Vogelpoep…

Op de T-splitsing van de Dr. Droesenweg en de weg naar Meterik. De picknicktafel onder drie bomen. Heel goed kijken waar ik kan gaan zitten, want zo goed als de hele tafel en bank zit onder de -gelukkig opgedroogde- vogelpoep. Onder de tafel wat ingedeukte lege blikken en sigarettenpeuken. Er zijn blijkbaar meer mensen die het plekje zonder poep hebben gevonden.

Ik laat de vogelpoep en de troep voor wat die is en wil het eerstvolgende benoemen dat in me opkomt: Willem Engel. Wát een zelfgenoegzaamheid in dat gezicht toen hij na het kort geding naar buiten kwam. Zijn fans zongen hem toe. ‘Willem bedankt, Willem bedankt’ en hij kreeg volgens mij ook nog bloemen. De demonstratie op het Malieveld mocht niet doorgaan, maar de aanklacht tegen de staat, dat had hij toch maar mooi voor elkaar gekregen.

En het voelde goed bij de fans. Willem verwoordde precies wat iedereen dacht. De regels moesten overboord. De staat wist er niets van. Het was allemaal doorgestoken kaart. Die anderhalve meter had geen enkele zin en eigenlijk moest alles anders dan dat er tot nu toe was beweerd. Maurice de Hond had het ook gezegd en Willem was het daar roerend mee eens. En andersom. Want zij wisten het beter. Maurice en Willem, de Messias van #viruswaanzin.

Wát zij wisten, dat wist de PVV en FvD ook. Meerdere malen tijdens kamerdebatten, hekelden zij het beleid van de regering. Zij waren de zelfbenoemde stem van het volk. En dat volk wilde anders. Baudet met zijn kenmerkende, nét zo zelfgenoegzaam lachje als Willem en Wilders met zijn diep ingesleten, getergde blik. Zij wisten het. Het volk, waar zij voor stonden, wist het. Alleen de regering, die wist het niet en -o Holland let op!- die wilde het zelfs niet weten.

De petitie van stichting #viruswaanzin werd blijkbaar door meer dan een half miljoen mensen ondertekend. En duizenden mensen hebben volgens Willem gedoneerd aan de stichting, zodat ‘er wel duizend keer een kort geding kan worden aangespannen’. Nodig, vindt Willem, ‘want de strijd kan nog wel twintig jaar duren’. Willem is op een missie. En hij heeft de Hollandse wind mee. En de hooligans, maar die organiseren zich zelf. Hoewel sommigen de petitie misschien ook wel ondertekent hebben.

Twintig jaar…

Hoe lang zou het duren voordat vogels een picknicktafel volledig hebben ondergescheten?

De anderen…

Denken dat het anders is dan wat anderen denken. Niet alleen het gevoel hebben, maar ook zeker weten dat het anders moet dan anderen denken. En dat gevoel van zekerheid dan omzetten in anders doen dan anderen doen. In de hoop dat die anderen dan gaan denken dat het anders is dan zij in eerste instantie dachten. En hopelijk anders gaan doen dan dat ze deden.

Er zit een volgorde in het bovenstaande. Het begint ergens mee en dan komen er reacties. Laat ik de coronacrisis als actueel voorbeeld nemen. Toen die begon volgden er maatregelen. Afgekondigd door mensen die het op dat moment voor het zeggen hadden. En iedereen vond er wat van, maar deed over het algemeen wat er werd afgekondigd. Want er was, voor zover dat mogelijk was, over nagedacht.

Totdat het wat langer ging duren en er meer tijd was om na te denken. Toen gingen er stemmen op dat het misschien wel anders was dan wat aanvankelijk werd gedacht. Het gevoel werd zekerheid en men ging anders doen dan wat anderen deden. Want de anderen hadden ongelijk en dat moest worden veranderd. Want de anderen zeiden niet wat anderen wel zeiden en dat maakte de anderen verdacht.

Actie. Demonstreren. Laten zien aan de anderen dat je er anders over denkt. En jij niet alleen. Heel veel anderen. Maar dan verbieden de anderen dat. En weer anderen doen niet mee. Omdat ze vinden dat dat op basis van de eerder afgekondigde maatregelen niet veilig is. Maar jij vindt juist dat het anders is. Een kort geding moet uitkomst bieden, maar de rechter geeft de anderen gelijk. Dus kiest hij partij voor de anderen. Dat schiet niet op.

