Sjef’s serenade

‘Sjef’s serenade’.  Luister door hierboven te klikken. Voor het eerst opgevoerd tijdens café de Verbeelding, op donderdag 9 juni 2016. De jubileum-editie (10e keer) waarop ik, voordat ik ‘Sjef’s serenade’ heb opgevoerd, ook kort verteld heb over mijn Ali B.-moment tijdens Funpop jl.

Funpop is eigenlijk de eerste aanleiding voor mijn orgel-tekst bijdrage tijdens deze editie van café de Verbeelding. Of beter gezegd, het is het goede gevoel dat Funpop opnieuw bij mij teweeg heeft gebracht. Het is de soms zelfs aan vriendelijke jaloezie grenzende bewondering voor de intense blijdschap die je ziet bij de bezoekers van Funpop. Mensen waarvan je, van ‘ons’ uit geredeneerd, niet meteen die levensvreugde zou verwachten. Want ze zijn toch gehandicapt. Geestelijk. Lichamelijk. Of allebei. En toch is die levensvreugde er bij tijd en wijle overduidelijk. Onbevangen,  ongelimiteerd, basaal genieten. Zó intens dat je je afvraagt wie er eigenlijk beperkt is. Daarom. ‘Sjef’s serenade’.

Haar…

Finale

Een duidelijk themawoord. Eenduidig zou je denken. Niet dus. Zonder bijgedachte en in de wetenschap dat het een afsluitende bijeenkomst van het Kwartaalcafé is, lijkt er geen misverstand mogelijk. Finale, als in ‘einde’, ‘afgelopen’. Maar toch..

Finale kan juist ook de opmaat zijn tot iets prachtigs. Een laatste apotheose. Een spectaculair slot van iets dat bij leven al mooi was. En misschien heeft de bedenker van dit themawoord een dergelijke betekenis wel voor ogen gehad? We zullen het nooit weten. Feit is dat er mererlei uitleg mogelijk is. Dus waar moet het verhaal over gaan?

Finale. Geen kop. Enkel nog maar een staart. Het houdt op. Einde. Afgelopen. Daarom. Haar…

Haar

De laatste weken leiden woorden, die op wat voor manier dan ook iets van eindigheid in zich hebben, bij mij tot melancholische gedachten. Niet op de laatste plaats omdat vrijdag 13 mei jongstleden het leven van mijn zus tot een definitieve finale is gekomen. Trudy’s leven hield die middag op. Eindigheid die onvermijdelijk was, maar door ziekte ernstig werd versneld. Eindige woorden, zoals ‘verval’, ‘aftakeling’, ‘de laatste dagen’, ‘hospice’. Zelfs het woord ‘jongstleden’ –ik merk het terwijl ik het opschrijf- associeer ik in gedachten met ‘overleden’. Laatstleden overleden. Te jong.

Maandag ben ik nog in haar appartement geweest. De huur is met ingang van volgende maand opgezegd. Ons rest nog de afsluitende taak om haar woning straks leeg op te leveren aan de woningbouw. Zo schoon alsof er niemand in heeft gewoond. Terwijl dat toch jarenlang wel het geval was. Maar de laatste weken niet meer. Sinds vrijdag de dertiende is ook een eind gekomen aan haar aanwezigheid in de flat. Bijna drie weken geleden alweer. Heel voorzichtig maken we hier en daar aanstalten om naar een definitief afscheid toe te groeien. De finale kost tijd.

Op de keukentafel staat Trudy’s juwelenkistje. Haar dochter heeft het daar teruggezet, op verzoek van een andere zus van mij. Die had nog graag een herinnering in de vorm van een kettinkje of iets dergelijks. De mailwisseling daarover had ik gezien. De dochter maakte er geen enkel probleem van. Integendeel. Naast het kistje lag een blocnote, waarop ze een lieve boodschap had geschreven. ‘Neem maar mee wat je wil hebben. Wat over is wil ik wel weer graag meenemen. Het kistje ook. Ik heb er een toepassing voor bedacht. Ook deze blocnote wil ik graag terug’. Prima. Trudy zou niet anders gewild hebben.

Ik opende het kistje en haalde er een wirwar aan halskettinkjes uit. Aan sommige daarvan hing een kruisje. In de wanorde was niet te zien aan welk kettinkje welk kruisje hing. Mijn oog viel op een lange zwarte haar, ook verstrengeld in de wirwar. Dat raakte me. Bij het om en af doen van de kettinkjes was die blijkbaar mee het kistje in gegaan. Voorzichtig heb ik alle kettinkjes los gehaald en ze naast elkaar op de tafel gelegd. De lange haar heb ik een paar minuten vastgehouden, maar daarna ook weer losgelaten. In de wetenschap dat zelfs wanneer alles is losgelaten, de herinnering aan haar toch kan worden vastgehouden. De finale. Haar loslaten om aan haar te blijven denken.

