Klein filosofietje

Het is al bijna helemaal donker buiten. Tegen tienen zit de eerste dag van het filosofie-weekend er op. Op het ISVW-landgoed in Leusden is de bar open. Eros Ramazotti klinkt op dit moment door de boxen. Met een koud witbiertje voor me op tafel overdenk ik de eerste dag.

Ik probeer voor mezelf te bedenken met welk gevoel ik nu hier zit. Tevreden, dat in ieder geval. Maar ook met een gevoel dat ik ergens getuige van ben geweest, waar ik de echte impact nog niet van kan overzien. Geen onprettige gedachte. Het is een gevoel van open mogelijkheden. Een herinnering komt bij me boven. Het moet in 1974 geweest zijn.

Ik heb even terug moeten tellen want ik meen dat het in de tweede klas van het Atheneum is. A2a, volgens mij, maar terwijl ik het opschrijf twijfel ik of het niet A2b was. Hoe dan ook, het is een klas waarin stevige karakters zitten. Niet alleen krachtig, maar ook onderling nogal van elkaar verschillend. Het is de tijd waarin de sfeer op school voor mij -nu terugkijkend- gesymboliseerd werd door een tweetal leerkrachten. Niet op grond van hun letterlijke aanwezigheid, maar wel door het gedachtengoed dat ik hen destijds al dan niet terecht toedichtte.

Voor mijn jaargenoten van toen; ik denk aan de geschiedenisleraar Juurlink en de Nederlands docent Pieter-Paul van Laake. Voor die laatste mag je ook Gerus van den Boomen lezen. Het contrast in sfeer van die tijd, dat wil ik er maar even mee aangeven. Een soortgelijk contrast tekende zich af in onze klas.

Het was de reden dat wij al heel vroeg voor Jeruzalembegrippen op werkweek mochten. In mijn herinnering zie ik mezelf op een conferentieoord, dicht bij Maastricht. De plaatsnaam herinner ik me even niet, maar de naam schiet me wel te binnen. Het was vormingscentrum De Klinkenberg of een naam van die strekking. Zometeen eens even googelen, dan vind ik de plaatsnaam misschien ook wel weer. Een vaag gevoel bekruipt me dat het misschien wel Meerssen was, maar dat kan ook goed door de huidige media-aandacht zijn, dat ik dat nu denk.

Raar hoe herinnering soms werkt. Want zoals ik hier nu zit, met m’n witbiertje, moet ik terugdenken aan de vormingsweek in 1974. Een foto die ik lang gehad heb van die werkweek, toonde mij in een typische denkhouding. Ik herinner me nog dat ik ook toen, tijdens die werkweek, een gevoel had van onbestemd begrip.

De verhalen en opdrachten van die werkweek. De gesprekken en de tijd daartussen. Het gevoel dat het goed was, zonder te weten waarom. Het idee dat ik er nog wel achter ging komen, waarom die aanwezigheid goed voelde. Het was een diffuus besef van een basis die er die week werd gelegd. Niet goed te duiden, maar wel een prettig gevoel.

Zo zit ik hier nu weer. Vijfendertig jaar later en geen spat veranderd, realiseer ik me. Nog een slok van mijn witbiertje. Dát is wel een verschil met toen, maar verder… Het zit wel goed. Een goed gevoel, dat tegelijk ook wel confronterend is, zonder op dit moment te kunnen zeggen waarom.

Is het herkenning, omdat er vandaag veel over ’verhalen in de filosofie’ is verteld? Is het de constatering dat er veel meer mensen zijn zoals ik, die het ook niet precies lijken te weten, maar die in ieder geval op een positieve manier op zoek zijn? Kleine levensvragen waar ongetwijfeld kleine antwoorden op te vinden zijn. Misschien vormen die samen wel één groot antwoord? Wie zal het zeggen. We hebben morgen nog een dag. En daarna hopelijk ook nog een aanzienlijk aantal.

