Dubbel dankbaar

In de lift naar vijfhoog sprak een man me aan in plat Drents. Hij had een vriendelijke stem en zijn evenzo vriendelijke blik maakte dat ik communicatief zo correct mogelijk ‘ja’ knikte op momenten dat het logisch leek. Ik kon er geen woord van verstaan. Als net afgestudeerde limburgse logopedist ging ik werken in Hoogeveen en vandaag was ik daar op huizenjacht. De woningbouwvereniging had me naar Helios 112 gestuurd. Het was een eenpersoons appartement dat binnenkort vrij zou komen. Er woonde nog een oud vrouwtje, dat misschien nog wel wat zaken ter overname had. Ik moest maar eens gaan kijken.

Mijn eerste drentse ontmoeting moest naar de negende etage. Het zei weliswaar ‘neen’, maar het digitale nummertje in de display verraadde hem… Nog een keer vriendelijk knikkend, stapte ik uit op vijf en liep een lange galerij op. Het uitzicht vanaf de hoge flat was mooi. Elke stap die ik zette klonk betonnig eigenwijs en zelfverzekerd echode ik zo door naar nr. 112. Mijn eerste baan op zak en wie weet, misschien vanmiddag ook mijn eerste woning? Mijn voorzichtige druk op de bel liet een verwachtingsvol signaal horen.

De deur ging open en daar stond ze. Een vrouwtje van ongeveer anderhalve meter hoog. Witgrijs haar, bijna doorzichtig perkamenten huidje maar met een sprankel in haar ogen waar menige tiener jaloers op zou zijn. ‘So, bejje er al’, zei ze. ‘Dat hep ie snel gedaan’. Plat amsterdams accent, voor zover ik dat kon beoordelen. In ieder geval geen drents, want ik verstond haar. De woningbouw had haar blijkbaar geinformeerd over mijn komst. Ik mocht binnen komen en werd meteen op een mooie ouderwetse zitbank in de ruime woonkamer neergezet. Tapijtjes lagen hier en daar op de mooie vloerbedekking. ‘Koffie?’, vroeg ze terwijl ze haar al netjes klaargezette porselein voor me uitstalde. ‘Koekje? Je zult wel honger hebben, want je moest van ver komen hé?’. Ik vertelde haar waar ik vandaan kwam, over de treinreis van twee uur en over de reden van mijn komst. Over dat ik net afgestudeerd was in Eindhoven en dat ik mijn eerste baan bij de GGD Zuid-West Drenthe had gekregen. En dat ik op zoek was naar een woning nu en vandaar bij haar op bezoek, omdat zij blijkbaar ging verhuizen?

Die wat vragend gestelde slotzin triggerde haar om te vertellen. Ja, ze ging verhuizen. Ze had in Hoogeveen niemand meer. Ze was 88 en iedereen om haar heen was doodgegaan. Zo ging dat nu eenmaal, concludeerde ze heel nuchter. Ach, de mensen van de kerk hadden haar wel willen helpen, maar daar had ze niet zo veel mee, vertelde ze. En nu had ze besloten om de laatste jaren van haar leven bij haar zoon in Australië door te gaan brengen. Vliegreis en alles had hij al geregeld. Een week later zou ze vertrekken. Maar nou zat ze nogal omhoog met alles wat ze nog moest regelen. Ze was dan ook benieuwd of ik haar misschien kon helpen door het een en ander van haar over te nemen, zodat ze daar niets meer aan hoefde te doen. Bedrukt keek ze naar de vloerbedekking. Maar eerst nog maar een kopje koffie. Ze vond het zo gezellig dat ik er was. ‘Je zou mijn zoon kunnen zijn’ zei ze. Het was een opmerking die ze die middag nog vaak zou herhalen.

Ik wilde haar graag helpen, maar ik had geen idee wat ze zich bij de overname precies voorstelde. ‘Kom maar eens mee’ zei ze, en kwiek stond ze op van haar fauteuil. Ze trok het eerste beste keukenkastdeurtje open. Potten, pannen, borden, kopjes. De hele kast vol. Tweede deurtje ging open. Handdoeken, theedoeken, washandjes, netjes naast elkaar gestapeld. ‘In dit kastje heb ik ook de electrische mixer liggen. Ja, je moet wel een beetje woekeren met de ruimte in zo’n klein flatje. Maar voor één persoon is het ruim genoeg, hoor!’. Ik beaamde dat. De lades gingen open. Kookgerei, bestek, lepels, messen, vorken, scheplepel etc. ‘Kijk’, zei ze. ‘Dat moet ik allemaal leegmaken van de woningbouw, tenzij… Kom eens even mee…

Ze drentelde kwiek voor me uit, de gang in. Terloops wijzend naar de kapstok en de kast die ook weg moest, liep ze door, de slaapkamer in. Het tweepersoonsbed, midden op de kamer, was netjes gespreid. Dekbed erover, met dáárover nog een zelfgehaakte sprei. Twee bedkastjes, links en rechts van het bed, completeerden het geheel. De slaapkamerkast was ruim. Ook die werd geopend. Dekens, lakens, sommige nog in de originele verpakking, zag ik. Aan wat kleerhangers hingen een paar jurken. Op een schap lagen wat andere kleren. De koffer stond naast de kast. ‘Die kleren neem ik mee’ vertelde ze, ‘maar die dekens, tja…’. Ze liep door naar de deur van de badkamer. ‘Kijk, hier staat de wasmachine. En in deze kast heb ik de schoonmaakspullen staan. Bezem, stofzuiger enz. Nieuwe stofzuigerzakken liggen hier ook…’. Het was even stil. Je hoorde haar denken en aan de blik in haar ogen was te zien dat ze al die spullen eigenlijk een groot probleem vond.

