Opnieuw handelen…

De 4-daagse ‘retraite’ van vorige week heb ik de afgelopen dagen nog verschillende keren door mijn hoofd laten gaan. Een paar mooie ervaringen wil ik hierbij graag wat uitgebreider belichten. Eerst een kleine toelichting op de titel van deze column. Het woord ‘retraite’ is volgens Wikipedia afgeleid van het latijnse ‘retrahere’ en het franse retraire. ‘Re’ staat voor ‘opnieuw, weer’ en ‘traire’ wordt onder andere vertaald door ‘handel, verkeer’. Vandaar ‘Opnieuw handelen’, een column over iets ‘opnieuw doorleven’ en de waarde die dat kan hebben.

In de praktische sessie over Meister Eckhart hebben we in groepen van vier personen citaten van hem besproken. Het waren citaten van zo’n 800 jaar geleden en we kregen de tip mee om te proberen door de sterk religieuze sfeer van de teksten heen te lezen. De opdracht was om gezamenlijk één citaat uit te kiezen dat de groep -na bespreking- het meest raakte. Daarna kwamen de drie groepen weer bij elkaar. De reden voor de keuze van de groep werd vervolgens door elk groepslid individueel toegelicht. Dat leverde hele persoonlijke verhalen op.

Eén groep had het volgende citaat van Eckhart gekozen: ‘Zo gelijk aan zichzelf heeft God de menselijke ziel gemaakt, dat er in de hemel noch op aarde van al die prachtige schepselen die Hij zo vol vreugde heeft geschapen niet een zo aan Hem gelijk is als de menselijke ziel. Daarom wil God deze tempel leeg hebben, zodat zich er niets meer in bevindt dan Hij alleen.’
Drie van de vier legden uit, waarom zij dit citaat hadden gekozen. Het waren alle drie interessante ontboezemingen, maar het was het vierde verhaal dat vooral indruk op me maakte.

Het vierde groepslid namelijk -een gepensioneerde dominee- begon met te vertellen, dat het citaat in de groep van vier helemaal niet zijn voorkeur had gehad. Het waren de persoonlijke verhalen van alle andere groepsleden die hem nu ineens deden beseffen, dat het citaat ook voor hem duidelijk meerwaarde had. Hij had twee jaar eerder zijn vrouw verloren, legde hij uit. De emotie waarmee hij dat vertelde, deed mij vermoeden dat hij bij ‘al die prachtige schepselen’ ineens een duidelijk voorbeeld voor ogen had.

Hij voelde nu heel sterk dat ‘zijn tempel’ de afgelopen twee jaar gevuld was met verdriet. En wel op zo’n manier, dat hij dat verdriet zelfs gekoesterd had. Het in de groep over juist dat ene citaat van Eckhart spreken, had bij hem, al luisterend, het besef doen ontstaan dat hij die tempel zelf ‘leeg moest maken’ om het verdriet echt te kunnen verwerken. Hij zei dat in een prachtige volzin die ik voor mezelf heb genoteerd, omdat die mij zo raakte.

‘Er zit in de eerste twee zinnen iets dat een gevoel van heimwee bij me oproept naar een kracht die mijn tempel, die tot nu toe helemaal gevuld is met verdriet, leeg zou kunnen maken…’. Opnieuw, met zoveel emotie en innige overtuiging uitgesproken dat het in ieder geval bij mij, maar waarschijnlijk ook bij de andere aanwezigen, echt binnenkwam. Het was de kracht van welgemeende woorden, voortkomend uit een diep besef van her- en erkenning.

Een dag later, in eenzelfde setting van citaten bespreken en met elkaar delen, had ik zelf een soortgelijke ‘herbeleving’ van een emotionele gebeurtenis. Die werd overigens niet alleen door een citaat van Dag Hammarskjöld getriggerd. Een dag eerder had pater Henk Jongerius verteld over zijn roeping, de kloosterorde en het klooster zelf. Hij vertelde onder andere over zijn schrijverschap. Wat me daar vooral in raakte was zijn opmerking: ‘Je wil niet weten hoe kwetsbaar een schrijver is’. Wat ook herkenning bij me opriep was wat hij zei over zijn middelbare schoolexamen Opstel Nederlands, waar hij ‘een negen voor had gehaald.’

Beide opmerkingen kwamen in mijn hoofd samen met het citaat van Hammarskjöld dat wij als groepje hadden gekozen. De combi van opmerkingen en citaat raakte een aantal momenten in mijn leven, die ik door de manier waarop we in de sessie bij elkaar zaten, graag met de rest wilde delen. Met de kwetsbaarheid van de dominee van gisteren nog in mijn gedachten, vertelde ik in de plenaire groep over die raakvlakken.