Ook in die zin is ‘finale’ een prachtig woord om mee te eindigen. Voor haar. En voor iedereen die haar heeft bijgestaan. Tot op het laatst. In dank en respect.

Een mooie dag in juni

Het is de eerste zonnige dag deze week die niet eindigt met onweer. Zondag doet deze keer zijn naam eer aan. Het is net 20.00 uur geweest. Ik denk met plezier terug aan twee orgeloptredens van afgelopen vrijdag.

Het eerste was ’s middags in Hof te Berkel. Het was fijn om te merken dat de bewoners van de groepswoning genoten van de muziek en de liedjes. Er werd zelfs een walsje gedanst. Het was warm, maar ik had een strategisch plekje bij de deur naar de gezamenlijke tuin. Af en toe waaide er een verkoelend briesje naar binnen. In de tuinstoelen buiten schoof spontaan nog wat luisterpubliek aan. Al met al een plezierige set van ongeveer een uur. De toegift (het lied ’Heimweh’ van Freddy Quinn – wie kent hem niet..) viel in goede aarde bij een mevrouw die vanwege haar Duitse roots, maar vooral door haar dementie, voornamelijk nog Duitstalig sprak.

Dergelijke optredens geven me altijd een dubbel gevoel. Wat overheerst is de tevredenheid dat ik op die momenten voor deze mensen even een muzikaal verschil mag maken. Maar zo nu en dan bekruipt me ook een gevoel van vervangende eenzaamheid en uitzichtloosheid. Een man vraagt me of ik zometeen weer terug naar Horst ga. Op mijn bevestigende antwoord vraagt hij of ik hem dan niet mee wil nemen, want hij moet daar ook zijn..

Ik probeer hem te overtuigen dat hij al in Horst is en dat hij dus niet weg hoeft. Maar de dementie is sterker. Hij voelt dat hij niet is waar hij zou willen zijn. Het wrange is dat hij waarschijnlijk ook niet meer weet waar dat wèl was. De ontheemde blik in zijn ogen, de rusteloosheid, grenzend aan hulpeloosheid. ’Nou, tot ziens’, zegt hij, en hij vertrekt door de tuindeur. Vijf minuten later is hij weer terug. Ook de tuin is een plek die alleen maar uitkomt waar je al was. Evengoed heerlijk dat de tuin er is, en dat deze mensen op een mooie plek kunnen wonen en begeleid worden op een warme en huiselijke manier. Maar toch..

Op het eind van deze vrijdagmiddag mijn tweede optreden. Op muziek van mijn orgeltje een tekst voorgedragen op een gouden bruiloftsfeest. De dochter van het jubileumpaar had me een paar dagen eerder hun levensloop in min of meer chronologische volgorde toegezonden. Een leuke uitdaging om dat verhaal op te knippen en op rijm te zetten. Uiteindelijk werden het negentien vier-regelige coupletjes. De muziek van ’Macky Messer’ voegde op de juiste momenten nog net wat extra accenten toe. Ik had het idee dat de muzikale boodschap goed binnenkwam bij de gasten van de gouden bruiloft. Het gouden paar leek zelfs wat ontroerd. En zonder twijfel was dat het geval bij een van de kleindochters, die vervolgens op een aandoenlijke manier getroost werd door oma.

Kortom, ook hier overheerste het goede gevoel. De emoties van zo’n vrijdagmiddag zijn voelbaar en zichtbaar. Het komt binnen en maakt wat los. Bij een zoekende man in Hof te Berkel. Bij een kleindochter van een jubilerend paar. Bij hun twee dochters. Bij een spontaan aanschuivend publiek in een gezamenlijke tuin of op een idyllische plek in de Kasteelse bossen. Bij een Duitssprekende mevrouw die voorheen blijkbaar enkel Nederlands sprak. En bij mij komen die emoties binnen. Omdat ik midden tussen al deze mooie mensen in mag staan. Met woorden en met muziek. Op speciale plekken. Genieten van het moment. En (daarom) nu nog even naar Cambrinus. Het is 21.09 uur.