Een gebreide lappendeken

lappendekenElke lus is door haar handen gegaan. Elke steek heeft ze zelf op de naald gezet. Twintig achterelkaar en daarna twintig naalden gebreid. Eén naald links en dan eentje rechts. Elk lapje dat zo ontstond, heeft ze bewaard totdat er voldoende waren voor een lappendeken. Zo’n lappendeken erfde ik in 1978. Het was het jaar dat mijn moeder overleed, nu bijna 35 jaar geleden. Zolang al… en die deken heb ik nog.

Ik herinner me mijn moeder als een zorgzame vrouw. Maar ook als een vrouw met zorgen. Ze kwam uit een ouderwets groot gezin, met een traditionele rolverdeling. Haar broers mochten gaan studeren. Voor haar en haar zussen was dat niet weggelegd. Bekwamen in huishoudelijke taken, dát was veel belangrijker, vonden haar ouders. Niet ongewoon in die tijd. Leren koken, schoonmaken en naaldvakken. Dáárin mocht ze uitblinken, ook al was dat min of meer gedwongen. En uitblinken, dat dééd ze. Toen ze jaren later met mijn vader trouwde, werden dat zeer gewaardeerde eigenschappen. Vooral voor haar omgeving.

Mijn moeder werd negen keer zwanger. Op twee miskramen na was het een voorbeeldige kinderrij. Bijna elk jaar één. Ik was vijfde van zeven. De gezinssituatie en de tijd van toen vergden veel van haar. Téveel soms. Misschien was het de stress van die tijd. Misschien was het de slepende ontevredenheid over niet vervulde levensdoelen. Misschien wel een combinatie van beide. Wie weet. Wat ook precies de oorzaak was, mijn moeder werd manisch depressief. Zo nu en dan moest ze daarvoor zelfs worden opgenomen in St. Anna in Venray. In 1978 was ze daar ook.

Het was mijn examenjaar. Ik zat in Venray op school en kon mijn moeder daarom makkelijk en vaker bezoeken. Als ik er aan terug denk zie ik de beelden weer voor me. Als scenes van een film waarin zij vaak ongewild de hoofdrol had. Ongewild, omdat het script soms onnavolgbare wendingen nam. Eén scene kwam vaak terug. Mijn moeder die aan het breien was. En ik, die haar bij mijn bezoeken steeds van nieuwe restjes wol voorzag, zodat ze ook kon blíjven breien. Want die deken moest af.

Overzichtelijke lapjes in een bij vlagen losgeslagen leven. Het breiwerk gaf haar houvast, denk ik nu. Maar het voorkwam niet dat ze op een dinsdag -het was 9 mei 1978- aan een acute longembolie overleed. Nog zie ik mijn vader zijn schoen strikken toen hij thuis kwam en het mij vertelde. ‘Moeder is dood…’. Een traan viel precies op de lus van de veter die hij in zijn handen had.

Herdenken. Ieder doet dat op zijn of haar manier. Zelf heb ik veel aan de symboliek van de dingen die op mijn pad komen. Die ene natte veterlus in de hand van mijn vader bijvoorbeeld. Of de honderdduizenden lussen die door mijn moeders handen gingen. De lappendeken die daardoor ontstond. Die deken, waar nu mijn kinderen warm onder wegkruipen, als ze draadloos aan het internetten zijn op hun mobiel.

De lappendeken heeft in 35 jaar heel vaak haar warme dienst bewezen. Door het vele gebruik kwamen er slijtageplekken in het breiwerk. Links en rechts vielen er gaten. Steken lieten los. Maar de warmte, die bleef. Onlangs heeft mijn vrouw de deken aan een grondige restauratie onderworpen. Steken opgehaald, gaten gedicht en herstelplekken onzichtbaar weggewerkt met gehaakte bloemen. Het voelt alsof er nu nóg meer warmte in de deken zit.

Herdenken. De gebreide lappendeken brengt herinneringen terug. Verdrietige maar ook hele fijne. En mooier nog dan de deken zelf is de warme genegenheid die in haar ligt besloten. Liefde die zij er lus voor lus in heeft gelegd. Telkens weer. Daar denk ik aan terug. Aan dát gevoel dat nu met gehaakte bloemen extra is onderstreept. De kille kou van de dood wint het nooit van de warmte van haar deken.