Ook ik kreeg namelijk voor mijn eindexamen Opstel Nederlands destijds een negen. Dat examen was één dag na het overlijden van mijn moeder, die op het moment van haar overlijden was opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ze was daar om te herstellen van opnieuw een extreme manifestatie van haar manische depressiviteit. De dag dat ze daar stierf (door een longembolie, bleek later), kan ik me nog goed herinneren. Het werd een dag, waarin we als familie de emoties van het verlies met elkaar deelden. Op enig moment kwam de eindexamenperiode, waar ik toen middenin zat, ter sprake. Het besluit viel om die examens wel te gaan maken. Op het examenrooster stond één dag later het opstel Nederlands gepland. Eén van de 10 onderwerpen voor dat opstel was ‘Het kind en de dood’ en met mijn jongste zusje in gedachten heb ik toen blijkbaar heel veel emotie van me af kunnen schrijven.

Op het examen wiskunde, weer een dag later, scoorde ik een 2. Ik zakte dat jaar en slaagde een jaar later. Heel veel weet ik van dat jaar niet meer. Op de feestelijke afsluiting toen sprak ik de leraar Nederlands, die letterlijk tegen me zei, dat als hij een jaar eerder geweten had hoe mijn situatie op dat moment was, hij een 10 voor het opstel zou hebben gegeven. Maar hij herinnerde zich dat hij ‘twijfelde aan de echtheid van de beschreven emoties’. Die opmerking leek het rouwproces in mij pas echt los te maken. Ik kon niet anders dan mijn tranen de vrije loop laten. Hoe zuiver kon je zijn in het beschrijven van je emoties, één dag na het overlijden van je moeder en hoe onwerkelijk is het dan dat die beschreven emoties als ‘onecht’ en ‘niet zuiver’ konden worden ervaren. Ik was er stuk van en herinner me nog dat ik getroost werd door een leraar wiskunde.

‘Je wil niet weten hoe kwetsbaar een schrijver is’. Het citaat van Hammarskjöld versterkte dat gevoel. Vervolgens vertelde een van de deelnemers in de kring dat zij ‘roeping’ zag als een innerlijke stem, die je als het ware liet ontwaken en je duidelijk maakte wat je richting was. Dat deed me ter plekke terugdenken aan een ander moment uit mijn middelbare schooltijd. In het eerste jaar, in de brugklas, voel ik nog het moment dat ‘de wereld voor me open ging’. Tot dan lag er als het ware een sluier over mijn kindertijd, die toen ineens werd weggetrokken. In een keer kon ik de wereld in haar volle pracht zien. Een gevoel dat ik daarna nooit meer zo sterk heb ervaren als toen.

Gedachten en gevoelens. En de diepere grond daaronder. Het tijdens de retraite-midweek bezig zijn met drie denkers en met hun citaten, en de herkenning die dat bij mij teweeg bracht. Het is een ervaring die ik bij deze graag wil delen. Re-traite. Opnieuw -in het heden- doorleven van een situatie uit het verleden. Opnieuw handelen en dus ook de emoties van toen opnieuw beleven. Ik merkte het terwijl ik mijn verhaal in de kring deed, naar aanleiding van de flashbacks die de citaten en de verhalen bij me hadden opgeroepen. De emoties van toen overvielen me opnieuw, maar ik voelde dat het goed was om die weer te ervaren en ze deze keer, in het klooster in Huissen, ook daadwerkelijk te benoemen en met de andere aanwezigen te delen.

‘Wat je moet durven – jezelf zijn’, schreef Hammarskjöld in zijn dagboek. ‘Wat je wint, is dat de grootheid van het leven zich in jou weerspiegeld, naar de mate van je zuiverheid’. Het is zo waardevol om te ontdekken dat mensen uit het verleden -maar ook uit het heden- met hun geschriften en wijsheid jou, als persoon van deze tijd, kunnen raken en inspireren. Hun gedachten en ervaringen opnieuw in jezelf beleven en daar in alle zuiverheid naar handelen als je die herkent. Dat besef maakt de retraite van vorige week tot een hele mooie ervaring, die ik iedereen zou willen toewensen. Handel -steeds weer- opnieuw!

Retraite…

Alle boeken die er staan stralen oudheid uit. Een aantal is ook echt oud. In ieder geval in een staat die dat doet vermoeden. Er hangt een sfeer van vervallen wijsheid. Wijsheid, die er niet meer toe lijkt te doen. Op een vreemde manier wel passend bij mijn voorstelling van het klooster in Huissen, waar ik de komende dagen mag vertoeven. Ik ben op een midweek, waarin filosofie en retraite zijn gecombineerd. Het is maandagavond 10 augustus, half acht.

