Vol verwachting…

Na anderhalve kilometer geen adem meer. Wandelen was de enige optie. De laatste deelneemster aan de 10 km jogde me in een moordend langzaam tempo voorbij. Daarachter volgde de bezemwagen. In dit geval een bekende op een mountainbike, die me vriendelijk vroeg of ze achter me aan moest blijven fietsen. Na nog 100 meter geprobeerd te hebben, heb ik haar toch ook maar voor laten gaan en ben ik zelf uit de race gestapt. Mijn zorgen werden een paar dagen later vertaald naar een diagnose bij de huisarts: mijn hart was van slag. Geen halszaak, je kon er honderd mee worden, maar wel lastig.

Weer een paar dagen lager bevestigde de cardioloog het beeld. ‘Je hart zit in een soort derde versnelling. Bij inspanning meteen in de vierde of laatste versnelling, terwijl de eerste twee versnellingen er niet meer op zitten. Op zich een onschuldige ritmeafwijking, maar lastig en niet wenselijk. Daar moeten we wel iets aan doen’. Drie scenario’s hield ze me voor: de eerste mogelijkheid was een elektrische ‘reboot’, tweede optie regulerende medicijnen en tenslotte het meest rigoureus klinkend: een ingreep aan het hart.

Nu, een dikke vier weken later, lijkt optie 1 vooralsnog succesvol. Woensdag een week geleden is onder narcose mijn hart ge-reboot. Het meest zag ik echter op tegen de narcose. Het gevoel volledig overgeleverd te zijn en de controle over mezelf te moeten verliezen, boezemde me vooral angst en twijfel in. Maar de vriendelijke assistent-narcotiseur gaf me de tip om vlak van te voren aan iets leuks te denken zodat ik daarover zou dromen. ‘Over Pip en Mees dan maar’, zei ik, omdat ik wist dat we diezelfde dag nog naar de afstudeerexpositie van Pip zouden gaan. Thea gaf me nog een kus en toen volgde de waarschuwing van de narcotiseur: ‘Daar komt de slaap. Vertel zometeen maar of de droom is uitgekomen…’

Wat slechts tien seconden leek, bleek ongeveer een kwartier. In het wakker worden had ik de namen van Pip en Mees weer als eerste genoemd, vertelde Thea me. Of ik er over gedroomd heb, kan ik me niet meer herinneren, maar het lag blijkbaar nog wel op mijn lippen. De reboot had meteen bij de eerste klap succes gehad. Dat was op 21 juni. Nu, op 1 juli, beoordeel ik mijn eigen pols nog steeds als regelmatig en lijk ik ook weer te beschikken over mijn eerste twee versnellingen. Meer energie en minder opgeslokt door negatieve gedachten over mijn eigen gezondheid.

Ik ben daar niet goed in, in ziek zijn. Sinds vorige week realiseer ik me dat eens te meer. En besef ik dat je daar helaas totaal niets over te zeggen hebt. Natuurlijk, je kunt zo bewust mogelijk leven, maar dat is geen garantie voor gezondheid. En iedereen kent wel ergens een opa van negentig die elke dag van zijn lekkere lange leven gezopen en gerookt heeft. Het leven komt zoals het komt, en het gaat zoals het gaat. Je hebt daar niks over te zeggen, houd ik mezelf voor en dat is -hoe graag ik het ook anders zou willen- eigenlijk maar goed ook.

En toch… Een paar dagen geleden fietste ik door het buitengebied van Horst en werd geraakt door de intensiteit van de beelden die bij me binnenkwamen. Voor de handliggende zaken zoals een schoorsteen op een dak, een laaghangende tak over een beek of een lapjeskat tussen rijen bonenstruiken, hadden ineens een nooit eerder opgemerkte schoonheid. Dat maakte indruk. Na een uurtje heb ik mezelf op een terras een cappuccino gegund, die bijzonder lekker smaakte. Ik zat nog maar net of Joep schoof gezellig aan. Even later Ron, die zichzelf op een ijsje had getrakteerd. Er ontspon zich een gesprek, dat woord voor woord tijd totaal onbelangrijk maakte.

Luisterend naar de interessante, maar voor mij soms moeilijk te volgen dialoog tussen Joep en Ron moest ik terugdenken aan de afgelopen weken en aan een passage die ik ooit ergens gelezen had. Ik heb die passage later teruggezocht. Het was een gedachte van de schrijfster Vonne van der Meer. Ze zei letterlijk: ‘Misschien duurt het hiernamaals maar tien seconden. Een ogenblik waarin je alles begrijpt en een ervaring van eeuwigheid hebt’.

