhof

De afgelopen dagen heb ik deze onderwerpen nogal eens voorbij zien en horen komen. Het lijkt er ook weer de tijd voor, 4 en 5 mei. Onlangs, de dappere burgemeester tegen de rest, bij Pauw en Witteman. Zaterdag, artikelen in de Volkskrant over herdenken,verzoenen en vrijheid. Verschillend van toon. Bijvoorbeeld de Voetnoot ’Ongewenst’ van Arnon Grunberg. Of de column ’Vredenhof’ van Bert Wagendorp. Allebei op eigen wijze kritisch en indrukwekkend. En zo waren er meer.

Een semantische discussie vond de een. Een emotionele vond de ander. Peter van Uhm, op de Dam, met een toespraak over ons, zichzelf en vooral zijn zoon. Wij, inplaats van zij of ik. Niet één dag, maar ook 364 dagen daarna. En op de dag nauwkeurig wist de generaal buiten dienst wanneer zijn zoon was gesneuveld. Dienend voor de vrijheid gestorven, 5 jaar en zestien dagen geleden.

Emotioneel. Semantisch zou iemand anders kunnen opwerpen. We…

View original post 421 woorden meer

Dodenherdenking…

In de aanloop naar 4 en 5 mei…

Geert van den Munckhof's avatarGeert van den Munckhof

De vierde mei. De dag van dodenherdenking. Vandaag een paar minuten stilte om te herdenken dat ‘we’ in ’45 zijn bevrijd. Zelf ben ik van ’60, dus van die bevrijding weet ik heel weinig. Maar ik besef dat het terugdenken aan mensen die je dierbaar zijn sowieso een goede zaak is. Daarom loop ik zo nu en dan over het kerkhof om vervolgens altijd even stil te staan bij het graf van mijn vader en moeder. Gisteren ook weer. In gedachten verzonken werd ik daar ineens getroffen door het beeld van dat moment. Ik heb dat vastgelegd in deze foto.

Bij het graf van mijn ouders Bij het graf van mijn ouders

De schaduw, die over het graf valt, is van mij. Wat me intrigeerde was de zon die mij ‘projecteerde’ op de aarde. Dat ‘voelde’ goed… Het is waarschijnlijk totaal niet vergelijkbaar met het gevoel van ’45. Niettemin, heel even had ik daar mijn eigen…

View original post 61 woorden meer

Leuke lange lijnen

Aan de ene kant het kleurrijke, nieuwe onbekende en aan de andere kant het saaie, oude bekende. Daar sta je zo nu en dan gevoelsmatig precies midden tussen in. De uitdaging lonkt om het nieuwe te kiezen en op ontdekkingstocht te gaan. En als het nodig is, daarvoor het oude bekende los te laten. Nieuwe dingen doen. Of oude dingen anders. Creatieve inspiratie zoeken en heerlijk genieten van wát je dan ook tegenkomt. Hoe mooi is dat. 

Afwijken van gebaande paden. Grenzeloos kunnen zijn. Daar is lef voor nodig. En tijd. Want is het al niet te laat voor het maken van die keus? Kán het uberhaubt wel? Want als je de uitdaging aangaat, zul je dan meteen succes ervaren? Of helemaal niet? Is het wel de juiste keus? Is die onherroepelijk? Is creatief wel productief? Het zijn vragen die doen twijfelen. Erger nog, ze zorgen voor het gevoel van ingeperkt zijn. Juist dat wat je niet wil. Of hoort dat gevoel er gewoon bij? 

Is ‘onbeperkt vrij zijn’, alleen mogelijk voor zover de omkaderde werkelijkheid dat toestaat? Hoe vastomlijnd is die werkelijkheid dan? Blijft creativiteit per definitie binnen de bekende lijntjes? Of zijn het juist die lijntjes die je kunt gebruiken om verbindingen te knopen naar het onbekende? Als je voor het nieuwe kiest, móet je dan wel tegelijkertijd de touwtjes die je al in handen hebt, laten vieren? Moet je perse, als je op zoek bent naar het nieuwe, het oude loslaten? Of is dat loslaten slechts tijdelijk, in de geruststellende wetenschap dat je de touwtjes ook weer op kunt pakken?