‘Leven zonder waarom’ is het thema van de midweek. Het is een uitspraak van Meister Eckhart van zo’n 800 jaar geleden. Hij is één van de drie denkers die de komende dagen aan bod komen. De rode draad is ‘Innerlijkheid’. Uit het voorstelrondje blijkt een grote diversiteit in de achtergronden van de twaalf deelnemers aan de midweek.

Innerlijkheid is een begrip waar blijkbaar moeilijk een definitie aan te geven is. Het raakt aan ‘ziel’ en ‘geweten, volgens Welmoed Vlieger, die de midweek begeleidt. Bij alledrie de denkers komt het begrip innerlijkheid terug als een tegelijk betrokken zijn bij de ander en bij jezelf. Het is de dialoog tussen de binnenwereld en de buitenwereld. In het spanningsveld van die twee werelden verhouden zich de drie denkers, waar we de komende dagen meer van gaan horen: Meister Eckhart, Dag Hammarskjöld en Søren Kierkegaard.

Om pakweg half 10 die avond praten we als groep buiten in de kloostertuin nog wat na. Het valt me op dat sommige mensen graag over zichzelf vertellen terwijl anderen liever luisteren. De ‘praters’ hebben voorbeelden uit hun eigen leven die ze -wat mij betreft ietwat voorbarig- meteen in verband menen te moeten brengen met de korte inleiding van Welmoed. Ik merk dat ik in deze fase meer geneigd ben om te luisteren.

De volgende dag krijgt Meister Eckhart meer diepte. ‘s Morgens informatie over zijn leven en werk en ‘s middags in groepjes van vier in gesprek over een aantal van zijn citaten. Opdracht is om uit de citaten met de groep er één te kiezen die je gezamenlijk het meest raakt. De reden waarom dat citaat gekozen werd, wordt vervolgens weer plenair door iedereen gedeeld met de rest. Een werkvorm die hele persoonlijke verhalen laat ontstaan.

Bij Dag Hammarskjöld, de volgende dag, hetzelfde patroon. En ook Søren Kierkegaard, donderdagochtend, krijgt op deze manier een onverwachte diepgang. Dat, gecombineerd met het ritme van het leven in een Dominicanenklooster, maken deze vier dagen tot een speciale ervaring. Voor het eerst in mijn leven bijvoorbeeld Lauden en Vespers bijgewoond.

In één van de pauzes heb ik één van de oude boeken opengeslagen. Mijn oog viel op een sfeervolle potloodtekening die me herinnerde aan een belofte die ik een tijd geleden aan een collega had gedaan die op zwangerschapsverlof ging. Ik weet nu wat ik haar ga sturen. Op enig moment in de resterende twee weken van mijn vakantie ga ik daar mee aan de slag.

Al met al, geïnspireerd door een midweek, waar mooie indrukken van buiten naar binnen zijn gekomen. Indrukken en emoties die bestaande inzichten nieuw elan geven en nieuwe inzichten hebben laten ontstaan voor verdere groei en verdieping. Tussen oude boeken met nieuwe mensen.

vervallen boek
vol oud latijn
vergeten wijsheid
teer vergeeld

stil in een hoek
verleden zijn
versleten grijstijd
weer gedeeld

Framen…

Onlangs deelde ik een column uit Nieuwe Revu van Leon Verdonschot. Ik vond dat hij prima verwoordde hoe ik zelf dacht over de verschillende inzichten die er over de corona-aanpak bestaan. De titel van zijn column: ‘De bedreigers van onze democratie komen vermomd als de verdedigers ervan’. Het is een open brief aan Willem Engel van Viruswaarheid. Een alinea daaruit:

‘De ironie van mensen die ‘Nederland is een dictatuur’ roepen is dat het ze ontgaat dat het bewijs van het tegendeel wordt geleverd door precies de mogelijkheid van het straffeloos uitspreken van die stelling. De ironie van jouw club, Viruswaarheid, blijft daarnaast dat je al je acties voert in naam van een vrijheid die de vrijheid van anderen beperkt.’

Gisteren deelde een vriend van me een andere column. Die kwam uit het Parool en was van de hand van Raisa Blommestijn. De titel: ‘Niet iedereen die het corona-beleid bekritiseert, is een gek’. De insteek van haar verhaal staat in de lead:

Iedereen die het corona-beleid bekritiseert, framen als een complotdenker, tast de gezondheid van onze democratie aan.

