Afstand…

Neergestreken in Meterik, aan de picknicktafel vlak bij de Kabroekse beek. Als er even geen auto’s op de Crommentuynstraat voorbij rijden, dan hoor ik op een afstand aan de andere kant de voetballers op het sportpark van Meterik. Moesten die eigenlijk niet hun mond houden in deze coronatijd of gold dat alleen voor de toeschouwers? Afijn, ze mogen weer, sinds dit weekend geloof ik. Opnieuw een stapje naar het gewone normaal.

Op de fiets hier naartoe zag ik op verschillende plaatsen 1,5-meter stickers opgeplakt of opgehangen bij ingangen van bedrijven. Zes maanden geleden was dat nog niet, realiseer ik me, en ik vraag me af wanneer die stickers definitief kunnen worden weggehaald. Of kunnen we misschien nu al afspreken dat ze mogen blijven hangen na corona, maar dat ze dan betekenen dat we voortaan met iedereen binnen 1,5 meter een kort gesprekje aanknopen.

‘Dat is toch niet normaal’ hoor ik een aantal mensen al roepen, en misschien hebben ze wel gelijk. Maar net zo min als er in deze coronatijd aan de 1,5-meter regel consequent gehoor wordt gegeven, hoeft het dan ook niet zo strikt. Gewoon, net als nu, als je het nut van de maatregel inziet, dan houd je je eraan. En zo niet, dan loop je de ander gewoon stilzwijgend voorbij. Dat is nu, tijdens corona, eigenlijk niet anders, toch?

Als je nu als 1,5-meter aanhanger meemaakt dat iemand je binnen die radius stil voorbijloopt, dan heb je de neiging om die persoon eens goed te wijzen op het onverantwoordelijke gedrag. Je wil dus eigenlijk al meteen het gesprek aanknopen. Straks, na corona, blijft dat zo. Alleen mag je het dan over gezellige dingen hebben. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat je ook in die situatie altijd het risico loopt dat je gezellige gesprekspartner een griepje onder de leden heeft.

Het blijft dus een persoonlijke afweging, altijd weer. Normaal of niet-normaal. Nu of later. Let wel, het laatste dat ik hier wil beweren, is dat corona een onschuldig griepje is. Ik ben geen viroloog. Net als Maurice de Hondt. Wat ik maar wil zeggen, op deze prachtige zonnige septembermorgen, is dat het allemaal van een zekere relativiteit is, waar we met elkaar misschien iets vaker bij zouden moeten stilstaan. Met een goed gesprek. Over zaken die niet over wederzijdse verwijten gaan, want met die insteek verkleinen we die 1,5-meter niet. Integendeel.

Niet normaal, wat je met de zon in de rug op een picknickbank in korte tijd bij elkaar kunt bedenken. Ik stap zometeen maar weer eens op de fiets en ga in Horst-centrum op het terras een theetje drinken. Ontsmet ik daar gelijk mijn handen even, want je weet maar nooit wie er voor jou in Meterik aan de Kabroeksebeek aan een picknicktafel heeft zitten schrijven. Ik schat wel in dat die tafel langer is dan 1,5-meter. Dus…

Huh?

Rudy…

Met mij keken en vooral luisterden nog zo’n 500 mensen naar de livestream van het laatste concert van Rudy Noya. Ter plekke, in de tuin van Graaf ter Horst waren minstens net zoveel stoelen klaargezet. Rudy stond op de plek waar hij het liefste was, in het midden van de bühne. Zijn band Jeopardy speelde en zong, waar hij eigenlijk gewoon nog mee had moeten zingen. Dat kon niet meer, maar er bij zijn wel…

‘Saying goodbye is the opposite of saying hello… saying goodbye came earlier then why..’. Twee regels tekst uit één van de liedjes die er voor Rudy en de aanwezigen werden gezongen. Lucie Geurts, die de herdenkingsdienst begeleidde, had bij haar welkom al uitgesproken dat bij dit laatste concert van Rudy we in feite zijn stem nog konden horen, in de verhalen en in de liedjes. En dat was ook zo. Nienke Wijnhoven en Stef Classens, samen met de bands Jeopardy en Plain gaven de dienst een prachtige muzikale touch. Tussendoor mooie herinneringen van zijn zus Eveline, gesteund door Samantha. Ook zijn broertje Jeffrey sprak, samen met Heléne. Cindy, de zus van Daniëlle, haalde herinneringen op, evenals een goede vriendin. En Rudy was erbij.

