Glutenvrije pepernoten

De ME was paraat, zaterdag, bij de intocht van Sint Nicolaas in Groningen. Ik heb het niet gezien, maar volgens mij is er niets gebeurd. Behalve dan dat er ME was bij de intocht van Sinterklaas in Groningen…

In de Volkskrant zaterdagochtend een artikel over de ‘oermoeder van het Zwarte Pietenprotest’, Riet Grünbauer. Zij schreef in 1968 een artikel in de Panorama, waarin ze haar standpunt kenbaar maakte.  Tegen zwarte schmink ‘zodat onze kinderen niet langer pret beleven ten koste van een ander ras’. De titel van het artikel: “Het witte Pieten-plan”. Even voerde ze daar gedreven actie voor, flyerde in de winkelstraat en schreef brieven naar de tweede kamer. Landelijke dagbladen werden door haar benaderd. Tot ineens haar actie abrupt stopte. Van de ene op de andere dag.

Haar zoon Marco herinnert zich dat er een keer drie mannen op de galerij van de flat verschenen. Twee verkleed als zwarte piet en een derde met een filmcamera. Zijn moeder werd door de zwarte pieten vastgepakt en boven de galerij getild. De filmopnamen -die de zoon nooit meer gezien heeft- zullen ongetwijfeld het bange gezicht van zijn moeder hebben getoond. Dat ‘incident’ was er een van velen die nog volgden. Riet werd bang voor de media en voor de dreigementen. Ze heeft in haar hele leven nog maar één keer over zwarte piet gepraat, volgens haar zoon: ‘Mijn moeder vertelde dat ze was gebeld door ‘een enge man’. Hij zei: zal ik bij je komen om samen een paar witte pietjes te maken? Dat vond ze afschuwelijk.’ Dat was in 1968.

En dan nu, in 2013, twee komma één miljoen ‘likes’ op de Facebookpagina voor behoud van Zwarte Piet. Heftige reacties op alles en iedereen die het standpunt van enige nuance durft te voorzien. Geen pretje om sommige van die reacties te lezen. Die kleuren het mensbeeld zo verschrikkelijk inktzwart dat daar geen schmink tegenop kan…

Ik heb geen echte mening over zwarte pieten. Van mij mag alles blijven zoals het was, maar het mag ook anders. Waar ik wel moeite mee heb is het zo schaamteloos tentoonspreiden van het gebrek aan verdraagzaamheid. Bij zowel zwart als wit.  In dat verband vielen me onlangs twee YouTube filmpjes op. Het waren deel 1 en deel 2 van Jane Elliot’s experiment ‘The Angry Eye’. De films gingen niet over zwarte pieten, maar wel over zwart en wit. De moeite van het bekijken waard. Ik heb ze hieronder als link toegevoegd.

Tenslotte, het artikel naast het verhaal van Riet Grünbauer. De kop daarboven: “Zwart Piet krijgt glutenvrije pepernoot”. De laatste twee zinnen van het artikel zetten me aan het denken.  “Er waren meerdere Pietjes en kinderen met glutenallergie. Daarom zijn alle pepernoten nu glutenvrij.” Er zit iets ‘metaforisch’ in die zinnen, waar ik niet meteen de vinger achter krijg. Zijn het de gluten, als iets dat sommige mensen niet kunnen verdragen of zijn het de miljoenen pepernoten die ‘daarom’ allemaal glutenvrij moeten worden? Het is ook een vorm van verdraagzaamheid, maar nu een waar we klaarblijkelijk  geen moeite mee hebben en die we vanzelfsprekend vinden. Terwijl met wat dichterlijke vrijheid de zinnen ook als volgt zouden kunnen klinken. “Er waren meerdere Pietjes en kinderen met racisme-allergie. Daarom zijn alle meningen nu racisme-vrij.”

Iets voor een ‘Glutitie’?

Wijsheid is vooruitgeschoven twijfel

De afgelopen dagen heb ik een paar keer de opmerking ‘wat is wijsheid’ gehoord. Niet uitgesproken met een vraagteken, maar wel een beetje zo bedoeld. Een vraag waarin het antwoord lijkt te zijn inbegrepen. ‘Retorisch’ heet dat volgens mij. Omdat ik niet meteen op het woord ‘retorisch’ kon komen, heb ik dat via Google opgezocht. Poeh, dan schrik je wel even. Ik wil alleen ‘retorisch’ vinden, maar ik word geconfronteerd met nog veel meer vraagsoorten. Komen ze: Open, gesloten en keuzevraag; directe en indirecte vraag; gerichte of lineaire vraag; strategische vraag; reflectieve vraag; retournerende vraag; doorvraag; relationele en circulaire vraag; negatieve vraag; suggestieve vraag; retorische vraag -die zocht ik- en, om het lijstje af te ronden, de hypothetische vraag.