Ook zij haalt Viruswaarheid aan als een van de voorbeelden. Tot zover de overeenkomst. Het verschil is echter veel opvallender. Waar Leon het gevaar voor de democratie ziet in de verkapte vrijheidsstrijder, ziet Raisa het gevaar voor de democratie in het framen van onder andere Willem Engel als complotdenker.

Twee columns, de afgelopen dagen, die representatief zijn voor twee tegenstrijdige stromingen in de discussie over hoe er gedacht wordt over de corona-aanpak. Mijn vriend die de column van Raisa deelde, doet dat omdat hij het eens is met hoe Raisa tegen de situatie aankijkt. ‘Ze legt het beter uit dan ik het gedaan zou hebben..’, schrijft hij. Uit een eerdere column die hij zelf op Facebook schreef, is me deze zin bijgebleven: ‘Bewust is er voor gekozen om tot onbepaalde tijd een samenleving te ontwrichten.’ Nu weliswaar uit de context gelicht, maar hij doelde op de overheid met hun maatregelen rondom corona. De combinatie van twee woorden -’bewust’ en ‘ontwrichten’- verminderde voor mij de waarde van de rest van zijn uitgebreide verhaal.

Nu, na de column van Raisa, die mijn vriend in volle overtuiging deelde (net zoals ik in volle overtuiging de column van Leon Verdonschot deelde), begrijp ik waarom ik zo getriggerd werd door het gebruik van die twee woorden. Raisa spreekt in haar column van ‘framen van complotdenkers’. Door woorden en omschrijvingen te gebruiken, ‘plak je een etiket en breng je iemand bij voorbaat al in diskrediet’ schrijft ze. Maar framen we dan niet allemaal, vroeg ik me vanmorgen af? Of is van de overheid zeggen dat ze ‘bewust een samenleving ontwricht’ een objectieve constatering? Daar zet ik dan weer mijn vraagtekens bij. Of ben ik dan aan het ‘framen’?

Voor- en tegenstanders van de corona-aanpak, zeker aan de extreme buitenkanten van het meningenspectrum, gaan er samen -elkaar wederzijds framend en in twijfel trekkend- niet uit komen. Het virus zelf lijkt daar het meest van te profiteren. Dat gedijt waarschijnlijk het best in de steeds groter wordende kloof tussen de twee partijen. Die grotere afstand namelijk zorgt ervoor dat er steeds meer ruimte ontstaat voor een groeiende groep mensen, ouderen en jongeren, die zich bij beide kampen vanaf het begin al niet helemaal thuis voelden. Die vooral de zich alsmaar herhalende en heviger wordende strijd gewoon moe zijn. De groep die daarin een rechtvaardiging ziet om dan maar zelf hun keuzes te maken.

Ik doe dat ook, hoewel ik me het meest een aanhanger voel van ‘kamp overheid’. Vooral omdat zij vanaf het begin hun beslissingen (beleid en keuzes) hebben moeten baseren op onzekerheden. In mijn optiek is er daarna steeds vanuit voortschrijdend inzicht gehandeld om dat beleid zo optimaal mogelijk aan te passen aan de veranderende situaties. Misschien is dat naïef van me, maar het is wel een inzicht waar ik me het best bij voel. Juist omdat ik het ook niet zeker weet, wordt ik altijd wat argwanend van mensen die heel stellig beweren dat zij, en alléén zij, de waarheid verkondigen.

Maar nu ben ik weer aan het framen, denk ik… Ik hoop eigenlijk dat ik gezond blijf. En dat wens ik een ander ook toe. En mocht ik onverhoopt toch ziek worden, dan ligt dat aan het virus en nergens anders aan.

Foto Edwin Hooper (Unsplash.com)

Wij en ‘Wei’…

Het is half een, dinsdag op woensdag. Ik kom net thuis en het eerste bericht dat Facebook me voorschotelt, is een bericht van Ruud Lenssen: ‘Afgelopen weekend is pap gestorven. Sterk als je was heb je na het breken van je heup nog twee weken gestreden. Nu is het goed en heb je rust. Pap, je leeft voort in onze harten en middels de film blijven we jouw verhaal vertellen’.