Dat laatste kietelt mijn verbeelding wel. Wat zou er gebeuren als je een lijntje naar het onbekende vast zou knopen aan een touwtje waarvan je dacht dat je het los moest laten? Zo’n los eindje, dat je even naast je hebt neergelegd, vastmaken aan een nieuw lijntje. Dan wordt het oude zo verbonden met het nieuwe. Het saaie daardoor weer uitdagend. Om het in die staat vervolgens ook weer naast je neer te kunnen leggen. En op te pakken, wanneer je maar wil. Creativiteit binnen de lijntjes. Maar steeds anders. En steeds langer. Leuk. Straks eens wat voorbeelden bij bedenken. Iemand een voorstel?

Ver reizen en verrijzen

Tweede Paasdag, the ‘day after’. Opnieuw een kort verhaal over Tante Nel. Over haar verre reis op de dag van de verrijzenis. Ik blijf het een intrigerende combinatie vinden: verre reis en verrijzenis. Ach, Utrecht-Heide is een relatief kleine afstand, voor een wensambulance. Maar des te groter is de waarde en vooral de symboliek van de ontmoeting gisteren met Tante Nel. En wat er rondom die ontmoeting allemaal nog meer een belangrijke rol speelt.

Ze zag er broos uit. Liggend op een bed-brancard, maakte ze de cirkel compleet van familieleden die links en rechts waren aangeschoven. Haar broers en één zus zaten in die cirkel. Ze haalden herinneringen op bij de foto’s die ik had meegenomen. En in de herinnering werd ook de aanwezigheid gevoeld van de broer en de zus, die niet meer onder hen was. Zou je dat ook een soort van verrijzenis kunnen noemen, vroeg ik me af, terwijl ik tante Nel de foto liet zien waarop zij stond, toen ze jaren eerder mijn moeder bezocht?

‘Hoe is het in Horst?’ vroeg ze mij, toen ik me voorstelde als de zoon van haar zus. We spraken kort met elkaar. De foto’s herinnerden haar aan het verleden, maar de toekomst verloor ze niet uit het oog. ‘Je moet snel maar eens naar Utrecht komen’, zei ze. ‘Dan kunnen we een hele middag praten’. De drukte in de kamer en de indrukken die ze opdeed vermoeiden haar zichtbaar. En weer nam ze zelf de regie door te regelen dat ze even wilde rusten in een stillere kamer.

Een half uurtje later was ze terug. Voorzichtig lopend met een rollator en geholpen door mijn nicht mengde ze zich opnieuw in het gezelschap. Broos, zich even heroriënterend, maar al snel weer nadrukkelijk aanwezig. Twee broers en haar zus namen afscheid. Met hartelijke woorden waarmee lang niet alles kon worden gezegd. Omdat wat vanzelfsprekend is, niet altijd woorden nodig heeft. De kracht schuilt in de ontmoeting en in het moment.

Ome Gerrit, tante Nel, Paulien en tante Mieke
Ome Gerrit, tante Nel, Paulien en tante Mieke

Daarom ook op Tweede Paasdag dit verhaal over Tante Nel. Haar broosheid van leven en tegelijk de ontwapenende energie ervan laten haar ver reizen. Daarmee overstijgt haar bezoek de fysieke beperking die leven op den duur nu eenmaal met zich mee brengt. Dat op Eerste Paasdag mogen beseffen, dankzij tante Nel en hen die haar met liefde omringen, ervaar ik als van een grote waarde. Zó groot, dat ik dat op Tweede Paasdag nog even met iedereen wil delen. Bij deze.