Boven die indrukwekkende lijst staat dat een vraag een zin is die bedoeld is om informatie in te winnen, een verzoek te uiten of tot denken aan te zetten. Nou, dat laatste aspekt, dat werkt… Was ‘wat is wijsheid’ al die keren wel retorisch bedoeld, vraag ik me af. Of zou de opmerking misschien met een suggestieve danwel hypothetische bedoeling zijn gemaakt? En misschien zit er daarom wel verschil tussen wat de één met ‘wat is wijsheid’ bedoelt en wat de ander met zo’n opmerking voor ogen heeft. Wat is wijsheid, vraag ik me nu eigenlijk -nóg meer dan daarnet- af…

Ik stoei wat met bedenksels als ‘wijsheid is uitgestelde angst’ en ‘wijsheid is vooruitgeschoven twijfel’. Om de reden daarvan duidelijk te maken moet ik even de situatie schetsen waarin de opmerking werd gemaakt. We zaten met z’n tweeën te praten over een confronterend en emotioneel onderwerp. Het onderwerp maakte bij ons allebei wat los, maar of het ook dezelfde gedachten of vragen opriep, dat werd me niet duidelijk. Niet, wat de emotie aanging en niet wat de confrontatie betrof. Het op het eind uitgesproken ‘tja, wat is wijsheid…’ maakte dat we er in ieder geval beide over eens waren, dat de tijd het ons misschien wel zou leren. We verwachtten van elkaar op dat moment geen antwoord. We wisten niet wat ‘wijsheid’ was. Wel was er twijfel. En misschien zelfs angst.

Dus ‘wat is wijsheid’? Goed omgaan met die twijfel? Niet laten leiden door angst? Tijd het werk laten doen? Van allemaal een beetje? Ik denk het. Maar wijsheid is vooral dóen. Niet alleen tijd het werk, maar ondertussen ook zelf aan de slag! Want je kunt je zóveel afvragen. Direct of indirect, strategisch of hypothetisch. Je kunt alsmaar blijven reflecteren op van alles en nog wat en onophoudelijke suggesties doen hoe het misschien ook zou kunnen. Je kunt over en weer blijven doorvragen, relationeel, circulair ja zelfs lineair. Maar, hoe goed bedoeld ook, dat schiet allemaal niet op. Schuif dus maar even vooruit, die twijfel. Stel de angst gewoon een tijdje uit. En dóe vooral. Dat is wijsheid. Uitgestelde angst. Vooruitgeschoven twijfel. En vooral dóen! Ik weet het zeker.

PS Voor degene die zich bij het bovenstaande toch nog van alles afvragen. Hieronder een wijze link…
http://nl.wikipedia.org/wiki/Vraag_(taal)#Retorische_vraag

In herkenning verbonden

Ruby Wax bij Twan Huys gezien? Ook Victor die zijn vraag had ingebed in een gedicht? Zó indrukwekkend. Niet alleen het gedicht, maar alles er omheen. De zichtbare strijd die hij voerde en de empathie die Ruby Wax daar tegenover zette. Ik kijk er naar en word vooral geraakt door de echtheid van wat ik zie en hoor. Indrukken en wat ze met je doen. Daar gaat dit verhaal eigenlijk over. Indrukken, zoals ook zaterdagochtend bij een begrafenismis. Ontroerende momenten die je even bezig houden. Maar eerst nog even Ruby en Victor. Hieronder zijn gedicht, in het Engels en daaronder de vertaling.

How do you want to be remembered
When finally your soul is tempered
When rest and peace fall on to thee
Then what will be, or not to be
If when there is nothing left to see
And we cry rivers in to sees
Cause the mist of autumn trees
And the humming summer bees
Your spirit’s lift so magically
Salt of earth been born in thee
But if death takes you ruthlessly
And when your soul is finally tempered
How do you want to be remembered?

Hoe wil jij herinnerd worden
Als je ziel eindelijk ingetoomd wordt
Wanneer rust en stilte je ten deel vallen
Wat is dan wel of niet
Als er niets meer te zien is
En we rivieren huilen die zeeën worden
Omdat de mist van herfstbomen
En de zoemende zomerbijen
Je ziel zo magisch optillen
Zout der aarde wees in u geboren
Maar als de dood je meedogenloos meevoert
En als je ziel eindelijk ingetoomd wordt
Hoe wil je dan herinnerd worden?

Victor en Ruby wisselden na het gedicht een paar woorden. Boordevol echtheid. Prachtig en ontroerend om te zien. Ruby beantwoordde de in het gedicht gevatte vraag. Ze nodigde hem uit voor na de show. Daarna sprak ze over haar depressies en hoe vreselijk die periodes waren. Zij kende haar eigen kwetsbaarheid en aanleg er voor. Ze zag het ook wanneer andere mensen er aan leden vertelde ze. Haar metafoor gaf feilloos aan hoe erg de ziekte was en hoe zij depressies bij anderen kon zien. ‘It’s the look of a dead shark. Look him in the eyes and you’ll see’. Confronterend. Maar ook weer zo echt. Ik moet Twan eens bij gelegenheid vragen of Ruby na de uitzending Victor nog gesproken heeft. Kan bijna niet anders na haar vraag richting Victor en het uit zijn tenen komende antwoord: ’yes!’. Echter kon het niet klinken.

Echtheid. Ik zag en hoorde het zaterdagochtend bij de begrafenis van de moeder van Peter, Paul en Lily. Tijdens een mooie dienst ontroerde mij de woorden, de zang en de aanwezigheid van oude bekenden. Peter en Petra. Paul. Lily. Hay en Christien. Er waren veel mensen in de kerk. Allemaal op hun eigen manier verbonden met haar en met elkaar. Even verenigd voor een gezamenlijk afscheid van een dierbare, een familielid of een kennis. Ik was er daar een van. Ook ooit een klein onderdeel van het leven dat nu het aardse was ontstegen.