Het moet anders. De anderen doen het verkeerd en er is niemand anders dan jij, samen met heel veel anderen, die het wel goed doen. Dus wat moet je dan. Je hoort niet bij de anderen want jij denkt anders. Vind ook dat de anderen anders moeten denken. Dus je denkt na hoe het nu anders moet. Omdat je denkt dat die anderen daar niet over nadenken. Die anderen gaan er niet uitkomen. Jij wel, want jij hoort bij die anderen.

als jij denkt
dat het anders moet
dan doet de ander
het niet goed

omdat je anders
bent dan zij
hoort elke ander
er niet bij

iedereen is anders
anders dan iedereen
hoor je bij de anderen
juist dan ben je alleen

zoek het niet
in het verschil
zoek naar wat
je samen wil

Artwork: Matteo Paganelli (Unsplash.com)

Hoe zal ik het zeggen…

‘Je hebt nooit geschreven wat je eigenlijk had willen schrijven. En daarom houdt het schrijven ook nooit op’. Ik las het onlangs ergens maar ik weet niet meer precies in welk verband. Het had te maken met inspiratie. Maar ook met het maken van keuzes. Ik kan me wel vinden in die uitspraak. Ik herken de drang om te schrijven, zelfs als je nog niet weet waaróver je wil gaan schrijven. En als er vervolgens toch iets ontstaat, dan blijft het gevoel dat je mogelijk niet helemaal tot de kern gekomen bent. Dat houd je dan tegoed voor de volgende keer.

Ik heb het schrijven wel eens aangeduid als het maken van een soort van nalatenschap. Iets maken dat blijft, om een deel van mezelf achter te laten. Dat klinkt nogal dramatisch, maar zo bedoel ik het niet. Of tenminste, in die letterlijke betekenis van nalatenschap zie ik dat meer als een automatische bijvangst. En bovendien nog maar alleen als mijn blogsite -mocht ik er ooit niet meer zijn- ook daadwerkelijk in de lucht blijft. Niets is zeker in het leven en zeker dat niet. Het vluchtige van de digitale wereld kan tegelijk mateloos confronterend zijn. Misschien nog wel een leuk onderwerp om een volgende keer over te schrijven…

Het meeste dat ik schrijf, landt digitaal. Een column of gedicht bewaar ik in eerste instantie op mijn site. Van daaruit wordt er automatisch op Facebook, Twitter en LinkedIn melding gemaakt van het zojuist bewaarde. Zodoende confronteer ik de rest van cyberspace ermee. Het is dus niet alleen een behoefte om vast te leggen wat ik denk, maar tegelijk wil ik het delen met de rest van de wereld. Ik laat het na, op hetzelfde moment dat het ontstaat. Ook hier weer een interessante paradox die ik een ander keertje zou kunnen oppakken: Hoe verhoudt ‘nalaten’ in de zin van erfenis zich tot ‘nalaten’, in de zin van iets niet doen? Interessant…

Hoe dan ook, ik laat bewust anderen ongevraagd in mijn gedachten kijken, en gebruik daar woorden en zinnen voor. Ik heb er ooit in een verontschuldigende bui het woord ‘teksthibitionisme’ voor gebruikt. Want ik ben me er voortdurend van bewust dat het niet vanzelfsprekend is dat anderen de columns of gedichten lezen. En als ze die lezen, of ze er wel van gediend zijn. Toch kies ik er voor om mijn schrijfsels consequent te blijven delen. Voortdurend ‘na te laten’ aan wie dan ook. Aan de ander de keus om er iets mee te doen. Of niet.

O ja, er is nog een voordeel aan het schrijven, realiseer ik me al schrijvende. Puur eigenbelang. Ik merk dat het mijn geheugen helpt, wanneer ik een column van jaren geleden of een gedicht teruglees. Dus mezelf laat ik zo ook nog wat na. Dat dus, opgeteld bij de constatering aan het begin van dit schrijven. De uitspraak die ik wel herkende. Dat wát ik schrijf achteraf misschien wel nooit precies is wat ik had willen of had moeten schrijven. Dat betekent voor mij dat ik er voorlopig nog wel mee door ga, met schrijven over wat me bezighoudt en me inspireert. Je mag het lezen, als je wil. En reageren mag ook.