Tante Nel

Het is vandaag Stille Zaterdag. Dat deze zaterdag in ons land ‘stil’ wordt genoemd, komt omdat er op deze dag geen klokken luiden. Dat wil zeggen, tot aan de schemering, want dan begint de Paaswake. Volgens Wikipedia is dat zo. En daar lees ik ook dat volgens de katholieke kerk Jezus op die dag ‘neergedaald is ter helle’. Wikipedia vertelt me verder dat ik dat kan terugvinden in de paragrafen 632-635 van de catechismus. Ik heb die niet bij de hand, maar als iemand het wil controleren, dan mag dat. Ik denk dat het wel klopt. Een dag later is hij verrezen.

Morgen dus Eerste Paasdag. Gisteren Goede Vrijdag. Op die dag kreeg ik een mail van een nicht van mij. Een nicht van mijn moeders kant. Ze was bij de oudste zus van mijn moeder op bezoek geweest. Tante Nel woont al jaren in Utrecht, is al aardig op leeftijd, en heeft de laatste jaren lichamelijk heel veel ingeleverd. Morgen wordt een wens van haar vervuld. Ze wilde nog één keer naar haar geboortedorp Heide bij Venray. Daar wil ze graag familieleden, vrienden en bekenden ontmoeten. Vandaag toch even stil aan haar moeten denken. En aan haar verre reis van morgen.

Jaren geleden hebben we haar in Utrecht bezocht. Toen sukkelde ze al met haar gezondheid, maar geestelijk was ze ijzersterk. Dat laatste lijkt nog steeds het geval, maar lichamelijk is het toch wel langzaamaan aan het opraken. Ze heeft nu 24-uurs zorg en weegt minder dan 40 kilo, meen ik onthouden te hebben van wat mijn nicht me daarover een tijd geleden verteld heeft. Mijn tantes wens om nog één keer naar Heide te komen voelt als een afscheid. Een afscheid van wie en wat er ooit was.

Tante Nel was de oudste van een gezin van negen kinderen. Ze zag het levenslicht op 26 mei 1925. Mijn moeder was vierde in die kinderrij. Zij is geboren op 9 juli 1929. Mijn moeder stierf op 9 mei 1978. Zij werd slechts 49 jaar oud. Tante Nel is nu, op een paar jaar na, al bijna twee keer zo oud. Met de wens-ambulance wordt ze morgen van Utrecht naar Heide gebracht. Voor een bezoek aan hen die haar dierbaar zijn. Op een plek die haar dierbaar is. Ik ga er morgen ook naar toe. Onder andere met mijn jongste zus, ga ik haar bezoeken.

foto bezoek tante Nel bij os moekeDaar aan denkend, herinner ik me dat Tante Nel vroeger mijn moeder heeft bezocht, toen die opgenomen was in St. Anna in Venray. In mijn schoenendoos met beelden uit het verleden kom ik de foto tegen. Mijn vader staat er op, mijn moeder ook en tussen hen in zit mijn jongste zusje. Daarachter staat tante Nel en tante Mini. Behalve deze foto vind ik nog verschillende andere foto’s. Ik besluit ze mee te nemen, morgen, naar tante Nel. Gestolde beelden uit haar verleden. Waar ook mijn moeder een plek had. En Petra. En tante Mini. En nog veel meer mensen. Morgen, op de dag van de verrijzenis, zien we ze terug. En zij ons. Nog één keer. Het is nu zaterdag. Nog eventjes. En het is stil. Morgen. Dan luiden de klokken weer.

De ‘Fun’ van Funpop en Funfactor

  

De spanning bij de een. De blijdschap bij de ander. Het enthousiasme. Van zowel kandidaten aan Funfactor  als studenten van de Gildeopleidingen. De muzikanten van FEZZ, die ook dit jaar weer hun prominente rol vervullen. Yvonne, van het Funfactor kernteam. Alex en zijn Gilde-collega, die de groepjes studenten helpen om aan hun praktische studieopdracht te voldoen, voor zover dat nodig is. Iedereen is bezig. Het gonst die zaterdagochtend van zachtmoedige vriendelijkheid en vrolijke zenuwachtigheid.