20131104-014846.jpg
Echtheid. Zij was het die mij ooit een kleine medaille had gegeven. Die was gezegend zei ze en ik moest hem maar goed bewaren. Er in geloven hoefde niet, zei ze. Bewaren was voldoende. Het zou me behoeden. Dat zei ze en daarom zat de medaille jarenlang los tussen mijn kleingeld. Bijna uit gewoonte was ik er zuinig op. Het verbaasde me elke keer -als ik ongewild de medaille toch kwijt was geraakt- dat ik die ook weer altijd terug vond. En ik heb hem nog. Sinds kort met een veiligheidsspeld bevestigd aan de binnenkant van mijn portemonnaie. Want ook al hoef je er niet in te geloven, toch moet je wondertjes niet te vanzelfsprekend gaan vinden.

’Als je ziel eindelijk ingetoomd wordt, hoe wil je dan herinnerd worden?’ Ik herinner haar als degene die me voor altijd en alles wilde behoeden. Het enige dat ik moet doen is die herinnering koesteren. En de medaille bewaren. Zonder dat ik er in hoef te geloven. Omdat het toen al echt was, nu nog echt is en later ook echt zal zijn. Voor Peter, Paul en Lily. Bij deze sterkte. In herinnering altijd verbonden.

Uit het oog, in het hart

Hoe lang is het geleden dat ik met vrienden op zondagmiddag een potje ging biljarten in het dorpscafé. Meestal ging het biljarten over in een spelletje kaarten. Toepen. Wie het eerst zijn zeven punten kwijt was, betaalde een rondje. Dat schrijven van de punten gebeurde door één persoon, op een lei, met een krijtje. Als je schreef, dan ging daar de suggestie van uit dat je je ‘overlevingskansen’ in het spel in eigen hand had. ‘Wie schrijft, die blijft’ was de gevleugelde uitspraak. Dat ging natuurlijk lang niet altijd op. Ik kan me keren herinneren dat ik schreef en dat ik op de rand van de lei maar bij één naam de verloren rondjes kon aanstrepen. Jawel. Bij mezelf. Ik schreef en bleef. Zelfs veel langer dan gepland, samen met mijn vol leedvermaak elke keer goedkoop proostende vrienden… Ach, het was gezellig, dacht ik dan een dag later. Heel zeker wist ik dat meestal niet meer.

20131030-010010.jpg

Zou het ‘wie schrijft, die blijft’ ook opgaan, vraag ik me af, als ik er over een hopelijk hele lange tijd niet meer ben? Het is een rare kronkel, maar het schiet me te binnen als ik nadenk over de tijd die me in dit leven nog gegeven is. Ik zie in gedachten een foto voor me van mijn vader in zijn jonge jaren. De foto is gemaakt in Indië. Hij zit daar in zijn militaire kloffie. Bezig een brief te schrijven aan mijn moeder. Ik zag de foto toen ik, heel veel jaren later, een schoendoos met familiefoto’s tegenkwam. Mijn ouders waren al enige jaren dood. Wat me trof was de achterkant van de foto. Daar had hij voor mijn moeder een kort berichtje op geschreven. Ik las het en een paar momenten was hij er weer. Heel even. Omdat hij schreef en bleef.

Ik stel me voor dat ooit mijn kinderen over internet struinen, misschien wel in een net zo melancholieke bui als ik nu. Het kan dan zo maar gebeuren dat internet, de digitale schoendoos van de toekomst, hen ineens een verhaal van mijn hand voorschotelt. Misschien wel ‘Uit het oog, in het hart’, wie zal het zeggen? Wat zij dan lezen is wat ik schreef, met al in het achterhoofd dat ik niet kon blijven. Zoals ik nu lees, wat mijn vader schreef. Hij en ik, we schreven en bleven. Nu valt me op dat als je ‘bleven’ met aandacht uitspreekt, het als ‘beleven’ klinkt. Mooi woord, ook voor later. We schreven en beleven…

Wat je niet kunt veranderen, moet je zo laten. Ik besef dat -‘wie schrijft, die blijft’- een soort van remedie kan zijn tegen het onvermijdelijke. Dat je niet blijft, betekent niet dat je niet schrijft. Integendeel! Dus nu alvast voor straks, voor hen die me zo dierbaar zijn: Laat deze zinnen maar zo vaak als je wil rondgaan in je hoofd. Laat de woorden maar zachtjes botsen tegen de herinneringen van toen. En laat ze overal kleine lieve letterkusjes geven. Van mij, voor jullie. Het is een kwestie van beleven. Lezens-lang genieten…

Dit verhaal is voor iedereen -van toen, van nu en later- die ook aanvoelt dat de slogan ‘wie schrijft, die blijft’ op een wat emotionele manier een beetje wringt. Het klinkt misschien raar, maar het helpt als je ‘wie schrijft, die blijft’ met een wat rebelse bravour omzet naar: ‘wie leest, is er nog niet geweest’. Waar je niet geweest bent, daar kun je altijd nog naar toe gaan. Doe dat, geniet ervan en vooral, onthoud het. Zodat je er ook over kunt schrijven. Over dat momentje in de tijd. Een heel leven. Heel even…

Dubbel dankbaar

In de lift naar vijfhoog sprak een man me aan in plat Drents. Hij had een vriendelijke stem en zijn evenzo vriendelijke blik maakte dat ik communicatief zo correct mogelijk ‘ja’ knikte op momenten dat het logisch leek. Ik kon er geen woord van verstaan. Als net afgestudeerde limburgse logopedist ging ik werken in Hoogeveen en vandaag was ik daar op huizenjacht. De woningbouwvereniging had me naar Helios 112 gestuurd. Het was een eenpersoons appartement dat binnenkort vrij zou komen. Er woonde nog een oud vrouwtje, dat misschien nog wel wat zaken ter overname had. Ik moest maar eens gaan kijken.