Die film is ‘Wei’. Gezien tijdens de Limburgse première. Ruud’s bericht raakt me, omdat ik zijn vader, Jac, in de tuin van Hof te Berkel een tijd geleden nog heb zien wandelen. Hij schuifelde door de tuin en leek één met de planten waar hij langs liep. Eén met alle andere obstakels die op zijn pad kwamen en die hij stuk voor stuk met zijn handen aanraakte. In een tuin die ronde na ronde elke keer toch weer nieuw was. Zo geconcentreerd elk detail bijna liefdevol dichterbij halend, alsof hij continu opnieuw probeerde te begrijpen wat hij niet meer kon vatten. Telkens opnieuw beginnen bij de kern. Steeds weer. Je niet gewonnen willen geven, terwijl je niet meer weet waarvan je verliest…

De foto die Ruud bij het bericht heeft geplaatst, herken ik van de film. Het is het beeld van de eindscène, die destijds bij de premiére zoveel indruk op me maakte. Een toonbeeld van liefde, even ontsnapt aan de kille eenzijdigheid van de dementie. Er waren tijdens de film al momenten die me emotioneel raakten, maar die eindscene -volgens mij na de aftiteling- was zo ontwapenend en tegelijk zo veelzeggend, dat ik brak en mijn tranen de vrije loop liet. De woorden van Ruud daarna, en de gezamenlijk gedeelde emoties met het publiek raakten een universele snaar.

Dat was toen. Ik zie nu dat het 14 uur geleden is dat Ruud het overlijden van zijn vader heeft gemeld. Zijn bericht raakt me en ik voel de behoefte om er uitgebreider op te reageren, dan alleen het bedroefde gezichtje op Facebook. Misschien omdat ik bij de Limburgse première van Wei mocht zijn, en omdat ik op de een of andere manier het gevoel heb dat Ruud met ‘de goede dingen bezig is’. Maar vooral ook omdat ik Ruud’s vader, zoals gezegd, een tijd geleden in de tuin van Hof te Berkel nog heb gezien.

Onlangs mocht ik muziek maken met mijn buikorgel, en daarbij zingen in de tuin van de gesloten afdeling van Hof te Berkel. Tijdens mijn optreden liep Ruud’s vader daar. Ik herkende hem, van de film en omdat ik via Ruud’s facebookpagina de ontwikkelingen rondom zijn vader was blijven volgen. Ik wist dat hij een definitieve plek in Hof te Berkel had gekregen. Toen ik hem in de tuin zag, herinnerde ik me beelden uit de documentaire. Eén indrukwekkende scène met name. Zijn eerste bezoek aan een begeleid wonen project in Wellerlooi.

Alle facetten van onmacht kwamen in beeld. De pijn van het afscheid van het leven zoals het was. Voor zowel Ruud’s vader als voor Ruud en de overige familieleden. Op het moment van uit de auto stappen werd pijnlijk zichtbaar hoe confronterend het voor iedereen was. Zijn weigering in eerste instantie om überhaupt over de drempel te willen stappen naar een wereld die hem weer een stap verder af zou brengen van waar zijn gevoel op dat moment aangaf te willen zijn. En de noodzaak van de familie om hem daar toch uit liefde naar toe te begeleiden.

Wij zaten in de bioscoop en keken er naar. We zagen zijn wei en hoe die veranderde. Een krachtigere metafoor is niet denkbaar. Ja, misschien één. De poster van de documentaire, waarin Jac’s gezicht langzaam verwaait in de vervagende bladeren van een boom. De poster visualiseert letterlijk en figuurlijk de plek en de ervaring van eenieder die het aangaat. En nu, bij benadering 14 uur geleden, heeft de wind de wei definitief verlost van de zoekende ogen van Jac. Of misschien juist niet…

‘Afgelopen weekend is pap gestorven’, schrijft Ruud. De afstand tot zijn vader lijkt nu misschien nog groter dan waar de dementie al toe leidde. En toch. De pluk gras die Jac in ‘Wei’, in zijn wei, alsmaar vast bleef houden, laat de verbondenheid zien met de wereld die hij in stand wilde houden. Ondanks de dementie. Datzelfde beeld herkende ik in zijn wandeltocht door de tuin van Hof te Berkel, waar hij elke bloem en plant met aandacht aanraakte en even vast wilde houden. Mogelijk zonder besef, maar de essentie in volle concentratie keer op keer weer rakend.

De essentie namelijk, dat je ondanks een groeiende afstand tot de wereld, tot op het einde blijft zoeken naar de nabijheid van een allesomvattende liefde. Niet de bestemming maar de reis zelf, is belangrijk. Al loopt die honderd keer langs hetzelfde pad. Telkens is wat telt, hetgeen er toe doet. Wat telt, is wat je met aandacht doet. In opperste concentratie veranderde herhaaldelijk Jac’s wei. Om uiteindelijk uit te komen in een wereld waarin hij nu hopelijk vertoeft en niet meer hoeft te zoeken. Via alle plaatsen waar hij verbleef en alsmaar bleef zoeken, dit weekend geland in een wei, waar hij het gras in zijn hand met een gerust hart kan afgeven aan gevleugelde paarden.