Om half tien ’s ochtends loop ik het mooie rode schoolgebouw binnen en meteen is er de herkenning. Dezelfde mix als een jaar eerder, van mooie mensen met een gezamenlijk doel voor ogen. Ook dat is de Funfactor. Twee studenten zijn in een aftastend gesprek verwikkeld met twee kandidaten voor Funfactor. Die zijn mooi op tijd, want de voorronde van Funfactor -de zangwedstrijd voor mensen met een verstandelijke beperking- begint pas over een uur.

Een van de kandidaten herkent me. Een hartelijke begroeting wordt mijn deel. Vanuit het hart. Het pakt me elke keer weer. Beperkingen zijn er op heel veel verschillende vlakken, realiseer ik me. Eens te meer besef ik dat een ieder van ons er mee is behept. Het is maar net hoe je het bekijkt. Elke keer probeer ik te leren van hun spontaniteit en hun ongecompliceerde ’ik-ben-zoals-ik-ben-mentaliteit. Ze geven een geweldig voorbeeld. Het voelt goed.

De audities zijn spannend. Vóór ze het podium opkomen worden de artiesten in de Green-room kort geïnterviewd door een tweetal studenten. Het publiek kijkt mee via een groot scherm op het podium. Prachtig om te zien hoe kandidaten in de rust van de Green-room hun eerste zenuwen kwijt raken. De Green-room blijkt een gouden zet. Als de kandidaten de bühne opkomen en, dankzij Ron, de muziek horen klinken, dan gaat hun auditie bijna vanzelf. 

De jury heeft het niet makkelijk. Maar ook zij geniet zichtbaar. Na elk optreden worden er tips en tops uitgewisseld. Positief en opbouwend. Alle twintig kandidaten voelen zich vandaag kampioen. De Green-room, de glamourfoto’s die er van hen worden gemaakt, het applaus, de culinaire verwennerij in de pauze: het draagt allemaal bij aan het Funfactor-gevoel.

Uiteindelijk krijgen er negen een ’ticket’ voor de Funfactor-wedstrijd op zondag 31 mei. De dag dat ook Jan Smit en Wolter Kroes optreden. Onder andere. Met een beetje fantasie kun je zeggen dat die in het voorprogramma van de Funfactor-finalisten staan. Één voor een maakt de jury de negen finalisten bekend. De ontlading is groot. De extatische blijdschap van Linda staat even in een schril contrast met de teleurstelling van Nick.

De reservekandidaat moet nog worden uitgeroepen maar Nick hoopte klaarblijkelijk op een plek bij de negen finalisten. Hij stapt gedesillusioneerd van het podium. Ik zie de interviewster van de Green-room in een lieve opwelling meteen achter Nick aan lopen om hem te troosten. Ik weet zeker dat die actie niet in haar praktische opdrachtuitwerking stond. Des te indrukwekkender dat ze dat wel doet. Ook dat is Funfactor.

Op 16 mei is de generale repetitie. FEZZ studeert de komende tijd de liedjes in. Arrangementen worden geschreven. Op verzoek wordt een nummer zó gearrangeerd, dat het niet meer ‘in A’ staat. Er is een versie in C én een versie in D gemaakt. ’Dan kunnen we op de generale zien wat het beste bij Linda past’, lees ik in de wederzijdse mails. Bewonderenswaardig hoe de muzikanten van FEZZ hun bijdrage leveren om het Funfactor-plaatje compleet te maken.

Funfactor. Tijdens Funpop-zondag. Saskia Lina, de winnares van 2014, opent. Daarna is het aan de jury van die dag om te bepalen wie Funfactor-kampioen 2015 wordt. Die jury bestaat in ieder geval al uit musicalster Renée van Wegberg, burgemeester Kees van Rooij en componist/saxofonist Nard Reijnders. Zij zijn er klaar voor en hebben er veel zin in. De Fun van Funpop is een factor van veelzeggende betekenis en ook zij voelen die tot diep in hun vezels. Net als ik. En heel veel anderen. Gelukkig. Funfactor!