Ik kende hem vooral van vriendelijk ‘hallo zeggen’ als we elkaar waar dan ook tegenkwamen. En van zijn spetterende aanwezigheid bij Jeopardy, de keren dat ik daar optredens van had gezien. In zijn overlijdensbericht stond dat een persoonlijke boodschap bij zijn afscheid gewaardeerd werd. Dat die persoonlijke boodschap nu vooral ‘saying goodbye’ is, is heel onwerkelijk maar tegelijk ook het enige wat er op deze zaterdagmorgen mogelijk is. Je afvragen ‘waarom’ ligt zo voor de hand, maar ‘saying goodbye came earlier than why…’. Helaas…

Vanochtend om pakweg 9.00 uur zag ik alle lege stoelen al klaar staan in de tuin van Graaf ter Horst. Op de bühne waren ze aan het soundchecken. Mijn hardlooprondje om de vijvers bracht me ook een tweede keer langs de plek waar Rudy’s laatste concert zou worden gehouden. Ik zag Nienke op de bühne, om haar muzikale eerbetoon naar collegazanger Rudy, samen met de band, te oefenen. Het laatste concert van Rudy moest speciaal worden. En dat werd het ook.

Wat werd er mooi gezongen. In elk liedje klonk inderdaad Rudy’s stem door, zoals Lucie al voorspeld had. Ook thuis voor het beeldscherm was de emotie te voelen. Zeker toen Daniëlle vertelde dat Rudy een dag vóór zijn plotselinge overlijden nog ‘Dankjewel’ tegen haar had gezegd. ‘Umdaat ge zò lief ziet vur meej’, had Rudy op haar waaromvraag geantwoord. Tranen in mijn ogen toen ze vanochtend haar toespraak emotioneel afsloot met het zo begrijpelijke ‘koomde terug? Ik wil lief zien vur oow…’.

Waar Rudy’s stem ook zeker in doorklonk was het lied over zijn dochter Star, die met een sterretje achter haar naam als oudste zus van haar broers Jez en Liv genoemd stond in het overlijdensbericht. Rudy’s broer Richard, had de tekst die Rudy voor Star had gemaakt verder verwerkt tot een prachtig lied dat hij samen met Stef Classens ten gehore bracht. Zo was Star er ook bij. En vanochtend misschien nog wel veel dichter bij Rudy dan ze ál die jaren daarvoor al bij hem was geweest…

Herinneringen werden opgehaald, muziek werd gedeeld. Jez en Liv hadden hun laatste groet vertaald in een fotocollage, ondersteund met het prachtige nummer ‘Father and friend’ van Alain Clark. Die muziekkeuze zei veel over Rudy als vader, die ook als ‘bonuspapa’ van Tjeerd en Jens zo’n belangrijke rol had in hun levens. Eveline verwoordde het mooi in haar verhaal over Tjeerd en Jens dat die band met Rudy hen mede gemaakt had tot ‘de mannen die ze nu waren’. En Alain Clark hoorde ik zingen: ‘You know that one day too, i’ll be walking in your shoes. Yeah and I know that you’ll do fine, ‘cause you’re a son of mine…’’. Alain Clark’s stem was ook hier even die van Rudy…

Op de lifestream was te zien hoe tijdens de optredens verschillende keren de familie op de eerste rij getroost werd of elkaar troostte. En dat zal na vandaag ook wel zo blijven. Namens Daniëlle bedankte Lucie iedereen voor de aanwezigheid bij het laatste concert van Rudy. De bandleden van Jeopardy gingen na hun laatste nummer gearmd bij de kist staan. Samen bogen ze naar het publiek, maar vooral naar Rudy. Samen met Nienke hadden ze een lied gezongen waar ik twee bijna identieke regels van onthouden heb: ‘Tell me something, girl..’, en ‘Tell me something, boy..’.

Girl, boy, wie dan ook, nu en later, vertel me iets over Rudy, zodat hij voortleeft in dat verhaal. ‘Rudy leefde de muziek’, vertelde een van de bandleden van Plain, voordat het nummer ‘Last Dance’ werd gezongen, zittend rond Rudy’s witte kist. En in de muziek zál Rudy ook voortleven. In de muziek en in de herinnering.

‘Saying goodbye came earlier than why’. Waar het mee begon, werd Rudy’s laatste concert ook besloten. Vaarwel zeggen kwam te vroeg voor een waarom. Mischien wel juist dáárom riepen alle aanwezigen bij aanvang drie keer hardop zijn naam. En juist dáárom zal diezelfde naam nog ontelbare keren klinken, vanaf vandaag, en nog heel lang na zijn laatste concert: Rudy Noya!

Voor Daniëlle, Jez, Liv, Tjeerd, Jens en iedereen die Rudy kende… Gespiegeld in herinneringen, altijd aanwezig. Daarom…

Alweer voorbij…

Na drie weken vakantie heb ik een klein beetje een ‘oud op nieuw’-gevoel. Alsof morgen het nieuwe jaar begint waarin weer gewerkt moet worden. Vanavond mogelijk nog wat symbolisch vuurwerk als we daadwerkelijk ter afsluiting van de vakantie uit eten gaan, maar dan is het morgen toch echt zover. Het ritme van dagelijks werk. De eerste werkafspraken staan al in de agenda, zag ik. Morgenvroeg digitaal vergaderen, nog steeds vanwege corona.

