‘12 songs’…

Schrijven en muziek gaan heel goed samen. Zeker als je inspiratie zoekt om wat op papier te zetten. Opschrijven wat je hoort is dan een mooie start. Ik luister naar ‘12 songs’ van Neil Diamond. Stuk voor stuk mooie nummers. Heerlijke meeslepende muziek en met passie gezongen.

Mijn handicap bij dit soort nummers is dat ik op gehoor de tekst nooit zo goed kan volgen. Ik maak me daar niet zo druk om. Ik geniet des te meer van losse zinnen die ik wel opvang en waar ik dan mijn eigen fantasie op kan loslaten. ‘Stand by you, were i belong’ is er zo een. Of deze: ‘flesh and blood, and yours forever’. Twee zinnen uit het tweede nummer van de cd.

Het derde nummer start. Ik probeer met alle concentratie een mooie volzin op te vangen, maar het lukt me niet. Bijna op het eind van het nummer hoor ik ‘Tell me why..’. ‘Love you still, guess i will.. evermore’. Toch mooi. ‘Save me a saturday night’ is nummer vier. ‘Leave me some room at your table’. ‘I wanna slip into your heart if i might’. ‘Want to stay there as long as i’m able’. Pure poëzie.

‘I can feel it’. Uit vijf. En uit zes: ‘Tell me now how i was wrong and i tell you how right you are’. Als ik de rest goed interpreteer is het een lied over een relatie die verbroken gaat worden. Zeven is een beauty. ‘..discover what you really need’. ‘What’s it gonna be when the night is cold’. ‘What’s it gonna be when the morning scares you’…

Acht: ‘I’m a man of God, but i never learned to pray’. Maar dan toch dit: ‘I thank you Lord, for giving me song’. ‘Singing for him is like touching the sky’. En ik meen dat ik opving ‘no need to know why..’. Negen begint met accoorden die ik associeer met een kerkelijk lied. Ave Verum? Ik kan het niet thuisbrengen. ‘Create me’.. ‘to live again’ zingt Neil.

‘Our destiny is now, create me!’. Tien begint met ‘When you look away from me..’. ‘Face me. Need you to face me’. ‘Love me, need you to love me’. ‘..comes from the heart, not from the head’. ‘Hold me, reach out and hold me’. ‘Face me today..’. Dan elf. Lekker deuntje. ‘Love is not about you and it is not about me. Love is all about we’. ‘Love is not about young or old’. En dan nog een mooie over een touwtje waar je een knoop mee kunt maken. Maar dan moet je die knoop wel ergens aan vast maken, anders heb je alleen maar een knoop. Ik vind dat mooi. Op naar twaalf..

Chips, er komt niks meer! Heb ik al schrijvend een nummer gemist. Of het zijn er maar elf. Zometeen eens even nazoeken… Nee, er staan toch echt twaalf nummers op. Ergens aan het begin heb ik een nummer gemist. Ik denk ‘Captain of a shipwreck’. Wel gehoord, maar niks over opgeschreven. Afijn. Als ik de zinnen teruglees die ik wel heb genoteerd, dan voel ik respect. Ik hoor wijsheid in de teksten. Gevormd door zijn leven is het wijsheid die hij deelt met de luisteraar.

Het afgelopen uur was ik dat. Mocht je getriggerd zijn door de woorden hierboven, luister dan zelf eens naar die twaalf nummers. Is het toeval dat ik nu aan de apostelen denk? Zal wel door die twaalf komen. Hoe dan ook. Neil Diamond. ‘12 songs’. Doen.

Het is op vijf minuten na, twaalf uur. Hmm…

Het groene gras…

Een fris briesje waait over het grindpad, waar ik met mijn rug naar toe zit. Ik kijk uit over een weiland met wat pony’s. Twee veulentjes heeft de lente gebracht. Het is zondagochtend en ik zit op een bankje in de buitenlucht. Zojuist de tweehonderjarige eik gecheckt, maar de eikeprocessierupsen zitten er nog steeds.