De invloed van Arjen Lubach

Principes of mensen. Die gedachte ging door mijn hoofd. ’Stof tot nadenken’, zei ik, terwijl ik mijn jas aantrok. Voordat ik van mijn stamcafé naar huis vertrok, zei Egbert nog: ’Ik heb drie woorden voor je: Leve de koning!’. ’Van mij mag ie’, was mijn spontane antwoord. ’Schrijf er maar een column over’, zei Jan, ‘dan zal ik die wel liken op Facebook’. Nou, we zullen zien. Onderweg naar huis bedacht ik de insteek: principes of mensen. Komt ie.

 ’Vind ik leuk’. Het was opnieuw van toepassing op ons samenzijn. En weer waren we het niet helemaal eens geworden. Net als bij onze ontmoeting van afgelopen donderdag. Eén van de gespreksonderwerpen was het koningshuis, en met name Arjen Lubach z’n visie daarop. Hij had daar in zijn programma ’Lubach op zondag’ een item aan gewijd. Jan had de uitzending niet gezien maar was via Facebook geattendeerd op Lubach’s visie op het koningshuis. Jan had die zonder terughoudendheid ’geliked’ en gedeeld.

Ik had het filmpje van Arjen Lubach toen niet gezien. Wel Jan’s gedrevenheid om dat filmpje onder de aandacht te brengen en het te delen onder zijn Facebook-vrienden. Ik hoorde donderdag Egberts instemming over de teneur van Lubach’s verhaal. Hij en Jan waren het eens over de ’genialiteit’ waarmee het onderwerp ‘koningshuis’ door Lubach ter discussie was gesteld. Het maakte me nieuwsgierig.

De genialiteit zat, zoals ik het donderdag begreep, zowel in de inhoudelijke monoloog als in de afsluitende satirische conclusie en het besluit om zichzelf tot Farao der Nederlanden uit te roepen. Lubach koppelde vervolgens de geschiedenis aan het heden en de toekomst, door de kijkers op te roepen hem te steunen. Met 40.000 handtekeningen zou hij zijn Farao-schap in de tweede kamer op de agenda krijgen. Om daarmee in feite ook het koningshuis in diezelfde kamer ter discussie te stellen.

Vanavond hebben we het er weer over gehad. Volgens Egbert waren er al 50.000 handtekeningen binnen. Jan vroeg me of ik het filmpje had gezien, en dat was inderdaad het geval. Alleen kon ik Jan’s principiële instemming niet delen. Waar Jan vooral de inhoudelijke boodschap waardeerde (‘hoe bizar is het dat wij ’n zichzelf ingesteld instituut klakkeloos in stand houden’) werd ik vooral afgeleid door de manier waarop die boodschap door Lubach werd gebracht.

Was het de opmerking over Emma 17 waar hij wel/geen grap over maakte of lag het aan het uit de context gehaalde citaat over de schoolkeuze van Amalia? Waarschijnlijk. Onder andere. Maar ook aan het publiek dat op het einde Lubach slaafs en massaal leek te volgen, toen hij als farao verkleed zijn volk ’mende’. ’Ik zeg Fara, u zegt o’… En jawel hoor.  Met z’n allen. Effectbejag. Zo kwam het bij me over. Ook dat stond me tegen. 

Satire. Met een serieuze ondertoon die, als ik Jan en Egbert mag geloven, door het principiële karakter ervan, van hoog niveau was. Daar ligt waarschijnlijk dan mijn bedenking. Of mijn beperking, zo je wil. Ik kan die principes namelijk niet zo gemakkelijk los zien van de mensen die het betreft. Want als het over principes gaat lijken de mensen er niet meer toe te doen. 

Ik heb geen band met het koningshuis. Ik ben op Facebook bijvoorbeeld geen vriend van Maxima. En Willem en z’n dochters ken ik alleen maar van tv en uit de krant. Maar bovenal, over het huis waar ze wonen -laten we het voor het gemak even het koningshuis noemen- hanteer ik geen principes. Willem Alexander, Maxima, Amalia. Het zijn voor mij mensen. Geen argumenten om principes te duiden. Is dat gevoel versus verstand?

