De Paes

een forse bries
blaast in mijn nek

laat eiken
stevig zuchten

de kraag
rechtop

rust in
mijn kop

kijk, en geniet
van luchten

terwijl ik zit
te wachten

wordt wat ik vind
verwaaid door wind

blust bruisend
mijn gedachten

en als ik uitkijk
over land

waait alles weg
niks aan de hand

Avondzon…

van alle plekjes waar het kon
toch weer naar hier gekomen

waar ik aan dit gedicht begon
gevoed door rust en dromen

over stilte die van gekte won
en starheid weer liet stromen

een mooie woensdagavondzon
scheen net nog boven bomen…

Avond…

heel even niks

geen woorden
en geen zinnen

geen plussen
en geen minnen

heel even
niks beginnen

geen covid, nee
en geen 5g

er valt toch niks
te winnen

nee,
even niks

heel even
geen gezeik

niemand
heeft ongelijk

‘t wordt avond
bij de eik…

Waar…

op een plek
in frisse wind
valt er een rupsje
uit de eik

om me heen
is vooral stilte
groen en weiland
waar ik kijk

voor en achter
hoor ik vogels
geven van hun
zangkunst blijk

het bankje
waar ik nu op zit
een blaadje van 
mijn been afstrijk

of ik er ben
of ooit zal zijn
dat weet het rupsje
uit de eik

het groene gras
en alle bloemen
buigen mee
met elke zucht

en in die stilte
van het fluiten
los ik op
in blauwe lucht

Fietsen…

Om 12.00 uur vertrokken. Nu op een bankje, vlakbij de kerk in Kronenberg. Op weg er naar toe in Hegelsom één van de acht markeringspunten gezien. Roodbruin roestig staal waaruit woorden waren gelaserd of gesneden. Uit de nette typografie afgeleid dat Jeu van Helden hier de hand in heeft gehad. Op dat moment ‘note to zelf’: Jeu vragen waar dat laserwerk gedaan is.

De Kronenbergse kerkklok slaat één uur. Ik fiets weer een stuk. Tot zo.

Precies zo, namelijk, stel ik me voor hoe het gedicht bij het ‘infinity-beeld’ moet komen te staan. Op doorleefd metaal. Met tekst waar je doorheen kunt kijken. Om te kunnen blijven zien wat je moet zeggen over datgene waar eigenlijk geen woorden voor zijn…

Drie kwartier verder. Door het bos bij Kronenberg gefietst en gezien hoeveel bomen plaats hebben moeten maken voor het aan te leggen eventingterrein. Rechts zie ik volgens mij Grandorse liggen. Ik kan me voorstellen dat twee- en vierspannen hier straks prachtig kunnen rijden. Straks..

Uiteindelijk bij de Middenpeelweg aangekomen en doorgefietst naar de ‘verhalenberg’. Op het hoogste punt het bovenstaande geschreven. Tot hier.

En daarna in alle richtingen gekeken.

En nu weer thuis met een aardbeiencornetto…

Zelfbehoud…

De eerste woorden van weer een nieuw verhaal. De regelmatige lezer zou er moedeloos van kunnen worden. Houdt het dan nooit op? Nee, ik denk het niet, bij leven en welzijn. Ik vraag me zelf ook wel eens af waar mijn schrijfdrang vandaan komt. Waarom vang ik op willekeurige tijdstippen mijn gedachten in lopende zinnen? Het eerste antwoord dat in me opkomt, is te vangen in één woord: zelfbehoud. Tegelijk twijfel ik over dat antwoord. Omdat het ook weer vragen oproept.

Ik heb het gevoel dat mijn innerlijke stem voortdurend aan het woord is. Soms spontaan, vanuit een eigenwijs eigen willetje, maar ook heel vaak omdat die aangesproken wordt door alle indrukken van buiten. Of, met andere woorden, ik zit nogal veel ‘in mijn hoofd’. Zoals gezegd, spontane gedachten, maar steeds vaker ook gedachten die aangewakkerd worden door indrukken van buiten. Gedachten die dan als een soort van lopend vuurtje door mijn hoofd gaan. Aangewakkerd door de wind van associaties. Een voorbeeld.