Honderd meter verderop zie ik een ander bankje, dat er speciaal neer lijkt te zijn gezet, om te genieten van de wei en het landschap er omheen. En dat doe ik dus nu, terwijl ik het beschrijf. Geluiden van schapen en lammetjes bereiken me, afgewisseld met het klokken van een kalkoen en het snateren van eenden. Landelijk tafereel dat rust uitstraalt.

Gistermiddag een uur georgeld en gezongen in Hof te Berkel. Op een gesloten afdeling, maar in een open sfeer. De deur naar de gezamenlijke tuin stond open. Tot twee keer toe zag ik daar een bewoner van een andere woning, die vooruitgeduwd werd door een vrijwilliger of een familielid. Ze hielden even halt om van de muziek te genieten.

Ook muziek en zang, gisteravond. Een optreden van Baer Traa en Egbert Derix in Casa Verde van Kasteeltuinen Arcen. In een méér dan groene omgeving zaten we gelukkig bijna vooraan. Omdat het buiten de ‘groene kas’ stevig regende, was het niet alleen geïnteresseerd publiek dat binnen was. Af en toe leek het wel alsof er achter ons een klas kleine kinderen juist deze avond had uitgekozen voor hun schoolreis.

Pianist Egbert Derix en singer/songwriter Baer Traa

Ondanks het vriendelijke verzoek van Baer, tijdens het optreden, was de k(l)as niet stil te krijgen. Evengoed genoten. Na het optreden nog even met Baer en Egbert gesproken. Mooi hoe Baer het rumoer omschreef als ‘iets waaraan niemand iets kon doen’. Ik heb daar diezelfde avond nog een paar keer aan moeten terugdenken, aan die opmerking. En nu weer.

Terwijl je ergens mee bezig bent, overkomt je iets dat je niet prettig vindt. Je stelt dat vast, probeert er vervolgens wat aan te doen, maar weet eigenlijk ook meteen dat het niet te voorkomen is. Dus blijf je doen waar je mee bezig bent. Weliswaar in een andere context, maar alles gaat door. Geen verwijten, gewoon doorgaan. Berusten in wat er is.

Ik denk terug aan de bewoners van Hof te Berkel, waar ik die middag heb georgeld en gezongen. Ze zijn bezig met hun leven. Dan overkomt hen iets dat niet prettig is. Ze stellen dat zelf vast, of het wordt door anderen vastgesteld. Ze besluiten -of het wordt besloten- dat het eigenlijk niet te voorkomen is. Dus blijven ze doen waar ze mee bezig zijn. In een andere context, maar alles gaat door. Geen verwijten, doorgaan. Berusten.

Ik kijk de wei nog eens in. De pony’s grazen. De kalkoen klokt zo nu en dan. Vogelgeluiden van alle kanten. Op afstand hoor ik auto’s, maar er heerst vooral rust. Ik vraag me af hoe het ons later zal vergaan. Als ons iets overkomt, en wie weet, we geplaatst worden in een andere context, zullen wij dan ook gewoon kunnen ‘doorgaan’? Zonder verwijten of wroeging?

Wat zou het mooi zijn, bedenk ik me, om dan te kunnen berusten. De rust te voelen, die nu fris over me heen waait. Wat niet te voorkomen is, komt een keer. Maar tot die tijd het leven blijven leven. Blijven grazen. Blijven klokken. Blijven. Zittend op een bankje, kijkend over de wei. Jij en ik. Wij.

Steeds weer hoort hij geluid van nu
Al wat er was, is hoe het is

Het leven leeft hem, niet bewust
van wie hem ooit lief heeft gekust

Maar dan hoort hij geluid van toen
Al wat er is, weer hoe het was

Niet dor en doods,
maar groen als gras

Dat geeft hem even weer de rust
die frisse bries van levenslust

Mees…

Half vijf. Maandagmiddag. Schrijfplekje in de schaduw op de T-splitsing Dr. Droesenweg-Schadijkerweg. Vanaf de Nieuwstraat hier naar toe, alleen maar wind-in gefietst. Opnieuw dus zweetdruppeltjes in ontwikkeling. Minder dan vanochtend bij het scheren van de beukenhaag thuis, maar toch. Als er nu nog lezers over zijn: welkom bij mijn bijdrage van vandaag. Waar het over gaat? Over onze Mees.