Terug in de kamer, keken we samen naar buiten. Het was zonnig en het zonnescherm over het balkon wierp een mooie schaduw over de tuinstoelen. ‘Dat is ook zoiets’, zei ze. ‘Dat scherm is zó fijn, als de zon hier ’s middags naar binnen schijnt. Dat heb ik voor 300 gulden overgekocht van de vorige bewoner en daar heb ik nooit spijt van gehad. Maar die tuinstoelen, tja, die moet ik allemaal naar beneden sjouwen…’ Weer werd het stil. Ze liep naar de radio en zette die zachtjes aan. Ik keek ernaar en luisterde naar de muziek die uit de boxen kwam. Op een salontafeltje stond de televisie. Ze zag dat ik er naar keek. ‘Ja, die ook’, zei ze bijna verdrietig. Op de huiskamertafel, met daaromheen vier mooie houten stoelen, lag de Drentsche Courant en nog wat andere bladen. We praatten nog wat over het een en ander, maar uiteindelijk kwamen we toch op de vraag wat ik eventueel over wilde nemen. ‘Ik kan en wil niks meenemen’, gaf ze al een voorzet, ‘dus wat mij betreft is alles over te nemen’.

In mijn hoofd had ik al zo’n beetje een optelsom gemaakt wat ‘alles overnemen’ zou kunnen gaan betekenen in financieel opzicht. Veel had ik echter niet te besteden. Ik meende het structureel aan te moeten pakken en noteerde alles wat zij graag kwijt wilde. De lijst werd langer en langer. Op haar koffer na en haar kleren stond uiteindelijk de hele huisraad op de lijst. Op mijn vraag wat dat zou moeten gaan kosten, antwoordde ze bijna bedrukt en heel weifelend. ‘Is, eh, duizend gulden te veel’. Ik stond perplex. Het was een schijntje van de waarde en dat vertelde ik haar ook.

Zichtbaar opgelucht wimpelde ze al mijn bezwaren weg. Ik kon haar zoon zijn en zij kon toch niks meer met de spullen doen. Als we het eens zouden worden, dan zou ze het heel fijn vinden om het zo samen te regelen. En of ik dus met haar mee wilde gaan naar de woningbouw, want ze wilde het meteen afhandelen… Een uur later wás het geregeld. De officiële overdracht, via de woningbouw, zou een week later zijn, maar mevrouw De Jong kon zonder verdere inspectie haar woning verlaten, omdat ik getekend had om al haar spullen en ook haar woning in de huidige staat over te nemen. Die dag ging ik met de trein naar huis en heb een week lang in een soort roes geleefd.

De week erna kon ik bij de woningstichting de sleutel gaan ophalen. Met nog steeds een wat onwerkelijk gevoel in mijn hart, draaide ik de sleutel van de voordeur om in het slot. Ik liep door de gang, langs de kast en zag door de openstaande slaapkamerdeur het tweepersoonsbed, met het dekbed en de sprei. In de woonkamer, scheen de zon net onder het zonnescherm over de huiskamertafel en reflecteerde in het televisiescherm. Op tafel stond een vaas met bloemen en er lag een briefje bij. ‘Welkom’ stond er op geschreven met een mooi ouderwets handschrift. ‘Heel veel woonplezier gewenst en als er wat is, dan moet je maar bellen. Ik ben bij mijn zoon’. Ik glimlachte. Ze had haar telefoonnummer er niet bijgeschreven. Een groot gelukzalig gevoel overviel me. Ik plofte in ‘mijn’ fauteuil en keek naar buiten, over Hoogeveen. Toen ging de bel…

‘Goedemorgen. Ik ben mevrouw Venema, van de bewonersvereniging. Bent u de nieuwe huurder?’ ‘Ja’, bevestigde ik, verrast en in de volle overtuiging dat zoveel vriendelijkheid toch eigenlijk bijna onwerkelijk was… Ik wilde haar dus ook maar binnen vragen, maar ze bleef liever buiten staan vertelde ze. ‘U heeft alle spullen van mevrouw de Jong overgenomen?’, kwam ze meteen terzake. Opnieuw kon ik bevestigend antwoorden op haar vraag, maar de blik in haar ogen temperde mijn gevoel van verrassing enigszins. ‘Ja, weet u, al die spullen wáren niet van mevrouw de Jong. Zij kwam vorig jaar vanuit Amsterdam hier wonen met alleen maar een tandenborstel, en wij hebben voor haar bij het Leger des Heils alle huisraad bijelkaar gesprokkeld. Alléén het zonnescherm, dat heeft ze van de woningbouwvereniging gekregen. In de kelder van haar flat staan ook nog twee bedden. We hebben haar zó goed geholpen. We dachten dat zij zich dan ook wel bij onze kerkgemeenschap zou aansluiten, maar na een paar keer hield ze dat al voor gezien. En nu merkten we onlangs dat ze was vertrokken…