Ik moet er altijd even aan wennen. Dat geldt voor de eerste vakantiedagen net zo als voor de eerste werkdagen. Mijn wachtwoord om in te loggen in de werkomgeving heb ik de afgelopen drie weken een paar keer geoefend. Want het vergeten ervan, als maat of de vakantie wel of niet goed was, daar wil ik niet op betrapt worden. Sowieso zie ik wat op tegen de begrijpelijke, maar standaard vragen ‘of ik een goeie vakantie heb gehad’.

Gisteren nog met Egbert over gesproken, over hoe sociaal wenselijk en daardoor bijna automatisch de onderlinge communicatie tussen mensen verloopt. Vaste patronen in het taalgebruik die vooral situationeel bepaald zijn. Of zouden collega’s echt geïnteresseerd zijn in hoe een ander zijn of haar vakantie heeft doorgebracht? Hoe zou het vallen, als ik morgen zelf tijdens de digitale vergadering zou aangeven dat ik het liever niet over mijn vakantie wil hebben. Dat het afscheid ervan nog te pril is..

Ach, laat ik er niet te veel op vooruit lopen. Ik heb tenslotte nog een hele middag waarin ik in alle vrijheid mijn ding kan doen. Zittend onder de oude eik. Er fladdert een koolwitje voorbij. Zwaluwen vliegen relatief laag over het weiland voor me en in de verte rijdt een groot landbouwvoertuig met oranje zwaailicht voorbij. Zo’n bakbeest doet me altijd aan ‘Transformers’ denken. Toevallig in de vakantie nog een film van gezien…

En nu ik het dan toch over mijn vakantie heb. Fijn gehad, dankjewel. De gesprekken tijdens de midweek in het Dominicanenklooster in Huissen heb ik tijdens de rest van mijn vakantie nog eens goed laten bezinken. Wat me er, na een aantal soortgelijke gesprekken met vrienden op terrasjes en bij vrienden thuis, vooral van is bijgebleven, is dat in ieder mens veel meer moois verborgen zit, dan aan de buitenkant vaak te zien of te horen is. Eigenlijk zouden we elkaar juist daar veel meer vragen over moeten stellen. Over de ‘binnenkant’ in plaats van over dingen die ‘buiten’ ons liggen, zoals vakantie. Of corona…

Maar daar gaan de contacten vaak niet diep genoeg voor. Het gaat al snel over voordehandliggende zaken. Het weer, de vakantie, corona. En al heel rap ook over de verschillende inzichten die er bestaan en dat je eigenlijk geacht wordt daar openlijk partij in te kiezen. Je moet ergens voor of tegen zijn. Want zoveel anderen zijn ook voor. Of tegen. Ieder voor zich bezig met uiterlijkheden en eigen inzichten en daardoor minder ontvankelijk voor elkaar en elkaars mening.

Ontvankelijkheid. Juist daarin schuilt mijns inziens iets heel waardevols. Daar hoort namelijk ook vertrouwen bij. Op en in jezelf maar ook vertrouwen in en op de ander. In de ontvankelijkheid zit het zoeken naar raakvlakken in plaats van naar verschillen. En er ligt in besloten dat je vanuit je diepere zelf de grondhouding hebt om de buitenwereld toe te laten, in plaats van die mogelijk al bij voorbaat af te wijzen. Ontvankelijkheid vraagt om openheid. En om eerlijkheid. Naar jezelf en naar anderen.

Dus heb ik een fijne vakantie gehad? Nou en of. Op momenten heb ik zelfs even de wereld in mij gevoeld, omdat daar alle ruimte voor was. Dat besef van ontvankelijk zijn en blijven, is zeker geen afgerond proces. Verre van dat. Dat besef, min of meer toevallig ervaren tijdens deze vakantie, vraagt om verdere verdieping. Daar wil ik heel graag aan toegeven. Er aan werken kan op allerlei momenten die nog gaan komen. Te beginnen bij morgen. Mijn eerste werkdag na de vakantie. Een oud-op-nieuw gevoel. Dat is het. Werken dus, maar wel in de meest brede zin van het woord. Ik kijk er naar uit.

Foto: Ian Schneider (Unsplash.com)

Handtekeningen…

Ineens is het dan zover. Wat eigenlijk al heel lang vanzelfsprekend is, krijgt door een paar handtekeningen iets officieels. Mijn dochter Pip en haar vriend Joris zijn zojuist, woensdag 26 augustus om 8.30 uur, een geregistreerd partnerschap aangegaan. Toch een moderne variant van trouwen, niet dan? Ze beschouwden het zelf vooral als een administratieve formaliteit, onder andere bedoeld om de hypotheek voor hun huis rond te krijgen. Dat is ondertussen gelukt. Sinds een paar dagen hebben ze een eigen huis.