Zekerheid is ook niet alles

De laatste jaren geen spectaculaire dingen meegemaakt, stel ik een beetje verontrust vast. Ik vraag het me af terwijl ik besluit toch maar een begin te maken. Maar waaraan? Er moet toch iets zijn dat me bezighoudt en dat ik wil beschrijven? Een onderwerp dat me doet overlopen van enthousiasme? Gretigheid die zich dan vanzelf vertaalt in mooie volzinnen.

Ik zoek in mijn geheugen naar gebeurtenissen, maar word afgeleid door mijn dochter die vraagt of ik ook foto’s kan scannen. Zij heeft haar msn-vriendinnen net beloofd een babyfoto te sturen, omdat zij die ook van hen heeft gekregen. Mijn dochter van twaalf, die dit jaar bijna trots als ‘neet’ gestart is aan de nieuwe school. Ik heb dat vroeger waarschijnlijk ook gehad, maar ik weet het niet meer. Of toch?

Ik herinner me bijvoorbeeld het gevoel van wakker worden maar dan midden op de dag. In één keer bewuster van de wereld om me heen. Terugkijkend wel te verklaren, omdat er in die tijd thuis zoveel dingen aan de hand waren. Voor een twaalfjarige waarschijnlijk zoveel indrukken dat die op de een of andere manier waren weggestopt. Weg van thuis leek die verdovende invloed te vervagen. Alsof er watten uit mijn oren gingen en mijn ogen toen pas echt open gingen. Vreemde, maar heerlijke gewaarwording, weet ik nog.

In tegenstelling tot een andere emotie van nog eerder: het pijnlijk confronterende moment in de zesde klas, waar ik tot op de dag van vandaag mijn klasgenote van toen nog met ironie in haar stem hoor zeggen: ‘Weet je dat wel zeker?’ Zij doelde op mijn mooi versierde handtekeningenvel, bedoeld voor het afscheid van alle meesters en juffen. Op de achterkant had ik in mooie dubbele krulletters geschreven: ‘ik ga nu vijf jaar naar de HAVO’.

‘Weet je dat wel zeker?’ vroeg ze en ik had daar geen antwoord op. Ik wist dat inderdaad niet zeker, zoals ik zoveel in die tijd helemaal niet zeker wist. Of niet wilde weten. Mijn moeder die was opgenomen bijvoorbeeld om redenen die ik niet snapte. Maar ik leerde in die tijd zoveel nieuwe dingen. Ik zag en hoorde vanalles. Ik weet niet, en heb me dat toen ook niet afgevraagd, of mijn klasgenote het destijds wel zeker wist.

Mijn zoontje van acht vraagt of ik koffie wil. Hij vind het leuk om met de Senseo te spelen. Omdat hij elke handeling hardop beschrijft, word ik opnieuw afgeleid van mijn gedachten. Weet ik wel zeker dat ik koffie wil? Ik weet dat ik hem het plezier van het maken niet wil ontzeggen, maar ik voel ook dat ik het afgeleid worden op dit moment niet als plezierig ervaar. Wat zitten we toch vreemd in elkaar.

Op sommige tijdstippen voel ik me een kijker naar mijn eigen film. Ik heb er een rol in, maar toch ook soms het gevoel dat ik mijn tekst niet ken. Dan improviseer ik waarschijnlijk en merk dat juist die momenten het meest echt zijn. De koffie die ik aangereikt krijg is daar het tastbare bewijs van. ‘Lekker, ventje!’.

Zaterdag, nèt na de middag. Mijn zoon ruimt de speelkamer verder op en mijn dochter zit boven te msnnen. Een werkwoord van zes letters, met maar één klinker. Een verworvenheid van deze tijd. Een tijd waar ik zelf middenin sta. Maar waar niks zeker is. Net zo min als in 1972, toen ik het ook niet zeker wist…

‘Ojee!!’ roept mijn zoon. Hij heeft op ‘twee koppen’ gedrukt, terwijl hij het kopje vergeten is… Verschrikt kijkt hij me aan. Op sommige momenten is improviseren wel leuk. Ik stel hem gerust. Hij weet het ook nog niet zo zeker, maar ik hoop dat hij daar geen vervelend gevoel bij heeft.