Aan tafel bij Joep en Ron heb ik die gedachte bij gebrek aan geheugen samengevat in een one-liner: ‘Misschien is de eeuwigheid slechts tien seconden van totaal begrip’. De zon was al maan geworden, toen we afscheid namen. Nagenoeg niks wijzer, maar nog een eeuwigheid voor de boeg. Je hebt er niks over te zeggen, en toch… Weer liggen die namen op mijn lippen, maar alleen de gedachte is eigenlijk al voldoende. Of de plekjes in mijn hart. En soms een verhaal om dat gevoel vast te leggen. Hen wens ik de eeuwigheid toe in elke tien seconden. Vol verwachting…

Betoverend mooi

Jan PhiliipsenDe mooiste verhalen over de Peel worden verteld door mensen die er zelf hun hele leven gewoond hebben. Dat werd me duidelijk toen ik voorzichtig een afspraak van een uur had gemaakt met Jan Philipsen en na meer dan drie (!) uur, zeer geïnspireerd en heel veel indrukken rijker, weer naar huis toe reed. Wát een mooi gebied! En wat een prachtige verhalen. Over de Mariapeel, maar ook over de Zwarte Plak Heide. De plek waar Jan als kind vroeger zelf de ondergrondse hutten groef, nagenoeg op dezelfde plek waar in de oorlog de onderduikers van de Zwarte Plak hun schuilplek hadden. Verhalen van de Peel, met passie verteld door een ‘Peelpater’ zoals hij zichzelf noemt. Jan Philipsen, geboren in Evertsoord, heeft een passie voor de Peel.

Trots

’28 jaar lang heb ik met Rowwen Hèze door het land getourd’, zo begint Jan zijn verhaal. ‘We lieten de toeschouwers in Groningen, in Maastricht en op duizende andere plaatsen genieten. Trots waren we, als we dat op al die plekken voor elkaar kregen. Op de heenweg en vaak –bij daglicht- op de terugweg in de bus naar huis, keek ik vaak naar buiten en bewonderde het landschap waar we op dat moment doorheen reden. Steeds meer besefte ik dat het publiek waarvoor we hadden opgetreden, en de omgeving waarin zich dat had afgespeeld, verbonden was met eenzelfde soort trots als die in de muziek van Rowwen Héze verscholen lag. Mensen herkenden zich erin. Het robuuste van Rowwen Hèze. Van de band, maar ook van de persoon Rowwen Hèze zelf en de Peel waarin hij leefde. En dat gevoel kan heel diep zitten. Mijn vader was al over de zestig toen hij me voor het eerst vertelde dat hij als zevenjarige door zijn vader –mijn opa- op Rowwen Hèze was gewezen. Ik zie nog de twinkeling in zijn ogen toen hij me dat vertelde. Bijna mythisch..’

Ambassadeur

Toen Jan 50 werd, besloot hij de band Rowwen Hèze te verlaten. Hij voelde dat hij wat moest gaan doen met het gevoel dat de persoon Rowwen Hèze in hem had losgemaakt. Alles wilde hij weten, ook datgene waarover maar weinig bekend was. Dus niet alleen over de plek waar de man woonde of de gave van pijn wegbidden die hem gegeven was. Maar ook over het al dan niet zelfgekozen kluizenaarschap. En hoe zat het eigenlijk met de vijf kinderen die Rowwen Hèze volgens overlevering ook had? Jan voelde een bepaalde schatplichtigheid aan de man, waarvan de naam was geleend door een band, die er nog steeds erg trots op was die naam te voeren. Jan’s nieuwsgierigheid ging steeds verder en hij verdiepte zich meer en meer in het gebied, waar niet alleen Rowwen Hèze’s roots, maar ook zijn eigen roots lagen.