In de rust van Weverslo…

Tekst voordragen op orgelmuziek, in de serene rust van natuurbegraafplaats Weverslo. Een mooie ervaring om dat te mogen doen. En ook een mooie ervaring om ter plekke de sfeer te kunnen opsnuiven. Rusten in vrede krijgt daar een hele letterlijke betekenis. Wat een prachtige plek en wat een mooi initiatief van de familie Peterink.

Met dank aan Math, die de opnames hieronder heeft gemaakt en Ron voor de uitnodiging om er te mogen optreden.

Voor wie nieuwsgierig is, hieronder de beelden van vier verschillende voordrachten.

Trudy

Het is al meer dan tien jaar geleden. Trudy had een, wat wij broers en zussen, ‘mindere periode’ noemden. Ze zag dan de dingen anders dan dat wij die zagen. En daar was ze op die momenten bijna niet van af te brengen.

drie kaartjesDrie kaartjes had ze stevig in haar hand, toen ik haar thuis bezocht. ‘Daar draait het allemaal om’, zei ze en ze gaf me één van de kaartjes. Ze had er zelf iets op geschreven. Een citaat van Maria Montessori. Ik las het en herinner me, dat terwijl ik het las, ik in mijn hoofd bezig was hoe ik haar zelfbedachte ‘drie-eenheid’ weer naar ‘onze wereld’ terug kon redeneren.

Maar toen ik opkeek van het kaartje, zag ik de tranen in haar ogen. Tranen die ik al jaren niet meer had gezien. Haar wereld raakte ineens met enorme kracht mijn wereld. Haar moeder was ook mijn moeder. Trudy en ik waren kinderen met dezelfde geschiedenis. Tegelijk deelde zij verleden en  toekomst met haar eigen kind. Haar pijn werd even ook mijn pijn. Diep en snijdend. Moeilijk onder woorden te brengen.

Op dat moment pastte alleen maar huilen. Onze tranen weerspiegelden hetzelfde leed. Niet lang, want al snel was het weer alleen haar pijn. En bleef ik zitten met een diep gevoel van herkenning.

Ik was er door van slag. Zonder woorden had ik slechts een fractie van haar pijn ervaren. En dat raakte me zó diep. Hoe krachtig moet een mens zijn om de volle omvang van die pijn te verdragen, vroeg ik me af. Trudy bezat die kracht. Telkens weer. Haar moeder -onze moeder- ook. Ik wil geloven dat ook zij die kracht had. Zo sterk zelfs dat haar lichaamskracht er uiteindelijk niet tegenop kon, toen ze een longbloeding kreeg, terwijl ze geestelijk aan het opknappen was.

 

Jaren later, 2015, lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Het beeld van enorme kracht wordt opnieuw bevestigd. In dat jaar wordt Trudy namelijk ook lichamelijk op de proef gesteld. Ze doorstaat het met verve. Met driekwart long neemt ze de fatale diagnose in 2016 met een stoicijnse berusting: ‘Mensen gaan dood aan kanker. Ik waarschijnlijk ook, maar daar ben ik niet bang voor. Dan zie ik mijn vader en moeder weer’, zegt ze op de terugweg van het ziekenhuis naar Horst.

Op haar ziekbed, ongeveer een maand geleden, vraagt ze me om het fotolijstje van haar dochter open te maken, om te controleren of het kaartje er nog inzit.

drie kaartjes2Hetzelfde kaartje van tien jaar geleden komt inderdaad tevoorschijn. ‘Oké’, zegt ze, alsof die wetenschap haar gerust stelt. Een paar weken verder gaat haar toestand in een paar dagen snel achteruit. Mijn zus Mariet en ik zitten wakend aan haar bed in het pas geopende hospice ‘D’n Doevenbos’.

Terwijl Trudy slaapt, vertel ik Mariet over het kaartje achter de foto. Ik pak het er uit en reik over Trudy heen om het Mariet te geven. Terwijl die naar het kaartje kijkt, gebeurt dat wat onvermijdelijk is. Trudy stopt met ademen terwijl Mariet het kaartje in haar hand houdt.

Het is alsof op datzelfde moment het kind in Trudy zich verheft. Het begrijpt ineens de waarheid, die voor ons allemaal nog duister is. Wie groot wil zijn in het koninkrijk der hemelen, die worde gelijk aan de kinderen. Trudy heeft die tekst van Maria Montessori jarenlang bewaard. Ik vanaf nu ook.

drie kaartjes3

Loslaten…

‘Loslaten’ staat opvallend groot op de cover van het maandblad ‘Filosofie’. Niet alleen qua lettertype groot en opvallend. Ook omdat het meteen de kern raakt van de situatie waarin ik me bevind. Waarin we ons met een aantal mensen bevinden. Waarin we ons, nu ik er zo over nadenk, eigenlijk allemaal bevinden. Het maakt dat ik het woord met meer dan toevallige interesse in me op neem.