Ze mogen er van mij zijn. En ja, ze kosten een paar centen, maar dan heb je ook wat. Of niks. Wat je wil. Maar principieel tegen? Nee. Mochten ze er ooit niet meer zijn, heb ik daar ook geen problemen mee. Maar een farao om het koningshuis op een ludieke manier ter discussie te stellen? Mwah. Ik kan me voorstellen dat ze in de tweede kamer belangrijkere zaken te bespreken hebben. Hoewel ik over dat belang ook niet heel erg principieel ben. Dus laat het eigenlijk ook maar gewoon gebeuren. Arjen, succes. Ik hoop wel dat de kamerleden niet allemáál enthousiast ’o’ zullen schreeuwen, als jij ’fara’ roept…


Gesprekken met inhoud

Argumenten uitwisselen met de intentie om de ander te overtuigen van je gelijk. En daarmee tegelijk van zijn of haar ongelijk. En dat visa versa. Boeiend. Zeker als het onderwerp tegengestelde meningen kent, dan levert dat mooie en leerzame momenten op. ’Agree to disagree’ kan na een enerverend gesprek een mooie conclusie zijn. Zo ook gisteravond.

Ik weet nog dat ik me op enig moment mengde in de discussie. De vragen van een van de gesprekspartners waren terecht. Helder, via een goed onderbouwde inleiding, nieuwsgierig dwingend gesteld. Ik had er geen antwoord op. Wel een mening, die zich al even in mijn hoofd aan het vormen was: ’Niet over antwoorden discussiëren op vragen die niet de mijne zijn’. 

Maar wat in je hoofd als zo’n elementaire waarheid voelt, komt dan ongeveer als volgt naar buiten: ’Je vraagt me dit maar ik wil en kan niet over het antwoord discussiëren, als het over een onderwerp gaat waarover ik mezelf geen vragen wil of kan stellen’. Het klonk ineens veel minder stellig dan het een moment eerder in mijn hoofd had geklonken. Maar het was gezegd. Ik had mijn punt gemaakt. Vond ik.

Het werd even stil. En het zijn altijd die stilte-momenten dat ik me in een split-second afvraag of ik misschien zojuist iets heel vreemds heb gezegd. Een dooddoener heb gebruikt misschien, waarvan alleen ik me op dat moment niet bewust ben. Van de andere kant voelde mijn argument toch heel reëel. Een interessant contrast, zeker een dag later als ik er weer aan terugdenk.

Hoe dan ook. Het mooie van zo’n discussie is, dat je er door aan het denken wordt gezet. Ook een dag later nog. Ik hoefde slechts zijn argumenten te beamen. Maar ik kon het niet. Omdat ik het niet wist. Het was kennis, die niet de mijne was. Of de mijne werd. En bovendien had ik zojuist verkondigd dat het om antwoorden ging op vragen die ik mezelf niet stelde. 

Of zoiets. 

Volgende keer weer eens een boompje over opzetten. Over het gelijk van het ongelijk. Over de waarde van waarheid of de levenskracht van een dooddoener. Over inhoud en wat dáár nog onder ligt. Als dat laatste de vraag is, dan is ’een lekker biertje en een viltje’ één goed antwoord…

Ik vind het leuk.


Even snel…

 

 Al een paar dagen staat deze boom heel overtuigend de lente aan te kondigen. Vorige week schuchter begonnen door elk bloesemblaadje voorzichtig uit de knop te duwen. Nu… één witte wolk van ‘wèg die winter’!  Warm, wollig welbevinden. Witte bloesemblaadjes. Zometeen nog één keer sneeuwen.  Om lentezacht de winter weg te geeuwen. 