Bij het woord ‘aangewakkerd’ begint mijn innerlijke stem als uit het niets over de bosbranden aan de oostkust van Australië. Omdat mijn innerlijke stem daar vervolgens lang niet het fijne van weet, help ik haar en tik ‘bosbrand’ in op mijn iPhone. Een miljoen hectare bos is daar al in vlammen opgegaan. Ik lees het in het eerste recente artikel dat ik krijg voorgeschoteld. Uit de NRC, van Annemarie Kas. Insteek van haar verhaal: De Australische overheid doet de verkeerde dingen om de branden te voorkomen.

Zij gaat niet verder in op de vier doden die er al zijn gevallen of op de honderden huizen die al zijn uitgebrand. En dat is uiteraard haar goed recht. Haar insteek is ook een interessante. Ze heeft onderzoeker Paul Read geïnterviewd, die van mening is dat politici te weinig kijken naar de oorzaken van de branden. Annemarie laat Paul daar een hele serie verklaringen voor geven. Prima en informatief artikel, voor zover ik dat kan beoordelen, maar uit zelfbehoud (!) laat ik het daarbij en richt me weer op mijn eigen verhaal.

Mijn schrijfdrang dus. En het aanwakkeren van gedachten door indrukken van binnen en buiten. In feite mijn drang om telkens een klein deel van die gedachten vast te leggen in een verhaal of column. Het schrijven dwingt me om over die gedachten na te denken. Ze in een logische volgorde te zetten, zodat ikzelf en ook anderen door al die bomen het bos kunnen blijven zien. Maar wat maakt dan dat bos zo interessant, dat ik denk dat anderen daar überhaupt de bomen van willen zien? Mijn innerlijke stem blijft de aandacht opeisen…

Ik realiseer me dat ik jou als lezer niet te lang moet vermoeien. En zeker niet met vragen waar ik zelf het antwoord grotendeels op schuldig moet blijven. Hoe dan ook. Mijn vraag over ‘schrijfdrang’ heeft je al tot hier gebracht. Dan kunnen die laatste zinnen ook nog wel. Zelfbehoud dus, door gericht nadenken, structureren en vastleggen. Voor een deel verklaart dat mijn drang om te schrijven. Heb ik daar iets aan? Ja, dat denk ik wel. Heeft de lezer daar iets aan? Geen idee. Ik hoop van wel.

Eigenlijk zou ik dat best wel willen weten. Zeker op een regenachtige maandagmiddag, waar je de verveling uit zelfbehoud bij de kladden grijpt door het schrijven van een verhaal. Schrijven, simpelweg als aangenaam tijdverdrijf. Net zoals lezen dat kan zijn… Oftewel, zou een leesdrang een verklaring voor mijn schrijfdrang kunnen zijn? Wie het weet mag het zeggen!

Sporen van herinnering…

Ondertussen is het al meer dan drie jaar geleden. Mijn zus Trudy was een van de eerste gasten in Hospice Doevenbos. Ik herinner me dat we vanuit haar kamer samen naar buiten keken, naar de kastanjebomen in de tuin. Het was mei en het gras rondom de bomen was nog maar net ingezaaid. Een groene waas scheen over het donkere zand. Het regende licht die dag. Trudy zag het omdat de regen de rode stenen van het tuinpad wat feller deden opkleuren.

Haar gezondheid ging in een paar dagen snel achteruit. Haar verblijf in het Hospice duurde maar twee dagen. Twee dagen waarin ze zich liefdevol verzorgd wist en waar ze uiteindelijk, in het bijzijn van een broer en een zus, in alle rust is ingeslapen. We hebben haar afscheidsdienst verzorgd op de manier die ze zelf had aangegeven. Ongeveer een jaar later hebben we haar as uitgestrooid op een plek die ze ook nog zelf had uitgezocht. Tussen kastanjebomen en dichtbij een bospad. Vlakbij een houten picknicktafel  en een grote waterpartij. Ik kom daar sindsdien met zekere regelmaat. 