Richting…

Een waardeloos richtingsgevoel. Maar wat maakt het uit. Nu zittend op de plek waar de Broekhuizerdijk overgaat in de Horsterweg. Vlak voor me staat een gigantisch blauw buizenkunstwerk, waar me nu pas van opvalt, dat elke buis voorzien is van een plaatsnaam: Broekhuizen, Broekhuizenvorst en Horst.

Vanochtend van thuis uit weggefietst, in de bedoeling het gisteren geopende fietspad van Broekhuizen naar Blitterswijck te gaan bewonderen. Dat is gelukt, via Melderslo en het Schuitwater. Bekende weg naar Broekhuizen. En daar inderdaad een nieuw fietspad opgefietst, langs de Maas. Mooi, maar allemaal nog wel heel nieuw. Wordt wel wat.

Omdat het zo nieuw is, staan er nog nergens richtingwijzers. De hele tijd in de veronderstelling gefietst dat ik in Blitterswijck zou uitkomen. Nog even gepauzeerd bij een mooi watertje, waar Staatsbosbeheer een bord bij had gezet: ‘t Sohr’. Opnieuw de fiets op, richting Blitterswijck en toen ineens, tadaaaa…. In Swolgen..

Nog heel even gedacht, dat als ik dan door zou fietsen, ik aan mijn rechterhand de afslag naar Blitterswijck zou krijgen. En als ik rechtdoor zou gaan ik in Wanssum uit zou komen. Die gedachte duurde tot het moment dat ik een bord zag dat ik naar Hayberries kon en in de gaten kreeg dat de volgende plaats van aankomst Broekhuizenvorst zou zijn. Daar was ik smorgens al zo goed als aan voorbij gefietst…

Hm. Zoals gezegd, waardeloos richtingsgevoel. Maar soit. Route bijgesteld en bij Hayberries op het terras een thee en een pannenkoek met bosbessenconfiture, slagroom en verse bessen besteld. Het was tenslotte bijna middag. Niet al te veel woorden aan vuil maken. De prijs-kwaliteitverhouding viel in de categorie ‘eigen schuld’. Zag er mooi uit, maar dat mag ook wel, voor dat geld…

En nu dus op een bankje op de hoek Broekhuizerdijk, Meerlosebaan. Ik besluit om die Meerlosebaan te gaan fietsen, om dan via Tienray weer naar Horst te peddelen. Zou heel goed kunnen dat ik daar dan op een terras ergens in het centrum een laatste, uitgebreide pauze inlas. Wie weet, tot daar?

Blues en tijd…

de blues van de tijd
herhaalt vaak de zin
en laat die weerklinken
zonder eind of begin

de blues van de tijd
zonder eind of begin
als het zachte verzinken
in het zoeken naar zin

de blues van de tijd
zingt haar liedje in mij
over tranen die blinken
en de zinnen voorbij…

Gedicht naar aanleiding van de column ‘Tijd…’

Foto | John Baker (Unsplash.com)

‘Aluhoedjes’

‘Aan alle aluhoedjes’ is de titel van een column die ik gisteren las. Van Jan Dijkgraaf. Een column van een paar maanden geleden al. ‘Briefje van Jan’ heet zijn rubriek en daarin schrijft hij over zaken die hij actueel vindt. Hij schrijft in zijn rubriek een open brief naar mensen die hem zijn opgevallen omdat ze over die zaak iets hebben gezegd of er iets van vonden of vinden. Vaak brieven naar bekende nederlanders.

Zijn schrijfstijl is niet bepaald zachtzinnig. Het is humor die recht voor z’n raap is. Sarcastisch en op het cynische af. Ik houd daar wel van. In ‘Aan alle aluhoedjes’ hekelt hij de complotdenkers die in deze tijd een podium hebben gemaakt van social media. Daar waar ze vroeger, zoals Jan schrijft, hun ‘wanen’ alleen in een plaatselijk café kwijt konden. Eén alinea uit zijn column ter illustratie:

“Dat Elvis leeft, de aarde plat is en elke bewegende ster een UFO was, konden jullie vroeger hooguit kwijt in de plaatselijke kroeg, waar jullie in het beste geval werden genegeerd en in het slechtste, als de clientèle het zat en zelf zat was, in elkaar werden geslagen. Maar toen kwam internet. En Facebook. En YouTube. En nu kunnen jullie je wanen de hele wereld over schreeuwen.”