Ik stond perplex en dat moet mevrouw Venema gezien hebben. ‘Ach, weet u, u bent ter goeder trouw en ik kom ook niet om te vertellen dat we de spullen van u terug moeten hebben. Maar als we de twee bedden in de kelder zouden mogen terugkrijgen, dan kunnen we daar weer andere gezinnen mee helpen. En als u een keer onze kerkdienst wilt bijwonen…’ Met heel veel overtuiging heb ik haar die twee bedden beloofd. Ik heb ze zelf van mijn kelder naar haar kelder gedragen. En ben daarna weer mijn flatje binnengegaan. Ben op mijn bank gaan liggen. Heb mijn radio aangezet en ben nog even op de tuinstoel op het balkon gaan zitten. Ben opgestaan en heb me een pilsje uit de koelkast gepakt. Weer terug in het zonnetje op mijn balkon. Uitzicht op het Hoogeveens kanaal. Mevrouw de Jong…. het zou mijn moeder kunnen zijn…

In gesprek

Nou moet je eens goed luisteren. Wat wil je nou eigenlijk? Hoezo, dat is ’t ‘m juist? Dat kan toch niet altijd zo blijven, dat je gewoon maar wat aankloot? Wordt het niet eens tijd dat je daar wat keuzes in maakt? Onzeker? Waar komt dat vandaan dan? Okee, snap ik.

Maar kun je dan niet voor jezelf die dingen eens op een rij zetten? Wie weet, zit er wel een volgorde in. Dat kan je misschien helpen, daarom! Ik bedoel, het schijnt te werken als je de dingen eens op papier zet. Op papier ja. Opschrijven, weet je nog? Van vroeger?

Gewoon. Even uit je hoofd halen om er op een afstandje eens naar te kijken? Kiezen? Nee, hoeft toch niet? Gewoon even naar kijken. Aanvullen misschien. Of juist niet. Leg je het even weg. Of wie weet, kun je meteen ook wat wegstrepen. Kan geen kwaad, toch?

Niet? Ja, kan ook. Dat moet je zelf weten. Het gaat er om dat je minder twijfelt. Dat helpt toch niet? Kom je nooit tot iets. Want dat wil je toch? Iets bereiken? En tevreden zijn over wat je doet? Niet dan? Gewóón tevreden? En niks doen? Ja dág…!

Dat snap ik niet. Dat je zo vol plannen zit. En dat er dan zo vaak niet uitkomt wat je wil. Dat je niet het gevoel kunt vasthouden van ‘yes!’. Altijd maar nadenken over hoe het ook zou kunnen zijn. Dagdromen heette dat vroeger. En nu? Twijfel?

Met de dagen gaan ook je dromen voorbij. Zo zonde. Doe er iets mee, man! Dat doe je ook wel? Zo nu en dan? Waar hebben we het over dan? Is zo nu en dan te weinig, zeg je? Ja, dat is lekker. Ben toch gewoon tevreden met die momenten, man.

Wat gewoon is? Ja, doei! Wat ga je doen? Opschrijven? WordPress? Ja, je hebt vakantie en ook tijd. Weet ik. Een ding nog. Hoe langer je jezelf maar vragen blijft stellen, hoe korter je de tijd hebt voor antwoorden. Weet je dat? Ik ook van jou. Eikel. Ja, het is herfst ja…

Diplomatieke horoscoop

Het lukt elke zaterdag weer. Een zin uit de krant halen die opvalt door het verhaal dat er achter verscholen gaat. Een verhaal dat je pas ontdekt als je de zin nog een keer goed leest. Neem de subtitel van de column ‘Horoscoop’ van Hanna Bervoets. ‘Voor iedereen die is geboren tussen 1 januari en 31 december’ staat er tussen haakjes in kleine letters onder. Omdat ik vanuit het sterrenbeeld ‘Stier’ denk, kijk ik nog eens goed naar de genoemde data. En dan zie ik dat Hanna met haar data-interval iederéén aanspreekt.

Dat is verrassend omdat ik het woord ‘horoscoop’ niet meteen met ‘iedereen’ associeer. Astrologisch bepaald denk je aan één-twaalfde van de goedgelovige mensheid. Stieren, Rammen, Boogschutters, Tweelingen, Maagden enzovoorts, allemaal bepaald door een geboortedag tussen datum x en datum y. De stand van de sterren en de planeten tóen bepalen hoe je nú in het leven staat. Ongelooflijk. En nóg ongelofelijker is dat hetzelfde twaalfde deel van de horoscooplezende mensheid zichzelf herkent in de dagelijkse beschrijvingen van het eigen sterrenbeeld.

De Amerikaanse psycholoog Forer omschreef in 1948 dat fenomeen al heel treffend in wat sindsdien het Forer-effect genoemd wordt: Mensen zijn geneigd zich onmiddelijk te herkennen in vage en algemene beschrijvingen, die ze dan zien als typerend voor hun unieke persoonlijkheid. Hanna Bervoets gebruikt dat effect in haar ‘Horoscoop’-column door de lezer daarin als uniek en anders te beschrijven, terwijl die lezer in werkelijkheid net zo blijkt te zijn als iedereen. Want wie is er niet jarig tussen 1 januari en 31 december?