Een appje, pakweg tweeëneenhalf uur geleden, dat hij al in Narvik was. Gisteren een appje vanuit Nordkjosbotn, op zijn eerste dag liften vanuit Tromsø naar huis. Voor degene die wat minder aardrijkskundig onderlegd is: Tromsø ligt 2131 kilometer noordelijker dan het plekje hier aan tafel waar ik nu zit te schrijven. Nordkjosbotn 2098 kilometer en Narvik 1983 kilometer.

‘Alweer twee liften gekregen’ meldde hij om vijf minuten voor twee vanmiddag. ‘Nu in Narvik’ met een emoticon die optimisme verraadde: duim en wijsvinger in een bolletje en de andere drie vingers omhoog. Oké! ‘Bijna thuis’ appte ik even enthousiast spontaan terug. Na een half jaar studeren in Tromsø kijken we allemaal wel uit naar zijn behouden thuiskomst…

Een reis naar huis die hij dus niet, net als de heenweg, per vliegtuig wilde afleggen, maar liftend, dwars door Noorwegen. Met in zijn rugzak een tentje, slaapzak, kookgerei en een zakmes als meest noodzakelijke onderdelen. Zondag vertrokken, maandagmiddag in Narvik en wie weet, ondertussen weer tientallen kilometers zuidelijker. Nog een dikke 1900 kilometer te gaan…

‘Ergens in juli kom ik thuis’. Dat is het plan. En verder heeft hij twee locaties in Noorwegen die hij graag nog bezoekt op zijn reis naar huis. De E6 is zijn rode draad richting het zuiden en een nieuw abonnement van KPN op zijn mobiel zorgt voor plattegrond en communicatie. Een prachtige reis in het vooruitzicht, vooral ook omdat hij het zelf zo graag wilde.

Het half jaar in Tromsø voor zijn studie Biologie is omgevlogen. De week dat wij er waren, in maart, lijkt al heel lang geleden. Toen lag er metershoog de sneeuw en bewonderden we samen in de vrieskou het poollicht. Voor ons de allereerste indrukwekkende keer, voor Mees een gedeelde vreugde, omdat hij het met ons samen beleefde. Het vinkje op zijn bucketlist werd ook een vinkje op de lijst van ons.

Hij gaat er voor. Heeft waarschijnlijk alweer nieuwe plannen. Straks Sziget met een aantal andere avonturiers uit Horst. Leeftijdsgenoten en vrienden die net als Mees de wereld stukken kleiner vinden dan wij, hun ouders. Die ervaringen opdoen op hun manier. Zelfstandig hun zaken regelen en slechts zo nu en dan terugvallen op de achterban, bijvoorbeeld omdat ze geen Raboreaders in Noorwegen hebben…

Onze reiziger met duidelijke doelen voor ogen. Doelen die vooral geënt zijn op een immense portie nieuwsgierigheid. Voor de stille momenten tijdens zijn hike door Noorwegen heeft hij een boekje gekocht: ‘The subtle art of not giving a f*ck’ van Mark Manson. Subtitel: ‘A counterintuitive approach to living a good life’. Een bestseller waar er miljoenen van over de toonbank gingen. Eén daarvan onlangs over een Noorse toonbank.

Het echte leven gaat over ervaringen, schrijft Manson. Leer je beperkingen kennen en accepteer die. Omarm je angsten, je fouten en confronterende waarheden. Dan ontstaat er eerlijkheid en doorzettingsvermogen en wordt nieuwsgierigheid verder aangewakkerd. Ik wil dat boek straks ook lezen, als Mees terug is. Maar nog liever wil ik het straks van hem overhandigd krijgen. Ergens in juli… Nog 1900 kilometer wachten… Komt goed!

Geschreven scherven…

Schrijven. Gedachten vastleggen, die anders nietszeggend zijn. Als één boom in een bos. Nadenken. Woorden vinden voor wat anders nietszeggend is. Als een bos zonder bomen.

Ik denk na over wat ik zojuist heb geschreven. Gevonden metafoor met een dubbele laag. Door de bomen het bos niet meer zien. Of, als je het bos ziet, geen oog meer hebben voor de bomen. Te véél bezig met details of juist te weinig?