De mei-uitgave zit nog in de plastic. Een paar uur geleden op de deurmat gevallen. ‘Loslaten’ zie ik staan. En in kleinere letters daarboven de toevoeging ‘de kunst van het’. Iets daarboven in een ander lettertype en kleur het zinnetje ‘weg met to-do-lijstjes en zelfhulpboeken’. Ik weet niet of het een met het ander te maken heeft -dat zal ik straks wel lezen- maar de toon is gezet.

‘Loslaten’ dus. Iets dat ik de laatste tijd heel bewust doe, in de letterlijke zin. Als ik merk dat gespannenheid in mijn lichaam ontspannenheid in de weg zit, is het vooral op momenten loslaten van spierspanning en meteen daarna bewust genieten van de ontspanning die dat tot gevolg heeft. Kortstondig, want juist in het dicht op elkaar zittende contrast schuilt de voldoening, is mijn ervaring.

Dat lichamelijke ‘loslaten’ is overzichtelijk. Complexer wordt het wanneer het over gevoelens gaat. Verdriet over een op handen zijnd afscheid. De confrontatie met de groeiende onmacht. De moeilijk benoembare angst voor de pijn. Vage vrees voor het onbekende. Het onvermijdelijke ervan. De onzekere pogingen dat tegen beter weten in zo goed mogelijk te willen begrijpen om er naar eer en geweten naar te handelen.

Dat laat me niet los. Maar kan dat eigenlijk wel? Hoe kun je iets loslaten, als het je zo tot op het bot raakt en je tot in je vezels bezig houdt? En dan ben ik nog maar een relatieve ‘buitenstaander’. Die er probeert te zijn, samen met anderen, voor iemand waarvoor het woord ‘loslaten’ binnen niet al te lange tijd haar meest extreme betekenis gaat krijgen. Het loslaten van het leven.

Hoe eenvoudig is het om een ongemakkelijk liggende hand onder mijn hoofd vandaan te halen, om die vervolgens ontspannen naast mijn hoofdkussen neer te leggen, en te genieten van dat korte moment. De eenvoud van ‘loslaten’? Nu ik daar zo over nadenk: er zit een vreemd soort van troost in de gedachte dat op het moment dat je het leven los moet laten, je ook de dood kunt laten varen. Dat gevoel van troost langer vast houden is misschien wel het devies. En er ondertussen -gelukkig, of zo gelukkig mogelijk- voor haar (en voor elkaar) te zijn.

Zou dat ‘de kunst van het’ zijn? Ik zal de plastic er eens vanaf halen.

Onvermijdelijk…

Al een paar maanden loop ik rond met de drang om er iets over op te schrijven. Vooral omdat het zo ingrijpend is. Maar dat is tegelijk de reden dat het er nog steeds niet van gekomen is. Tot nu. Waarom? Omdat het onvermijdelijk is.

Hele praktische dingen vergen zoveel tijd dat het schrijven erover er niet van komt. Het mee voeren van een intakegesprek bijvoorbeeld, twee dagen geleden, waarin de wijkverpleegkundige precies die vragen stelt, die ik tot dat moment alleen nog maar angstig zachtjes in mijn hoofd durfde te stellen. Het onvermijdelijke lijkt steeds dichterbij te komen.

Met mijn broers en zussen probeer ik zo goed mogelijk dat te doen waarvan we niet weten of het juist is. Terwijl het wrange is dat wat we ook doen, dat nooit zo verkeerd kan zijn als wat het lot heeft bepaald. En dus doen we en regelen we dat wat het onvermijdelijke noodzakelijk maakt. Samen met haar dochter.

Vandaag word ik gebeld door Medipoint om een rolstoel, een rollator en een douchestoel op te komen halen. Die ga ik straks bij haar brengen. Misschien testen we de rolstoel meteen wel uit, want de lucht is blauw en de bomen worden langzaam steeds groener. De natuur wacht nergens op. Ook dat is onvermijdelijk.

Op haar bucketlist staat een wens: het appartement van haar dochter bezoeken, die door hetzelfde lot nooit de vragen heeft kunnen stellen die haar nu onvermijdelijk bezig houden. Dat bezoek gaat er komen. Of het alle vragen gaat beantwoorden? Dat denk ik niet. Maar wel een paar hele essentiële. Omdat het stellen van de vraag eigenlijk al het antwoord is.