Misschien vinden ze nóg wel dat het zojuist, met een paar handtekeningen bekrachtigde, geregistreerde partnerschap een formaliteit is. Maar de afgelopen dagen laten hun intensieve voorbereidingen voor een ‘klein feestje’ duidelijk zien dat ze het moment zelf ook wel willen markeren. Niks groots, maar toch even aandacht. En dat herken ik wel. Want zo voel ik het ook. Plus nog een beetje meer. Daar kan zelfs corona niet tegenop…

Ik merkte namelijk dat, hoe dichter het moment dichterbij kwam, ik het eigenlijk steeds specialer vond worden. Het is een gebeurtenis in mijn leven, waar ik verstandelijk misschien wel heel gelaten over kan doen, maar waar ik gevoelsmatig wel degelijk een diepere betekenis bij ervaar.

En daar wil ik toch heel even bij stil staan. Bij deze. Voor Pip en Joris. Een paar woorden, in de vorm van een klein gedichtje. Want héél groot wil ik het óók weer niet maken. Wél heel speciaal. Oneindig veel specialer dan corona…

Lieve Pip en Joris, voor jullie…

NB Het zou wel heel leuk zijn, als iedereen die dit leest een korte felicitatie achterlaat voor Pip en Joris. Elke reactie hieronder zal ik doorsluizen naar het ‘prille paar’. Hetzelfde doe ik met de felicitaties die via de LinkedIn-, Facebook- of Twitter-link bij mij terecht komen. Helemaal coronaproof… Alvast bedankt!

Hun afscheid…

ik zit hier voor de kerk van toen
kijk wat er is gebleven
het glas in lood
in prachtig rood
met tekst er in geschreven

die tekst die heb ik niet gezien
die dag dat wij ze misten
wel zon die scheen
door ramen heen
het gangpad en de kisten

vierkante vlakken voor de kerk
tegels van mos vergeven
hier stonden wij
bij allebei
hun afscheid van het leven

Opnieuw handelen…

De 4-daagse ‘retraite’ van vorige week heb ik de afgelopen dagen nog verschillende keren door mijn hoofd laten gaan. Een paar mooie ervaringen wil ik hierbij graag wat uitgebreider belichten. Eerst een kleine toelichting op de titel van deze column. Het woord ‘retraite’ is volgens Wikipedia afgeleid van het latijnse ‘retrahere’ en het franse retraire. ‘Re’ staat voor ‘opnieuw, weer’ en ‘traire’ wordt onder andere vertaald door ‘handel, verkeer’. Vandaar ‘Opnieuw handelen’, een column over iets ‘opnieuw doorleven’ en de waarde die dat kan hebben.

In de praktische sessie over Meister Eckhart hebben we in groepen van vier personen citaten van hem besproken. Het waren citaten van zo’n 800 jaar geleden en we kregen de tip mee om te proberen door de sterk religieuze sfeer van de teksten heen te lezen. De opdracht was om gezamenlijk één citaat uit te kiezen dat de groep -na bespreking- het meest raakte. Daarna kwamen de drie groepen weer bij elkaar. De reden voor de keuze van de groep werd vervolgens door elk groepslid individueel toegelicht. Dat leverde hele persoonlijke verhalen op.

Eén groep had het volgende citaat van Eckhart gekozen: ‘Zo gelijk aan zichzelf heeft God de menselijke ziel gemaakt, dat er in de hemel noch op aarde van al die prachtige schepselen die Hij zo vol vreugde heeft geschapen niet een zo aan Hem gelijk is als de menselijke ziel. Daarom wil God deze tempel leeg hebben, zodat zich er niets meer in bevindt dan Hij alleen.’
Drie van de vier legden uit, waarom zij dit citaat hadden gekozen. Het waren alle drie interessante ontboezemingen, maar het was het vierde verhaal dat vooral indruk op me maakte.

Het vierde groepslid namelijk -een gepensioneerde dominee- begon met te vertellen, dat het citaat in de groep van vier helemaal niet zijn voorkeur had gehad. Het waren de persoonlijke verhalen van alle andere groepsleden die hem nu ineens deden beseffen, dat het citaat ook voor hem duidelijk meerwaarde had. Hij had twee jaar eerder zijn vrouw verloren, legde hij uit. De emotie waarmee hij dat vertelde, deed mij vermoeden dat hij bij ‘al die prachtige schepselen’ ineens een duidelijk voorbeeld voor ogen had.

Hij voelde nu heel sterk dat ‘zijn tempel’ de afgelopen twee jaar gevuld was met verdriet. En wel op zo’n manier, dat hij dat verdriet zelfs gekoesterd had. Het in de groep over juist dat ene citaat van Eckhart spreken, had bij hem, al luisterend, het besef doen ontstaan dat hij die tempel zelf ‘leeg moest maken’ om het verdriet echt te kunnen verwerken. Hij zei dat in een prachtige volzin die ik voor mezelf heb genoteerd, omdat die mij zo raakte.

‘Er zit in de eerste twee zinnen iets dat een gevoel van heimwee bij me oproept naar een kracht die mijn tempel, die tot nu toe helemaal gevuld is met verdriet, leeg zou kunnen maken…’. Opnieuw, met zoveel emotie en innige overtuiging uitgesproken dat het in ieder geval bij mij, maar waarschijnlijk ook bij de andere aanwezigen, echt binnenkwam. Het was de kracht van welgemeende woorden, voortkomend uit een diep besef van her- en erkenning.