Ik zit aan de schaduwkant van ons huis en kijk om me heen. De beukenhaag moet binnenkort worden gesnoeid. Tussen de stenen groeit hier en daar wat onkruid. Aan de overkant van de straat start de buurman zijn motor. Het stationaire geronk laat vogelgeluid verstommen. Dan rijdt hij weg. Ik hoor de kerkklok weer.

Vlakbij me een pot waarvan de inhoud de scherven zouden kunnen zijn van zichzelf. Ze waren met z’n tweeen. Sinds er een kapot viel, ‘vult’ die de ander. Ze staan voor twee afgezaagde boomstammetjes, waarvan de één zijn schors al verloren heeft, terwijl de ander daarmee bezig is.

De pot en de stammen lijken bij elkaar te worden gehouden door een stronk, die begroeid is met lichtgroen mos.

Details. Stuk voor stuk gedachten oproepend. Samen een stilleven. Zowel in de voortuin als in mijn hoofd. De zon kruipt milimeter voor milimeter dichterbij. Straks is dit niet meer de schaduwkant. De beukenhaag staat al in de zon. Net als de boom aan de overkant van de straat. Eén boom. Geen bos.

Gedachten. Als scherven van een stil leven op de vroege zondagochtend. Vastgelegd in woorden. Geschreven scherven.

Tussen ongeloof en verdriet…

Ineens is ze er niet meer. Een eigen besluit, op een donker moment. Ondanks al het licht in haar leven. Als ik naar haar foto’s op het scherm kijk, dan is er licht om haar heen. Als ik naar de verhalen van haar naasten luister, dan is er liefde en lichtheid. Maar ik realiseer me dat er, tussen al dat licht, ook duisternis moet zijn geweest. Zodanig dat lichtheid ongemerkt ook zwaarte kon worden. Als je het licht niet meer ziet, dan wordt alles donker. Te zwaar om te dragen. En toch, de liefde blijft…

Ongeloof en verdriet. Bij de nabestaanden en bij alle aanwezigen bij dat laatste afscheid. Haar broer en zus vertellen samen over haar leven. Herinneringen krijgen woorden. Momentopnames van herkenning. De ritueelbegeleidster spreekt over het licht om haar heen. Nu gesymboliseerd door de kaarsen en het kaarslicht om haar kist, als een voorzichtige en liefdevolle buffer tussen licht en donker. Want de liefde, die blijft…

Haar kinderen zijn daar het toonbeeld van. Uit liefde ontstaan, tientallen jaren geleden, klinkt vandaag die liefde door hun tranen heen. Tegelijk zijn er vragen, zijn ze machteloos, geschrokken, boos maar vooral verdrietig. Ze houden elkaar vast om de zwaarte te verdelen die hen nu verbindt in deze donkere tijd. Een tijd die zo licht leek en straks ook wel weer licht zal worden. Want daar gaat de liefde voor zorgen, de liefde die blijft…

Met elkaar proberen te begrijpen wat onbegrijpelijk is. Accepteren wat eigenlijk onacceptabel is. Ik luister naar de metafoor over de komma die ineens een punt werd. Het waren zo ongeveer de eerste woorden tijdens de afscheidsdienst en met die woorden werd de dienst ook besloten. ‘Waar je een komma verwacht, staat ineens een punt’. Een zelfgekozen einde aan een verhaal. Ja, maar ondanks die punt gaat haar verhaal door. Gedragen door alle liefde om haar heen, die van punten weer komma’s maakt. Kom maar… want de liefde, die blijft.

Sterkte,
voor hen in het licht,
voor hen in het donker.

punt komma

Eiken en beuken…

Recht boven de houten bank, onder aan een stevige tak van de 200-jarige eik, zie ik ze zitten. Een nest eikenprocessierupsen. Ik had al zo’n vermoeden dat ze er zouden zitten, omdat ik van een vorige schrijfsessie onder de eik, nietsvermoedend een jong eikenprocessierupsje mee naar huis had genomen.

Een paar dagen geleden stond er een artikel over in de krant. Niet zozeer wat er aan de overlast van de rupsen te doen was, maar vooral de constatering dat we er maar aan moesten wennen. Het stadium van oplossen waren we al gepasseerd, aldus de schrijvers van het artikel.