Mijn eerste drentse ontmoeting moest naar de negende etage. Het zei weliswaar ‘neen’, maar het digitale nummertje in de display verraadde hem… Nog een keer vriendelijk knikkend, stapte ik uit op vijf en liep een lange galerij op. Het uitzicht vanaf de hoge flat was mooi. Elke stap die ik zette klonk betonnig eigenwijs en zelfverzekerd echode ik zo door naar nr. 112. Mijn eerste baan op zak en wie weet, misschien vanmiddag ook mijn eerste woning? Mijn voorzichtige druk op de bel liet een verwachtingsvol signaal horen.

De deur ging open en daar stond ze. Een vrouwtje van ongeveer anderhalve meter hoog. Witgrijs haar, bijna doorzichtig perkamenten huidje maar met een sprankel in haar ogen waar menige tiener jaloers op zou zijn. ‘So, bejje er al’, zei ze. ‘Dat hep ie snel gedaan’. Plat amsterdams accent, voor zover ik dat kon beoordelen. In ieder geval geen drents, want ik verstond haar. De woningbouw had haar blijkbaar geinformeerd over mijn komst. Ik mocht binnen komen en werd meteen op een mooie ouderwetse zitbank in de ruime woonkamer neergezet. Tapijtjes lagen hier en daar op de mooie vloerbedekking. ‘Koffie?’, vroeg ze terwijl ze haar al netjes klaargezette porselein voor me uitstalde. ‘Koekje? Je zult wel honger hebben, want je moest van ver komen hé?’. Ik vertelde haar waar ik vandaan kwam, over de treinreis van twee uur en over de reden van mijn komst. Over dat ik net afgestudeerd was in Eindhoven en dat ik mijn eerste baan bij de GGD Zuid-West Drenthe had gekregen. En dat ik op zoek was naar een woning nu en vandaar bij haar op bezoek, omdat zij blijkbaar ging verhuizen?

Die wat vragend gestelde slotzin triggerde haar om te vertellen. Ja, ze ging verhuizen. Ze had in Hoogeveen niemand meer. Ze was 88 en iedereen om haar heen was doodgegaan. Zo ging dat nu eenmaal, concludeerde ze heel nuchter. Ach, de mensen van de kerk hadden haar wel willen helpen, maar daar had ze niet zo veel mee, vertelde ze. En nu had ze besloten om de laatste jaren van haar leven bij haar zoon in Australië door te gaan brengen. Vliegreis en alles had hij al geregeld. Een week later zou ze vertrekken. Maar nou zat ze nogal omhoog met alles wat ze nog moest regelen. Ze was dan ook benieuwd of ik haar misschien kon helpen door het een en ander van haar over te nemen, zodat ze daar niets meer aan hoefde te doen. Bedrukt keek ze naar de vloerbedekking. Maar eerst nog maar een kopje koffie. Ze vond het zo gezellig dat ik er was. ‘Je zou mijn zoon kunnen zijn’ zei ze. Het was een opmerking die ze die middag nog vaak zou herhalen.

Ik wilde haar graag helpen, maar ik had geen idee wat ze zich bij de overname precies voorstelde. ‘Kom maar eens mee’ zei ze, en kwiek stond ze op van haar fauteuil. Ze trok het eerste beste keukenkastdeurtje open. Potten, pannen, borden, kopjes. De hele kast vol. Tweede deurtje ging open. Handdoeken, theedoeken, washandjes, netjes naast elkaar gestapeld. ‘In dit kastje heb ik ook de electrische mixer liggen. Ja, je moet wel een beetje woekeren met de ruimte in zo’n klein flatje. Maar voor één persoon is het ruim genoeg, hoor!’. Ik beaamde dat. De lades gingen open. Kookgerei, bestek, lepels, messen, vorken, scheplepel etc. ‘Kijk’, zei ze. ‘Dat moet ik allemaal leegmaken van de woningbouw, tenzij… Kom eens even mee…

Ze drentelde kwiek voor me uit, de gang in. Terloops wijzend naar de kapstok en de kast die ook weg moest, liep ze door, de slaapkamer in. Het tweepersoonsbed, midden op de kamer, was netjes gespreid. Dekbed erover, met dáárover nog een zelfgehaakte sprei. Twee bedkastjes, links en rechts van het bed, completeerden het geheel. De slaapkamerkast was ruim. Ook die werd geopend. Dekens, lakens, sommige nog in de originele verpakking, zag ik. Aan wat kleerhangers hingen een paar jurken. Op een schap lagen wat andere kleren. De koffer stond naast de kast. ‘Die kleren neem ik mee’ vertelde ze, ‘maar die dekens, tja…’. Ze liep door naar de deur van de badkamer. ‘Kijk, hier staat de wasmachine. En in deze kast heb ik de schoonmaakspullen staan. Bezem, stofzuiger enz. Nieuwe stofzuigerzakken liggen hier ook…’. Het was even stil. Je hoorde haar denken en aan de blik in haar ogen was te zien dat ze al die spullen eigenlijk een groot probleem vond.