Zwarte Plak Heide

De gedrevenheid van Jan maakt indruk op me. Hij vertelt over de monumentale status van Zwarte Plak Heide. Vroeger dus zijn speelterrein maar nu een unieke plek om een vijftal verschillende redenen. Allereerst de archeologische erkenning. In 1950 is het gebied tot geschiedkundig rijksmonument verklaard, onder andere door het grote aantal vuurstenen dat er is gevonden. De paraboolvorm van de stuifduinkop is een tweede reden van monumentale proportie. Het mag als een geologisch unicum worden beschouwd. De natuurwaarde van het gebied is een derde reden. De vos en de das hebben er hun habitat. De tweede wereldoorlog en de aanwezigheid van zelfgemaakte schuilkelders geven een vierde aanleiding om trots te voelen. En last but not least het gegeven dat de Zwarte Plak Heide een plek is waar de ontginning voelbaar en zichtbaar is.

Kamiël van de Piël

Het waren deze vijf redenen die er in 2012 toe hebben geleid dat er een prachtige landmark in het gebied kon worden geplaatst. Een, mede door Jan, opgerichte stichting (CEZP: Cultureel Erfgoed Zwarte Plak)  vertaalde de gezamenlijk gevoelde geschiedenis op een indrukwekkende wijze in een symbolisch kunstwerk. ‘De kamiël’ was vroeger een boom in het onmetelijk uitgestrekte peellandschap, waar de schaapherders van toen zich op oriënteerden, als ze met hun schapen de heide introkken. De Peel was in die tijd een gebied waar je maar beter de weg kende, want ongevaarlijk was het daar niet. ‘De kamiël’ was hun baken. En nu, als kunstwerk, is het eigenlijk weer een soort baken. Een baken van verbinding. Tussen geschiedenis en toekomst.kameelboom

Verbindende verhalen

De Zwarte Plak Heide is onderdeel van, of grenst aan de Mariapeel. Dat is een gebied dat zelfs vanuit  Europees perspectief een speciale toekomst is toebedeeld.  Jan legt me tot in detail uit waarom dat is. Tot aan tectonische platen toe en het altijd in dezelfde richting omvallen van bomen, die turfstekers in het verleden niet al te graag aantroffen in het veen. Met dezelfde passie vertelt hij over het ontstaan van Evertsoord en Griendtsveen. Over het verband tussen de Zuringspeel en de Schadijkerbossen. Over America, de Zwarte Plak en Heere Peel. Over landbouw, intensieve veeteelt en paarden. En hij vertelt over het doorgeven van de verhalen. Onder andere aan horecaondernemers in de regio, zodat die op hun beurt trots de verhalen over de Peel kunnen doorvertellen aan hun bezoekers.

Ben Ali Libi

Jan legt bijna vanzelf de verbindingen tussen al deze facetten. Niet van buiten geleerd, maar van binnen gevoeld. En dat komt over. Boven op ‘De Kamiël’ zie ik tot mijn verrassing wat kunstenaar Ruud van der Beele in het kunstwerk heeft verwerkt. Uitkijkend over de schuilkelders van de tweede wereldoorlog lees ik in steen gelegd: ‘Ben Ali Libi, de goochelaar’. Voor wie dat gedicht van Willem Wilmink niet kent, is even googlen een must. Joost Prinsen vertolkt het gedicht op sublieme wijze. Ik bedank Jan bij het afscheid voor zijn uitgebreide en gepassioneerde uitleg. Nooit had ik verwacht dat de Peel mij vanmiddag zou laten terugdenken aan Ben Ali Libi. En hoe mooi, dat dat toch gebeurd is. Mystiek. Ook dat ligt blijkbaar ergens verscholen in de Peel. En in Rowwen Hèze. Of in Ben Ali Libi. Ik begin Jan’s passie te begrijpen. Jan Philipsen, de Peelpater. Ook een soort goochelaar, die zonder dat je er erg in hebt, van één uur er zomaar drie maakt.Ben Ali Libi

Enne moeïe kel…

 

PatrickAls we elkaar tegenkwamen, groette hij altijd vriendelijk. Ik kende Patrick eigenlijk alleen van gezicht. Van een mooi en vriendelijk gezicht, dat wel. Zaterdag, in de Mèrthal zag ik dat gezicht op honderden verschillende foto’s. En op alle foto’s zag ik die vriendelijkheid terug. Weer een afscheidsdienst in de Mèrthal. Op zijn eigen verzoek op deze plek, hoorde ik later. Hij en Miranda, zijn vrouw, hadden zijn afscheid tot in de puntjes voorbereid. Op het eind voor alle aanwezigen koffie, thee en een plak cake. En voor de kinderen snoep. Veel snoep. Dat wilde Patrick zo.