Sterker nog, we moesten ons maar alvast voorbereiden op dennenprocessierupsen, die vanuit de Ardennen, zich al aan de grens aan het verzamelen waren. Samen met de reuzenteek zouden ze bij aanhoudend warme zomers ons land net zo overspoelen, als dat de eikeprocessierups dat had gedaan.

Op dit moment zit ik in de schaduw van drie beuken en ga ik er voor het gemak en mijn gemoedsrust van uit dat beukenprocessierupsen nog niet bestaan. Het is wat. Ik vraag me af hoe het zo ver heeft kunnen komen met de eikenprocessierups. Of zou die 200 jaar geleden het eikje van toen ook al hebben lastig gevallen?

Zou best kunnen. Misschien hingen er toen ook trossen rupsen aan de bomen en wisten de mensen uit die tijd dat je daar gewoon van af moest blijven. Net zoals je van brandnetels af moest blijven, omdat die prikten. Tenzij je een lollige oom had die jou als jong ventje wijsmaakte dat sommige brandnetels niet prikten en dat illustreerde door van onder af in een stoere beweging de bladeren van de netel te stropen.

Toen wij gerustgesteld die brandnetels ook vastpakten, leerde je de pijnlijke les dat brandnetelbladeren alleen aan de onderkant niet prikken. Hij had het ons ook gewoon kunnen vertellen, maar zo schepte hij er blijkbaar meer genoegen in. Afijn, een ervaring uit mijn jeugd, die ik mijn leven lang bij me zal dragen. Er zijn altijd minimaal twee kanten aan een zaak, waarvan er één kan prikken…

Zojuist op mijn telefoon een kort filmpje bekeken over de dennenprocessierups. Die blijkt in de rupsfase dus echt in een processie, in een hele lange stoet, achter elkaar aan te kruipen, om zich vervolgens in te graven om onder de grond te verpoppen. Waarschijnlijk doet de eikenprocessierups ook zoiets. Toch eens opzoeken, wanneer ik weer onder de eik kan gaan zitten. Tot zo lang hou ik het even bij beuken.

…de vraag is: waar gaat die eerste naar toe…

Troostwoorden…

Een verhaal schrijven over een afscheidsdienst waar ik bij aanwezig ben. Dat doe ik zo nu en dan. Zeker wanneer het overlijdensbericht me raakt en ik de overledene of een van de nabestaanden ken. Waar vaak vooraf en tijdens zo’n dienst condoleances worden uitgesproken, merk ik dat ik de indrukken graag achteraf pas, in alle rust en vol respect, op papier wil zetten. Als een verhaal van troost voor de nabestaanden. Maar ook een verhaal voor mezelf. Woorden van medeleven, omdat ik het afscheid mocht mee-beleven.

Het verdriet tijdens zo’n dienst raakt de aanwezigen en raakt mij. De emoties zijn hoorbaar, zichtbaar en voelbaar. De gesproken woorden, heel persoonlijk gericht aan de dierbare overledene, belichten tegelijk een universele kant van ieders bestaan. Er is herkenning. Echtheid. Ontroering. Het verdriet dat in een ieder van ons verborgen ligt, wordt er even door aangeraakt en komt aan de oppervlakte. Het uit zich in vloeibare erkenning van de eindigheid. Even. En dan gaan we weer door.

Want juist dat verdriet gaat vaak gepaard met een ode aan het leven in al zijn facetten. Dan wordt het een allesomvattende mix van emoties, die louterend werkt. Die kracht geeft om door te gaan. Die na storm en regen weer zon en warme wind laat voelen. Die ook laat zien dat het allemaal tijdgebonden is, waardoor vreugde en verdriet elkaar voortdurend zullen blijven afwisselen. Meestal onverwacht en zonder enige regelmaat, maar met de zekerheid van het moment.

Die momenten in een dienst zijn daarom zo waardevol. Leven staat nergens dichter bij de dood dan daar, bij het afscheid. Waar de een gaat, daar komen de anderen. Ze laven zich aan de herinneringen en zetten daarmee het leven voort. Het afscheid is onherroepelijk ook een welkom aan alles wat daarna komt. En daar woorden aan mogen geven, voelt als een eerbetoon aan het leven. Aan het leven van degene die er niet meer is. Een leven, dat vanaf dat moment onderdeel wordt van het leven van hen die er nog wel zijn.