Een dag later, in eenzelfde setting van citaten bespreken en met elkaar delen, had ik zelf een soortgelijke ‘herbeleving’ van een emotionele gebeurtenis. Die werd overigens niet alleen door een citaat van Dag Hammarskjöld getriggerd. Een dag eerder had pater Henk Jongerius verteld over zijn roeping, de kloosterorde en het klooster zelf. Hij vertelde onder andere over zijn schrijverschap. Wat me daar vooral in raakte was zijn opmerking: ‘Je wil niet weten hoe kwetsbaar een schrijver is’. Wat ook herkenning bij me opriep was wat hij zei over zijn middelbare schoolexamen Opstel Nederlands, waar hij ‘een negen voor had gehaald.’

Beide opmerkingen kwamen in mijn hoofd samen met het citaat van Hammarskjöld dat wij als groepje hadden gekozen. De combi van opmerkingen en citaat raakte een aantal momenten in mijn leven, die ik door de manier waarop we in de sessie bij elkaar zaten, graag met de rest wilde delen. Met de kwetsbaarheid van de dominee van gisteren nog in mijn gedachten, vertelde ik in de plenaire groep over die raakvlakken.

Ook ik kreeg namelijk voor mijn eindexamen Opstel Nederlands destijds een negen. Dat examen was één dag na het overlijden van mijn moeder, die op het moment van haar overlijden was opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ze was daar om te herstellen van opnieuw een extreme manifestatie van haar manische depressiviteit. De dag dat ze daar stierf (door een longembolie, bleek later), kan ik me nog goed herinneren. Het werd een dag, waarin we als familie de emoties van het verlies met elkaar deelden. Op enig moment kwam de eindexamenperiode, waar ik toen middenin zat, ter sprake. Het besluit viel om die examens wel te gaan maken. Op het examenrooster stond één dag later het opstel Nederlands gepland. Eén van de 10 onderwerpen voor dat opstel was ‘Het kind en de dood’ en met mijn jongste zusje in gedachten heb ik toen blijkbaar heel veel emotie van me af kunnen schrijven.

Op het examen wiskunde, weer een dag later, scoorde ik een 2. Ik zakte dat jaar en slaagde een jaar later. Heel veel weet ik van dat jaar niet meer. Op de feestelijke afsluiting toen sprak ik de leraar Nederlands, die letterlijk tegen me zei, dat als hij een jaar eerder geweten had hoe mijn situatie op dat moment was, hij een 10 voor het opstel zou hebben gegeven. Maar hij herinnerde zich dat hij ‘twijfelde aan de echtheid van de beschreven emoties’. Die opmerking leek het rouwproces in mij pas echt los te maken. Ik kon niet anders dan mijn tranen de vrije loop laten. Hoe zuiver kon je zijn in het beschrijven van je emoties, één dag na het overlijden van je moeder en hoe onwerkelijk is het dan dat die beschreven emoties als ‘onecht’ en ‘niet zuiver’ konden worden ervaren. Ik was er stuk van en herinner me nog dat ik getroost werd door een leraar wiskunde.

‘Je wil niet weten hoe kwetsbaar een schrijver is’. Het citaat van Hammarskjöld versterkte dat gevoel. Vervolgens vertelde een van de deelnemers in de kring dat zij ‘roeping’ zag als een innerlijke stem, die je als het ware liet ontwaken en je duidelijk maakte wat je richting was. Dat deed me ter plekke terugdenken aan een ander moment uit mijn middelbare schooltijd. In het eerste jaar, in de brugklas, voel ik nog het moment dat ‘de wereld voor me open ging’. Tot dan lag er als het ware een sluier over mijn kindertijd, die toen ineens werd weggetrokken. In een keer kon ik de wereld in haar volle pracht zien. Een gevoel dat ik daarna nooit meer zo sterk heb ervaren als toen.

Gedachten en gevoelens. En de diepere grond daaronder. Het tijdens de retraite-midweek bezig zijn met drie denkers en met hun citaten, en de herkenning die dat bij mij teweeg bracht. Het is een ervaring die ik bij deze graag wil delen. Re-traite. Opnieuw -in het heden- doorleven van een situatie uit het verleden. Opnieuw handelen en dus ook de emoties van toen opnieuw beleven. Ik merkte het terwijl ik mijn verhaal in de kring deed, naar aanleiding van de flashbacks die de citaten en de verhalen bij me hadden opgeroepen. De emoties van toen overvielen me opnieuw, maar ik voelde dat het goed was om die weer te ervaren en ze deze keer, in het klooster in Huissen, ook daadwerkelijk te benoemen en met de andere aanwezigen te delen.