Vorige week nog was ik er, om inspiratie op te doen voor het verhaal dat ik u nu aan het vertellen ben. Het was de eerste plek waar ik aan dacht, toen ik van de themawoorden ‘bomen’, ‘bladeren’ en ‘loslaten’ hoorde. Zeker in deze tijd van het jaar, waarin de herfst prachtige kleuren geeft aan bomen en aan losgelaten bladeren. Het is de tijd van korter wordende dagen in een zo nu en dan mistige sfeer van verval en troosteloosheid. Maar het is zeker ook de tijd van een onmisbare voorbereiding op nieuw leven. In elk vallend blad schuilt een nieuwe belofte.

En ze liggen overal. De gevallen bladeren. In alle herfstkleuren die de natuur in petto heeft. Bruin, rood, geel. En vaak nog met een waas van zomergroen. Soms waait een blad wat verder weg om even verderop neer te komen in het donkere zand. Op de uitstrooiplek van Trudy hetzelfde beeld. Gevallen bladeren, waar je ook maar keek. Samen legden ze een deken over de donkere aarde, die in drie jaar tijd ongetwijfeld één was geworden met de as die we toen hadden uitgestrooid.

Mijn oog viel op een groepje van drie paddestoelen tussen de bladeren. Een teken van nieuw leven, bedacht ik me, gevoed door eerder gevallen bladeren in een symbiose met de aarde daaronder. Even verderop stonden er nog meer. Ze groeiden in groepjes en soms stond er een alleen. Grote, kleine, rechtop, schuin. Er was er één, die zo ver achterover gebogen stond, dat je de mooie regelmatige onderkant kon zien. De sporen waren te tellen. En op dat moment voelde ik de verbinding met waar ik voor naar deze plek gekomen was. De sporen van de paddestoel waren in één keer ook de sporen van een levende herinnering aan Trudy. Een mooi moment. 

Drie jaar geleden moesten we afscheid van haar nemen, maar in die ene tel leek het alsof ze even gedag zei… via de sporen van de paddestoel. Ik weet, het was misschien vooral mijn eigen interpretatie van dat moment, maar toch was daardoor de herinnering aan haar even heel levend. Het voelde fijn om in de sporen van de paddestoel ook sporen van haar terug te zien. Levende sporen van herinnering. Groeiend in de kleuren van de herfst.

Ik wens u allen toe dat u op uw eigen manier de kleurrijke sporen van de herinnering aan uw dierbaren vindt, in de tijd die gaat komen. In het begin zijn die herinneringen mogelijk door het droevige afscheid nog wat troosteloos grijs, maar hopelijk worden ze al snel mooier van kleur. En of het dan herfst, lente, zomer of winter is, in gedachten kan, op die manier bekeken, een afscheid op elk moment, een kleurrijk weerzien zijn.

Mees z’n muziek…

Ontroerd was ik. Onder de indruk. En nu nog, terwijl ik weer naar de muziek luister waar Mees me zaterdagmiddag op attent maakte. Op de fiets, later die middag, meende ik de diepere betekenis te voelen die de ontroering verklaarde.

Ik weet dat er veel manieren zijn om iets te zeggen zonder woorden. En dat er evenzoveel of misschien nog wel meer manieren zijn om woorden te gebruiken die vaak iets heel anders willen zeggen. En ik weet dat het begrijpen van die niet-gesproken of gesproken woorden geen vanzelfsprekendheid is. Ik bedoel dat het interpreteren ervan, welbeschouwd, een eenzijdige actie is. In dit geval van mij. Dus of Mees het ook zo bedoelde weet ik niet. Hoe dan ook. Het ontroerde me.

Ik kan me niet herinneren dat ik met mijn vader ooit diep emotionele gesprekken heb gevoerd. Wel zie ik nog steeds zijn gezicht voor me, waarop zo duidelijk de emotie van was af te lezen. Ik zag de tranen in zijn ogen, die hij nonchalant probeerde weg te vegen, als hij de overwinningsblijdschap van een Joop Zoetemelk of Gerrie Kneteman op tv voorbij zag komen. Of zijn bedrukte gelaat als er binnen onze familie reden was om bezorgd te zijn.