Ik wil niks zeggen, maar…

Met deze vijf woorden wordt heel veel ellende over de wereld uitgestort. Ik heb er lang over nagedacht, maar daar komt het op neer. Dat verklaart waarom mijn verhaal geen logisch vervolg geworden is op de zinsnede ‘ik wil niks zeggen, maar..’. Hoewel. Niet logisch, dat is eigenlijk nog maar de vraag. Misschien is dit juist wel de énige logische aanpak van deze Kwartaalcafé-opdracht. Maar daar laat ik u graag zometeen zelf over oordelen.

Natuurlijk, ik had best een verhaal kunnen schrijven. Gewoon door achter het woordje ‘maar’  te vervolgen met het  eerste het beste wat in me op komt:

Ik wil niks zeggen, maar… die ‘Reken af!’-slogan kan de SP toch niet echt menen?

Ik wil niks zeggen, maar… ik weet zeker dat we uw goede been hebben geamputeerd.

ik wil niks zeggen, maar… steek jij je nek nu niet wat ver uit?

Elke toevoeging, na ‘maar’, had zonder twijfel tot een heel eigen verhaal geleid. En toch lukte het niet. Wekenlang gepiekerd, maanden, voordat ik er achter was, waarom ik het niet voor elkaar kreeg. Maandagavond wist ik het ineens. ‘De ellende van de wereld zit  in deze vijf woorden verpakt’, schoot het door mijn hoofd. Dáár lag het aan. Aan de woorden, een voor een, en in de combinatie ervan. Al meteen beginnend bij  ‘ik’, voegt daarna elk woord een extra negatieve dimensie toe aan het geheel. Hoe dat zit?

Laat ik de drie creatieve uitspattingen van zojuist maar gewoon gebruiken voor mijn uitleg. ‘Reken af’ draagt de SP ons op vanaf rood-witte sandwichborden rond lantaarnpalen en posters op billboards. Ik, nietsvermoedend lezer, wordt opgeroepen om ergens ‘mee af te rekenen’. Het uitroepteken laat er geen twijfel over bestaan. ‘Reken af!’  Een commando eigenlijk, dat geen ruimte laat voor een andere mening. Maar ik wil helemaal niet afrekenen! En ik krijg daar hele enge associaties bij. Want wie wil dat nou wél? Afrekenen. Ja,  IS-extremisten. Die willen afrekenen. En niet te zuinig.

Die associatie brengt me bij het woordje ‘wil’, het tweede woord van de zinssnede ‘Ik wil niks zeggen, maar…’. Het ligt ongetwijfeld aan mij, maar elke keer als ik aan zo’n ‘Reken af’-bord voorbij kom moet ik denken aan de zieke afrekencultuur van halsafsnijdende godsdienstfanatici.  Ik wil dat niet, en ik denk dat de SP het zo ook zeker niet bedoeld heeft, maar die gedachte komt wel  in mij op.

Ik heb zo’n IS-propaganda-filmpje nog nooit bekeken. Ook dát wil ik niet. Het liefst zou ik er helemaal niets van willen weten,  maar helaas, dat kan niet. Je hebt in deze niks te willen. ‘Ik wil niks’ kan namelijk niet meer in deze moderne tijd. Want er is altijd wel wat. In de combi ‘ik wil niks’  schuilt al een gespannen tegenstelling. Niet alleen niet-constructief maar zelfs dèstructief.

Waar ik naar toe wil, gaat namelijk nog verder:  Door alleen op ‘mezelf’ en op wat ik wil, gefocust te zijn, is er geen plaats voor de ander. Die andere persoon wil je dan niet zien, figuurlijk gesproken. Dat wil je niet. Ik –egocentrisch en enkel op mezelf gefocust- wil namelijk helemaal niks!  Dus zéker niet die ander! Bij IS-extremisten vertaalt zich dat zelfs  letterlijk. Vooropgesteld dat die onthoofdings-filmpjes echt zijn. Dan kan, volgens mij, iemand alleen maar tot dat halsafsnijden in staat zijn, als die persoon zichzelf -zijn eigen ik- volslagen los ziet van de ander. Afijn, genoeg hierover