Heerlijk. Ongenuanceerd? Ja, maar uit mijn hart gegrepen. Jan Dijkgraaf omschrijft zichzelf onder andere als een ‘professioneel buttkicker’. En dat is wat hij doet in zijn columns: kick some butt. Verder blijkt hij een journalistieke achtergrond te hebben, is eindredacteur bij verschillende media geweest en was in 2016 lijsttrekker van GeenPeil.nl. Een partij die met een dikke 4000 stemmen toen niet in de tweede kamer is beland.

Puur op basis van zijn columns ben ik me (iets) meer in hem gaan verdiepen. Het bovenstaande is een greep uit wat ik over hem vond. Niet met hetzelfde aantal uren studie en onderzoek als dat Doutzen Kroes er in steekt om zich een onderbouwde mening te vormen, maar toch voldoende om me één ding opnieuw te realiseren: Het is nagenoeg ondoenlijk alle ins en outs te kennen om tot een eenduidig oordeel over iets of iemand te komen. Dus hou ik het in het geval van Jan Dijkgraaf nu op zijn columns onder de noemer ‘Briefje van Jan’.

Er viel me een mededeling op, onder zijn columns. Je kunt Jan financieel steunen. Of eigenlijk, zijn creativiteit kun je financieel waarderen door middel van een donatie. Via de site backme.org wordt dat geregeld. Een interessant concept, waar ik me via het Doutzen-principe wat meer in ga verdiepen. En ondertussen ben ik ook donateur geworden van Jan Dijkgraaf. Of dus eigenlijk, van zijn creativiteit.

Ik heb, na ‘Aluhoedjes’, nog een aantal columns van hem beluisterd. Hij spreekt ze namelijk ook uit in een Veronica-radioprogramma. Ik merk dat ik niet van alle columns even enthousiast wordt, mocht dat überhaubt al een doel zijn. En dat hoeft ook niet. Ook is Jan zelf al gestopt als columnist van dat radioprogramma. Voor wie wil weten waarom: klik hier.

Wel enthousiast werd ik van ‘Aan alle aluhoedjes’. Voor wie die column helemaal wil lezen, hier is de link daar naar toe. Als je wil, mag je me laten weten wat jij ervan vindt. Wat iemand van iets vindt, zegt namelijk ook wel iets van hoe iemand is. Tenminste, hoe ik denk dat iemand is, die iets vindt… voor wat dat waard is.

Zonnekracht…

een grijze wolk duwt lomp
de zon wat uit het zicht
ineens een beetje kouder
en ook wat minder licht

wie zou het winnen, wolk of zon
je ziet de wolk iets wijken
maar als de zon de winnaar wordt
dan kun je niet meer kijken

jammer, want juist de zon
is wat je ‘t liefste ziet
gelukkig is de warmte er
maar de zon, die zie je niet

de warmte van de zon
maakt grijze wolken witter
en als je het ook soms niet ziet
dan nog: die kracht die zit er…

Achter de wolken…

Geen schaduw…

Met een wat bedrukt gemoed begin ik aan mijn maandagcolumn. Geen duidelijke reden voor mijn stemming, maar fietsend op weg naar een van mijn schrijfplekjes is dat gevoel er. Een beetje maandagblues misschien? Het begin van een tweede coronagolf? De waarom-vraag bij alles wat er speelt en waar meestal geen antwoord op te geven is?

Aan de plek waar ik nu zit kan het niet liggen. Zoveel wilde kleurenpracht bij elkaar zie je niet zo vaak. En dan ook nog met een picknicktafel die nu, voorzien van een uitklapbaar toetsenbordje en een iPhone-schermpje, perfect dienst doet als flexplek. Ik merk dat wanneer ik schrijf, mijn gedachten wat wegtrekken van dat lastig te duiden, ietwat bezorgde gevoel.

Het trekt open. Fel blauw en zonlicht doorklieven steeds opdringeriger het grijs van de wolken. Op die momenten tekent de zon de contour van mijn hoofd als strakke schaduw op de tafel. Ik weet dat wanneer de zon continue gaat schijnen, ik het hier niet ga volhouden. Ik houd van de zon vanuit de schaduw. Maar het trekt open.

Net als mijn gedachten.

Het zal wel de aard van het beestje zijn, dat m’n gedachten zo vaak met me op de loop gaan. Door er woorden aan te geven probeer ik er wat richting in te krijgen. Sturing naar de wat lossere, meer zorgeloze kant van het bestaan. Het zien van het blauw tussen het grijs van zonet, overkomt me op het juiste moment. De zon geeft ongevraagd antwoord op het waarom.