Telkens weer. Steeds opnieuw. Woord voor woord.

Gedeelde beleving die zinnen verzet
Middels woorden die raken, in tranen gebed

Leven en dood in een vreedzaam ballet
Laten zout zoeter smaken, in een innig duet

Verbindt zo akkoorden, tot refrein en couplet
En dan vind je de woorden, in tranen gebed

Jurgen

Er stond een Munckhof-touringcar te wachten bij de Mèrthal. Voor Pinkpopgangers las ik toen ik er aan voorbij liep. Daar zou Jurgen ongetwijfeld veel liever zijn ingestapt, was mijn eerste gedachte. Maar zo was het niet. Hij moest in de Mèrthal zijn. Voor het laatst. Zijn overlijdensbericht, een paar dagen eerder in het weekblad, sprong er uit door de blauwe lucht in de achtergrond.

Dat die lucht niet altijd blauw is, was vanochtend tijdens de openingswoorden van Lucie Geurts in de Mèrthal te horen. De wind van buiten wilde naar binnen leek het, op hetzelfde moment dat Jurgen naar binnen werd begeleid. Zijn vrouw, Jacqueline, en hun kinderen liepen naast de witte kist. Ze droegen Jurgen naar zijn plek op het podium. ‘Heaven rocks‘ las ik op de kist. Met drie kruisjes en de naam Jacq.

Diezelfde Jacq stond als eerste naast Jurgen op het podium. Haar woorden beschreven hun gezamenlijke levensverhaal. Hoe ze elkaar hadden ontmoet, hoe ze samen het leven hadden omarmd en hoe zeer ze dat ging missen. Dat ze daar stond ‘was niks voor haar’, zo was ze haar verhaal begonnen. Maar de kracht van elk woord en elke zin was nadrukkelijk aanwezig. De wind was het met haar eens.

Misschien was dat wel de ‘papa-lucht’, zoals zijn dochter Liv dat in haar persoonlijke boodschap aan haar vader beschreef. Een strakblauwe lucht was voor haar vader en haar meestal het teken geweest om van de zon te gaan genieten. En zo’n helderblauwe hemel hadden ze ‘papa-lucht’ gedoopt. Haar woorden en die van haar twee broers Max en Sid kregen spontaan applaus van de vele aanwezigen. In de stilte daarna hoorde je opnieuw de wind. Papa-lucht?

Mooi om in de herinneringen van Max en Sid zo duidelijk hun vader terug te horen. ‘Waat flikte geej meej nouw’ waren zijn eerste woorden geweest toen Max hem verteld had dat hij op jongens viel. Meteen gevolgd door: ‘Wette jông, geej môt doon wao geej gelukkig vaan werd’. En dan Sid, die in zijn jeugd blijkbaar vaker de confrontatie met zijn vader was aangegaan. Misschien wel juist omdat hij in zoveel opzichten op hem leek. Ze waren sterk, Max, Sid en Liv. Met Jacq. Bij Jurgen.

Het was te vroeg. En het was oneerlijk. Maar het was zoals het was. Zijn vriend Hans Lenssen las een persoonlijke brief voor waaruit hun diepe vriendschap bleek. Wat vaak niet of te weinig was uitgesproken, benoemde Hans nu met nadruk, met een voorbeeld uit het verleden, bij de Stones op Pinkpop. Ook muzikaal werd die vriendschap bekrachtigd. De band Karloff, waar Jurgen vroeger deel van uitmaakte, legde de wind in de Mèrthal even het zwijgen op.

Wiel, de oudste broer van Jurgen, kon zich nog de dag van diens geboorte herinneren. Ook uit zijn verhaal klonk de vanzelfsprekende liefde. Liefde die meestal niet in woorden werd uitgedrukt, maar er gewoon was, in het er voor elkaar zijn. In het samen delen van het leven. In liefde en in vriendschap. Ieder op z’n eigen manier. In wonen, werk en welzijn. De emotie in het verhaal van Albert Vermeulen, Jurgens werkgever en vriend, was tekenend. Vriendschap. Door weer en wind.