‘Wat je moet durven – jezelf zijn’, schreef Hammarskjöld in zijn dagboek. ‘Wat je wint, is dat de grootheid van het leven zich in jou weerspiegeld, naar de mate van je zuiverheid’. Het is zo waardevol om te ontdekken dat mensen uit het verleden -maar ook uit het heden- met hun geschriften en wijsheid jou, als persoon van deze tijd, kunnen raken en inspireren. Hun gedachten en ervaringen opnieuw in jezelf beleven en daar in alle zuiverheid naar handelen als je die herkent. Dat besef maakt de retraite van vorige week tot een hele mooie ervaring, die ik iedereen zou willen toewensen. Handel -steeds weer- opnieuw!

Retraite…

Alle boeken die er staan stralen oudheid uit. Een aantal is ook echt oud. In ieder geval in een staat die dat doet vermoeden. Er hangt een sfeer van vervallen wijsheid. Wijsheid, die er niet meer toe lijkt te doen. Op een vreemde manier wel passend bij mijn voorstelling van het klooster in Huissen, waar ik de komende dagen mag vertoeven. Ik ben op een midweek, waarin filosofie en retraite zijn gecombineerd. Het is maandagavond 10 augustus, half acht.

‘Leven zonder waarom’ is het thema van de midweek. Het is een uitspraak van Meister Eckhart van zo’n 800 jaar geleden. Hij is één van de drie denkers die de komende dagen aan bod komen. De rode draad is ‘Innerlijkheid’. Uit het voorstelrondje blijkt een grote diversiteit in de achtergronden van de twaalf deelnemers aan de midweek.

Innerlijkheid is een begrip waar blijkbaar moeilijk een definitie aan te geven is. Het raakt aan ‘ziel’ en ‘geweten, volgens Welmoed Vlieger, die de midweek begeleidt. Bij alledrie de denkers komt het begrip innerlijkheid terug als een tegelijk betrokken zijn bij de ander en bij jezelf. Het is de dialoog tussen de binnenwereld en de buitenwereld. In het spanningsveld van die twee werelden verhouden zich de drie denkers, waar we de komende dagen meer van gaan horen: Meister Eckhart, Dag Hammarskjöld en Søren Kierkegaard.

Om pakweg half 10 die avond praten we als groep buiten in de kloostertuin nog wat na. Het valt me op dat sommige mensen graag over zichzelf vertellen terwijl anderen liever luisteren. De ‘praters’ hebben voorbeelden uit hun eigen leven die ze -wat mij betreft ietwat voorbarig- meteen in verband menen te moeten brengen met de korte inleiding van Welmoed. Ik merk dat ik in deze fase meer geneigd ben om te luisteren.

De volgende dag krijgt Meister Eckhart meer diepte. ‘s Morgens informatie over zijn leven en werk en ‘s middags in groepjes van vier in gesprek over een aantal van zijn citaten. Opdracht is om uit de citaten met de groep er één te kiezen die je gezamenlijk het meest raakt. De reden waarom dat citaat gekozen werd, wordt vervolgens weer plenair door iedereen gedeeld met de rest. Een werkvorm die hele persoonlijke verhalen laat ontstaan.

Bij Dag Hammarskjöld, de volgende dag, hetzelfde patroon. En ook Søren Kierkegaard, donderdagochtend, krijgt op deze manier een onverwachte diepgang. Dat, gecombineerd met het ritme van het leven in een Dominicanenklooster, maken deze vier dagen tot een speciale ervaring. Voor het eerst in mijn leven bijvoorbeeld Lauden en Vespers bijgewoond.

In één van de pauzes heb ik één van de oude boeken opengeslagen. Mijn oog viel op een sfeervolle potloodtekening die me herinnerde aan een belofte die ik een tijd geleden aan een collega had gedaan die op zwangerschapsverlof ging. Ik weet nu wat ik haar ga sturen. Op enig moment in de resterende twee weken van mijn vakantie ga ik daar mee aan de slag.

Al met al, geïnspireerd door een midweek, waar mooie indrukken van buiten naar binnen zijn gekomen. Indrukken en emoties die bestaande inzichten nieuw elan geven en nieuwe inzichten hebben laten ontstaan voor verdere groei en verdieping. Tussen oude boeken met nieuwe mensen.

vervallen boek
vol oud latijn
vergeten wijsheid
teer vergeeld

stil in een hoek
verleden zijn
versleten grijstijd
weer gedeeld

Framen…

Onlangs deelde ik een column uit Nieuwe Revu van Leon Verdonschot. Ik vond dat hij prima verwoordde hoe ik zelf dacht over de verschillende inzichten die er over de corona-aanpak bestaan. De titel van zijn column: ‘De bedreigers van onze democratie komen vermomd als de verdedigers ervan’. Het is een open brief aan Willem Engel van Viruswaarheid. Een alinea daaruit:

‘De ironie van mensen die ‘Nederland is een dictatuur’ roepen is dat het ze ontgaat dat het bewijs van het tegendeel wordt geleverd door precies de mogelijkheid van het straffeloos uitspreken van die stelling. De ironie van jouw club, Viruswaarheid, blijft daarnaast dat je al je acties voert in naam van een vrijheid die de vrijheid van anderen beperkt.’