Terug in de kamer, keken we samen naar buiten. Het was zonnig en het zonnescherm over het balkon wierp een mooie schaduw over de tuinstoelen. ‘Dat is ook zoiets’, zei ze. ‘Dat scherm is zó fijn, als de zon hier ’s middags naar binnen schijnt. Dat heb ik voor 300 gulden overgekocht van de vorige bewoner en daar heb ik nooit spijt van gehad. Maar die tuinstoelen, tja, die moet ik allemaal naar beneden sjouwen…’ Weer werd het stil. Ze liep naar de radio en zette die zachtjes aan. Ik keek ernaar en luisterde naar de muziek die uit de boxen kwam. Op een salontafeltje stond de televisie. Ze zag dat ik er naar keek. ‘Ja, die ook’, zei ze bijna verdrietig. Op de huiskamertafel, met daaromheen vier mooie houten stoelen, lag de Drentsche Courant en nog wat andere bladen. We praatten nog wat over het een en ander, maar uiteindelijk kwamen we toch op de vraag wat ik eventueel over wilde nemen. ‘Ik kan en wil niks meenemen’, gaf ze al een voorzet, ‘dus wat mij betreft is alles over te nemen’.

In mijn hoofd had ik al zo’n beetje een optelsom gemaakt wat ‘alles overnemen’ zou kunnen gaan betekenen in financieel opzicht. Veel had ik echter niet te besteden. Ik meende het structureel aan te moeten pakken en noteerde alles wat zij graag kwijt wilde. De lijst werd langer en langer. Op haar koffer na en haar kleren stond uiteindelijk de hele huisraad op de lijst. Op mijn vraag wat dat zou moeten gaan kosten, antwoordde ze bijna bedrukt en heel weifelend. ‘Is, eh, duizend gulden te veel’. Ik stond perplex. Het was een schijntje van de waarde en dat vertelde ik haar ook.

Zichtbaar opgelucht wimpelde ze al mijn bezwaren weg. Ik kon haar zoon zijn en zij kon toch niks meer met de spullen doen. Als we het eens zouden worden, dan zou ze het heel fijn vinden om het zo samen te regelen. En of ik dus met haar mee wilde gaan naar de woningbouw, want ze wilde het meteen afhandelen… Een uur later wás het geregeld. De officiële overdracht, via de woningbouw, zou een week later zijn, maar mevrouw De Jong kon zonder verdere inspectie haar woning verlaten, omdat ik getekend had om al haar spullen en ook haar woning in de huidige staat over te nemen. Die dag ging ik met de trein naar huis en heb een week lang in een soort roes geleefd.

De week erna kon ik bij de woningstichting de sleutel gaan ophalen. Met nog steeds een wat onwerkelijk gevoel in mijn hart, draaide ik de sleutel van de voordeur om in het slot. Ik liep door de gang, langs de kast en zag door de openstaande slaapkamerdeur het tweepersoonsbed, met het dekbed en de sprei. In de woonkamer, scheen de zon net onder het zonnescherm over de huiskamertafel en reflecteerde in het televisiescherm. Op tafel stond een vaas met bloemen en er lag een briefje bij. ‘Welkom’ stond er op geschreven met een mooi ouderwets handschrift. ‘Heel veel woonplezier gewenst en als er wat is, dan moet je maar bellen. Ik ben bij mijn zoon’. Ik glimlachte. Ze had haar telefoonnummer er niet bijgeschreven. Een groot gelukzalig gevoel overviel me. Ik plofte in ‘mijn’ fauteuil en keek naar buiten, over Hoogeveen. Toen ging de bel…

‘Goedemorgen. Ik ben mevrouw Venema, van de bewonersvereniging. Bent u de nieuwe huurder?’ ‘Ja’, bevestigde ik, verrast en in de volle overtuiging dat zoveel vriendelijkheid toch eigenlijk bijna onwerkelijk was… Ik wilde haar dus ook maar binnen vragen, maar ze bleef liever buiten staan vertelde ze. ‘U heeft alle spullen van mevrouw de Jong overgenomen?’, kwam ze meteen terzake. Opnieuw kon ik bevestigend antwoorden op haar vraag, maar de blik in haar ogen temperde mijn gevoel van verrassing enigszins. ‘Ja, weet u, al die spullen wáren niet van mevrouw de Jong. Zij kwam vorig jaar vanuit Amsterdam hier wonen met alleen maar een tandenborstel, en wij hebben voor haar bij het Leger des Heils alle huisraad bijelkaar gesprokkeld. Alléén het zonnescherm, dat heeft ze van de woningbouwvereniging gekregen. In de kelder van haar flat staan ook nog twee bedden. We hebben haar zó goed geholpen. We dachten dat zij zich dan ook wel bij onze kerkgemeenschap zou aansluiten, maar na een paar keer hield ze dat al voor gezien. En nu merkten we onlangs dat ze was vertrokken…

Ik stond perplex en dat moet mevrouw Venema gezien hebben. ‘Ach, weet u, u bent ter goeder trouw en ik kom ook niet om te vertellen dat we de spullen van u terug moeten hebben. Maar als we de twee bedden in de kelder zouden mogen terugkrijgen, dan kunnen we daar weer andere gezinnen mee helpen. En als u een keer onze kerkdienst wilt bijwonen…’ Met heel veel overtuiging heb ik haar die twee bedden beloofd. Ik heb ze zelf van mijn kelder naar haar kelder gedragen. En ben daarna weer mijn flatje binnengegaan. Ben op mijn bank gaan liggen. Heb mijn radio aangezet en ben nog even op de tuinstoel op het balkon gaan zitten. Ben opgestaan en heb me een pilsje uit de koelkast gepakt. Weer terug in het zonnetje op mijn balkon. Uitzicht op het Hoogeveens kanaal. Mevrouw de Jong…. het zou mijn moeder kunnen zijn…

In gesprek

Nou moet je eens goed luisteren. Wat wil je nou eigenlijk? Hoezo, dat is ’t ‘m juist? Dat kan toch niet altijd zo blijven, dat je gewoon maar wat aankloot? Wordt het niet eens tijd dat je daar wat keuzes in maakt? Onzeker? Waar komt dat vandaan dan? Okee, snap ik.