Woorden die niet gesproken werden, klonken door in de muziek. Karloff speelde als afscheid het favoriete nummer van Jurgen: ‘Heaven rocks’. Dezelfde woorden op de witte kist leken mee te bewegen op het ritmische meeklappen van nagenoeg alle aanwezigen. Daarna kon iedereen persoonlijk afscheid nemen om vervolgens aan het laatste verzoek van Jurgen gehoor te geven: ‘een flesje Grolsch heffen op het leven’.

En dat deden er veel. Het geluid van tegen elkaar klinkende groene flessen klonk bijna net zo ritmisch als het klappen van een paar minuten eerder. Je voelde en zag de ontroering. En die werd mogelijk nog groter toen de familie zelf ook aanschoof, mét de witte kist in hun midden. Jurgen was er bij. Zijn laatste feestje, dat hij graag had willen missen, maar waarbij hij van het begin tot het eind zo nadrukkelijk aanwezig was.

Buiten waaide het nog. De wind duwde wat grijze wolken opzij om het blauw te laten zien. In het gedachtenisprentje las ik de woorden van Sid: ‘Aas iets liefs oow verlut, blieft de liefde oaver. Op 4 juni ziede weggevloage…’. Gedragen door de wind, op weg naar de zon. Lekker liggend in de lucht. ‘Papa-lucht’… Blauw met hier en daar een witte wolk.

Ook op Pinkpop, zag ik ‘s middags in een filmpje. Er is niet altijd een Munckhof-bus nodig om ergens te komen… Jurgen was erbij. Daar en hier. En dat zal zo blijven. Proost!

 

Voor Jacqueline, Max en Freek, Sid en Anne-Fleur, Liv

Jurgen Spreeuwenberg

Geworteld…

Iemand heeft wortels gepoot, vlakbij het bankje onder de tweehonderd jaar oude eik. En het lijkt alsof er nog een ander gewas tussen de wortels is uitgezaaid. Mogelijk vanwege een goed doordachte en verantwoorde ecologische reden. Dat zou wel passen bij deze plek die traditie ademt en eeuwenoude ervaring uitstraalt.

Ik ben geen tuinder en ik kan het dus heel goed mis hebben. Voor het zelfde geld is het allemaal onkruid dat nog net iets weliger tiert dan de wortels. Maar het zet me wel aan het denken. Als het bewust bij elkaar is gezaaid, dan is dat een mooie metafoor van hoe er naast elkaar geleefd kan worden. Sterker nog, hoe twee verschillende soorten elkaar kunnen helpen om zich allebei verder te ontwikkelen.

Zelfs als het wel onkruid is tussen de wortels, dan nog zou je daar een diepere boodschap uit kunnen halen. Het naast elkaar leven gaat nog steeds op, want beide planten staan er frisgroen bij. De wortels lijken in rijtjes te staan, voor zover ik dat vanaf mijn bankje kan beoordelen. De andere planten -onkruid of niet- hebben daartussen nog ruimte gevonden. Naast elkaar leven én elkaar de ruimte gegeven.

Volgens een aantal weerapps wordt het de heetste 2e juni ooit. Ik heb ergens het jaartal 1947 voorbij zien komen, toen het op 2 juni 29,5 graden was. Als het vandaag warmer wordt, dan hebben we een record te pakken. De heetste 2e juni ooit gemeten. Zou iemand vandaag de wortels water komen geven, vraag ik me af? Want sinds 1947 hebben worteltjes het nog nooit zo heet gehad op deze dag.

Ik voel de neiging opkomen om één worteltje uit de grond te trekken. Nieuwsgierig naar hoe ver ze al zijn. Ik weet van vroeger dat je dat voorzichtig moet doen want anders heb je het groene loof in je handen en blijft de wortel eigenwijs in de grond achter. Ik doe het toch maar niet. Ik wil de jonge wortel en mijzelf niet teleur stellen.