Ik herken die emoties de laatste jaren bij mezelf. Muziek bijvoorbeeld, kan me raken. Of emoties bij anderen. Net als mijn vader, veeg ik zo nu en dan achteloos een traan weg, als ik de opluchting en blije verwondering zie van een kandidaat van The Voice of X-Factor die zojuist de sterren van de hemel heeft gezongen. Ook al zijn die beelden mogelijk gescript tot en met, toch meen ik die oprechte lichaamstaal af te kunnen lezen. Dat, in combinatie met de muziek, raakt me dan. Maar dat terzijde.

Zaterdagmiddag vertelde Mees me dat hij de afgelopen week via Spotify herhaaldelijk naar een album van Mike Posner had geluisterd. ‘A Real Good Kid’ was de titel. Terwijl hij de muziek al aan het opzoeken was, vertelde Mees dat de zanger het album geschreven had om onder andere de dood van zijn vader te verwerken. In het eerste nummer viel prominent de zin op ‘the day my daddy died, i became a man’. Zo nu en dan tussen de nummers hoorde je korte gesprekken die de zanger met zijn vader had gevoerd. ‘I love you, dad’. ‘I love you too’. Mooie overgangen.

We hebben samen naar het grootste deel van het album geluisterd. Mees zong de nummers zelfs al mee. Hij was in een week tijd onder de indruk geraakt van de liedjes en de tekst. Bij wat het laatste nummer bleek, vroeg Mees me nog even te blijven. Ik stond namelijk op het punt om een rondje te gaan fietsen, maar hij maande me om nog heel even het einde mee te pakken. Opnieuw een opgenomen gespreksfragment. Nu van een man en een kind. Op mijn vraag of dat weer de zanger was, nu als kind, met zijn vader, knikte Mees.

‘How it’s supposed to be’ is de titel van dat laatste nummer. Dat wordt afgesloten met de woorden van de vader, ‘Anyway, he is a real good kid’. Het is de titel van het album geworden. Een album waarin de band tussen een zoon en z’n vader indrukwekkend door Mike Posner wordt bezongen. In de gesprekken die ze samen voerden was het mogelijk nog geen onderwerp. En misschien was het bij hen net zo als bij mij en mijn vader. De emoties waren er wel maar je sprak er eigenlijk niet over. En nu? De appel valt niet ver van de stam. Ook nu praten we meestal niet over de dingen die het diepste van ons gevoel raken.

Soms gebruik je daarvoor andere woorden. Of je deelt muziek die een diepe emotie heeft geraakt. Of je doet het allebei. Mees vertelt dat hij zich heeft voorgenomen om elke week naar een ander album te gaan luisteren. Hij wil zich daardoor laten verrassen maar ook completer worden, muzikaal gezien. Een paar uur geleden appte hij me vanuit Wageningen of ik ook een favoriet album had, waar hij naar kon luisteren. Ik heb ‘12 songs’ van Neil Diamond teruggeappt. En ondertussen luister ik nog steeds naar Mike Posner. Dankzij Mees. A real good kid. In liefde en met dank… I love you too!

Het buitengebied van binnen…

In het buitengebied strooiden we de as uit van mijn zus. Drie jaar geleden alweer. Sindsdien kom ik vaak op die plek. Ik herinner me het strooien zelf nog heel goed. De verbazing over de hoeveelheid as die uit de urn kwam. En dat beetje as op m’n schoen, dat ik pas zag toen we later in een café in de buurt met de familie bij elkaar zaten. Van buiten ongemerkt mee naar binnen genomen. ‘Zo ben je buiten uitgestrooid en zo ben je weer ergens binnen’, dacht ik nog. Ik heb het er buiten toch maar even af geaaid. Daar waar ze wilde zijn.