Gisteren deelde een vriend van me een andere column. Die kwam uit het Parool en was van de hand van Raisa Blommestijn. De titel: ‘Niet iedereen die het corona-beleid bekritiseert, is een gek’. De insteek van haar verhaal staat in de lead:

Iedereen die het corona-beleid bekritiseert, framen als een complotdenker, tast de gezondheid van onze democratie aan.

Ook zij haalt Viruswaarheid aan als een van de voorbeelden. Tot zover de overeenkomst. Het verschil is echter veel opvallender. Waar Leon het gevaar voor de democratie ziet in de verkapte vrijheidsstrijder, ziet Raisa het gevaar voor de democratie in het framen van onder andere Willem Engel als complotdenker.

Twee columns, de afgelopen dagen, die representatief zijn voor twee tegenstrijdige stromingen in de discussie over hoe er gedacht wordt over de corona-aanpak. Mijn vriend die de column van Raisa deelde, doet dat omdat hij het eens is met hoe Raisa tegen de situatie aankijkt. ‘Ze legt het beter uit dan ik het gedaan zou hebben..’, schrijft hij. Uit een eerdere column die hij zelf op Facebook schreef, is me deze zin bijgebleven: ‘Bewust is er voor gekozen om tot onbepaalde tijd een samenleving te ontwrichten.’ Nu weliswaar uit de context gelicht, maar hij doelde op de overheid met hun maatregelen rondom corona. De combinatie van twee woorden -’bewust’ en ‘ontwrichten’- verminderde voor mij de waarde van de rest van zijn uitgebreide verhaal.

Nu, na de column van Raisa, die mijn vriend in volle overtuiging deelde (net zoals ik in volle overtuiging de column van Leon Verdonschot deelde), begrijp ik waarom ik zo getriggerd werd door het gebruik van die twee woorden. Raisa spreekt in haar column van ‘framen van complotdenkers’. Door woorden en omschrijvingen te gebruiken, ‘plak je een etiket en breng je iemand bij voorbaat al in diskrediet’ schrijft ze. Maar framen we dan niet allemaal, vroeg ik me vanmorgen af? Of is van de overheid zeggen dat ze ‘bewust een samenleving ontwricht’ een objectieve constatering? Daar zet ik dan weer mijn vraagtekens bij. Of ben ik dan aan het ‘framen’?

Voor- en tegenstanders van de corona-aanpak, zeker aan de extreme buitenkanten van het meningenspectrum, gaan er samen -elkaar wederzijds framend en in twijfel trekkend- niet uit komen. Het virus zelf lijkt daar het meest van te profiteren. Dat gedijt waarschijnlijk het best in de steeds groter wordende kloof tussen de twee partijen. Die grotere afstand namelijk zorgt ervoor dat er steeds meer ruimte ontstaat voor een groeiende groep mensen, ouderen en jongeren, die zich bij beide kampen vanaf het begin al niet helemaal thuis voelden. Die vooral de zich alsmaar herhalende en heviger wordende strijd gewoon moe zijn. De groep die daarin een rechtvaardiging ziet om dan maar zelf hun keuzes te maken.

Ik doe dat ook, hoewel ik me het meest een aanhanger voel van ‘kamp overheid’. Vooral omdat zij vanaf het begin hun beslissingen (beleid en keuzes) hebben moeten baseren op onzekerheden. In mijn optiek is er daarna steeds vanuit voortschrijdend inzicht gehandeld om dat beleid zo optimaal mogelijk aan te passen aan de veranderende situaties. Misschien is dat naïef van me, maar het is wel een inzicht waar ik me het best bij voel. Juist omdat ik het ook niet zeker weet, wordt ik altijd wat argwanend van mensen die heel stellig beweren dat zij, en alléén zij, de waarheid verkondigen.

Maar nu ben ik weer aan het framen, denk ik… Ik hoop eigenlijk dat ik gezond blijf. En dat wens ik een ander ook toe. En mocht ik onverhoopt toch ziek worden, dan ligt dat aan het virus en nergens anders aan.

Foto Edwin Hooper (Unsplash.com)

Wij en ‘Wei’…

Het is half een, dinsdag op woensdag. Ik kom net thuis en het eerste bericht dat Facebook me voorschotelt, is een bericht van Ruud Lenssen: ‘Afgelopen weekend is pap gestorven. Sterk als je was heb je na het breken van je heup nog twee weken gestreden. Nu is het goed en heb je rust. Pap, je leeft voort in onze harten en middels de film blijven we jouw verhaal vertellen’.