Iemand die denkt dat hij uniek is, is niet anders dan iedereen die dat ook denkt. Dat schept een band, toch? Maar het wordt lastig wanneer je dat niet in de gaten hebt. Want dat is wat mij ook triggerde in de titel. Behalve de verrassing ook het gevoel op het verkeerde been te zijn gezet. Ik veronderstelde heel even iets dat er niet was. Ik dacht als ‘stier’ en dus in dit geval op één-twaalfde van de werkelijkheid. Er was méér maar ik zag het in eerste instantie niet. In dat gegeven ligt een ander deel van het verhaal verscholen.

Iets te bekrompen zien en je daar niet van bewust zijn. Of te weinig informatie hebben, dat niet weten, en toch je mening al klaar hebben. Niet twijfelen over iets dat je niet zeker weet. Dat is verontrustend en zet aan het denken. Een voorbeeld: Rusland verklaart Nederland bijna de oorlog en dan lees ik vandaag in de krant dat we dat met een korreltje zout kunnen nemen omdat de beide ministers van buitenlandse zaken elkaars voorkeur voor whisky en wodka delen. Eh, ja? Is dat kennis waarmee vervolgens ook kindermishandeling diplomatiek kan worden gebagatelliseerd? We proosten het dus af?

Slechts een mening die echter waarheid is voor hen die er in geloven. Ook al weten we maar de helft. Dat maakt het er allemaal niet gemakkelijker op. Vorige week woensdag werden er 50.000 handtekeningen aangeboden aan de Tweede kamer, tégen de invoering van een nieuwe Jeugdwet. Een dag eerder kreeg de kamer een petitie aangeboden, waarin stellig vóór diezelfde Jeugdwet werd gepleit. Er van uitgaande dat allebei de indieners hun petitie als representatief beschouwen zijn we dus ook hier eigenlijk met z’n allen voor én tegen.

Als ik de feiten niet precies ken, kan ‘ja’ en ‘nee’ allebei zomaar waar zijn. Fiftyfifty. Dat is ook zes-twaalfde deel. Hoeveel ministers hebben we eigenlijk? U denkt nu twaalf? Nee, het zijn er dertien en dat is maar goed ook. Want bijgeloof moet je niet te serieus nemen. Net zo min als je eigen horoscoop.

Ik kan me dus wel vinden in één horoscoop voor iedereen die geboren is tussen 1 januari en 31 december. Want dat scheelt élf keer een hele hoop algemeenheden en onzin, zou je kunnen zeggen. Maar misschien zie ik dat verkeerd? Omdat voor het sterrenbeeld Tweelingen Mars in het tweede huis van Venus staat? Zou zomaar kunnen… Vashe zdorovie! Volgens de Russen betekent dat geen proost. Terwijl ’n kind slaan niet automatisch betekent dat je diens tweelingzus of oudere broertje ook mept. Dat er mensen zijn die dat niet meteen willen inzien… Zo ondiplomatiek. Ongelooflijk.

Nu rijk…

Om de middelvinger van mijn linkerhand zit al bijna 19 jaar het enige goud dat ik rijk ben. De trouwring van mijn vader. Of van m’n moeder, daar ben ik en mijn broers en zussen niet helemaal zeker van. Zestien jaar eerder namelijk, na het overlijden van mijn moeder, heeft mijn vader haar trouwring zorgvuldig bewaard. Bij die van hem zelf. In de loop van de tijd zijn de ringen als het ware naar elkaar toe gegroeid. In diameter ontliepen ze elkaar al nauwelijks. De inscripties aan de binnenkant waren door de tijd nagenoeg weggesleten. Uiteindelijk was er eigenlijk geen verschil meer. En sterker nog, toen mijn vader stierf bleek er nog maar één ring te zijn. Die heb ik nu om mijn vinger. Al bijna 19 jaar.

Niet dagelijks, maar toch heel vaak, voel ik aan die ring. Pak hem vast met de vingers van mijn rechterhand. Ik draai er regelmatig aan zonder na te denken. Of trek hem achteloos halverwege mijn middelvinger en laat hem dan weer terugglijden. Telkens weer. Meestal onbewust. Maar bij tijd en wijle ben ik me bewust van die handeling. Het draaien aan de ring associeer ik dan met de tijd waaraan ik als het ware draai. Ik word me bewust van het goud, dat meestal blinkt, maar dat ongetwijfeld niet altijd heeft gedaan. En ook naar de toekomst toe waarschijnlijk niet altijd zal blijven blinken. Maar het is mijn goud. Dat -ook al is het niet altijd- even goed toch heel vaak wél blinkt. De schittering van vroeger terughaalt naar het heden.

Is het dezelfde draaibeweging die mijn vader ook heeft gemaakt met de ring, vraag ik me af? Of mijn moeder? Keer op keer. Steeds opnieuw. Zoals ik het doe. En dachten zij toen ook, zo nu en dan, aan de tijd, voor of na elke omwenteling? Stonden zij er eveneens bij stil dat met elke omwenteling de inscripties dichter aan de oppervlakte komen? Per keer ongemerkt ondieper worden? Ongemerkt beetje bij beetje en meer en meer onzichtbaar worden? Om uiteindelijk onvermijdelijk zichtbaar weggesleten te zijn? Terwijl ik aan de ring draai, realiseer ik me die tegenstelling: Pas helemaal vervaagd lijken de inscripties steeds nadrukkelijker aanwezig.