De plek waar we haar hebben uitgestrooid ligt in een bos, onder kastanjebomen, vlakbij een stromende beek en een grote waterpartij. Er staat een houten tafelbank dicht in de buurt. Drie jaar geleden nog met een tafelblad van vijf planken maar nu nog maar met drie, zag ik onlangs. Twee planken zijn door iemand verwijderd en dat lijkt niet bepaald zachtzinnig te zijn gebeurd. De bevestigingsschroeven zijn achtergebleven en steken kromgetrokken in de onderbalk.

Als de vernieling moedwillig was, dan staat dat in een schril contrast met het rustgevende geluid van de kabbelende beek en de wuivende wind door de kastanjebladeren. En het is juist dat contrast waardoor ik me afvraag wat nou het meest wezenlijke kenmerk is van het buitengebied. Is het rust of toch rottigheid? En hoe verhoudt zich dat tot het ‘binnengebied’, dat ik voor het gemak even als term gebruik om alles samen te vatten wat er kan ontspruiten uit mijn en andersmans brein.

Positief denkend mens dat ik ben, denk ik toch dat het ‘buitengebied’ zich vooral leent om tot rust te komen. En dat niet alleen. Ik ga zelf namelijk vaak naar buiten om te schrijven. Dus ook daarom intrigeert me de vraag hoe dat precies zit met dat ‘buitengebied’. Wat is het dat je er rust en inspiratie kunt vinden? En waarom werkt het rustgevend op het ‘binnengebied’? Mij schiet nu de uitdrukking ‘je hoofd leeg maken’ te binnen. Ik realiseer me dat dat voor de meeste mensen eveneens een activiteit is die zich vooral buiten afspeelt. Gedreven door nieuwsgierigheid besluit ik binnen- en buitengebied eens door Google te laten beschrijven. Mogelijk biedt dat eerste aanknopingspunten.

Voor ‘binnengebied’ blijkt er dan maar één definitie: het is een meetkundige term. Bij ‘buitengebied’ is Google wat scheutiger. In no-time worden er een achttal definities geformuleerd. De meeste zijn afkomstig uit de wereld van de ruimtelijke ordening en reppen over steden en dorpen. Bovendien blijkt ‘buitengebied’ ook een meetkundige term te zijn. Maar al die definities hebben voor mij geen relatie met het buitengebied waar ik aan denk, als ik bij mijn zus aan de gehavende tafelbank zit. Eén definitie raakt echter wel een gevoelige snaar: Het is ‘een gebied dat buiten iets aanwezig is’.

Een mooie, bijna poëtische beschrijving die me meteen doet denken aan de uitdrukking dat er ‘meer is tussen hemel en aarde’. Er is méér. Van iets. In een gebied tussen hemel en aarde: het buitengebied. Op een bepaalde manier zelfs geordend in de ruimte, want het gebied is te beschrijven in termen van hoeveelheid, van ‘meer’. Dat geeft aan de andere definities, waar ik in eerste instantie weinig mee had, toch een spannend nieuw element. Ruimtelijke ordening als een soort van beta-vertaling van ‘méér, dat buiten iets aanwezig is’.

Is het dan een grote stap -in beta-termen doordenkend over inhoud- om te begrijpen dat gedachten in de beperkte binnenruimte van een mensenhoofd, juist in de onbeperkte ruimte van het buitengebied een ideaal afzetgebied vinden? De plek buiten, die zo ruim is, dat je daar gemakkelijk je gedachten de vrije loop kunt laten. Omdat er juist daar meer is tussen hemel en aarde. Meer van ‘iets’.

De plek waar we drie jaar geleden de as van mijn zus hebben uitgestrooid, die plek heeft sindsdien ook ‘iets’ meer. In dat grote gebied van en tussen hemel en aarde, waar wij met z’n allen nu nog lijfelijk ‘binnen’ in vertoeven, daar maakt zij alvast deel uit van buiten. In mij heeft haar as iets losgemaakt. Haar as die toen al ongemerkt mee naar binnen kwam. Dat is ‘iets’, dat vooral buiten te bewonderen is en daar voelbaar is. In het buitengebied van binnen…

buitengebied
Er hangt ‘iets’ in de lucht…