Die verandering van het weer gebeurt dagelijks. En meestal zonder dat je er bewust bij stil staat. Het regent. Het is bewolkt. Of de zon schijnt. Het is zoals het is en verandert zoals het verandert. De menselijke eigenschap is dan om dat vanzelfsprekende te willen duiden. De ‘waarom-vraag’ beantwoord te willen zien. We willen weten wanneer het bewolkt is, wanneer de zon schijnt en wanneer het regent.

Net zoals ik blijkbaar wil weten waarom mijn gedachten zo nu en dan grijs zijn. Terwijl het best wel eens zou kunnen zijn dat die gedachten in essentie alleen maar veranderen omdát ze veranderen. Niet meer en niet minder. Nét als het weer. De verklaring zoeken voor de kleur van de gedachten is mogelijk juist de oorzaak van de kleur grijs.

Laat ik het daar voor deze maandag maar even bij houden. Zonder een gedefinieerd antwoord op het waarom maar juist daarom misschien wel afdoende.

De zon blijft schijnen. Geen schaduw meer. Voor nu…

Heen en weer…

Een plekje aan de Maas. Bij het pont van Broekhuizen naar Arcen. Een keer wat anders. Zien welke inspiratie daar uit de bodem komt. Terwijl ik ‘een keer wat anders’ opschrijf, is het pont net aan mijn kant. Het valt me op dat er dan ineens een heleboel leven bijkomt aan deze kant. En dat terwijl ik me nèt daarvoor aan het afvragen was, of er een interessant schrijfonderwerp zou zitten in het telkens weer op en neer gaan over de Maas.

Ondertussen is er een jeep gestopt achter me. Waarschijnlijk nóg een of twee auto’s die er bij horen, want ineens staan er zes mannen en vier vrouwen aan de kade links van mij. ‘Een ideale plek’, hoor ik een van de mannen zeggen. In no-time staan de zes mannen ieder met een vishengel in de handen. De vrouwen installeren zich op klapstoeltjes. Spontaan bereid, lijkt het, om het komende visspektakel te aanschouwen.

‘Appelsap of meteen aan het bier?’, hoor ik een van de dames zeggen, met een dialekt, dat meer verbinding heeft met de plek waar de Maas de Noordzee in stroomt dan met deze plek in Broekhuizen. Toeristen, is mijn conclusie, én visliefhebbers, die deze mooie plek in de volle lengte nu gebruiken voor hun hobby. En de mannen gaan niet voor de appelsap, zie ik.

Het tafereel heeft wel iets gezelligs. Benieuwd naar de ontlading wanneer één van hen de eerste vis uit de Maas hengelt. Dan rijdt één van hun auto’s het pad op naar Hoëg. Geen idee wat daar de bedoeling van is, want ze hebben ongetwijfeld gezien, dat het pad voor auto’s doodlopend is. Al snel gaan de achteruitrijlichten dan ook aan en komen ze in omgekeerde richting weer terug rijden.

Dat brengt me bij mijn eerste gevoel. Vooruit gaan en weer terug. Of, net als het pont, telkens op en neer gaan, tussen de ene en de andere oever en de zin daarvan. Er zit een aardige metafoor in, die ik echter niet meteen kan duiden. Ik zoek naar een terugkerend patroon, dat ondanks voortdurende herhaling toch zin blijft houden. Opstaan en naar bed gaan bijvoorbeeld. Of werk en vrije tijd. Of nog meer hoog over: geboren worden en dood gaan.

Hier, aan een picknicktafel aan de Maas, hoor ik dat de vakantiegangers hun situatie ter plekke bespreken. Dat kan ook best onder het vissen, want gevangen is er nog niks. Nog een keer wordt het perfecte van de plek benadrukt. Het gesprek gaat verder over de camping waar ze verblijven, de geluiden die ze daar horen en de producten die niet in de campingwinkel te verkrijgen zijn. Over slaapapneu, samen in een tent slapen, verwachtingen van de avond. ‘Iemand nog bier?’. ‘Wijn! Wijntje, wijntje…’.

Hoe heet een voyeur die niet kijkt maar luistert? Hoewel, ik zat hier natuurlijk wel eerst, verontschuldig ik mezelf. Toch stap ik op en besluit om bij Hoëg nog wat te gaan eten. Ook zoiets, dat altijd maar weer terugkomt. Telkens opnieuw, elke dag weer. Eten. En drinken, om steeds maar door te kunnen gaan.

De vissers krijgen op dit moment broodjes bij het bier. De zin van herhaling? Dat is simpelweg doorgaan, bedenk ik me nu. Dat heeft zin. Ook als je niks vangt.

Nog meer zin in een broodje nu. Op naar Hoëg.