De herinneringen worden letterlijk tastbaar als ik aan de ring draai. Ik voel de teruggedraaide tijd, maar ook, terwijl ik onnodig de andere kant op draai, de tijd die nog moet komen. Ik word me bewust van de wederkerigheid ervan. Waar het bij mij om draait, daar heeft het bij hen ook om gedraaid. Wat zij vroeger deden, heb ik ook gedaan of ga ik nog doen. Dezelfde gouden momenten heb ik beleefd of ga ik nog beleven. In het goud voel ik de verbondenheid met hen. De oneindige draaiing gaat dwars door de tijd. De ring verbindt wat er wás met het nu. En tegelijk het nú met wat nog gaat komen. Er is geen eind en geen begin aan mijn gouden ring. Herinnering wordt toekomstbeeld en droom wordt zomaar werkelijkheid. Mijn vaders ring van toen is mijn ring van nu en wordt straks misschien wel mijn zoons ring van later. Mijn vader, ik, mijn zoon. Of mijn dochter. Wie zal er straks draaien aan die ring?

Ja, het is niet allemáál goud wat er blinkt, maar héél veel wel. Een goed gevoel. Een goud gevoel.

Synchroniciteit? Synceroticiteit!

‘Rokjesdag maar dan in de kleuren van de herfst’, bedacht ze. Het was een hele warme dag in september. Een tegenstelling die tegelijk onwerkelijk als ook heel prettig aanvoelde. Ze liep door de winkelstraat en was zich aangenaam bewust van de blikken die haar volgden. Zonder te kijken wist ze waar men naar keek. En ze keek als het ware met hen mee. Ja, ze voelde bijna hun blikken over haar lijf glijden. Ze glimlachte.

De terrassen zaten vol en dat leek het gevoel van bekeken worden nog te versterken. Bewust bleef ze even staan voor een etalage. Ze genoot van haar eigen gedachten. Ze koesterde het gevoel van de blikken. Blikken waarvan ze zeker wist dat die nu op haar rustten. In de spiegeling van de etalageruit probeerde ze de gezichten te zien van hen die haar kant opkeken. Een warme wind streek langs haar wang.

Met één hand veegde ze een lok uit haar gezicht en met de andere hand trok ze schijnbaar achteloos aan de achterkant van haar korte rokje. Bijna in dezelfde beweging ging haar hand via haar bil omhoog. Ze voelde door de denim stof de contour van haar slip. Heel even, maar het raakte haar. Ze verbeelde zich dat het niet háár vingers waren die die gevoelssensatie teweeg brachten, maar dat één van de blikken achter haar een soort van Uri Geller-achtig effect op haar had. Zij was als het ware het lepeltje dat zou gaan buigen.

Ze slikte. In de etalage zag ze zichzelf -geprojecteerd leek het- over de mannelijke etalagepop, die -ontdaan van de zomercollectie- in afwachting was van de nieuwe herfstmode. Alsof ze geinteresseerd naar binnen keek, zag ze zichzelf staan, gespiegeld en iets voorover gebogen. Haar blouse viel wat open. Er streek een vlaag, nu wat frisse septemberwind, langs haar benen. Heel duidelijk associeerde ze dat gevoel met hetgeen haar fantasie haar zojuist had ingefluisterd. Ze voelde de blikken steeds sterker en die blikken deden iets met haar. Een tinteling.

Was het de blik van die wat oudere heer aan dat linkse tafeltje, die de kraag van haar blouse subtiel wat naar voren had getrokken? Ze keek mee met wat de man nu zou kunnen zien. Het kant van haar Marlies Dekkers BH zou hem zeker opvallen. De man zou zich afvragen of haar tangaslip van dezelfde stof en bordeauxrode kleur was. Misschien overlegde hij zelfs wel met de man aan het andere tafeltje. Ze zouden bewonderend vaststellen dat het setje perfect om haar rondingen sloot. Ze sloot even haar ogen.

Nog steeds leek de etalage haar volledige aandacht gevangen te hebben. Ze verzette een pas en in die beweging voelde ze de lingerie om haar lijf net een fractie vertraagd haar beweging volgen. Het leek een streling. Opnieuw niet onprettig. Heerlijk warm.

Hij had haar al van ver zien komen. Ze viel op in haar korte, blauwe rok, met haar lang blond, loshangend haar. ‘Zo nu en dan is in één keer een plaatje compleet’, bedacht hij. Dan klopt alles en lijkt het gelegitimeerd om die perfectie als het ware te omarmen. Van een afstand en met de ogen dan toch. Hij genoot en voelde haar aanwezigheid op zijn netvlies. Het was een warme dag in september. Bijna herfst, maar de dertig graden deden in niets vermoeden dat het zomerseizoen zo goed als ten einde was. Integendeel. Het leek wel Rokjesdag, had hij al tevreden vastgesteld, vanaf zijn vaste stek op het terras.

De blondine stond nu stil voor een etalage. De septemberwind streelde haar. Het viel hem op dat hij niet de enige was die naar haar keek. Een glimlach verscheen om zijn lippen. Hij stelde zich voor dat zij ook naar hen keek, in de etalage. Hoe zou ze dat vinden, zoveel blikken op haar gericht? Blikken die haar bijna ontkleedden, leek het wel. Hij slikte. Haar hand ging naar haar rokje. Een kort rukje gaf ze, met als enige effect dat zijn aandacht volledig gefocust was op de plek van waar haar hand eigenlijk meteen weer naar boven ging.