Miranda was de eerste die de grote menigte toesprak. Door haar emotionele woorden sijpelde de pijn en  het grote verlies. Ze sloot af met, zoals ze zei, de eigen woorden van Patrick ‘See you later, alligator’. Hun twee dochters, Sanne en Imke, hadden beide op hun eigen manier, hun verdriet verwoord. De een met een  prachtig gedicht, dat door Ron Bosmans werd voorgelezen, en de ander met een korte toespraak, die al net zo indrukwekkend was. Er zat veel wijsheid en kracht in hun woorden. Ik voelde het in mijn eigen tranen van herkenning.

Patrick’s zussen deelden mooie herinneringen aan hun broer. ‘Ozze Pet’ bleek een rustige, daadkrachtige aanpakker te zijn, die voor iedereen klaar stond. En ook een beetje de stille bewaker van alles wat hij belangrijk vond. Een man, die in de afgelopen twee jaar gevochten had voor wat hij waard was, en méér dan dat. Die nog zo graag langer was gebleven, maar dat helaas niet gegeven was.  Opnieuw onderstreepten mooie foto’s de bedroefde woorden.

Jan Nabben, zijn schoonvader, slikte zijn tranen weg om Patrick te kunnen gedenken en zijn dochter en kleinkinderen kracht en steun toe te zeggen. Duizenden keren eerder had hij op de bühne mensen bedankt, maar deze keer waren de emoties zowel voelbaar als hoorbaar. En juist daarom des te indrukwekkender, hoe hij alle mensen die Patrick hadden bijgestaan daarvoor oprecht bedankte.

Elke toespraak ontving een spontaan applaus. Als een golf van troost spoelde het steeds over de aanwezigen heen, richting Miranda, Sanne, Imke en al hun familie, vrienden en bekenden. Uit tweeduizend handen klonk het medeleven, telkens weer. Op weg naar de uitgang schuifelde iedereen in eerbied aan Patrick voorbij. Om vervolgens, op zijn uitdrukkelijke wens, bij de achteringang weer naar binnen te komen, voor een kop koffie, thee en een plak cake.

En snoep. Heel veel snoep. De eerbiedwaardige stilte van het afscheid, vlakbij Patrick, vermengde zich op natuurlijke wijze met het geluid van het groeiende aantal stemmen bij de staantafels en het geritsel van zakjes snoep die werden opengescheurd. Zo moet Patrick het bedoeld hebben, toen hij zijn afscheid regisseerde. En als hij dat in zijn geliefde Mèrthal op zijn manier heeft kunnen bekijken, dan moet hij wel heel tevreden zijn geweest.

Net als in het gedicht van Sanne, kwamen gisteren onvermijdelijke contrasten samen.

Als onze tranen stromen
Blijven bomen stevig staan
Zal de wind nog blijven waaien
Kijkt een hond je dolblij aan
Als je hart zo is gebroken
En de dagen lijken grauw
Zal de zon nog blijven schijnen
Vliegen vogels in het blauw

Gistermiddag heb ik nog een uurtje met mijn draaiorgel tijdens een familiedag muziek mogen maken in één van de woonhuizen van Hof te Berkel. Eén liedje heb ik speciaal met Patrick in gedachten gespeeld. Dankzij Miranda, die de titel van dat lied ’s ochtends met betraande woorden had uitgesproken: ‘See you later, alligator’…

De laatste Verbeelding…

Tja, daar staan we dan,de laatste keer
Cafe de Verbeelding, man, ‘t is niet meer
’t gevoel, dat gaat een beetje op en neer
’t is gewoon waar, gedaan,het komt niet weer

Twintig orgelmuziekjes,
gesproken repliekjes
het was een komen en gaan.
Voor meestal kleine publiekjes
steeds met liefde gedaan

Steeds weer nieuwe rubriekjes
op de vreemdste ritmiekjes,
heeft u steeds weer doorstaan
De laatste orgelmuziekjes,
maar dan is ’t gedaan…

Het gevoel gaat ietwat heen en weer.
Net zo dubbel als dit melodietje ongeveer.
Jan en Henny, meer privésfeer weer
Maar wij? Och gottegot, mijn lieve heer…

gedaan met verbeelden
gedaan net de weelde
het is de laatste keer hier.
De laatste bühne en bier
De laatste tekst op papier

’t is gedaan met verbeelden,
en ook het orgel dat speelde,
klinkt de laatste keer hier
Nog maar één regel plezier
en wordt het tijd dat ik stop…

Met of zonder vleugels…

Thuis op de bank had ik het bedacht en nu zat ik er. In het bos, op de plek waar we drie weken eerder de as van mijn zus hadden uitgestrooid. Ik had er de dubbele houten tafelbank toen al zien staan.  Een mooi plekje, vond ik, om er zo nu en dan eens in alle rust te gaan zitten.