‘Zeggen’ dan, het vierde woord. Hoe draagt dat in deze constructie bij aan negativiteit? Laat ik daar het tweede voorbeeld voor nemen. Het afgezette been. René Gude is dan mijn spontane associatie. Onze ‘denker des vaderlands’ is onlangs helaas veel te vroeg overleden aan kanker. Eerder zorgde zijn ziekte ervoor dat zijn been moest worden afgezet. Met veel humor zei hij daar zelf over dat dat wel ironisch was voor een  stand-up filosoof. René Gude was het tegenovergestelde van ‘ik wil niks zeggen’. Hij wilde niet alleen juist véél zeggen, hij hád ook heel veel en hele zinnige dingen te zeggen. Hoe vreselijk zou het zijn geweest als René Gude de stelregel ‘ik wil niks zeggen’ had aangehangen…

Gelukkig was dat niet zo. Nog in de laatste maanden van zijn leven heb ik zoveel mooie dingen van hem gehoord. Onder andere over emoties. ‘Angst en boosheid’,  zei Rene in een documentaire van de EO, ‘zijn niet de goeie emoties, als je een doodstijding wil verwerken. Angst maakt dat je wil vluchten en boosheid zorgt dat je wil vechten. Dat levert voor jezelf en voor anderen niks op. Verdriet, daarentegen, is een mooie emotie, want daar kun je bij verwijlen. Alleen, maar juist ook met familie of vrienden. Want het leven gaat dóór. Niet mijn leven. Hét leven. Dat geeft troost en is verdrietig tegelijk.’ Een prachtige scene uit de documentaire ‘De Kist’. Een scene, die zowel René, alsook de interviewer tot tranen toe beroerde. Zoveel echtheid. Niet omdat zij niets wilden zeggen. Integendeel. Zo puur omdat  zij samen ‘verwijlden in verdriet’.

‘Ik wil niks zeggen, maar’  zou in die sfeer van verwijlen totaal misplaatst zijn geweest. Ook dat is voor mij een toegevoegd bewijs dat de zinssnede eigenlijk in geen enkele situatie hout snijdt. Ik denk dus dat dat komt omdat het slechte van de wereld er in verstopt zit. ‘Ik wil niks zeggen’ –zonder ‘maar’-  is al problematisch, maar het is de combi met ‘maar’ die er ogenblikkelijk een tegenstrijdige uitspraak van maakt. Een leugen zelfs. Want als je écht niks wil zeggen, dan is het gebruik van het woordje ‘maar’ meteen al  het bewijs dat je liegt. Wat je daarna ook vertelt. Gelogen. Want je wilde niks zeggen en je deed het toch.

Je staat er niet bij stil. Maar ook hier is het gebruik van ‘Ik wil niks zeggen, maar’  een totale miskenning van degene waarmee je op dat moment in gesprek bent. De luisteraar wordt erdoor  gediskwalificeerd en doet er verder niet meer toe. Hij of zij staat daarmee gelijk aan niks. En zo ontstaat er een analogie met de situatie dat iemand,  -een ziekelijk egocentrische ‘ik’- een ander de mond snoert. In de meest extreme vorm door meteen maar het hele hoofd af te snijden.

Mijn derde voorbeeld:  ‘Ik wil niks zeggen, maar ik vind wel dat je je nek uitsteekt’ krijgt in dat licht bezien wel een hele wrange bijklank. Zie je nu dat in die vijf woorden het slechte van de wereld besloten ligt? Is er iemand die daar nu nog aan twijfelt? Iemand die het wel wat overdreven vindt? Ik wil niks zeggen, maar dat kan ik me heel goed voorstellen.

Ik ben heel benieuwd hoe jullie verhalen rondom het thema ‘Ik wil niks zeggen, maar…’ gestalte hebben gekregen. Tien tegen één dat de verhaalkarakters, die in deze verhalen de gewraakte zinsnede gebruiken, niet helemaal zuiver op de graat zijn. Het zit opgesloten in het gebruik er van. Ik wil niks zeggen, maar zo is het wel. Dáár zou ik mee willen afrekenen.