‘Alsof ze zichzelf aait’, dacht hij. Een paar keer maakte hij met zijn ogen de beweging die haar hand zojuist gemaakt had. ‘Zou je door zo’n rokje de contouren van haar slip kunnen voelen’, vroeg hij zich af? ‘Had ze die überhaupt wel aan’, liet hij zijn fantasie de vrije loop en nam een slok van zijn Verboden Vrucht. Ze bukte wat voorover en tegelijk zag hij dat zijn buurman, -een gedistingeerde heer op leeftijd-, wat ging verzitten. Ze keken elkaar aan en gaven elkaar een kort begrijpend knikje.

Zijn blik tastte de rest van haar lichaam af. De wind bewoog haar blouse en deed de stof wat opwaaien. In gedachten verplaatste hij zich in de etalagepop en stelde zich voor wat hij nu zou kunnen zien. Haar BH? Bordeauxrood, net als haar slip? Het was een fraai beeld dat hij zag. Welvend mooi ging de stof strak over haar lijf. Een beeld dat hij even vasthield toen zij plotseling een pas verzette.

Hij schrok maar voelde zich vreemd genoeg niet betrapt. Hij had de stof vast mogen houden met zijn ogen, maar ook meteen losgelaten toen zij bewoog. Het was een fijn gevoel. Warm. Z’n ogen stuurden die warmte naar zijn handen. De warmte van de zomer vermengde zich met de melancholie van de herfst. Vleugjes bordeauxrood. Een heerlijke combi. Rokjesdag in september. Een kort moment sloot hij zijn ogen. Toen hij weer opkeek, was zij verder gelopen. Hij kuste zijn glas en nam nog een slokje.

WO III

Het verhaal gevisualiseerd en verteld in ‘De tijd tikt alles eindig’.

Dat het nu half drie is, is straks om drie uur niet meer zo belangrijk. De tijd doden, is de uitdrukking die bij me opkomt. De afgelopen twee uur heb ik de zaterdagkranten doorgelezen. Daarin de wereld weer voorbij zien komen in al haar heftigheid en hopeloosheid.

En toch weer netjes gestructureerd in de vaste rubrieken die de zaterdagkranten kenmerken, realiseer ik me. Want er kan gebeuren wat wil, het past áltijd binnen het tabloidformaat, in een vast aantal kolommen. En áls er wat gebeurt, dan gebeurt dat vóór de deadline want anders gebeurt het pas morgen. Zo krijgen de gebeurtenissen nog wat structuur en weet je een beetje waar je aan en af bent. Dat is prettig. Het verzacht de chaos. Het laat het gifgas weglekken naar pagina vijf, waar de G20 er iets van vindt. Of niets van vindt. Ook zij doden de tijd.

Vaste rubrieken. Buitenland. Binnenland. Cultuur. Het is het nieuws van 20.00 uur en de herhaling om middernacht. Voorspelbaarheid van de voors en tegens, in van te voren gedefinieerde rubrieken, volgens vaste protocollen. Het maakt me gelaten en het werkt wat verdovend.

Ik blader en lees wat anderen vinden. Alles lijkt bepaald volgens vaste regels waar niemand wat aan kan doen. Als de G20 het al niet eens kan worden over Syrië, wie ben ik dan om iets over gas te roepen? En als wèl of géén strafexcercitie gekoppeld wordt aan de olieprijzen, is Esso daarmee belangrijker dan Assad?

Het is al half vier. Ik heb een extra half uur van mijn tijd gedood, zie ik. Daarin nog een boterham met kaas opgegeten en mijn zoon heeft me zojuist een gebakken frikandel gebracht. Er waren er nog drie over van het barbecuen eergisteren. Die moesten op en dat zijn ze nu ook. Hij twee, ik een. Duidelijk verdeeld. Hij heeft ze gebakken. Op ons gasfornuis. Ik neem een laatste slok van mijn jus d’orange. Ook op. Niet alleen tijd is onverbiddelijk, stel ik vast. Voorraden zijn dat ook. Eindig. Net als de tijd tikt alles weg.

En ik? Ik tik de tijd weg op mijn toetsenbord. Tegelijk met zoveel anderen. Woorden, zinnen, verhalen. Elke dag weer. Kranten vol als het moet. Maar wat in het ochtendblad staat lijkt in de avondkrant al niet meer zo belangrijk. Ik tik ’s ochtends ’g – i – f – g – a – s’, zucht en haal ’s avonds gewoon nog adem.

Terwijl de tijd wegsterft is de onmacht die ons doet zwijgen veelzeggend. Tegelijkertijd is de macht die ons het zwijgen oplegt nietszeggend. Dat is in heel veel landen wel anders. In Syrië bijvoorbeeld. Het is hier nu vier uur maar dáár doodt niet alleen de tijd…

Een toekomst lang

Het leven gaat voorbij terwijl je plannen maakt voor de toekomst. Een uitspraak van een dergelijke strekking kwam een tijd geleden voorbij via internet. Facebook, Twitter of LinkedIn, dat weet ik niet meer. Evenmin herinner ik me de context waarin, of de bedoeling waarmee mijn Facebookvriend, Twittervolger of zakelijke LinkedIn-contact deze wijsheid met mij heeft willen delen. Maakt ook niet zoveel uit. Wat me nu bezighoudt is de diepere betekenis van de uitspraak.