Maar kun je dan niet voor jezelf die dingen eens op een rij zetten? Wie weet, zit er wel een volgorde in. Dat kan je misschien helpen, daarom! Ik bedoel, het schijnt te werken als je de dingen eens op papier zet. Op papier ja. Opschrijven, weet je nog? Van vroeger?

Gewoon. Even uit je hoofd halen om er op een afstandje eens naar te kijken? Kiezen? Nee, hoeft toch niet? Gewoon even naar kijken. Aanvullen misschien. Of juist niet. Leg je het even weg. Of wie weet, kun je meteen ook wat wegstrepen. Kan geen kwaad, toch?

Niet? Ja, kan ook. Dat moet je zelf weten. Het gaat er om dat je minder twijfelt. Dat helpt toch niet? Kom je nooit tot iets. Want dat wil je toch? Iets bereiken? En tevreden zijn over wat je doet? Niet dan? Gewóón tevreden? En niks doen? Ja dág…!

Dat snap ik niet. Dat je zo vol plannen zit. En dat er dan zo vaak niet uitkomt wat je wil. Dat je niet het gevoel kunt vasthouden van ‘yes!’. Altijd maar nadenken over hoe het ook zou kunnen zijn. Dagdromen heette dat vroeger. En nu? Twijfel?

Met de dagen gaan ook je dromen voorbij. Zo zonde. Doe er iets mee, man! Dat doe je ook wel? Zo nu en dan? Waar hebben we het over dan? Is zo nu en dan te weinig, zeg je? Ja, dat is lekker. Ben toch gewoon tevreden met die momenten, man.

Wat gewoon is? Ja, doei! Wat ga je doen? Opschrijven? WordPress? Ja, je hebt vakantie en ook tijd. Weet ik. Een ding nog. Hoe langer je jezelf maar vragen blijft stellen, hoe korter je de tijd hebt voor antwoorden. Weet je dat? Ik ook van jou. Eikel. Ja, het is herfst ja…

Diplomatieke horoscoop

Het lukt elke zaterdag weer. Een zin uit de krant halen die opvalt door het verhaal dat er achter verscholen gaat. Een verhaal dat je pas ontdekt als je de zin nog een keer goed leest. Neem de subtitel van de column ‘Horoscoop’ van Hanna Bervoets. ‘Voor iedereen die is geboren tussen 1 januari en 31 december’ staat er tussen haakjes in kleine letters onder. Omdat ik vanuit het sterrenbeeld ‘Stier’ denk, kijk ik nog eens goed naar de genoemde data. En dan zie ik dat Hanna met haar data-interval iederéén aanspreekt.

Dat is verrassend omdat ik het woord ‘horoscoop’ niet meteen met ‘iedereen’ associeer. Astrologisch bepaald denk je aan één-twaalfde van de goedgelovige mensheid. Stieren, Rammen, Boogschutters, Tweelingen, Maagden enzovoorts, allemaal bepaald door een geboortedag tussen datum x en datum y. De stand van de sterren en de planeten tóen bepalen hoe je nú in het leven staat. Ongelooflijk. En nóg ongelofelijker is dat hetzelfde twaalfde deel van de horoscooplezende mensheid zichzelf herkent in de dagelijkse beschrijvingen van het eigen sterrenbeeld.

De Amerikaanse psycholoog Forer omschreef in 1948 dat fenomeen al heel treffend in wat sindsdien het Forer-effect genoemd wordt: Mensen zijn geneigd zich onmiddelijk te herkennen in vage en algemene beschrijvingen, die ze dan zien als typerend voor hun unieke persoonlijkheid. Hanna Bervoets gebruikt dat effect in haar ‘Horoscoop’-column door de lezer daarin als uniek en anders te beschrijven, terwijl die lezer in werkelijkheid net zo blijkt te zijn als iedereen. Want wie is er niet jarig tussen 1 januari en 31 december?

Iemand die denkt dat hij uniek is, is niet anders dan iedereen die dat ook denkt. Dat schept een band, toch? Maar het wordt lastig wanneer je dat niet in de gaten hebt. Want dat is wat mij ook triggerde in de titel. Behalve de verrassing ook het gevoel op het verkeerde been te zijn gezet. Ik veronderstelde heel even iets dat er niet was. Ik dacht als ‘stier’ en dus in dit geval op één-twaalfde van de werkelijkheid. Er was méér maar ik zag het in eerste instantie niet. In dat gegeven ligt een ander deel van het verhaal verscholen.

Iets te bekrompen zien en je daar niet van bewust zijn. Of te weinig informatie hebben, dat niet weten, en toch je mening al klaar hebben. Niet twijfelen over iets dat je niet zeker weet. Dat is verontrustend en zet aan het denken. Een voorbeeld: Rusland verklaart Nederland bijna de oorlog en dan lees ik vandaag in de krant dat we dat met een korreltje zout kunnen nemen omdat de beide ministers van buitenlandse zaken elkaars voorkeur voor whisky en wodka delen. Eh, ja? Is dat kennis waarmee vervolgens ook kindermishandeling diplomatiek kan worden gebagatelliseerd? We proosten het dus af?