Dus daar zit ik nu. Het is een prachtige zaterdagochtend. Zonnig, maar daar merk je hier onder de kastanjebomen weinig van. Integendeel. Het is een koele plek en een briesje benadrukt dat. Ik zit er nog maar net, maar ondertussen zijn er al wél vier keer mensen voorbijgekomen. Drie keer een joggend stel en één keer een wandelend duo. Twéé keer. Op dit moment passeren een vrouw en een man. Ik had de voetstappen achter me al gehoord.

Het pad langs het water is populair op een zaterdagochtend, voor zover ik dat nu kan beoordelen. Ook heel veel geluiden om me heen, terwijl er géén mensen voorbijlopen. Fluitende vogels dichtbij. Blaffende honden veraf. Auto’s die op niet al te veel afstand met regelmatige  tussenpozen hoorbaar zijn. Eén van de trimmers lijkt zijn medeloper te hebben afgeschud en komt nu alleen voorbij. Het is zijn derde rondje om het water, tenminste als hij niet ergens halverwege is omgedraaid.

Het is in ieder geval zijn derde keer langs de plek waar ik in alle relatieve rust op uit kijk, zittend aan de tafelbank. De plek van mijn zus. En tegelijk, merk ik aan alles, de plek van iedereen. Het lopende koppeltje van zojuist komt een tweede keer voorbij. Een bekende op een fiets snelt de bocht om. We groeten elkaar. Het valt me op hoe naadloos en geleidelijk wij mensen in elkaar op kunnen gaan. Zachte stemmen van achteren, in geluidsvolume langzaam toenemend, tegelijk met de steeds luider klinkende voetstappen, één passeermoment met wel of geen begroeting of een knikje en dan voltrekt zich dat alles in een soort van omgekeerde volgorde opnieuw. We komen en gaan.

Heel even is het ineens zo goed als helemaal stil. Heel even maar, want voordat ik de stilte goed en wel in me kan opnemen zijn daar de vogels weer. Opnieuw een hond en weer een paar auto’s. Een mountainbiker komt over de steentjes van het pad geknarst. Een soortgelijk geluid, maar nét even anders, blijkt van een man met een bolderkar, die over het pad naar me toe komt lopen. Terwijl ik dat zie passeert tegelijk een mevrouw me van achteren. De bolderkarman en de mevrouw lopen elkaar voor mijn ogen stilzwijgend voorbij. In een fractie hebben ze elkaars aanwezigheid in de ruimte met succes ingeschat.

De man met de bolderkar stopt anderhalve meter achter me en begint met het legen van een metalen afvalbak. Alles gaat gewoon door, realiseer ik me en ik verbaas me over hoeveel geluid een metalen prullenbak maakt in vergelijking met alle andere geluiden die ik vanmorgen al allemaal hoorde. Even is er alleen maar afvalbak, maar net zo langzaam als het geluid, de man en zijn kar zojuist op kwamen zetten, zo gelijkmatig ebt dat alles een paar tellen later ook weer weg.

Thuis op de bank dacht ik mogelijk alleen te zijn met mijn gedachten en mijn zus. Maar ik merk ter plekke dat mijn gekozen moment voor die spontane herdenking vooral een gedeeld moment is geworden. Ook niks mis mee, constateer ik. Plots zie ik een paar meter voor me een vogeltje naar me kijken. Een roodbruine kleur onder zijn spitse snaveltje. Op eigenwijze hoge pootjes zet het een paar hupjes in mijn richting. Het lijkt alsof het onder de tafelbank moet zijn, en zich bijna lijkt af te vragen wat ik daar eigenlijk doe, aan zijn tafel. Met nog een hupje lijkt het echt onder de tafel te zitten. Als ik voorzichtig kijk, vliegt het weg. Nét gekomen maar alweer gegaan.