Er zit iets fatalistisch in. Het kan ook zijn dat ik er iets onontkoombaars in lees. Terwijl Martin Luther King 50 jaar geleden -ik was toen 3- blijkbaar heel bevlogen ‘I have a dream’ riep, leef ik nu in een tijd waarin mijn omgeving zich opmaakt voor een gas-oorlog (schalie- of gif-, u mag kiezen) en tegelijkertijd massaal een mening heeft over een schelddiscussie. U weet wel, die tussen Geer en Goor aan de ene kant en een intelligent Playboy-model aan de andere. Humberto Tan zat ertussen (of ernaast, u mag het zeggen) en het ging over privacy (huh?). Zomaar wat indrukken van gisteren en vandaag die aan mijn leven voorbij trokken. Terwijl ik plannen maakte.

Nou ja, plannen. Ik dacht wat na en werkte. Aan de toekomst van mijzelf en van onze gemeente. En dan met name aan de voorbereiding van veranderingen wanneer er in 2015 taken over gaan van de rijksoverheid naar de gemeente. Een complexe kanteling. Ondermeer omdat we heel anders tegen zorg en verantwoordelijkheid aan moeten gaan kijken. Ook hier worden mooie, gedreven visies afgewisseld -en soms kansloos afgeserveerd- door ongenuanceerde botheden en plattitudes. De arrogantie van ambtenaren die menen in zes dagen de rol van jeugdpsychiater te kunnen spelen en het schandelijke onrecht van het niet verwisselen van luiers op latere leeftijd. Misselijkmakend.

Als dat inderdaad de toekomst is, dan is eigenlijk het leven nu al voorbij. Laat staan dat je er uberhaubt nog plannen voor zou willen maken. En dat weiger ik nou juist te geloven. Ik wil me niet neerleggen bij de negativiteit, die er onmiskenbaar is. Ik wil niet meegezogen worden met het doemdenken dat steeds vaker de kop op steekt. In plaats van de beschuldigende vingers, priemend wijzend naar de ander, probeer ik tegenwicht te vinden door mijn eigen duim omhoog te steken. Telkens weer. Daar waar het maar kan. De rest van mijn leven. Een toekomst lang. Om in balans te blijven. Yin en Yang. Geer en Goor. Whatever.

‘…de mooiste woorde is voorbij’

Een regel tekst uit een liedje van Gert Vlok Nel, een singer-songwriter uit Zuid Afrika. Ook de mooiste jare is voorbij zingt hij. Evenals de mooiste liefde. En ook de mooiste drome is voorbij. Het liedje heet Epitaph en komt van de cd ‘Beaufort-Wes se Beautiful Woorde’. Epitaph betekent ‘grafschrift’. Toch ook vaak mooie, laatste woorden. Het liedje ademt een melancholische sfeer, zoals eigenlijk alle liedjes op de cd. Tot zover de muzikale informatie.

Niet alle tekst kan ik verstaan maar dat maakt op de een of andere manier de regels die ik wel begrijp zoveel krachtiger. Misschien door het steeds weer lekker wringende enkelvoud-meervoud verschil met onze taal. Het is voor mijn gevoel een vereenvoudiging die het zuid-afrikaans dichter brengt bij waar taal vooral voor bedoeld is: uiting geven aan gevoel en creeren van wederzijds begrip.

Maar misschien schuilt de kracht van ‘…de mooiste woorde is voorbij’ wel in de vrije interpretatie die de woorden oproept. Ik denk terug aan het moment dat ik gisteren de krant terzijde schoof. Na het lezen van een artikel waarin de woorden ‘gifgas’, ‘schuld’ en ‘onschuld’ over elkaar heen buitelden en hard vochten om een plek op mijn netvlies. De foto van de dode kinderen verhinderde dat.

Dat beeld -als het waar is- is ‘de woorde’ voorbij. Zelfs als het niet waar is, is het de woorden voorbij. Voor hen die de waarheid kennen is ook de liefde voorbij. Dat kan niet anders. De mooiste dromen, de mooiste jaren, de mooiste liefde. Is dan voorbij. Allemaal. En toch werd er ’s avonds over gepraat bij Knevel en Van den Brink. De mooiste woorde… zonder gevoel en ik begreep ze niet.

‘Word-painting’

Ik luister naar liedjes van de playlists van Cynthia. Ik heb ze net gedownload vanuit Spotify. Je kunt daar ‘vrienden’ kiezen, volgens mij afkomstig vanuit Facebook. Sommige van die vrienden blijken ook Spotify te gebruiken. Tenminste, dat denk ik, want achter hun namen zie ik ‘playlists’ staan. Zorgvuldig samengestelde muzieklijsten die ze hebben ‘gedeeld’ zodat anderen er ook gebruik van kunnen maken. Cynthia had er zo ook een aantal achter haar naam staan.

Van haar heb ik een viertal playlists bewaard. Een is vooral klassiek, twee andere lijken selecties van voorgaande jaren en één lijst heeft ze ‘tophits’ genoemd. Terwijl ik dit schrijf luister ik naar de muziek uit die lijst. Ik ben benieuwd naar haar muzikale voorkeuren. Waarom juist naar die van haar? Omdat Cynthia een nicht van mij is. De dochter van mijn zus Trudy. Ik heb nog wel meer nichten en neven, maar zij is speciaal.