Slechts een mening die echter waarheid is voor hen die er in geloven. Ook al weten we maar de helft. Dat maakt het er allemaal niet gemakkelijker op. Vorige week woensdag werden er 50.000 handtekeningen aangeboden aan de Tweede kamer, tégen de invoering van een nieuwe Jeugdwet. Een dag eerder kreeg de kamer een petitie aangeboden, waarin stellig vóór diezelfde Jeugdwet werd gepleit. Er van uitgaande dat allebei de indieners hun petitie als representatief beschouwen zijn we dus ook hier eigenlijk met z’n allen voor én tegen.

Als ik de feiten niet precies ken, kan ‘ja’ en ‘nee’ allebei zomaar waar zijn. Fiftyfifty. Dat is ook zes-twaalfde deel. Hoeveel ministers hebben we eigenlijk? U denkt nu twaalf? Nee, het zijn er dertien en dat is maar goed ook. Want bijgeloof moet je niet te serieus nemen. Net zo min als je eigen horoscoop.

Ik kan me dus wel vinden in één horoscoop voor iedereen die geboren is tussen 1 januari en 31 december. Want dat scheelt élf keer een hele hoop algemeenheden en onzin, zou je kunnen zeggen. Maar misschien zie ik dat verkeerd? Omdat voor het sterrenbeeld Tweelingen Mars in het tweede huis van Venus staat? Zou zomaar kunnen… Vashe zdorovie! Volgens de Russen betekent dat geen proost. Terwijl ’n kind slaan niet automatisch betekent dat je diens tweelingzus of oudere broertje ook mept. Dat er mensen zijn die dat niet meteen willen inzien… Zo ondiplomatiek. Ongelooflijk.

Nu rijk…

Om de middelvinger van mijn linkerhand zit al bijna 19 jaar het enige goud dat ik rijk ben. De trouwring van mijn vader. Of van m’n moeder, daar ben ik en mijn broers en zussen niet helemaal zeker van. Zestien jaar eerder namelijk, na het overlijden van mijn moeder, heeft mijn vader haar trouwring zorgvuldig bewaard. Bij die van hem zelf. In de loop van de tijd zijn de ringen als het ware naar elkaar toe gegroeid. In diameter ontliepen ze elkaar al nauwelijks. De inscripties aan de binnenkant waren door de tijd nagenoeg weggesleten. Uiteindelijk was er eigenlijk geen verschil meer. En sterker nog, toen mijn vader stierf bleek er nog maar één ring te zijn. Die heb ik nu om mijn vinger. Al bijna 19 jaar.

Niet dagelijks, maar toch heel vaak, voel ik aan die ring. Pak hem vast met de vingers van mijn rechterhand. Ik draai er regelmatig aan zonder na te denken. Of trek hem achteloos halverwege mijn middelvinger en laat hem dan weer terugglijden. Telkens weer. Meestal onbewust. Maar bij tijd en wijle ben ik me bewust van die handeling. Het draaien aan de ring associeer ik dan met de tijd waaraan ik als het ware draai. Ik word me bewust van het goud, dat meestal blinkt, maar dat ongetwijfeld niet altijd heeft gedaan. En ook naar de toekomst toe waarschijnlijk niet altijd zal blijven blinken. Maar het is mijn goud. Dat -ook al is het niet altijd- even goed toch heel vaak wél blinkt. De schittering van vroeger terughaalt naar het heden.

Is het dezelfde draaibeweging die mijn vader ook heeft gemaakt met de ring, vraag ik me af? Of mijn moeder? Keer op keer. Steeds opnieuw. Zoals ik het doe. En dachten zij toen ook, zo nu en dan, aan de tijd, voor of na elke omwenteling? Stonden zij er eveneens bij stil dat met elke omwenteling de inscripties dichter aan de oppervlakte komen? Per keer ongemerkt ondieper worden? Ongemerkt beetje bij beetje en meer en meer onzichtbaar worden? Om uiteindelijk onvermijdelijk zichtbaar weggesleten te zijn? Terwijl ik aan de ring draai, realiseer ik me die tegenstelling: Pas helemaal vervaagd lijken de inscripties steeds nadrukkelijker aanwezig.

De herinneringen worden letterlijk tastbaar als ik aan de ring draai. Ik voel de teruggedraaide tijd, maar ook, terwijl ik onnodig de andere kant op draai, de tijd die nog moet komen. Ik word me bewust van de wederkerigheid ervan. Waar het bij mij om draait, daar heeft het bij hen ook om gedraaid. Wat zij vroeger deden, heb ik ook gedaan of ga ik nog doen. Dezelfde gouden momenten heb ik beleefd of ga ik nog beleven. In het goud voel ik de verbondenheid met hen. De oneindige draaiing gaat dwars door de tijd. De ring verbindt wat er wás met het nu. En tegelijk het nú met wat nog gaat komen. Er is geen eind en geen begin aan mijn gouden ring. Herinnering wordt toekomstbeeld en droom wordt zomaar werkelijkheid. Mijn vaders ring van toen is mijn ring van nu en wordt straks misschien wel mijn zoons ring van later. Mijn vader, ik, mijn zoon. Of mijn dochter. Wie zal er straks draaien aan die ring?

Ja, het is niet allemáál goud wat er blinkt, maar héél veel wel. Een goed gevoel. Een goud gevoel.

Synchroniciteit? Synceroticiteit!

‘Rokjesdag maar dan in de kleuren van de herfst’, bedacht ze. Het was een hele warme dag in september. Een tegenstelling die tegelijk onwerkelijk als ook heel prettig aanvoelde. Ze liep door de winkelstraat en was zich aangenaam bewust van de blikken die haar volgden. Zonder te kijken wist ze waar men naar keek. En ze keek als het ware met hen mee. Ja, ze voelde bijna hun blikken over haar lijf glijden. Ze glimlachte.