Hoe zal ik het zeggen…
Photo by Jamez Picard on Unsplash

Bestemming…

de witte bloem die wuift
in schoonheid naar het gras
alsof de plek waar dat ze bloeit
er voorbestemd voor was

er staan er zo nog heel veel meer
te onpas en te pas
net of dat op elke stek iets groeit
waar het voorbestemd voor was

op en in en naast elkaar
een kleurrijk samenspel
omdat het altijd al zo was
kan dat bij witte bloemen wel

Wolken rond Hanni…

Hemelsbreed zal het zo’n vijfhonderd meter zijn. Van de plek waar ik nu zit tot het huis waar ik vroeger menige avond heb doorgebracht. Op het eind van mijn middelbare schooltijd was ‘huis ten Brink’ de plek waar we samenkwamen. Waar we naar muziek luisterden en ieder op zijn of haar manier, mede dankzij die plek, mét elkaar groeiden in het leven. Ik herinner me het grote examenfeest, dat we met z’n achten gaven. Vier waren er geslaagd en vier niet. Ik hoorde bij de laatste groep.

Er kon veel op die plek. Zo nu en dan waren we live getuige van het opzoeken van grenzen, wanneer vader Ten Brink met één van zijn zoons, Stefan, Maurits of Guido, in discussie ging over hoe de gemaakte afspraken nu eigenlijk geïnterpreteerd moesten worden. Ik kan me niet herinneren dat ik moeder Ten Brink die rol ooit heb zien nemen. Haar associeer ik meer met de momenten waarop we in de keuken welkom waren en samen wat mochten eten. En dat haar zoons haar volgens mij ook vaker aanspraken met haar voornaam: Hanni.

Nu, op zo’n vijfhonderd meter afstand hemelsbreed, weet ik dat zij in datzelfde huis ernstig ziek is. Weet ik dat haar kinderen haar in deze periode begeleiden. Veronderstel ik dat haar man haar mee verzorgd, met alle liefde en medische kennis die in hem is. Onlangs sprak ik Guido. En nog wat dagen eerder Jordi, die me vertelde over de speciale band die hij met haar had, vanwege hun gezamenlijke betrokkenheid bij het Huis van de Wijk in de Norbertusparochie.

Haar betrokkenheid. Hoeveel momenten waren het niet dat ik haar tegen kwam? Bij legio gelegenheden waar ik bijeenkomsten mocht presenteren, meestal met een maatschappelijk karakter. Hanni ten Brink liet daar op niet mis te verstane wijze keer op keer horen hoe ze over zaken dacht. Sociaal. Betrokken. Vader Ten Brink zag ik in diezelfde tijd vooral wanneer hij met vaste tred door Horst wandelde, in zijn eigen aanwezigheid en in gedachten verzonken.

Net als nu waarschijnlijk. Gedachten aan haar. Gedachten aan de momenten die ze samen beleefden. Gedachten aan Claudia, aan Judith en aan Maurits. Drie van hun kinderen waarvan het leven, in al zijn oneerlijkheid en hardheid, hen al afscheid van had laten nemen. Aan Marc, die een tijdlang letterlijk bij hen kind aan huis was, maar ook niet meer onder ons. Hoe zij, hij en Hanni, ondanks of dankzij, toch samen het leven bleven omarmen. Met Stefan en Guido en de mensen die hen lief waren.

Tot nu. Opnieuw een moment dat het leven en de tijd hun grillige kanten laten zien. Onontkoombaar. De tijd die hier vijfhonderd meter vandaan waarschijnlijk langzamer voorbij gaat, dan op andere plekken. Maar voorbij gaat ze. Naar een andere staat van zijn. Op weg naar een andere wereld, waar -wie weet- weer heel veel dingen samenkomen. Waar Claudia, Judith, Maurits en Marc missschien wel op haar wachten. Wie zal het zeggen. Het is haar gegund. Juist vanwege haar betrokkenheid en om wie ze is.

Zij was het die me ooit gezegd heeft dat ik een boek moest schrijven. In 2016 heb ik dat gedaan. De titel ‘Tijd heelt alle woorden’. Ondertitel ‘Troost en herkenning’. Als tijd alle woorden heelt, dan helen woorden misschien ook wel de tijd. Vandaar deze woorden voor haar en voor hen die haar straks in dit leven moeten missen. Maar tegelijk ook voor al diegenen die haar zometeen mogelijk weer gaan zien. Voor ons dus eigenlijk. Wie weet. Hanni…

Te vroeg gegaan…

De picknicktafel waar eerst vier mensen aan konden zitten, is vervangen door een twaalfszits-exemplaar. Er is een breed pad vlak langs de beek aangelegd, waar het eerst dichtbegroeid was. Toen had je alleen het smalle pad langs het water. Daar komen nu met een zekere regelmaat wandelaars, hardlopers of fietsers voorbij. Het wordt druk op jouw plekje…