Zonder de hele geschiedenis te willen toelichten -als ik dat al zou kunnen- wil ik heel kort uitleggen waarom Cynthia dat speciale plekje in mijn hart heeft. Mijn zus is jaren geleden namelijk gescheiden. Cynthia was toen nog in de peuter/kleuter-leeftijd. In eerste instantie kreeg Trudy de voogdij over Cynthia, maar omdat mijn zus bij herhaling gezondheidsproblemen van geestelijke aard het hoofd moest bieden, is uiteindelijk de voogdij overgegaan naar haar ex-man.

In de periode daarna heeft de nieuwe partner van Trudy’s ex jarenlang via een bezoekregeling het contact tussen Cynthia en mijn zus in stand gehouden. Niet altijd even gemakkelijk vanwege de wisselende gemoedstoestand van Trudy. Ook Cynthia zal wisselende indrukken van die tijd in haar herinnering hebben. Het heeft haar waarschijnlijk mede doen besluiten, toen ze meerderjarig werd, om het contact met haar biologische moeder te verminderen en uiteindelijk geheel te verbreken. Het is duidelijk dat wat ik hier in twee alinea’s zakelijk beschrijf, een wereld van emoties in zich herbergt.

Hoe graag zou ik de pijn en het verdriet van alles wat er gebeurd is willen kunnen wegnemen. Of invloed kunnen uitoefenen op wat er nu en in de toekomst nog staat te gebeuren. Maar dat kan ik niet. Zo goed en zo kwaad als het gaat begeleiden mijn broers en andere zussen in mindere tijden Trudy. Zo nu en dan heb ik via mail of facebook contact met Cynthia. In betere tijden, want die zijn er gelukkig ook, deel ik sommige gegevens met Trudy. Af en toe pluk ik een foto van Cynthia’s kat van het web en ja, ook Cynthia zelf heb ik zo al eens in een lijstje aan Trudy gegeven. Het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan.

En nu dus haar muziek. Ik ben ondertussen een tweetal uurtjes verder en heb al een paar mooie titels voorbij horen komen. Ook flarden van teksten die ik heel vrij interpreteer naar de situatie die ik hierboven kort beschreven heb. Op het gevaar af dat het sentimenteel wordt, of emotioneel, wil ik toch een aantal van die passages opschrijven. Komen ze.

Een zin die de hele tijd al is blijven hangen komt uit het nummer Cleanin’out My Closet van Eminem. ‘…i’m sorry mama, i never meant to hurt you, i never meant to make you cry, but tonight i cleaning out my closet…’. Sinnead O’Connor: Nothing Compares To You en dan dit horen: ‘…tell me baby, were did I go wrong…’ of ‘…i know that living with you, baby, was sometimes hard…’. En het volgende nummer klinkt al -ik heb de shuffle-mode aanstaan- Me And Misses Jones: ‘…we got a thing going on… we both know that it’s wrong but it’s much to strong to let it go now… it hurts so much inside … she goes her way and i go mine…’. Pff. Ik weet het, zeer vrije interpretaties, maar toch. Muziek kan veel vertellen.

Run DMC: ‘…walk this way…’. Jennifer Rush: The Power of Love. ‘… whenever you reach for me, i’m gonna do all what i can…’ en ‘…cause i’m always by your side…’. ‘…sometimes i’m frightened but i’m ready to learn…’. Ik doe er nog een, want Jennifer is bijna klaar. En dat is Vangelis: Conquest Of Paradise. ‘…Mmm hmm hmm mmm…’. Een koor zingt ook tekst, maar die kan ik niet verstaan. Even googlen. ‘…In noreni per ipe; In noreni cora; Tira mine per ito; Ne domina…’. Tja. De uitleg? ‘These lyrics are an “invented” musical language, it’s called: “wordpainting” [pseudo Latin]’.

Een mooi, door toeval ontstaan, toepasselijk einde aan dit verhaal. Want je zou mijn verhaal ook een soort ‘word-painting’ kunnen noemen. En voor een deel zelfs ‘invented’, maar wel met een serieuze ondertoon. Opgedragen aan Cynthia. En aan Trudy. Niet om iets te veranderen, want dat kan ik niet. Maar wel om wie er iets in herkent een hart onder de riem te steken. Muziek en muziektekst kan heel troostend en veelzeggend zijn. Of je het wil horen is een tweede. ‘…One way or another…’ hoor ik Blondie zingen. Luister er zelf ook maar eens naar. Benieuwd wat jij er nog meer in hoort. Bedankt voor het lezen en Cynthia, bedankt voor je muziek!

Speciaal voor jou een afsluitend gedichtje, dat ik -serieus- heb geschreven ten tijde van de scheiding. Lang geleden dus al, maar ik heb altijd in mijn hoofd gehad dat ik het jou ooit nog een keer zou laten lezen. Bij deze.

Scheiden

Twee mensen houden van elkaar
twee mensen trouwen met elkaar
je streeft dan even naar een leven
je leeft dan zeven jaar dat leven
maar als dat jou niet ‘dat’ kan geven
is dat het eind dan van dat leven?

Twee mensen hielden van elkaar
twee mensen scheiden van elkaar
heel vaak, zie je, na zeven jaar
gaan dan drie mensen uit elkaar

Die derde mens, ontstaan uit twee
verbindt hetgeen gescheiden is
die derde mens bewijst daarmee
dat zeven jaar geen lijden is!