Ik sta op en maak plaats voor een volgende voorbijganger. Een nieuwe passant van deze sinds drie weken nog specialere plek. Met álle mogelijkheden van de wereld om er vóór, eráchter, óp of áán deze tafel te zitten. Mét geluid of in stilte. Hoe dan ook. Het is een mooie plek. Voor iedereen. Om te komen en te gaan. Met of zonder vleugels.

een mooie plek
Aan fafel in het bos, genieten van de tijd en wat zich voordoet

Dit verhaal is op zaterdag 3 juni ’s ochtends geschreven en ’s avonds voorgelezen in de maandelijkse rubriek Wört, van het radioprogramma Wiekentproat (Radio Reindonk). Vóór het verhaal, als mooie muzikale inleiding ‘Die Zeit, der Weg’ van de cd Wandern (Egbert Derix en Sef Thissen – tot aan 2:15) en ná het verhaal het nummer ‘All is waiting’ van de gelijknamige cd van Jodymoon (na 7:00). Te beluisteren door hieronder te klikken.

Eendagsvlinders

Kastanjeboom
Uitzicht vanuit het raam van de kamer van hospice D’n Doevenbos
Een half jaar geleden stond ik hier, op precies dezelfde plek. Het was de eerste herdenking die Hospice D’n Doevenbos organiseerde. 1 december 2016 om precies te zijn. Een half jaar daarvoor was mijn zus één van de eerste gasten in het hospice. Lang heeft ze helaas niet van de gastvrijheid kunnen genieten. Tussen het vriendelijke en zorgzame welkom dat zij en wij mochten ervaren en haar definitieve afscheid op 13 mei  zaten  twee dagen.

De tuin
Het gras moest nog groeien, rond het rode stenen pad
Het gras moest nog groeien, een jaar geleden, maar de kastanjebomen kleurden al onmiskenbaar groen. Het regende licht, die dag. Mijn zus zag het. De regendruppels op het rode stenen pad, dat aangelegd was door het gazon in wording. Ze heeft dat pad helaas niet meer bewandeld. Ook het gazon heeft ze niet meer groener zien worden dan het al was. De rust van de ruisende kastanjebomen was voelbaar. En in die rust zweefde ze ook weg, twee dagen later.

Het was haar wens dat we haar as uit zouden strooien in een bos waar zij binding bij voelde. Een jaar verder, twee weken geleden op vrijdag 13 mei, hebben we aan haar verzoek voldaan. We hebben haar as uitgestrooid in een bos, op een frisgroene plek, onder jonge kastanjebomen. Niet bewust, maar achteraf eigenlijk bijna vanzelfsprekend. Even tevoren had er kort een witte vlinder voor ons uit gevlogen, over het bospad, dat grensde aan het jonge groen.

foto2Haar as hebben we in cirkels om de kastanjebomen gestrooid. Eerst voorzichtig en zuinig maar later ruimer en vol overtuiging. De cirkels raakten elkaar en verbonden wat er over was met alles wat nog moest komen. Haar as legde op plaatsen een dun wit laagje over groene bladeren. Op andere plekken dwarrelde haar as tussen de bladeren door en raakte zacht de grond. De wind nam af en toe een klein wolkje van haar mee en liet het als minuscule witte vlindertjes door elkaar heen dwarrelen. Elk vlindertje kwam tenslotte neer op een plek waar het nog nooit was geweest maar voor altijd wilde blijven.

Nog even stonden we er stil. Op die mooie plek in het bos die door haar voor ons nog mooier was geworden. Een plek waar we voortaan steeds weer aan haar zouden denken. Een plek waar de natuur en zij één zouden gaan worden. Waar zij zou meegroeien met de kastanjebomen en de bloemen. Bloemen waarop witte vlinders zouden kunnen neerstrijken. Vlinders die haar zouden proeven in de nectar en haar vervolgens smaakvol zouden meevoeren op hun reis. Misschien ook maar twee dagen lang, maar wel telkens weer.

Die ene witte vlinder die ons voorging was misschien wel de voorbode van dat alles. Die de plek kende waar rupsen vlinders worden, en andersom. De plek waar mensen op een dag in een wereld komen waar ze woorden kunnen wisselen met vlinders en bloemen.  Op ‘n dag… waarop een eendagsvlinder ons meeneemt naar de eeuwigheid en naar iedereen die ons lief is.