Geconfronteerd worden met het onvermijdelijke komt zo dicht bij de kern, dat het pijn doet. De zenuw van ons bestaan wordt geraakt. En tegelijk ligt daar de oplossing. Ultiem. Onuitgesproken. Tijdloos. Dat, en de zacht voorbij glijdende witte wolken in een strakblauwe lucht, maken het onvermijdelijke draaglijk. Door de groene blaadjes waait hoop.

De telefoon gaat. Medipoint. De rolstoel is er.

Koude wind en regenvlagen

Een gedicht voorgedragen, op de buikorgelmuziek van ‘Wind of change’ van de Scorpions. Opgevoerd tijdens café de Verbeelding van donderdag 14 april. De titel sluit aan bij het moment van toen: harde, koude wind en regenvlagen tegen het raam. Gedachtenvlagen in dezelfde sfeer. Vlagen van onherroepelijke verandering.

Beste bedoelingen

Eén op de drie landgenoten vond het referendum de moeite waard en heeft dat vertaald in een keuze. Twee derde van alle nederlanders dus niet en een van hen ben ik. De voornaamste reden is dat mijn hoofd er niet naar stond om een driehonderd pagina’s tellend verdrag door te lezen, om daar vervolgens ‘voor’ tegen te zeggen. Of tegen ‘voor’ te zijn. Of zoiets. Het ‘nee’- en ‘ja’-kamp ten spijt -goed gewerkt jongens- maar nee, bedankt. Er waren andere dingen.

Kan Maurice de Hondt nog wel even nagaan hoeveel van die 427.939 referendum-wensers ook daadwerkelijk heeft gestemd? Als daar het gemiddelde ook 1 op de 3 is -iets dat je gezien de wet van de grote aantallen best zou mogen vermoeden- dan had het hele referendum per saldo helemaal niet de drempel van 300.000 verzoeken gehaald.

Maar zo mag je niet denken. Onze democratisch tot stand gekomen Wet Raadgevend Referendum (1 juli 2015) heeft minder dan één jaar later al tot een ‘overwinning van de democratie’ geleid. Zo hebben we het met z’n allen gewild: die 40 miljoen euro is goed besteed. We hebben tenminste éindelijk een keer mogen zeggen wat we er van vonden.

En dat deden we dan ook massaal. Op 6 april in de stemhokjes weliswaar nog niet met zo heel velen, maar vooral vóór die tijd al, massaal op alle daarvoor geschikte media. En na gisteren gaan we al helemaal los. We raken er niet over uitgesproken. Het ‘nee’-kamp ziet zich glorieus bevestigd en het ‘ja’-kamp voelt zich volslagen ontkend. Winnaars en verliezers, net als vóór 6 april.

Er wordt gefluisterd dat er al heel veel verzoeken binnen druppelen bij de Kiesraad om op korte termijn een tweede referendum te houden. Vooral om de stille meerderheid van de nederlandse bevolking alsnog een stem te geven: Was u voor of tegen het referendum van 6 april jongsleden? Het aantal verzoeken voor dat referendum loopt al aardig op. Terecht.

Het zou me zelfs niet verbazen als dat tweede referendum de grens van 300.000 nog eerder gaat halen dan het referendum dat ook al heel aardig op scheut is: bent u voor of tegen de inzet van statushouders bij het uitzetten van asielzoekers? We komen er wel met z’n allen. Stijlloos, dat wel. Bedenkelijk peil ook, maar heej.. burgers van Nederland, we hebben er recht op! En we hebben er genoeg van. Ik ook. Precies de reden dat ik 6 april niet ben gaan stemmen. Met 300 pagina’s vol van de beste bedoelingen overigens, maar dat had u al wel begrepen. Toch?

T.

Harde wind slaat met vlagen grijze regendruppels tegen het raam. Een onbestemd gevoel van binnen wordt nog eens aangewakkerd door de trieste, natte kou van buiten. Donker ingekleurd door onzekerheid.

Donkere wolken. Buiten en in mijn hoofd. Bezorgdheid over wat je te wachten staat. Gedachtenvlagen lijken tranenregen te voorspellen. Onwetend over wat er komen gaat, maar bewust van de dreiging.

Grijs en zwart overschaduwen brutaal het te voorzichtige blauw. Twijfel waait koud om het hart. Soms heb je van die dagen. Ongetwijfeld is morgen het weer anders…