Laat ik het houden op de boodschap die wortels en andere planten mij deze ochtend hebben ingefluisterd, onder de tweehonderd jaar oude eik. Groei naast elkaar en geef elkaar de ruimte. Deel het water, mocht je dat op de heetste dag van je leven gegeven worden. Leen de schaduw van de zon en deel de koelte van de wind. Waar je ook geworteld bent, gun dat ook de ander. Groei samen!

Mooie plek hier…

Tommy in ’t plat


Nog elke morgen word ik wakker met een liedje van ‘Tommy’ in mijn hoofd. Vandaag een week geleden was de eerste uitvoering. In de zaal zaten 600 mensen in afwachting van wat ging komen. Een dag later weer 600 bezoekers en op zondag, bij de laatste uitvoering, opnieuw volle bak. ‘Tommy in ’t plat’ was lang van te voren uitverkocht. En de mensen kregen waar voor hun geld.

Het succes was de optelsom van het enthousiasme van de initiatiefnemers, de klasse van alle muzikanten en solisten, de krachtige visuele effecten tijdens de show en de puike dialektvertaling van alle originele engelstalige teksten. En ook al waren die dialektteksten zo nu en dan minder goed verstaanbaar, toch leverde het geheel een oog- en oorstrelend samenspel op. Het was genieten vanaf de plaats waar ik zat.

Ik had elke voorstelling de beste plaats. Rechts op de bühne stond namelijk een fauteuil, van waaruit ik op verschillende momenten de rode draad van het verhaal -in dialekt!- aan het publiek mocht verduidelijken. Een prettige taak, ook omdat ik daarmee drie avonden achter elkaar getuige kon zijn van al het moois dat er werd geboden. En die kwaliteit kwam binnen. Drie keer overtuigend en met volle kracht. Heerlijk!

Daarom word ik nog elke morgen plezierig wakker met een nummer van de rockopera in mijn hoofd! Een fijne bijkomstigheid die voor mij het bewijs is dat ‘Tommy in ’t plat’ van een hoogstaande kwaliteit was. Gelukkig zijn er opnames van gemaakt. Zowel geluids- als video-opnames. Op L1-radio wordt de dialektversie van Tommy binnenkort (Pinksteren?) in zijn geheel uitgezonden. En volgens mij komen er beelden van zowel de ‘making of’, de repetities alsook van de uitvoering op DVD.

Daar kijk ik naar uit. Om zo nóg een keer getuige te kunnen zijn van die momenten waar ik het afgelopen weekend zo van genoten heb. En voor de muzikanten en solisten op de bühne eigenlijk pas de eerste keer dat ze zelf zien waar 1800 mensen zo enthousiast over waren. Net als ik. Enthousiast, omdat de klik die er was tussen alle muzikaal betrokkenen aanstekelijk werkte voor iedereen die er naar keek en luisterde.

Drie avonden een uitverkocht huis en drie avonden een staande ovatie. Een terechte beloning voor de inzet van velen. ‘Ontmoeten’, ‘verbinden’ en ‘verrassen’. Dat zijn de drie dragende elementen’ van het herdenkingsjaar rondom het 800-jarige bestaan van Horst aan de Maas. Drie kenmerken die met de rockopera ‘Tommy in ’t plat’ op alle denkbare manieren eer werden aangedaan.

1800 toeschouwers lieten zich verrassen en voelden zich verbonden bij de ontmoeting met -en hier komen ze- Joep, Josien, Renée, Roy, Tina, Marc J., Marc A., Petri, Lennart, Jan, Maikel, Eva en Sandra. De rockbandleden Philippe, Richard, John, Joris. Tel daarbij alle leden van de koninklijke harmonie van Horst op, onder leiding van Geert Mooren, Pepijn die de visuals verzorgde en Jesse Passenier, die de arrangementen schreef. Samen met Wim en Ger die de dialektvertaling maakten en de muzikant op de contrabas, waarvan ik nu even de naam niet weet.

Vanaf deze plek een hele, hele diepe buiging voor jullie allemaal en een tweede buiging voor alle mensen achter de schermen die jullie daarbij geholpen hebben. Top, top top. Niet vreemd dat er nu opnieuw een liedje in mijn hoofd klinkt: De titel? Sensatie!

PS De mooie foto’s zijn van Marcel Hakvoort

PS 2 De contrabassist heet Arthur Geurts (dank je Roy!)