Die film is ‘Wei’. Gezien tijdens de Limburgse première. Ruud’s bericht raakt me, omdat ik zijn vader, Jac, in de tuin van Hof te Berkel een tijd geleden nog heb zien wandelen. Hij schuifelde door de tuin en leek één met de planten waar hij langs liep. Eén met alle andere obstakels die op zijn pad kwamen en die hij stuk voor stuk met zijn handen aanraakte. In een tuin die ronde na ronde elke keer toch weer nieuw was. Zo geconcentreerd elk detail bijna liefdevol dichterbij halend, alsof hij continu opnieuw probeerde te begrijpen wat hij niet meer kon vatten. Telkens opnieuw beginnen bij de kern. Steeds weer. Je niet gewonnen willen geven, terwijl je niet meer weet waarvan je verliest…

De foto die Ruud bij het bericht heeft geplaatst, herken ik van de film. Het is het beeld van de eindscène, die destijds bij de premiére zoveel indruk op me maakte. Een toonbeeld van liefde, even ontsnapt aan de kille eenzijdigheid van de dementie. Er waren tijdens de film al momenten die me emotioneel raakten, maar die eindscene -volgens mij na de aftiteling- was zo ontwapenend en tegelijk zo veelzeggend, dat ik brak en mijn tranen de vrije loop liet. De woorden van Ruud daarna, en de gezamenlijk gedeelde emoties met het publiek raakten een universele snaar.

Dat was toen. Ik zie nu dat het 14 uur geleden is dat Ruud het overlijden van zijn vader heeft gemeld. Zijn bericht raakt me en ik voel de behoefte om er uitgebreider op te reageren, dan alleen het bedroefde gezichtje op Facebook. Misschien omdat ik bij de Limburgse première van Wei mocht zijn, en omdat ik op de een of andere manier het gevoel heb dat Ruud met ‘de goede dingen bezig is’. Maar vooral ook omdat ik Ruud’s vader, zoals gezegd, een tijd geleden in de tuin van Hof te Berkel nog heb gezien.

Onlangs mocht ik muziek maken met mijn buikorgel, en daarbij zingen in de tuin van de gesloten afdeling van Hof te Berkel. Tijdens mijn optreden liep Ruud’s vader daar. Ik herkende hem, van de film en omdat ik via Ruud’s facebookpagina de ontwikkelingen rondom zijn vader was blijven volgen. Ik wist dat hij een definitieve plek in Hof te Berkel had gekregen. Toen ik hem in de tuin zag, herinnerde ik me beelden uit de documentaire. Eén indrukwekkende scène met name. Zijn eerste bezoek aan een begeleid wonen project in Wellerlooi.

Alle facetten van onmacht kwamen in beeld. De pijn van het afscheid van het leven zoals het was. Voor zowel Ruud’s vader als voor Ruud en de overige familieleden. Op het moment van uit de auto stappen werd pijnlijk zichtbaar hoe confronterend het voor iedereen was. Zijn weigering in eerste instantie om überhaupt over de drempel te willen stappen naar een wereld die hem weer een stap verder af zou brengen van waar zijn gevoel op dat moment aangaf te willen zijn. En de noodzaak van de familie om hem daar toch uit liefde naar toe te begeleiden.

Wij zaten in de bioscoop en keken er naar. We zagen zijn wei en hoe die veranderde. Een krachtigere metafoor is niet denkbaar. Ja, misschien één. De poster van de documentaire, waarin Jac’s gezicht langzaam verwaait in de vervagende bladeren van een boom. De poster visualiseert letterlijk en figuurlijk de plek en de ervaring van eenieder die het aangaat. En nu, bij benadering 14 uur geleden, heeft de wind de wei definitief verlost van de zoekende ogen van Jac. Of misschien juist niet…

‘Afgelopen weekend is pap gestorven’, schrijft Ruud. De afstand tot zijn vader lijkt nu misschien nog groter dan waar de dementie al toe leidde. En toch. De pluk gras die Jac in ‘Wei’, in zijn wei, alsmaar vast bleef houden, laat de verbondenheid zien met de wereld die hij in stand wilde houden. Ondanks de dementie. Datzelfde beeld herkende ik in zijn wandeltocht door de tuin van Hof te Berkel, waar hij elke bloem en plant met aandacht aanraakte en even vast wilde houden. Mogelijk zonder besef, maar de essentie in volle concentratie keer op keer weer rakend.

De essentie namelijk, dat je ondanks een groeiende afstand tot de wereld, tot op het einde blijft zoeken naar de nabijheid van een allesomvattende liefde. Niet de bestemming maar de reis zelf, is belangrijk. Al loopt die honderd keer langs hetzelfde pad. Telkens is wat telt, hetgeen er toe doet. Wat telt, is wat je met aandacht doet. In opperste concentratie veranderde herhaaldelijk Jac’s wei. Om uiteindelijk uit te komen in een wereld waarin hij nu hopelijk vertoeft en niet meer hoeft te zoeken. Via alle plaatsen waar hij verbleef en alsmaar bleef zoeken, dit weekend geland in een wei, waar hij het gras in zijn hand met een gerust hart kan afgeven aan gevleugelde paarden.