We hebben allemaal gelijk…

Een flits. En boem! Op de dag dat het meer dan 30 graden zou worden regent het nu pijpenstelen en zweeft er het komende uur een onweersbui over ons heen. Waar is Lei Spreeuwenberg als je hem nodig hebt…
Maar ach, de achter- er voordeur tegen elkaar open zorgt er wel voor dat de temperatuur binnen tot prettige proportie terugdaalt. En zo heeft elk nadeel weer zijn voordeel.

Wat ik even kwijt wilde? Eigenlijk niks. Of eigenlijk wel iets, maar ik weet niet goed hoe ik dat op papier krijg. Want Manchester ligt al weer even achter ons. En dan bedoel ik niet de voetbalwedstrijd. Terwijl ik me terdege realiseer dat er mensen zijn die dit lezen en misschien wél meteen aan de voetbalwedstrijd dachten.

Vandaag kleurt Milaan misschien wel roze voor ons als Tom in zijn opzet slaagt. Afgelopen december kleurde het daar even rood, toen terreurverdachte Anis Amri werd doodgeschoten door de Milanese politie. Hij was ‘gewoon’ via Frankrijk naar Milaan gereisd, zoals dat gisteren waarschijnlijk veel Dumoulin-fans ook hebben gedaan.

Vaak als dat soort contrasten door mijn hoofd gaan, bekruipt me tegelijkertijd een gevoel van machteloosheid. Niet prettig. Terreur en sport. Niet te vergelijken, zegt mijn verstand. Zoals godsdienst en aanslagen eigenlijk ook niets met elkaar te maken zouden moeten hebben. Zegt mijn verstand. Maar mijn gevoel spreekt anders. Machteloos.

En hoe zet je dat dan op papier? Waarom? Of voor wie? Voor de fans van Dumoulin. Voor de Allah-adepten. Voor de harde kern van supportersverenigingen van noem maar een club. Voor de familie van de gesneuvelde kinderen in Manchester. Voor alle bezoekers van de ‘Dangerous Women Tour’ van Ariana Grande. Of schrijf ik het voor terrorisme-deskundigen, zoals Beatrice de Graaf, die de aanslag in Manchester vanuit het perspectief van de terrorist ‘heel succesvol’ noemde. En ze heeft gelijk. Net als alle fans van wie of wat dan ook. Familieleden van wie dan ook. Ze hebben allemaal gelijk. Vooral omdat er altijd zullen zijn die vinden dat ze ongelijk hebben.

Dus machteloos. Maar hoe zet ik het op papier.. en voor wie.. Laat ik het vooralsnog maar even voor mezelf doen. En voor hen die het lezen. Dat houdt het overzichtelijk. Ook omdat de regen is gestopt en die 30 graden misschien straks toch nog wel gehaald worden. Hoewel de boeren daar misschien niet zo enthousiast over worden. Maar goed, sommige dingen, daar kan zelfs Lei Spreeuwenberg niks aan doen.

Over ons tuinpad loopt een jonge folderbezorger naar de voordeur. Die staat nog open. Voorzichtig legt hij de stapel folders op de deurmat. ‘Dankjewel’, roep ik hem na. Ik hoop dat hij het gehoord heeft. Waarom? Daarom.

Een witte kist, een zwarte vleugel

Het was er druk. Zo druk dat we met een grote groep mensen buiten hebben gewacht, omdat de wachtruimte binnen al helemaal vol was. Om me heen hadden mensen losse, witte bloemen bij zich. René werkte in de bloemen, realiseerde ik me. En ik had donderdag de rouwadvertenties gezien. Veel vrienden en kennissen hadden via de Hallo hun eerste verdriet al verwoord. Bij het crematorium vonden de mensen met de bloemen elkaar. Het waren er veel.

Het was zó druk dat we niet in de aula zelf, maar in de wachtruimte de dienst konden volgen. Vanaf de allereerste woorden werd het indrukwekkend stil in de wachtruimte. Op het scherm verscheen het beeld van een witte kist. Veel bloemen er omheen. Zo nu en dan veranderde de camerhoek en zagen we Marion en de kinderen, Don, Chiel en Lucree. Bij een afscheidsdienst raakt me dat altijd het meest. Het verdriet van hen die er het dichtst bij staan.