Ik heb het idee dat er struiken zijn gerooid. Je plek is meer open geworden. Door de kastanjebomen druppelt er zonlicht op het frisse groen. Niet steeds, want voorbij waaiende wolken zorgen voor schaduw. De wind is vandaag nadrukkelijk aanwezig. Ik merk het vooral aan de hoeveelheid blaadjes en takjes op de tafel. Ook aan een te vroeg van de boom gevallen kastanje…

Te vroeg…

Te vroeg. Dat is het. Mensen gaan te vroeg. Of kun je dat niet zo zeggen en is alleen het tijdstip van vertrek op een ongelukkig moment gevallen. Vooral voor hen die achterblijven en nog alle tijd lijken te hebben. Vandaag in de Hallo opvallend groot het overlijdensbericht van Pieter Duijf gelezen. Stil van. Iemand die we vóór corona -toen je nog zomaar het café in mocht- regelmatig met zijn vriendengroep daar tegenkwamen. Niets aan de hand toen…

Het stemt tot nadenken. Het relatieve van tijd, die altijd door gaat, maar voor deze en gene toch ineens stil staat. Omdat eenieder van ons dat ooit heeft meegemaakt, gáát meemaken of juist op dit moment aan het meemaken is, is het goed om er even bij stil te staan. Of te zitten. Aan een tafel voor twaalf personen bijvoorbeeld, met uitzicht op druppels zonlicht in het groen.

Er valt een nóg jongere kastanje uit de boom. Door tijd en wind bepaald. Je hebt er niks over te zeggen…

de wind speelt
uren met de tijd
de tijd deelt
zon en regen

en kwijt of
spijt of afscheid
daar kan de tijd
wel tegen

de tijd bepaalt
spelenderwijs
wanneer het licht is
wanneer grijs

de tijd die weet
wat kleuren doen
verstopt in jong
kastanjegroen

niets aan de hand
maar dat was toen
nu druppelt zonlicht
tussen groen

en niemand
kan er
wat aan
doen…

Meeleven…

heel plotseling
valt alles stil
net na
je laatste zucht

het aardse
met het hemelse
in een keer
overbrugd

zo ben je er
en zo niet meer
als strepen
in de lucht

begin wordt eind
de witte lijn
lost op
in vogelvlucht

al ben je daar
toch ben je hier
met steeds
een lijntje ingeplugd…

Tien jaar…

…de volgende tien

Acht, misschien negen blokken van tien jaar. Een mensenleven. Voor mij een fors deel in het verleden en hopelijk nog een aanzienlijk deel in de toekomst. De aanleiding voor deze eerste zin is het paaltje dat ik nu voor me zie. Het getal 70 staat er prominent op, met een pijltje dat naar links wijst.

Aangezien ik een paar weken geleden zestig ben geworden, moest ik bij die zeventig meteen aan leeftijden denken. Aan de komende tien jaar dus eigenlijk. Wat zullen ze brengen? Nog meer periodes van lockdown? Of -laten we het positief formuleren- nog vaker heropeningen van terrassen? We zullen het zien. Eerst maar eens gewoon deze zondag doorkomen…

Dat pijltje naar links is natuurlijk gewoon de richting waar routenummer 70 naar verwijst. Maar was het wel een leeftijdsindicatie geweest, dan had ik gelukkig nog tien jaar lang ook gewoon naar rechts gemogen. Ik wil maar zeggen, het kan nog alle kanten op. Dus laat ik inderdaad maar niet te veel vooruitkijken.

Een korte impressie van dit moment. De zon in de rug, de wind op de kop. Een lekkere combi. De wind brengt het geluid van kerkklokken mee. Het zou Castenray kunnen zijn. Op de T-splitsing van de Grensweg met de Molengatweg is dat de dichtstbijzijnde kerk die met deze wind hoorbaar is, denk ik.

Afijn, na vandaag al een fietsgedichtje te hebben gedeeld, wilde ik dit ook nog even kwijt. Het is net 18.00 uur geweest. Zes uur. Misschien daarom wel de klokken? Of vanwege Pinksteren? Whatever. Het wordt ook wel weer 19.00 uur. En dan nóg later. Voor dat we het in de gaten hebben is het maandag 12.00 uur.