De terrassen zaten vol en dat leek het gevoel van bekeken worden nog te versterken. Bewust bleef ze even staan voor een etalage. Ze genoot van haar eigen gedachten. Ze koesterde het gevoel van de blikken. Blikken waarvan ze zeker wist dat die nu op haar rustten. In de spiegeling van de etalageruit probeerde ze de gezichten te zien van hen die haar kant opkeken. Een warme wind streek langs haar wang.

Met één hand veegde ze een lok uit haar gezicht en met de andere hand trok ze schijnbaar achteloos aan de achterkant van haar korte rokje. Bijna in dezelfde beweging ging haar hand via haar bil omhoog. Ze voelde door de denim stof de contour van haar slip. Heel even, maar het raakte haar. Ze verbeelde zich dat het niet háár vingers waren die die gevoelssensatie teweeg brachten, maar dat één van de blikken achter haar een soort van Uri Geller-achtig effect op haar had. Zij was als het ware het lepeltje dat zou gaan buigen.

Ze slikte. In de etalage zag ze zichzelf -geprojecteerd leek het- over de mannelijke etalagepop, die -ontdaan van de zomercollectie- in afwachting was van de nieuwe herfstmode. Alsof ze geinteresseerd naar binnen keek, zag ze zichzelf staan, gespiegeld en iets voorover gebogen. Haar blouse viel wat open. Er streek een vlaag, nu wat frisse septemberwind, langs haar benen. Heel duidelijk associeerde ze dat gevoel met hetgeen haar fantasie haar zojuist had ingefluisterd. Ze voelde de blikken steeds sterker en die blikken deden iets met haar. Een tinteling.

Was het de blik van die wat oudere heer aan dat linkse tafeltje, die de kraag van haar blouse subtiel wat naar voren had getrokken? Ze keek mee met wat de man nu zou kunnen zien. Het kant van haar Marlies Dekkers BH zou hem zeker opvallen. De man zou zich afvragen of haar tangaslip van dezelfde stof en bordeauxrode kleur was. Misschien overlegde hij zelfs wel met de man aan het andere tafeltje. Ze zouden bewonderend vaststellen dat het setje perfect om haar rondingen sloot. Ze sloot even haar ogen.

Nog steeds leek de etalage haar volledige aandacht gevangen te hebben. Ze verzette een pas en in die beweging voelde ze de lingerie om haar lijf net een fractie vertraagd haar beweging volgen. Het leek een streling. Opnieuw niet onprettig. Heerlijk warm.

Hij had haar al van ver zien komen. Ze viel op in haar korte, blauwe rok, met haar lang blond, loshangend haar. ‘Zo nu en dan is in één keer een plaatje compleet’, bedacht hij. Dan klopt alles en lijkt het gelegitimeerd om die perfectie als het ware te omarmen. Van een afstand en met de ogen dan toch. Hij genoot en voelde haar aanwezigheid op zijn netvlies. Het was een warme dag in september. Bijna herfst, maar de dertig graden deden in niets vermoeden dat het zomerseizoen zo goed als ten einde was. Integendeel. Het leek wel Rokjesdag, had hij al tevreden vastgesteld, vanaf zijn vaste stek op het terras.

De blondine stond nu stil voor een etalage. De septemberwind streelde haar. Het viel hem op dat hij niet de enige was die naar haar keek. Een glimlach verscheen om zijn lippen. Hij stelde zich voor dat zij ook naar hen keek, in de etalage. Hoe zou ze dat vinden, zoveel blikken op haar gericht? Blikken die haar bijna ontkleedden, leek het wel. Hij slikte. Haar hand ging naar haar rokje. Een kort rukje gaf ze, met als enige effect dat zijn aandacht volledig gefocust was op de plek van waar haar hand eigenlijk meteen weer naar boven ging.

‘Alsof ze zichzelf aait’, dacht hij. Een paar keer maakte hij met zijn ogen de beweging die haar hand zojuist gemaakt had. ‘Zou je door zo’n rokje de contouren van haar slip kunnen voelen’, vroeg hij zich af? ‘Had ze die überhaupt wel aan’, liet hij zijn fantasie de vrije loop en nam een slok van zijn Verboden Vrucht. Ze bukte wat voorover en tegelijk zag hij dat zijn buurman, -een gedistingeerde heer op leeftijd-, wat ging verzitten. Ze keken elkaar aan en gaven elkaar een kort begrijpend knikje.

Zijn blik tastte de rest van haar lichaam af. De wind bewoog haar blouse en deed de stof wat opwaaien. In gedachten verplaatste hij zich in de etalagepop en stelde zich voor wat hij nu zou kunnen zien. Haar BH? Bordeauxrood, net als haar slip? Het was een fraai beeld dat hij zag. Welvend mooi ging de stof strak over haar lijf. Een beeld dat hij even vasthield toen zij plotseling een pas verzette.

Hij schrok maar voelde zich vreemd genoeg niet betrapt. Hij had de stof vast mogen houden met zijn ogen, maar ook meteen losgelaten toen zij bewoog. Het was een fijn gevoel. Warm. Z’n ogen stuurden die warmte naar zijn handen. De warmte van de zomer vermengde zich met de melancholie van de herfst. Vleugjes bordeauxrood. Een heerlijke combi. Rokjesdag in september. Een kort moment sloot hij zijn ogen. Toen hij weer opkeek, was zij verder gelopen. Hij kuste zijn glas en nam nog een slokje.