Ik was er met mijn zoon, Mees. Hij en Chiel hadden een paar jaar eerder samen de reis naar India mogen meemaken. Afgevaardigd namens het Dendroncollege en de stichting Helpende Handen. Net als Milou. En dus was zij ook aanwezig bij de afscheidsdienst, samen met haar moeder. Mees en Milou hadden er over en weer contact over gehad en zo stonden we nu samen te wachten om René de laatste eer te kunnen bewijzen. Net als indrukwekkend veel anderen…

‘Maak dich neet druk euver dinge die se toch neet kens veranderen’. Met die instelling had René iedereen bijgestaan. Vanaf de eerste dag dat hij -twee jaar geleden- te horen had gekregen dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had, was hij de steun voor zijn gezin, zijn uitgebreide familie en z’n nog uitgebreidere vriendenkring. Uit de verhalen die door hen werden voorgelezen, bleek dat juist die kracht van René indruk had gemaakt op iedereen. Tot op het laatst de regie in eigen hand gehouden. 

Op de terugweg naar huis hebben Mees en ik nog wat nagepraat over de indrukken van die afgelopen anderhalf uur. De tijd was bijna ongemerkt voorbij gegaan, door de woorden en de muziek. En een belangrijk deel van de tijd ging op aan het persoonlijke afscheid van iedereen die -wandelend langs de witte kist- een laatste groet bracht aan René. Links en rechts van hem stapelden de witte bloemen zich op. 

Het waren deze beelden die diezelfde avond nog een keer met kracht terug kwamen in mijn herinnering. Ik mocht aanwezig zijn bij de cd-presentatie van ‘Wandern’, een muzikaal project van pianist Egbert Derix en bariton Sef Thissen. De gedichten van zijn in 2009 overleden vader Jan Derix had Egbert in het Duits vertaald en op muziek gezet. Sef Thissen vertolkte de teksten en gaf daarmee woorden aan de ‘wandeling’ van Egbert. Een wandeling die hem ‘dichter bij z’n vader’ bracht.

Toen de spotlights aan gingen, vlak voor het eerste lied, stond de zwarte vleugel in één keer glimmend in het volle licht. Bijna meteen viel mijn blik op de grote witte letters, die op de vleugel pontificaal een naam vormden: REIJNEN. Het was net alsof de spots vooral de R,E,N en E deden oplichten. Ik zag de zwarte vleugel en dacht aan de witte kist van die middag. Ik dacht aan de gevleugelde reis van René, en tegelijk aan de reis van hen die achterbleven. Die door moesten op hun eigen weg. In hun eigen tijd. Dat ‘Wandern’ begon met het lied ‘Die Zeit, der Weg’ leek geen toeval meer. Iemand leek de regie in handen te hebben genomen. 

Wat je niet kunt veranderen, daar moet je je niet druk om maken. Maar de reis zelf, maak die zo mooi mogelijk. Ik denk dat René die boodschap ook aan Marion en hun kinderen heeft meegegeven, vóór hij zelf moest gaan. Met de belofte dat hij op ze zou letten en hen met raad zou blijven bijstaan op hun reis. Gevleugelde woorden. Een fijne wandeling. Met veel witte bloemen. Voor hen, voor zijn familie en voor z’n vrienden. Ik wens het iedereen toe, voor nu en voor de toekomst.

Carpe diem & memento mori

Het is maar hoe je het bekijkt…

carpe diem beats memento mori

We maken ons meestal veel te druk
Over later en wat ons dan te wachten staat
Naar de toekomst kijkend is geluk
Vaak het enige dat door onze gedachten gaat
We maken ons bijna dagelijks ongerust
over het einde, en wanneer, of hoe laat
en zelfs zo nu en dan, misschien wel onbewust
lijkt ’t alsof ‘Carpe diëm’ op ‘Memento mori’ slaat

En het is dan, dat je terdege moet beseffen
Het is een keuze hoe dat je ’t ziet
Dat negatieve wil je niet!
Met dezelfde woorden het positieve treffen
En daarom nogmaals nu het lied…

Dus maak je vooral niet te druk
En pluk de dag die vandaag te wachten staat
Want op deze dag begint toekomstig geluk
Laat dat de gedachte zijn die door je hoofd heen gaat
leef in het heden, en stel jezelf gerust
begin ermee, want nu is nooit te laat
dan zul je zien, leef je je leven heel bewust
omdat ‘Carpe Diëm’ ‘Memento Mori’ dan verslaat!

Erfelijk…

Zijn sporen in jouw ogen
zijn niet te missen mooi
zijn toekomst en herinnering
zijn toegevoegde waarde
zijn voetstappen
op aarde
ben jij
mooi