Zou het morgen druk zijn op het terras? Ik hoop wel dat het rood-witte lint weggehaald wordt. Dat vind ik zo deprimerend. Waar zouden de meeste mensen het morgen over hebben? Maar goed dat het weer live aan terrastafetjes kan. Dan hoeft er minder gezeurd te worden op social media over de verkeersmaatregelen op het Wilhelminaplein.

Zouden er echt mensen zijn die menen dat die maatregelen er alleen maar zijn om hen te pesten? Ik zou hen zestig, nee, zeventig keer achter elkaar willen zeggen…

Ach, laat ook maar…

Geluk gehad…

op plaatsen
waar ik even stond
kwamen er
woorden uit de grond

het waren
woorden van gewicht
ze vormden samen
een gedicht

dat ging toen langs
mijn been, gericht
rijmend op weg
naar mijn gezicht

de inhoud
maakte me wel blij
was grotendeels
gericht aan mij

bijna was ik er
voor gezwicht
toch hield ik stijf
mijn lippen dicht

want ergens in
die woordenbrei
stond slinks ‘corona’
er nog bij…

Gewoon anders…

Zo. In de Schaak. Op een plek waar volgens mij veel wandelaars, hardlopers en mountainbikers voorbij gaan komen. Aan de Gussenweg. Na een ronde fietsen, met de bedoeling om ergens te gaan schrijven, hier neergestreken. Tien uur vanmorgen thuis vertrokken en nu, 50 minuten later, al schrijvende aan het afkoelen aan een picknicktafel in de schaduw van de Schaak. Tot nu toe nog niemand gesignaleerd. Enfin. Maakt ook niet uit. Wel zojuist wat beestjes van mijn hand af moeten blazen.

Toen ik een uur geleden thuis wegging, ben ik door het centrum gefietst. Op straat waren opzichtige witte pijlen aangebracht. En op twee plekken -bij de ingang en bij de uitgang van het centrum- waren levensgroot twee witte menssymbooltjes op het wegdek gespoten, met de mededeling dat we ‘rekening met elkaar moesten houden’. Alle terrassen waren afgezet met rood-wit lint. Alsof er ook rekening gehouden moest worden met een ingelaste landelijke jaarbijeenkomst van het Rode Kruis. Of een soortgelijke happening met een rampentintje. Vreemde gewaarwording. Maar wel begrijpelijk.

Overmorgen mogen de terrassen open. En ook in de cafés zijn dan weer gasten welkom. Allemaal op basis van het ‘nieuwe normaal’, wat per definitie inhoudt dat het dat nog lang niet is. Nieuw wel, maar normaal? Nee, lijkt me niet. En bovendien een contradictio in terminis, als je het mij vraagt. Want als iets nieuw is, dan kan het toch nooit al normaal zijn? Maar ik wil me daar niet al te druk over maken. Want voor je het weet heb je er een probleem bij.

Het ‘nieuwe normaal’ lijkt in deze fase namelijk steeds meer een beladen semantische woordstrijd te worden. Rutte, als verpersoonlijking van het landelijke beleid, zou het niet meer zo moeten noemen, vinden tegenstanders, omdat het suggereert dat het nooit meer anders kan worden dan dat het nu is. Wie er in deze discussie gelijk heeft, laat ik met liefde in het midden. Om dezelfde reden dat ik even alle andere complottheorieën buiten beschouwing laat.

Maar wat ik wel vind, is dat taal mag leven. Taal is veranderlijk. Kneedbaar. En dat we om die reden zaken niet zo letterlijk moeten nemen. Of principieel over moeten doen. Wat vandaag ‘gewoon’ taalgebruik is, is morgen passé. Het ‘nieuwe normaal’ is net zo abnormaal als dat het ‘nieuwe abnormaal’ normaal is. En andersom. Als je beiden maar lang genoeg herhaalt, is het nieuwe er zo van af en blijft er gewoon normaal of anders abnormaal over.

Alles is een hele poos anders geweest en straks wordt hopelijk alles weer gewoon. Daar zit wat tijd tussen, die we ieder op onze eigen manier moeten zien te overbruggen. Het zal best wat ongewoon zijn als straks alles weer normaal is. Net zo goed dat het misschien in de toekomst wel heel gewoon wordt dat er zich nieuwe abnormale omstandigheden gaan voordoen.

Ik blaas voorzichtig nog een beestje van mijn toetsenbordje, vouw het op en duw het in mijn tas. Mijn normale toetsenbord ligt thuis. Dit opvouwbare is nieuw. Daar kun je mee in de Schaak schrijven. Voor sommige hardlopers misschien wel een abnormaal beeld. En toch kan het. Gewoon anders.